< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Niet in geschil is dat de Nederlandse wetgever de Terugkeerrichtlijn niet vóór het verstrijken van de omzettingstermijn op 24 december 2010 in de nationale wetgeving had geïmplementeerd. Dat betekent dat art. 10, lid 2 van die richtlijn ten tijde van het besluit van 19 augustus 2010 nog niet was geïmplementeerd in het VV 2000, zoals in de memorie van toelichting is aangekondigd. Mitsdien moet worden aangenomen dat de minister in voormeld besluit, waarbij hij - na toetsing aan de ter zake geldende nationale wetgeving - heeft geweigerd de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling te verlenen, niet het recht van de Unie ten uitvoer heeft gebracht. De zaak valt derhalve niet binnen de materiële werkingssfeer van het Handvest, zodat de Rb., anders dan de vreemdeling betoogt, art. 24 van het Handvest terecht niet heeft betrokken bij de beoordeling van het besluit van 19 augustus 2010.

Uitspraak



201100248/1/V2.

Datum uitspraak: 4 juli 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1.de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister),

2.(de vreemdeling),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 24 december 2010 in zaak nr. 10/29282 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister.

1.Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, alsmede geweigerd om haar ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 24 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de minister (thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 6 januari 2011, en de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 januari 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2.Overwegingen

2.1.In de overwegingen wordt onder de minister tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2.Naar aanleiding van hetgeen de minister en de vreemdeling over de ontvankelijkheid van hun hoger beroepen hebben aangevoerd, overweegt de Afdeling als volgt.

2.2.1.Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift in afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vier weken.

Ingevolge het tweede lid bedraagt de beroepstermijn, in afwijking van het eerste lid, één week, indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 , is afgewezen binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal dagen, dat niet de dagen omvat die gemoeid zijn met het aan de asielaanvraag voorafgaande onderzoek naar de identiteit, vingerafdrukken en nationaliteit van de vreemdeling, naar de bij hem aangetroffen of door hem overgelegde documenten en bescheiden, dan wel naar de vraag of artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, kan worden toegepast.

2.2.2.Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2002 in zaak nr. 200200850/1 (AB 2002, 197), strekt voormeld artikel 69, tweede lid, van de Vw 2000 ertoe dat, indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd binnen de algemene asielprocedure is afgewezen, zoals in dit geval, de beroepstermijn wordt verkort tot één week.

2.2.3.De aangevallen uitspraak is verzonden op 24 december 2010, zodat de termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift ingevolge het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, is aangevan gen op 25 december 2010 en, gelet op artikel 69, tweede lid, van de Vw 2000 , gelezen in samenhang met de artikelen 1, eerste lid, en 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet , is ge ëindigd op 3 januari 2011.

2.2.4.De minister en de vreemdeling hebben hun hogerberoepschriften derhalve niet tijdig ingediend. Echter, aan de aangevallen uitspraak is een rechtsmiddelenvoorlichting toegevoegd, waarin een termijn van vier weken is vermeld. Nu de hoger beroepen binnen de aldus vermelde termijn zijn ingesteld, kan, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 juli 2003 in zaak nr. 200303647/1, JV 2003/371), redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat de minister en de vreemdeling in verzuim zijn geweest.

In het hoger beroep van de vreemdeling

2.3.De vreemdeling klaagt in de eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de door haar ingebrachte informatie niet kan worden afgeleid dat er in Balad, gelegen in de provincie Middle Shabelle in Somalië, sprake is van de uitzonderlijke situatie, bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000 . Ter toelichting op de grief verwijst de vreemdeling, voor zover thans van belang, naar de door de President van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op 7 januari 2011 getroffen "interim measures" in zaken nrs. 75170/10 en 73790/10 en de naar aanleiding daarvan door de minister opgestelde brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 13 januari 2011 (Kamerstukken II, 2010/11, 19 637, nr. 1391).

2.3.1.De Afdeling heeft eerder (uitspraak van 9 september 2010 in zaak nr. 200908517/1/V2, www.raadvanstate.nl) overwogen dat de staatssecretaris van Justitie in het daarin aan de orde zijnde besluit deugdelijk heeft gemotiveerd dat de mate van willekeurig geweld in de provincie Middle Shabelle ten tijde voor de desbetreffende vreemdeling van belang niet dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat hij, louter door zijn aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico liep op ernstige schade, bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000 .

2.3.2.Niet in geschil is dat de vreemdeling afkomstig is uit de provincie Middle Shabelle. Nu uit de door de vreemdeling in beroep ingeroepen stukken niet is af te leiden dat de situatie in Middle Shabelle ten tijde van voor haar van belang wezenlijk afweek van de situatie in de periode die in de hiervoor onder 2.3.1 vermelde uitspraak van 9 september 2010 aan de orde was, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat zij aan 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000 geen aanspraak op bescherming kan ontlenen.

De door de vreemdeling in hoger beroep ingeroepen "interim measures" en brief van de minister dateren van ná de aangevallen uitspraak en de inhoud ervan ziet op de periode van ná de aangevallen uitspraak. Nu de aangevallen uitspraak ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 dwingend als object van hoger beroep is aangewezen, kunnen deze niet bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken.

De eerste grief faalt.

2.4.De vreemdeling betoogt in de derde grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar beroep op artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 niet kan slagen en dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het in paragraaf B14/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) neergelegde beleid niet op haar van toepassing is, omdat haar moeder zich reeds in Nederland bevindt en zij derhalve niet als alleenstaande minderjarige vreemdeling kan worden aangemerkt. Onder verwijzing naar artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) voert de vreemdeling daartoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de bescherming van minderjarigen niet louter in dat beleid is geregeld.

2.4.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: het VEU) erkent de Unie de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgesteld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000, als aangepast op 12 december 2007 te Straatsburg, dat dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft. De bepalingen van het Handvest houden geenszins een verruiming in van de bevoegdheden van de Unie zoals bepaald bij de Verdragen. De rechten, vrijheden en beginselen van het Handvest worden uitgelegd overeenkomstig de algemene bepalingen van titel VII van het Handvest betreffende de uitlegging en toepassing ervan, waarbij de in het Handvest bedoelde toelichtingen, waarin de bronnen van deze bepalingen vermeld zijn, terdege in acht worden genomen.

2.4.2.Ingevolge artikel 24, tweede lid, van het Handvest vormen bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind een essentiële overweging.

2.4.3.Ingevolge artikel 51, eerste lid, van het Handvest, voor zover thans van belang, zijn de bepalingen van het Handvest gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten.

Ingevolge het tweede lid breidt het Handvest het toepassingsgebied van het recht van de Unie niet verder uit dan de bevoegdheden van de Unie reiken, schept geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Unie, noch wijzigt het de in de Verdragen omschreven bevoegdheden en taken.

2.4.4.Ingevolge artikel 10, tweede lid, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn) overtuigen de autoriteiten van een lidstaat, voordat zij een niet-begeleide minderjarige van hun grondgebied verwijderen, zich ervan dat die minderjarige wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of naar adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, voor zover thans van belang, doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 24 december 2010 aan de Terugkeerrichtlijn te voldoen.

Blijkens de memorie van toelichting bij het voorstel van wet tot wijziging van de Vw 2000 ter implementatie van de Terugkeerrichtlijn (Kamerstukken II, 2009/10, 32 420, nr. 3, blz. 23) wordt artikel 10, tweede lid, geïmplementeerd door middel van bestaande regelgeving, te weten het beleid ten aanzien van alleenstaande minderjarige vreemdelingen en paragraaf A4/6.1 van de Vc 2000. Daarbij is vermeld dat het artikel wordt ge ïmplementeerd in het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: het VV 2000), waarbij beleidsregels worden verheven tot algemeen verbindende voorschriften.

2.4.5.Zoals volgt uit hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 1 december 2010 in zaak nr. 201003052/1/V3; www.raadvanstate.nl), is het Handvest juridisch bindend geworden met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009. Gelet op artikel 51, eerste lid, van het Handvest, is het Handvest gericht tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Het besluit van de minister dateert van 19 augustus 2010.

2.4.6.Niet in geschil is dat de Nederlandse wetgever de Terugkeerrichtlijn niet vóór het verstrijken van de omzettingstermijn op 24 december 2010 in de nationale wetgeving had geïmplementeerd. Dat betekent dat artikel 10, tweede lid, van die richtlijn ten tijde van het besluit van 19 augustus 2010 nog niet was ge ïmplementeerd in het VV 2000, zoals in de memorie van toelichting is aangekondigd. Mitsdien moet worden aangenomen dat de minister in voormeld besluit, waarbij hij - na toetsing aan de ter zake geldende nationale wetgeving - heeft geweigerd de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling te verlenen, niet het recht van de Unie ten uitvoer heeft gebracht. De zaak valt derhalve niet binnen de materiële werkingssfeer van het Handvest, zodat de rechtbank, anders dan de vreemdeling betoogt, artikel 24 van het Handvest terecht niet heeft betrokken bij de beoordeling van het besluit van 19 augustus 2010.

2.4.7.Nu niet in geschil is dat de moeder van de vreemdeling zich reeds in Nederland bevindt en de vreemdeling om die reden volgens paragraaf B14/2.2.2 van de Vc 2000 niet als alleenstaand kan worden aangemerkt, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het in paragraaf B14/2 van de Vc 2000 neergelegde beleid, dat ziet op de bevoegdheid van de minister om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling te verlenen, niet op haar van toepassing is en dat de minister de vreemdeling terecht geen verblijfsvergunning op voet van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 heeft verleend.

De derde grief faalt.

2.5.Hetgeen voor het overige in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000 , met dat oordeel volstaan.

2.6.Het hoger beroep is kennelijk ongegrond.

In het hoger beroep van de minister

2.7.De minister betoogt in grief 1 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vreemdeling bij terugkeer naar haar land van herkomst geen reëel risico loopt te worden onderworpen aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Door aldus te overwegen, heeft de rechtbank volgens de minister niet onderkend dat het op de weg van de vreemdeling ligt om aannemelijk te maken dat zij bij terugkeer naar Somalië zodanig risico loopt en dat zij daarin, met haar enkele stelling dat zij vreest voor haar oom en voor eerwraak als gevolg van haar in Somalië gesloten huwelijk, niet is geslaagd.

2.7.1.Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.7.2.In het voornemen van 17 augustus 2010, dat is ingelast in het besluit van 19 augustus 2010, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling, naar zij heeft verklaard, nooit problemen heeft ondervonden vanwege haar geloof of nationaliteit, nooit lid is geweest van, dan wel actief is geweest voor enige politieke of maatschappelijke organisatie en nimmer is gearresteerd of gedetineerd. Ten aanzien van de verklaring van de vreemdeling dat zij in haar land van herkomst vanwege haar etnische afkomst werd gediscrimineerd, is in het voornemen overwogen dat zij deze stelling niet nader heeft geconcretiseerd, nu zij louter heeft verklaard door vreemden te zijn uitgescholden en nooit vanwege haar etniciteit fysiek te zijn aangevallen. Naar aanleiding van haar verklaring dat zij werd lastiggevallen door Al-Shabaab heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat uit het asielrelaas van de vreemdeling blijkt dat zij geen persoonlijke problemen heeft ondervonden van de zijde van Al-Shabaab en dat haar verklaring ziet op de algemene situatie in Somalië. Voor zover de vreemdeling een beroep heeft gedaan op die algemene situatie is in het voornemen overwogen dat dat op zichzelf onvoldoende is om vluchtelingschap aan te nemen en dat niet is gebleken dat de vreemdeling haar persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die haar vrees voor vervolging rechtvaardigen, aldus de minister.

Met betrekking tot de door de vreemdeling gestelde vrees voor haar oom en voor eerwraak, omdat zij zonder toestemming is gehuwd en kinderen heeft gekregen, alsmede haar stelling dat zij in Somalië geen familie heeft, heeft de minister zich in het voornemen op het standpunt gesteld dat dit op zichzelf onvoldoende zwaarwegend is om te concluderen dat zij bij terugkeer naar haar land van herkomst zal worden onderworpen aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Bovendien kan, blijkens hetgeen inzake vluchtelingschap is overwogen, niet worden aangenomen dat de vreemdeling bij terugkeer naar haar land van herkomst om enigerlei reden de bijzondere aandacht van de autoriteiten van Somalië, of van groeperingen, waartegen die autoriteiten geen bescherming kunnen of willen bieden, heeft te verwachten. De minister acht dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de vreemdeling gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging dan wel bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. In het besluit van 19 augustus 2010 heeft de minister zich voorts op het standpunt gesteld dat hetgeen de vreemdeling in haar zienswijze over de gestelde vrees voor haar oom heeft aangevoerd niet tot een ander oordeel leidt, nu het aldus aangevoerde reeds in het voornemen is betrokken. Daarbij heeft hij meegewogen dat de vreemdeling in Somalië niet als alleenstaand wordt aangemerkt, nu zij aldaar een beroep kan doen op haar echtgenoot en diens familie.

2.7.3.Het is, zoals de minister terecht betoogt, aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat zij gegronde reden heeft om aan te nemen dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Evenals bij het aannemelijk maken van vluchtelingschap vergt dit in beginsel dat door de vreemdeling wordt onderbouwd waarom zij persoonlijk in de bijzondere negatieve aandacht staat.

2.7.4.De rechtbank is de minister gevolgd in zijn standpunt dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij gegronde reden heeft om voor vervolging te vrezen. Aangezien de vreemdeling tegen dat oordeel niet in hoger beroep is gekomen, dient thans van de juistheid van dat oordeel te worden uitgegaan. De gronden voor dat oordeel zijn ook dragend voor de conclusie dat hetgeen door de vreemdeling in haar asielrelaas is gesteld van onvoldoende gewicht is om aan te nemen dat zij bij uitzetting in haar land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Nu de vreemdeling, zoals de minister ook ter toelichting op de grief betoogt, niet nader heeft geconcretiseerd waarom zij, vanwege haar in Somalië gesloten huwelijk, heeft te vrezen voor haar oom, heeft de minister in het besluit, onder verwijzing naar hetgeen is overwogen omtrent het gestelde vluchtelingschap van de vreemdeling, in voldoende mate gemotiveerd dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar haar land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Grief 1 slaagt.

2.8.In grief 2 betoogt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het in Somalië gesloten huwelijk van de vreemdeling op grond van artikel 6 van de Wet conflictenrecht huwelijk in Nederland niet wordt erkend en dat zij altijd tot het gezin van haar moeder is blijven behoren. Door aldus te overwegen, heeft de rechtbank niet onderkend dat voor de beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 dient te worden uitgegaan van de feitelijke situatie ten tijde van het vertrek uit het land van herkomst van diegene bij wie verblijf in Nederland wordt beoogd. Bij die beoordeling is niet van belang of een in het land van herkomst gesloten huwelijk in Nederland al dan niet rechtsgeldig is. Nu niet in geschil is dat de vreemdeling in december 2008 traditioneel is gehuwd en zij voorts twee kinderen heeft gekregen, heeft de vreemdeling een eigen gezin gevormd en voldeed zij ten tijde van het vertrek van haar moeder uit Somalië niet aan het in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 neergelegde vereiste dat zij feitelijk dient te behoren tot het gezin van degene bij wie verblijf in Nederland wordt beoogd, aldus de minister.

2.8.1.Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de

Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, worden verleend aan de vreemdeling die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, die dezelfde nationaliteit heeft als die vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd, dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, is verleend.

Volgens paragraaf C2/6.2 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, dienen de gezinsleden, om voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 in aanmerking te komen, tot aan het vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst feitelijk te hebben behoord tot diens gezin. Biologische kinderen (minderjarig en meerderjarig) behoren niet langer tot het gezin van de hoofdpersoon, indien de gezinsband als verbroken kan worden beschouwd. Dit doet zich in elk geval voor, indien het kind een eigen gezin heeft gevormd, doordat het is gehuwd of een relatie is aangegaan. Daarbij is toegelicht dat het moet gaan om een huwelijk of partnerschap dat reeds bestond toen beide echtgenoten nog in het buitenland verbleven. Een traditioneel huwelijk wordt gelijkgesteld met een partnerschap. Voorts is in het beleid vermeld dat de omstandigheid dat door betrokkenen in het buitenland ook daadwerkelijk is samengewoond een belangrijke indicatie is om vast te stellen dat er ook feitelijk sprake is van een gezinsband, maar dat het niet hebben samengewoond geen absolute afwijzingsgrond is. In dat geval moet wel sprake zijn van een aannemelijke verklaring voor de omstandigheid dat betrokkenen weliswaar (traditioneel) zijn gehuwd, maar dat er geen sprake was of kon zijn van daadwerkelijke samenwoning, aldus de circulaire.

2.8.2.De vreemdeling, geboren op [2005], beoogt verblijf bij haar in Nederland woonachtige moeder. Niet in geschil is dat laatstgenoemde in februari 2009 uit haar land van herkomst is vertrokken en dat de vreemdeling in december 2008 in Somalië traditioneel is gehuwd, uit welk huwelijk in september 2009 twee zoons zijn geboren.

2.8.3.De rechtbank heeft overwogen dat de minister er bij de beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 ten onrechte vanuit is gegaan dat door het in december 2008 in Somalië gesloten huwelijk van de vreemdeling de gezinsband tussen haar en haar moeder als verbroken moet worden beschouwd. Door voor dat oordeel van belang te achten dat het huwelijk van de vreemdeling, gelet op haar leeftijd ten tijde van het sluiten ervan, op grond van artikel 6 van de Wet conflictenrecht huwelijk in Nederland niet wordt erkend, heeft de rechtbank niet onderkend dat volgens het door de minister gevoerde, ter zake geldende beleid een gezinsband als verbroken kan worden beschouwd, indien het kind, ook in geval van minderjarigheid, een eigen gezin heeft gevormd doordat het is gehuwd of een relatie is aangegaan. Nu in dat beleid is toegelicht dat een traditioneel huwelijk wordt gelijkgesteld met een partnerschap, doet niet ter zake of het in Somalië gesloten huwelijk in Nederland al dan niet wordt erkend. De omstandigheid dat de vreemdeling in het huwelijk is getreden, uit welk huwelijk twee zoons zijn geboren, geeft er blijk van dat zij een relatie is aangegaan en een eigen gezin heeft gevormd. Dat, zoals de rechtbank voorts voor haar oordeel van belang heeft geacht, de vreemdeling in Somalië nooit heeft samengewoond met haar echtgenoot en kinderen, maakt het vorenstaande niet anders. Het niet hebben samengewoond is volgens voormeld beleid immers geen absolute afwijzingsgrond. Daarbij vormt de omstandigheid dat de vreemdeling zonder toestemming van haar moeder is gehuwd en het huwelijk voor haar moeder verborgen heeft gehouden, omdat laatstgenoemde dit vanwege haar leeftijd niet zou goedkeuren, een plausibele verklaring voor het gegeven dat er geen daadwerkelijke samenwoning kon zijn. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat het standpunt van de minister, dat de vreemdeling door het sluiten van het huwelijk vanaf december 2008 feitelijk niet meer tot het gezin van haar moeder behoorde en de gezinsband als verbroken moet worden beschouwd, zodat zij niet voldoet aan het in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 neergelegde vereiste dat zij feitelijk dient te behoren tot het gezin van degene bij wie verblijf in Nederland wordt beoogd, de toetsing in rechte niet kan doorstaan.

Ook grief 2 slaagt.

2.9.Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 19 augustus 2010 toetsen in het licht van hetgeen daartegen in eerste aanleg is aangevoerd, voor zover daarop, gegeven het vorenoverwogene, nog moet worden beslist.

2.10.Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.11.Het beroep is ongegrond.

2.12.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;

II.verklaart het hoger beroep van de minister gegrond;

III.vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 24 december 2010 in zaak nr. 10/29282;

IV.verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Klinkers, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Klinkers

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2012

549.

Verzonden: 4 juli 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature