Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Beëindiging ZW-uitkering. Het Uwv heeft een juiste maatstaf voor “zijn arbeid” gehanteerd. Er is geen aanleiding om het medisch onderzoek voor onzorgvuldig te houden dan wel de uitkomst daarvan onjuist te achten.

Uitspraak



10/5693 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 september 2010, 10/4637 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 4 juli 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2012. Voor appellante is verschenen mr. De Witte. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als administratief medewerkster voor 32 uur per week, toen zij zich voor dit werk heeft ziek gemeld op 3 augustus 2009 wegens reumatische klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante twee maal het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts F. Muradin, voor het laatst op 25 mei 2010. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 27 mei 2010 geschikt kan worden geacht voor haar laatst verrichte werk van administratief medewerkster. Bij besluit van 25 mei 2010 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij dienovereenkomstig met ingang van 27 mei 2010 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer heeft het Uwv bij besluit van 30 juni 2010 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 mei 2010 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 8 januari 2010 voert appellante in hoger beroep aan dat op grond van de diagnose fibromyalgie aannemelijk is dat sprake is van fysieke klachten waarmee zij haar laatst verrichte werk niet kan verrichten. Het Uwv heeft onvoldoende onderzocht waaruit de werkzaamheden in het laatst verrichte werk bestaan en of deze werkzaamheden verenigbaar zijn met haar beperkingen. Ter onderbouwing van haar standpunt legt appellante een Sociaal Medisch Advies van 20 oktober 2010 over. Ten slotte heeft appellante de Raad verzocht een onafhankelijk deskundige te benoemen, waarbij gedacht wordt aan een reumatoloog of revalidatiearts.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

4.3. Appellante heeft tijdens het spreekuur met de verzekeringsarts te kennen gegeven dat haar laatst verrichte werk voornamelijk bestond uit lichte boekhoudwerkzaamheden, waarbij zij moest archiveren en wisselend moest typen (niet in overwegende mate data invoeren op computer). Ook uit het in het dossier aanwezige curriculum vitae blijkt van dergelijke lichte werkzaamheden: invoeren en sorteren van inkoop- en verkoopfacturen, postbehandeling en archiveren. Gelet hierop hebben de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts bij de beoordeling van de medische geschiktheid van appellante voor dit werk een voldoende duidelijk beeld gehad van de aard en de zwaarte van de hierin voorkomende werkzaamheden. Het Uwv heeft dan ook een juiste maatstaf voor “zijn arbeid” gehanteerd.

4.4. De Raad ziet vervolgens geen aanleiding om het medisch onderzoek voor onzorgvuldig te houden dan wel de uitkomst daarvan onjuist te achten. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de verzekeringsarts appellante heeft onderzocht en daarbij geen duidelijke afwijkingen heeft gevonden van het bewegingsapparaat en geen beperkingen als gevolg van een psychiatrische stoornis. Bij zijn onderzoek was de verzekeringsarts op de hoogte van de oogklachten, diabetes en reumatische klachten van appellante. Vervolgens heeft bezwaarverzekeringsarts De Brouwer het dossier bestudeerd en appellante op het spreekuur van 30 juni 2010 onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts heeft in het rapport van 30 juni 2010 te kennen gegeven dat de diagnose fibromyalgie weliswaar door de reumatoloog is gesteld, maar dat dit – zoals appellante ook heeft bevestigd – is gebeurd omdat er geen sprake was van een andere diagnose. Hij komt op grond van het eigen onderzoek tot de conclusie dat geen sprake is van duidelijk beperkende diagnoses, nu ook in bezwaar geen afwijkingen wijzend op een actief ontstekingsproces of een overmatige, niet bij de leeftijd passende, artrose zijn aangetroffen. De in beroep ingebrachte informatie van de reumatoloog en de MDL-arts levert, gelet op de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsarts, geen nieuwe nog niet eerder bij het Uwv bekende gegevens op. Het in hoger beroep overgelegde Sociaal Medisch Advies van 20 oktober 2010, dat is opgesteld in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB), geeft tenslotte geen aanleiding voor twijfel aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. Daarbij merkt de Raad op dat de criteria die worden aangelegd bij de beoordeling in het kader van de WWB niet dezelfde zijn als die gelden bij een beoordeling naar de geschiktheid tot het verrichten van arbeid in het kader van de ZW. Nu voorts niet is gebleken dat de verzekeringsartsen niet op de hoogte waren van alle relevante medische gegevens, kent de Raad aan het Sociaal Medisch Advies van 20 oktober 2010 niet die betekenis toe die appellante daaraan toegekend wenst te zien.

Op grond van het vorenstaande acht de Raad dat het Uwv inzichtelijk en overtuigend heeft gemotiveerd waarom appellante per 27 mei 2010 geschikt kan worden geacht voor haar laatst verrichte werk van administratief medewerkster. Hieruit volgt dat de Raad geen aanleiding ziet een onafhankelijk deskundige te benoemen en wijst het desbetreffende verzoek daarom af.

5. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2012.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) L. van Eijndthoven

JL


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature