Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 8 september 2009 heeft de minister een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten inzake de actie dan wel operatie Ochtendgloren (hierna: Ochtendgloren) buiten behandeling gesteld.

Uitspraak



201107022/1/A3.

Datum uitspraak: 4 juli 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 mei 2011 in zaak nr. 10/1485 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Verkeer en Waterstaat (thans: de minister van Infrastructuur en Milieu).

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 september 2009 heeft de minister een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten inzake de actie dan wel operatie Ochtendgloren (hierna: Ochtendgloren) buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 23 februari 2010 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Maury, en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.H.H. Bisschoff, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan een bestuursorgaan besluiten een aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur kan eenieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het tweede lid vermeldt de verzoeker bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

Ingevolge het vierde lid verzoekt het bestuursorgaan, indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, de verzoeker zo spoedig mogelijk om zijn verzoek te preciseren en is het hem daarbij behulpzaam.

2.2. [appellant] heeft de minister verzocht om informatie over Ochtendgloren. In het verzoek heeft hij te kennen gegeven alle documenten te willen ontvangen en heeft hij een groot aantal soorten documenten opgesomd die hij in elk geval onder zijn verzoek schaart.

Bij brief van 5 augustus 2009 heeft de minister te kennen gegeven dat het verzoek te algemeen is geformuleerd, nu daaruit niet blijkt over welk jaar of welke periode [appellant] de gevraagde informatie wenst te ontvangen. Bij die brief heeft de minister [appellant] in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken een nadere specificatie van het verzoek toe te zenden. Daarbij is vermeld dat het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van de gevraagde gegevens kan leiden tot het buiten behandeling stellen van het verzoek.

Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 8 september 2009 heeft de minister het verzoek van [appellant] buiten behandeling gesteld, omdat hij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zijn verzoek te specificeren, waardoor de minister onvoldoende gegevens had om een besluit te nemen op het verzoek.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zijn verzoek buiten behandeling heeft mogen stellen. Hij voert aan dat het verzoek voldoende specifiek is geformuleerd, aangezien hij het niet wil beperken tot een bepaalde periode. Verder voert hij aan dat de minister hem op geen enkele wijze behulpzaam is geweest bij het preciseren van zijn verzoek.

2.3.1. Niet in geschil is dat de onder de minister ressorterende Inspectie Verkeer en Waterstaat sinds 2004 tot vijfmaal per jaar met een of meer inspecteurs deelneemt aan Ochtendgloren en dat de informatie daaromtrent over een groot aantal stukken is verspreid. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het verzoek niet duidelijk en daarmee onvoldoende specifiek was geformuleerd. Uit de tekst van het verzoek van [appellant] blijkt, anders dan hij stelt, ook niet dat hij informatie wenst te ontvangen over alle keren in alle jaren dat aan Ochtendgloren is deelgenomen. De rechtbank heeft ook terecht overwogen dat de minister [appellant] met de brief van 5 augustus 2009 voldoende behulpzaam is geweest bij het preciseren van het verzoek in de zin van artikel 3, vierde lid, van de Wob , nu de minister in die brief te kennen geeft dat het voor het nemen van een besluit op het verzoek nodig is om te weten op welk jaar of welke periode het verzoek ziet. Indien het [appellant] niet duidelijk was op welke wijze hij zijn verzoek diende te preciseren, had het op zijn weg gelegen om dit aan de minister te kennen te geven. Nu [appellant] heeft nagelaten te antwoorden op de brief van de minister van 5 augustus 2009, heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat de door [appellant] verstrekte gegevens onvoldoende zijn om het verzoek te kunnen beoordelen en het verzoek met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling mogen stellen.

2.3.2. In bezwaar heeft [appellant] alsnog te kennen gegeven dat zijn verzoek ziet op alle jaren waarin aan Ochtendgloren is deelgenomen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 juli 2008 in zaak nr. 200706919/1; www.raadvanstate.nl), staat het een bestuursorgaan vrij ontbrekende gegevens die na het nemen van het besluit op de aanvraag zijn overgelegd, bij de heroverweging in bezwaar in aanmerking te nemen, maar is het hiertoe niet gehouden. Dit betreft een discretionaire bevoegdheid die door de rechter terughoudend dient te worden getoetst. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid de in bezwaar naar voren gebrachte gegevens over de omvang van het verzoek buiten beschouwing heeft kunnen laten.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. Herweijer

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2012

640.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature