< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing aanvraag om wijziging van de voorschriften, verbonden aan de eerder aan eiseres verleende gebruiksvergunning voor het brandveilig gebruiken van panden voor een kindercentrum. De aanvraag heeft tot doel om te bereiken dat niet langer wordt uitgegaan van de situatie zoals aangegeven op de bij de bouwvergunning en bij de gebruiksvergunning behorende tekeningen, maar van de feitelijke situatie.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat niet voldaan wordt aan de eisen voor brandveilig gebruik. De brandveiligheidseisen voor nieuwbouw zijn in dit geval van toepassing. De Rb. ziet zich vooreerst gesteld voor de vraag of hetgeen eiseres beoogt, mogelijk is met wijziging van de voorschriften die verbonden zijn aan de gebruiksvergunning, of dat hiervoor een nieuwe omgevingsvergunning dient te worden aangevraagd. De Rb. overweegt naar aanleiding van deze vraag dat voor de behandeling van een aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning op grond van hoofdstuk 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) andere procedurele eisen gelden dan voor de behandeling van een aanvraag om wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning. Deze eisen strekken mede ter bescherming van de belangen van derden. Deze belangen van derden vereisen voorts dat uit de publicatie van een aanvraag voldoende kenbaar is waar deze betrekking op heeft.

De Rb. overweegt voorts dat art. 2.31, lid 2, aanhef en onder a, van de Wabo bepaalt dat het bevoegd gezag voorschriften van een omgevingsvergunning kan wijzigen voor zover deze betrekking hebben op een activiteit als bedoeld in art. 2.1, lid 1, onder d, voor zover dit in het belang van de brandveiligheid is met het oog op het voorziene gebruik van het bouwwerk. Aan de verleende gebruiksvergunning van 11 januari 2010 is weliswaar een tweetal voorschriften verbonden, die betrekking hebben op de brandveiligheid, maar de aanvraag heeft geen betrekking op de wijziging daarvan. Het gaat eiseres niet om wijziging van voorschriften, maar om legalisatie en vergunning van een activiteit voor een andere feitelijke situatie dan eerder is vergund en die is beschreven in de tekeningen, behorende bij de aan eiseres verleende bouwvergunning en gebruiksvergunning. Art. 2.31 van de Wabo biedt naar het oordeel van de Rb. daarvoor geen basis. Verweerder heeft dan ook een onjuist beoordelingskader aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

Gegrond beroep.

Uitspraak



RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 11/2189

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

The Little Pony B.V.,

gevestigd te Almere, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Almere,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2011 heeft verweerder de door eiseres gedane aanvraag om wijziging van de voorschriften, verbonden aan de op 11 januari 2010 aan eiseres verleende gebruiksvergunning voor het brandveilig gebruiken van de panden aan de Giraffeweg 7 en 9 te Almere, afgewezen.

Bij brief van 26 september 2011 heeft eiseres hiertegen bezwaar gemaakt. Eiseres heeft verweerder verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep. Bij brief van 13 oktober 2011 heeft verweerder de rechtbank bericht dat wordt ingestemd met rechtstreeks beroep en heeft verweerder het bezwaarschrift aan de rechtbank doen toekomen, ter behandeling als beroepschrift.

Het beroep is ter zitting van 16 mei 2012 behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door F.V.R. Tramm-Willems, directeur, bijgestaan door dr. ir. N.P.M. Scholten, adviseur bouwregeling te Delft. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C.S. van Dijk-de Vries, R.F. van Stek en R. Sloof.

Overwegingen

Eiseres exploiteert een kinderdagverblijf met naschoolse opvang, hierna te noemen kindercentrum, in een voormalig kantoorpand, aan de Giraffeweg 7 en 9 te Almere.

Bij besluit van 7 augustus 2009 is aan eiseres een reguliere bouwvergunning verleend voor het aanpassen van het pand aan de nieuwe functie. Deze vergunning voorzag ondermeer in plaatsing van brandtrappen.

Bij besluit van 11 januari 2010 is een gebruiksvergunning ten behoeve van brandveilig gebruik (hierna: gebruiksvergunning) verleend voor de functies ‘kinderdagverblijf’ en ‘naschoolse opvang’.

Bepaald is dat de bij dit besluit behorende, gewaarmerkte, bescheiden onderdeel zijn van deze vergunning. Aan deze vergunning is een tweetal voorwaarden met betrekking tot de brandmeldinstallatie verbonden.

Twee vluchttrappen, die zijn aangegeven op de bouwtekening, behorende bij de aan eiseres verleende reguliere bouwvergunning, en op de tekeningen, behorende bij de aan eiseres verleende gebruiksvergunning, zijn nooit gerealiseerd.

Eiseres heeft vervolgens verzocht om wijziging van de voorschriften behorende bij de gebruiksvergunning. De aanvraag heeft tot doel om te bereiken dat niet langer wordt uitgegaan van de situatie zoals aangegeven op de bij de bouwvergunning en bij de gebruiksvergunning behorende tekeningen, maar van de feitelijke situatie.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat niet voldaan wordt aan de eisen voor brandveilig gebruik. De brandveiligheidseisen voor nieuwbouw zijn in dit geval van toepassing.

De rechtbank stelt voorop dat de aan eiseres verleende gebruiksvergunning van 11 januari 2010 en bouwvergunning van 7 augustus 2009 ingevolge het bepaalde in artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder a, respectievelijk g, van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gelijkgesteld worden met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteiten.

De rechtbank ziet zich vooreerst gesteld voor de vraag of hetgeen eiseres beoogt, mogelijk is met wijziging van de voorschriften die verbonden zijn aan de gebruiksvergunning, of dat hiervoor een nieuwe omgevingsvergunning dient te worden aangevraagd. De rechtbank overweegt naar aanleiding van deze vraag dat voor de behandeling van een aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning op grond van hoofdstuk 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) andere procedurele eisen gelden dan voor de behandeling van een aanvraag om wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning. Deze eisen strekken mede ter bescherming van de belangen van derden. Deze belangen van derden vereisen voorts dat uit de publicatie van een aanvraag voldoende kenbaar is waar deze betrekking op heeft.

De rechtbank overweegt voorts dat artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo bepaalt dat het bevoegd gezag voorschriften van een omgevingsvergunning kan wijzigen voor zover deze betrekking hebben op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, voor zover dit in het belang van de brandveiligheid is met het oog op het voorziene gebruik van het bouwwerk. Aan de verleende gebruiksvergunning van 11 januari 2010 is weliswaar een tweetal voorschriften verbonden, die betrekking hebben op de brandveiligheid, maar de aanvraag heeft geen betrekking op de wijziging daarvan. Het gaat eiseres niet om wijziging van voorschriften, maar om legalisatie en vergunning van een activiteit voor een andere feitelijke situatie dan eerder is vergund en die is beschreven in de tekeningen, behorende bij de aan eiseres verleende bouwvergunning en gebruiksvergunning. Artikel 2.31 van de Wabo biedt naar het oordeel van de rechtbank daarvoor geen basis.

Verweerder heeft dan ook een onjuist beoordelingskader aan het bestreden besluit

ten grondslag gelegd.

Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

De rechtbank is, gelet op het belang dat gemoeid is met de inachtneming van de voorschriften als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wabo, van oordeel dat het besluit van 26 augustus 2011 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb dient te worden herroepen.

Verweerder dient, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw te beslissen op aanvraag van eiseres van 23 mei 2011 om de op dat moment bestaande bouw en het bestaande gebruik te legaliseren.

Overigens is ter zitting vastgesteld, dat het geschil nog slechts gaat om de noodzaak van een vluchttrap op nr. 9, dan wel of anderszins is of kan worden voldaan aan de geldende eisen van brandveiligheid.

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat artikel 2.31, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo voorziet in de mogelijkheid om voorschriften van een omgevingsvergunning te wijziging mits dit is in het belang van de brandveiligheid. Daarbij gaat het er niet om of met de gewenste wijziging nog aan de geldende brandveiligheideisen wordt voldaan, maar of het in het belang van de brandveiligheid is de voorwaarden te wijzigen. In deze zaak is daarvan geen sprake nu aannemelijk is dat met de gewenste wijziging het niveau van brandveiligheid afneemt.

De rechtbank beschouwt dr. ir. Scholten als juridisch adviseur van eiseres. De kosten van zijn inschakeling zijn aan te merken als kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1 onder a van het Besluit proceskosten bestuursrecht en komen als zodanig voor vergoeding in aanmerking. Daarvoor gelden forfaitaire bedragen.

In dit licht veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Omdat eiseres het beroepschrift heeft ingediend zonder dat op dat moment reeds sprake was van rechtsbijstand, zijn deze kosten, op basis van toekenning van 1 punt voor de behandeling ter zitting, begroot op € 437,--, als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 26 augustus 2011;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke begroot worden op € 437,-- te betalen aan eiseres

- gelast dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, ten bedrage van € 302,-- , vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, en door hem en mr. A. van der Weij als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature