< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Belastingrecht. Aanslag rioolheffing eigendom.Verordening biedt geen grond voor de opgelegde aanslag. Het in het buitengebied gelegen perceel is niet aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel. Uit de dossierstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank onvoldoende gebleken dat sprake is van een perceelsgebonden belang bij de gemeentelijke zorgtaken. Beroep gegrond. Samenhangend met de zaak met procedurenummer AWB 11/1208.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 11/13

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[naam X],

wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. A.P Cornelissen, advocaat te Middelharnis,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Dirksland, verweerder,

gemachtigde: mr. J.K. Lanser.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft, met dagtekening 31 augustus 2010, aan eiser voor het belastingjaar 2010 een aanslag (aanslagnummer [nr 1]) opgelegd ten bedrage van € 500,- ter zake van rioolheffing eigendom voor het object [adres B] (gemeente Dirksland).

Tegen deze aanslag eiser bij brief van 5 oktober 2010 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij uitspraak op bezwaar van 26 november 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft eiser bij brief van 3 januari 2011 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

De zaak is op 11 oktober 2011 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiser is in persoon ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn dochter.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Na sluiting van het onderzoek is de rechtbank gebleken dat de zaak minder geschikt is voor behandeling door één rechter. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en verwezen naar een meervoudige kamer.

De zaak is op 24 januari 2012 gelijktijdig met de zaak met procedurenummer AWB 11/1208.

behandeld ter zitting van de meervoudige kamer.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. wettelijk kader

Artikel 228a, eerste lid, van Gemeentewet bepaalt:

Onder de naam rioolheffing kan een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en

b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Op basis van dit artikel heeft de Raad van de gemeente Dirksland de Verordening rioolheffing 2010 (hierna: de Verordening) vastgesteld.

Artikel 1, aanhef en onder f, van de Verordening bepaalt:

Deze verordening verstaat onder gemeentelijke zorgplichten: de zorg voor afvloeiend hemelwater en het grondwater zoals aan de gemeente opgedragen in artikel 9a en 9b van de Wet op de waterhuishouding .

Artikel 2, aanhef en onder b, van de Verordening bepaalt:

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening bepaalt:

De belasting wordt geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom (...) van een perceel dat is aangesloten op de gemeentelijke riolering dan wel dat belang heeft bij de nakoming van de gemeentelijke zorgplichten (...).

2.2. het bestreden besluit en het verweer

Verweerder heeft bij de bestreden uitspraak de aan eiser opgelegde aanslag rioolheffing eigendom gehandhaafd. Verweerder stelt zich - samengevat - op het standpunt dat de rioolheffing thans geen retributiekarakter meer heeft, maar een brede belasting is geworden. Dit is het gevolg van nieuwe watertaken die gemeenten hebben gekregen. Bij de brede rioolheffing bestaat niet alleen een relatie met de kosten voor de gemeentelijke riolering, maar ook een relatie met de kosten van de zorg voor hemel- en grondwater. De kosten van de zorg voor het grondwater staan los van het feit of een object wel of niet is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Derhalve kunnen ook niet op het riool aangesloten objecten, zoals het onderhavige, in de heffing betrokken worden. De keuze voor de heffingsstructuur, de belastingplicht en de mogelijke heffingsmaatstaven is voorbehouden aan de gemeenteraad en kan daarom in elke gemeente anders zijn. De aardappelloods aan de [adres B] is eigendom van eiser en in gebruik bij de Maatschap [naam Y]. De bedrijfswoning [adres A] behoort toe aan en is in gebruik bij [naam B] en [naam A]. Er is dan ook sprake van twee percelen waarvoor rioolheffing verschuldigd is. Nu de WOZ-waarde van het onderhavige object is vastgesteld op € 279.000,- is de rioolheffing terecht vastgesteld op € 500,-, aldus verweerder.

2.3. de gronden van beroep

Het beroep van eiser heeft betrekking op de onderhavige aanslag en op de aanslagen met aanslagnummers [nr. 2] en [nr. 3]. Op het bezwaar tegen beide laatstgenoemde aanslagen is nog niet beslist. Het object betreft een loods van waaruit niet wordt geloosd omdat deze enkel wordt gebruikt voor de opslag van aardappels. De gemeente heeft veel kosten bespaard doordat geen riool aangelegd hoefde te worden. Daar staat tegenover dat eiser ongeveer € 5000,- heeft geïnvesteerd in een septictank. Eiser spreekt zijn verbazing uit over de desondanks opgelegde aanslagen voor de belastingjaren 2009 en 2010. Eiser acht de loods aan de [adres B] en de bedrijfswoning aan de [adres A] onlosmakelijk met elkaar verbonden omdat het een bedrijfslocatie betreft en de bedrijfswoning behoort bij de Maatschap [naam Y]. Eiser acht het niet redelijk dat hij voor deze locatie jaarlijks een bedrag van € 790,- aan rioolheffing verschuldigd is terwijl hij niet de voordelen geniet van een aansluiting op het riool. Voorts bedragen de jaarlijkse onderhoudskosten van de septictank € 200,-, aldus eiser. Naar eiser meent, is sprake van onredelijke belastingheffing. Voorts betoogt eiser dat in het buitengebied waar hij woonachtig is alle zorgtaken voor grond- en hemelwater bij het Waterschap berusten.

2.4. het oordeel van de rechtbank

2.4.1. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting is in beroep het volgende komen vast te staan.

Eiser is eigenaar van het perceel [adres B]. Dit perceel is gelegen in het buitengebied van de gemeente Dirksland en niet aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel, noch heeft de gemeente voor het gebied waarin het perceel [adres B] is gelegen voorzien in de plaatsing van installaties voor de individuele behandeling van afvalwater (zogenaamde IBA's). Het van dit perceel afkomstige hemelwater wordt geloosd in een sloot, welke toebehoort aan het Waterschap en geen deel uitmaakt van de gemeentelijke riolering. Voorts beheert dit waterschap het peil van het grondwater in het buitengebied van de gemeente Dirksland.

2.4.2. Uit de formulering dienaangaande van het voormelde artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening, gebaseerd op artikel 228a, eerste lid, van de Gemeentewet , blijkt dat een aanslag rioolheffing eigendom uitsluitend kan worden opgelegd in de twee aldaar geformuleerde gevallen, te weten indien sprake is van een perceel dat is aangesloten op de gemeentelijke riolering, dan wel indien een perceel belang heeft bij de nakoming van de gemeentelijke zorgplichten.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat het perceel [adres B] niet is aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel, dient aldus in het onderhavige geval sprake te zijn van een perceelsgebonden belang bij de gemeentelijke zorgtaken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met hetgeen hij dienaangaande in de dossierstukken en ter zitting naar voren heeft gebracht onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in het onderhavige geval sprake is van een dergelijk belang. In algemene zin kan de rechtbank verweerder volgen in zijn verwijzing naar artikel 228a, eerste lid, van de Gemeentewet en de daaruit voortvloeiende nieuwe heffingsbevoegdheden. Met zijn betoog in dat kader heeft verweerder evenwel niet onderkend dat de wetgever kaders heeft gesteld inzake het toepassingsbereik van deze nieuwe bevoegdheden, in die zin dat de nieuwe zorgplichten van de gemeenten de bestaande, verankerde verantwoordelijkheden van gemeenten en overige partijen (waterschappen, provincies, bedrijven en overige private partijen) onverlet dienen te laten (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005/2006, 30 578, nr. 3, blz. 3). Gelet op de voormelde ligging van het perceel [adres B] binnen het verzorgingsgebied van het Waterschap en de verantwoordelijkheid van het Waterschap voor het beheer ter plaatse van het hemelwater en het grondwater, blijkend uit de onder 2.4.2.1 weergegeven feiten, kan derhalve van een perceelsgebonden belang bij de gemeentelijke zorgtaken in het onderhavige geval geen sprake zijn. Verweerders kennelijke standpunt ter zitting dat de heffingsbevoegdheid in het onderhavige geval voortkomt uit het persoonsgebonden belang dat samenhangt met het inwonersschap van de gemeente Dirksland, in die zin dat iedere inwoner van de gemeente belang zou hebben bij de gemeentelijke zorgtaken in stedelijk gebied en om die reden in de heffing mag worden betrokken, strookt niet met de omschrijving van het belastbaar feit in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening. Dit artikel beperkt de heffingsbevoegdheid immers, gelet op de tekst ervan, tot het hiervoor omschreven perceelsgebonden belang en laat geen ruimte voor een bredere interpretatie.

Gelet op het vorenstaande slaagt de kennelijke beroepsgrond dat de Verordening geen grondslag biedt voor de opgelegde aanslag.

Derhalve kan hetgeen eiser overigens naar voren heeft gebracht onbesproken blijven.

2.4.3. Eisers kennelijke beroep tegen de onder 2.3 vermelde andere aanslagen kan niet slagen. Nu vast staat dat ten tijde van het ingediende beroep door verweerder nog niet was beslist op het tegen deze aanslagen ingediende bezwaar is het beroep tegen deze aanslagen te vroeg (prematuur) ingediend. Het beroep wordt dan ook in zoverre niet-ontvankelijk verklaard.

2.4.4. Gelet op het in 2.4.1. en 2.4.2. overwogene is het beroep voor het overige gegrond. Het bestreden besluit dient dan ook te worden vernietigd.

2.4.5. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72,vierde lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het geschil finaal te beslechten en ook de aanslag van 31 augustus 2010 te vernietigen, alsmede te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar.

2.4.6. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

2.4.7. Voorts ziet de rechtbank aanleiding om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in het kader van deze beroepsprocedure redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bbp) vastgesteld op € 437,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,- en wegingsfactor 1). Omdat de onderhavige zaak en de zaak met procedurenummer 11/1208, die eveneens op de zitting van 24 januari 2012 is behandeld, naar het oordeel van de rechtbank als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb moeten worden aangemerkt, wordt dit bedrag bij helften over deze zaken verdeeld. De reiskosten voor het bijwonen door eiser van de zittingen van 11 oktober 2011 en 24 januari 2012 worden op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder c, van het Bpb toegekend tot het bedrag op basis van kosten van openbaar vervoer van tweemaal € 24,98 (conform www.9292ov.nl ). De rechtbank is niet gebleken van andere kosten die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen.

2.4.8. Gelet op het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht,

- verklaart het beroep tegen de aanslagen met aanslagnummers [nr. 2] en [nr. 3] niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de aanslag rioolheffing eigendom van 31 augustus 2010;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- beveelt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 41,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 218,50 ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 48,96 ter zake van reiskosten, te betalen aan eiser.

Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzitter, en mrs. M.C. Woudstra en

O.B. Onnes, leden, en door de voorzitter en mr. F.A.L.M. van Daal, griffier, ondertekend.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature