< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verzoek naturalisatie afgewezen in verband met artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag . Verweerder heeft besluit gebaseerd op ambtsbericht 29 februari 2000 inzake Afghaanse veiligheidsdiensten KhAD en WAD. In hetgeen eiser heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van dat ambtsbericht. Verder betreft de verlening van Nederlanderschap een zelfstandige beoordeling, zodat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag in die beoordeling kan worden betrokken.

Uitspraak



RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 3494

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 juli 2012

in de zaak van:

[naam eiser]

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2007 heeft verweerder het verzoek van eiser tot naturalisatie afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 11 januari 2008 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 5 augustus 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 5 september 2008 beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 16 april 2009 (AWB 08-5978) heeft deze rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde hoger beroep is ingetrokken, omdat verweerder het besluit van 5 augustus 2008 heeft ingetrokken.

Bij besluit van 8 juni 2010 heeft verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 12 juli 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 24 mei 2011, alwaar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. G.M.H. Hoogvliet, voormalig kantoorgenoot van gemachtigde.

Bij tussenbeslissing heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het beroep aangehouden in afwachting van een relevante uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht van 29 februari 2000 inzake Afghaanse veiligheidsdiensten in de periode 1978-1992.

Bij brieven van 15 mei 2012 en 12 juni 2012 hebben verweerder en eiser gereageerd op de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2012 (LJN: BW4347). Nadat partijen daartoe toestemming hebben verleend heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de uitspraakdatum bepaald op heden.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), wordt het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de artikelen 7 en 8 afgewezen indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk.

2.2 Volgens de toelichting op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN in de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) wordt een verzoek om naturalisatie wegens gevaar voor de openbare orde onder meer afgewezen, indien er ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967 (hierna: het Vluchtelingenverdrag) van toepassing is. Het is in het belang van de Nederlandse Staat dat het Nederlanderschap niet wordt verleend aan een persoon ten aanzien van wie zeker is dan wel ernstige redenen bestaan te veronderstellen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan ernstige misdrijven of handelingen als genoemd in die bepaling. Behalve maatschappelijke onwenselijkheid en het internationale aanzien van Nederland is ook de positie van de slachtoffers van personen afkomstig uit hetzelfde land die hier te lande bescherming hebben gevonden in het geding.

In beginsel wordt een vreemdeling op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is niet in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt de vreemdeling om redenen van disproportionaliteit op aanvraag in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier van tijdelijke aard. Vanwege het tijdelijke karakter van het verblijfsrecht is verlening van het Nederlanderschap in die gevallen niet mogelijk. Niettemin kan het voor komen dat een vreemdeling op wie artikel 1(F) van toepassing is, in het bezit is van een verblijfsvergunning (asiel of regulier) met een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard, waarop naturalisatie in beginsel wél mogelijk is. Bijvoorbeeld als informatie die leidt tot het vermoeden dat de vreemdeling de in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag genoemde misdrijven of handelingen heeft begaan, pas na verlening van een verblijfsvergunning bekend wordt. Het is dan niet altijd meer mogelijk het verblijfsrecht te beëindigen. In dat geval wordt een aanvraag tot het verlenen van het Nederlanderschap afgewezen, aldus de Handleiding.

In paragraaf 2 van de Handleiding bij de toelichting op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a van de RWN, staat dat de conclusie dat een vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoel in artikel 1(F) in ieder geval aan de orde is bij:

- Een Nederlandse onherroepelijke (strafrechtelijke) veroordeling ter zake artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag. Is hiervan sprake dan blijft de rehabilitatietermijn gelet op de te beschermen belangen buiten toepassing. Dat betekent dat het vonnis altijd en zonder tijdslimiet leidt tot afwijzing van het naturalisatieverzoek.

- Een openstaande strafzaak inzake artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag.

- Een beschikking inzake het verblijfsrecht waarin gemotiveerd is overwogen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat sprake is van gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag. Het hoeft daarbij niet om een recente beschikking te gaan.

- Indien dit uit de door IND verricht onderzoek blijkt maar niet heeft geleid tot consequenties voor het verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard.

2.3 In het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek om naturalisatie afgewezen, omdat verweerder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing acht. Verweerder wijst op de door eiser afgelegde verklaringen waaruit blijkt dat hij in 1987 in dienst is gegaan als tweede luitenant bij de Staatsveiligheidsdienst (KhAD) en daaropvolgend in 1988, is bevorderd tot eerste luitenant. Daarna is eiser commandant geworden bij hetzelfde bataljon. Begin 1989 is eiser overgeplaatst naar een ander bataljon, waar hij de functie van commandant heeft behouden. In 1990 werd eiser bevorderd tot junior kapitein en vervolgens in 1992 tot senior kapitein. Deze functie heeft eiser bekleed tot 20 dagen voor de komst van de Mudjaheddin op 28 april 1992. Daarnaast is eiser in 1987 lid geworden van de Democratische Volkspartij van Afghanistan (DVPA). Verweerder wijst op de brief van de Staatssecretaris van Justitie aan de Tweede Kamer van 3 april 2000 en het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000 over de Afghaanse Veiligheidsdiensten in de periode 1978-1992 (hierna: het ambtsbericht). Blijkens deze stukken worden de KhAD en de WAD aangemerkt als organisaties waarvan aan onderofficieren en officieren in de regel artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag zal worden tegengeworpen. Verweerder neemt op grond van genoemd ambtsbericht in combinatie met eisers verklaringen knowing en personal participation met betrekking tot foltering, buitengerechtelijke detentie en buitengerechtelijke executies aan. Het naturalisatieverzoek is vervolgens vanwege tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag afgewezen, welk besluit bij het bestreden besluit van 8 juni 2010 is gehandhaafd.

2.4 Eiser heeft allereerst betoogd dat het beleid, althans de op 1 januari 2010 in werking getreden paragraaf 2/9-2, niet van toepassing kan worden geacht op deze procedure. Zijn verzoek om naturalisatie dateert van 4 januari 2007 en verweerder heeft dan ook ten onrechte met terugwerkende kracht voornoemde paragraaf uit de Handleiding toegepast, aldus eiser.

2.5 Voorop gesteld moet worden dat een nieuw besluit op bezwaar genomen moet worden op basis van het recht zoals dat geldt, en de feiten of omstandigheden zoals die zijn op het tijdstip waarop het besluit op het bezwaar wordt genomen. De rechtszekerheid kan echter met zich brengen, dat in bijzondere gevallen aanleiding bestaat van deze hoofdregel af te wijken. Zo kan de rechtszekerheid met zich brengen dat toch nog aan het vervangen beleid moet worden getoetst, wanneer dat voor de belanghebbende duidelijk gunstiger is.

2.6 De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat een naturalisatieverzoek ook onder het voorgaande beleid op grond van de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag kon worden afgewezen, ook al was deze mogelijkheid niet expliciet uitgewerkt in de Handleiding. De wijziging van het beleid kan daarom niet als ongunstiger voor eiser worden aangemerkt, zodat verweerder dit beleid aan zijn nieuwe beslissing op bezwaar ten grondslag heeft kunnen leggen.

2.7 Eiser heeft voorts aangevoerd dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag hem thans niet in de naturalisatieprocedure kan worden tegengeworpen, nu in vreemdelingrechtelijke zin niet onherroepelijk is komen vast te staan dat verweerder terecht artikel 1(F) heeft tegengeworpen. Nu artikel 1(F) niet heeft geleid tot de intrekking van zijn verblijfsvergunning, kan dit niet alsnog in het kader van de beslissing op het naturalisatieverzoek worden tegengeworpen, aldus eiser.

2.8 Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2012 (LJN: BW1611) houdt de verlening van het Nederlanderschap een zelfstandige beoordeling in. In de Handleiding is vermeld dat de conclusie dat een vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) in ieder geval aan de orde is indien dit uit door de IND verricht onderzoek blijkt maar niet heeft geleid tot consequenties voor het verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard. Verweerder heeft de conclusie dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) in dit geval gebaseerd op een door de IND ingesteld onderzoek. Ook is in de Handleiding vermeld dat in geval aan een verzoeker een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is verleend maar op hem artikel 1(F) van toepassing is, een aanvraag tot het verlenen van Nederlanderschap wordt afgewezen.

2.9 Gelet op de zelfstandige beoordeling die verweerder in het kader van een verzoek om naturalisatie maakt, is derhalve niet van belang dat vreemdelingrechtelijk niet onherroepelijk is komen vast te staan dat artikel 1(F) op eiser van toepassing is en dat eiser beschikt over een verblijfstitel van niet-tijdelijke aard. Uit het aangehaalde beleid volgt nu juist dat met deze situatie rekening is gehouden. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.10 Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat uit zijn gedrag in het heden en recent verleden niet kan worden afgeleid dat hij in de toekomst een gevaar voor de openbare orde zou kunnen zijn. De periode van 1987 tot en met 1992 behoort niet tot het recente verleden volgens eiser. In dit verband heeft eiser gewezen op het bepaalde in paragraaf 1 van de in de Handleiding gegeven toelichting op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN.

2.11 Het betoog van eiser dat verweerder bij tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag uitsluitend gedragingen die in het recente verlenen hebben plaatsgevonden kan betrekken, faalt. Paragraaf 1 van de in de Handleiding gegeven toelichting op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN omvat het algemene openbare-ordebeleid. Dat het bij de tegenwerping van artikel 1(F) niet hoeft te gaan om gedragingen die in het recente verleden hebben plaatsgevonden, blijkt onder meer uit het hierboven aangehaalde beleid, waarin is vermeld dat de conclusie dat de verzoeker zich aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) heeft schuldig gemaakt aan de orde is bij een beschikking inzake het verblijfsrecht waarin gemotiveerd is overwogen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat sprake is van dergelijke gedragingen en dat het geen recente beschikking hoeft te zijn. De rechtbank wijst in dit verband op rechtsoverweging 2.5.1 van voornoemde uitspraak van de Afdeling van 11 april 2012.

2.12 Voorts heeft eiser aangevoerd dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag hem niet op basis van het ambtsbericht kan worden tegengeworpen, nu er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van dit ambtsbericht. Eiser heeft in dit verband gewezen op de “Note on the Structure and Operation of the Khad/WAD in Afghanistan 1978-1992”van de UNHCR (de UNHCR-notitie) van 13 mei 2008. Verder heeft eiser gewezen op uitspraken van diverse rechtbanken waarin is geoordeeld dat voor de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet kon worden volstaan met een verwijzing naar het ambtsbericht.

2.13 In artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is bepaald dat de in het Vluchtelingenverdrag neergelegde bepalingen niet van toepassing zijn op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a) hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b) hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c) hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de verenigde naties.

2.14 De Afdeling heeft in de - door de rechtbank aan partijen toegestuurde- uitspraak van 13 april 2012 (LJN: BW4347) geoordeeld dat in de UNHCR-notitie van 13 mei 2008, gelezen in samenhang met de brieven van UNHCR van 9 juli 2009 en 4 oktober 2010, geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht. Redengevend daartoe is – kort gezegd – dat de informatie in de UNHCR-notitie is gebaseerd op bronnen waarvan niet inzichtelijk is of deze kunnen worden gekwalificeerd als objectief, onafhankelijk en betrouwbaar. De in de brief van 9 juli 2009 genoemde vier Russische experts hebben voorts niet als bron gefungeerd voor de UNHCR-notitie en zij hebben geen informatie verschaft over de roulatie- en bevorderingssystematiek voor (onder)officieren binnen de KhAD/WAD. De brief van 4 oktober 2010 maakt evenmin inzichtelijk in hoeverre de aan de UNHCR-notitie ten grondslag gelegde bronnen objectief, onafhankelijk en betrouwbaar kunnen worden geacht.

2.15 Uit het vorenstaande volgt dat verweerder het ambtsbericht aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Op grond van het ambtsbericht heeft verweerder terecht artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan eiser tegengeworpen. Daartoe acht de rechtbank redengevend dat eiser heeft verklaard dat hij binnen de KhAD/WAD diverse hoge functies heeft bekleed, zodat op grond van het ambtsbericht moet worden aangenomen dat eiser persoonlijk betrokken is geweest bij martelingen, buitengerechtelijke executies en andere ernstige schendingen van de mensenrechten. Verweerder heeft voorts terecht knowing participation aangenomen, nu eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij niets wist van het misdadige karakter van de KhAD/WAD. Daarnaast heeft verweerder personal participation kunnen aannemen, omdat eiser niet heeft kunnen aantonen dat hij, in weerwil van zijn positie als officier binnen de KhAD/WAD, niet zelf de genoemde misdrijven heeft gepleegd of heeft doen plegen, dan wel zijn handelen en/of nalaten het plegen van deze misdrijven niet mogelijk heeft gemaakt. Voorts, in reactie op het beroep op artikel 12, tweede lid, van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (de Definitierichtlijn), heeft eiser geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat voor hem de bevindingen van het ambtsbericht niet gelden.

2.16 Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter van de meervoudige kamer, en mr. G. Guinau en mr. drs. L. Beijen, leden, in tegenwoordigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2012.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature