Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 21 oktober 2010 heeft de staatssecretaris de gezamenlijke rangschikking van landgoed 'De Vijverhof' met ingang van 6 mei 2009 ingetrokken en een aanvraag van [appellant] om hernieuwde rangschikking ervan afgewezen.

Uitspraak



201113381/1/A2.

Datum uitspraak: 11 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te Oud Zuilen, gemeente Stichtse Vecht, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 november 2011 in zaak nr. 11/1609 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de minister van Financiën (thans onderscheidenlijk: de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en die van Financiën; hierna: de staatssecretaris).

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2010 heeft de staatssecretaris de gezamenlijke rangschikking van landgoed 'De Vijverhof' met ingang van 6 mei 2009 ingetrokken en een aanvraag van [appellant] om hernieuwde rangschikking ervan afgewezen.

Bij besluit van 21 april 2011 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 november 2011, verzonden op 22 november 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 januari 2012.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2012, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. E.F. Berkhemer, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. S.G.A. Peeters, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) moet het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, worden verzekerd, zonder enig onderscheid, op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Natuurschoonwet 1928 (hierna: Nsw), wordt in deze wet onder landgoed verstaan: een in Nederland gelegen, geheel of gedeeltelijk met natuurterreinen, bossen of andere houtopstanden bezette onroerende zaak - daaronder begrepen die waarop een buitenplaats of andere, bij het karakter van het landgoed passende, opstallen voorkomen - voor zover het blijven voortbestaan van die onroerende zaak in zijn karakteristieke verschijningsvorm voor het behoud van het natuurschoon wenselijk is.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld inzake de vereisten, waaraan een onroerende zaak moet voldoen om als landgoed te kunnen worden aangemerkt. Die vereisten betreffen volgens die bepaling onder meer de oppervlakte ervan, waarbij mede in aanmerking kan worden genomen die van één aangrenzende onroerende zaak die als een landgoed is aangemerkt of gelijktijdig met de eerstbedoelde onroerende zaak als een landgoed wordt aangemerkt, indien tussen de beide een nauwe historische band bestaat.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 (hierna: het Rangschikkingsbesluit) dient een onroerende zaak, om als een landgoed te kunnen worden aangemerkt, te voldoen aan onder meer het vereiste dat de oppervlakte ervan ten minste 5 hectare bedraagt.

Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, is die bepaling niet van toepassing op een onroerende zaak met een oppervlakte van minder dan vijf hectare, doch groter dan één hectare, indien deze aan een onroerende zaak die als landgoed is aangemerkt grenst en de oppervlakte van beide onroerende zaken gezamenlijk ten minste vijf hectare bedraagt, of de onroerende zaak met één aangrenzende nog niet als landgoed aangemerkte onroerende zaak, gezamenlijk een oppervlakte van ten minste vijf hectare heeft.

2.2. [appellant] beschikt over een aantal aaneengesloten percelen met een gezamenlijke oppervlakte van 4.54.27 hectare. Aangrenzend aan die percelen liggen die van [eigenaar], die gezamenlijk 00.92.35 hectare groot zijn. De totale oppervlakte van die percelen bedraagt aldus 5.46.62 hectare. Ten tijde van de aanvraag van 6 mei 2009 waren de percelen gezamenlijk onder de Nsw gerangschikt als landgoed 'De Vijverhof'.

Aan het besluit van 21 april 2011 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat de percelen van [appellant] en [eigenaar] weliswaar gezamenlijk groter zijn dan vijf hectare, maar dat van [eigenaar] kleiner is dan één. Om die reden moet de aanvraag ingevolge artikel 3, aanhef en onder a, van het Rangschikkingsbesluit worden afgewezen, aldus de staatssecretaris.

2.3. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat niet elk van de onroerende zaken afzonderlijk groter dan één hectare hoeft te zijn om het als landgoed voor rangschikking in aanmerking te kunnen brengen. De percelen van [appellant] en van [eigenaar] voldoen elk niet aan de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Rangschikkingsbesluit gestelde oppervlakte-eis van minimaal vijf hectare. Om gezamenlijk als landgoed te kunnen worden aangemerkt, dienen de percelen ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van het Rangschikkingsbesluit aangrenzend te zijn, gezamenlijk groter dan vijf hectare en elk afzonderlijk groter dan één. Dit laatste volgt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, uit het ook in die bepaling gestelde vereiste dat de onroerende zaak, waarmee samenwerking wordt gezocht, als landgoed is, dan wel zal worden aangemerkt. Aan die eis voldoet het perceel van [eigenaar] niet, nu het niet als landgoed is aangemerkt en vanwege de oppervlakte van minder dan één hectare niet kan worden aangemerkt. Dat leidt ertoe dat de percelen van [appellant] en [eigenaar] niet gezamenlijk als landgoed in de zin van de Nsw kunnen worden aangemerkt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat toepassing van het vereiste van een minimale oppervlakte van groter dan één hectare strijd oplevert met artikel 14 van het EVRM . Daartoe voert hij aan dat er geen rechtvaardiging voor is om de twee onroerende zaken van hem en [eigenaar], met een gezamenlijke grootte van meer dan vijf hectare, anders te behandelen dan twee onroerende zaken van twee, onderscheidenlijk drie hectare, die tezamen ook vijf hectare groot zijn.

2.4.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van het Rangschikkingsbesluit (nota van toelichting, blz. 9; Stb. 2007, 162) valt af te leiden dat met deze bepaling beoogd is om een einde te maken aan de tot dan toe bestaande mogelijkheid om onroerende zaken die zelfstandig niet aan de voor rangschikking gestelde eisen voldoen bij één beschikking tezamen met een andere onroerende zaak te rangschikken, in geval die zaken gezamenlijk wel aan de voor rangschikking gestelde eisen voldoen. Dit had tot onwenselijk geacht gevolg dat veel kleine percelen die zelf niet bijdroegen tot het natuurschoon toch de fiscale faciliteiten genoten die bedoeld zijn voor gerangschikte landgoederen. Dit systeem werkte oneigenlijk gebruik van de NSW in de hand en is met de wetswijziging, waaruit artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, voortvloeit, verlaten, aldus de nota van toelichting. Het onderscheid dat thans wordt gemaakt tussen percelen groter dan één hectare en die van één hectare en kleiner, berust aldus op een objectieve en redelijke grond en is voorts niet onevenredig in verhouding tot het ermee te dienen doel. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012

47-705.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature