< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij een skicentrum zijn twee personen werkzaam van 15 jaar die voor hun werkzaamheden een brutobeloning van € 2,41 per uur ontvangen. De werkzaamheden van die personen bestonden uit het assisteren bij de verhuur van skimateriaal. In geschil is of de betreffende personen kunnen worden aangemerkt als vrijwilliger voor de toepassing van de vrijwilligersregeling van artikel 2, lid 6 van de Wet op de loonbelasting 1964 . Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een marktconforme vergoeding, nu de feitelijke vergoeding lager is dan het door de Staatssecretaris van Financiën in zijn brief van 20 maart 2008, nr. DGB08-1190 genoemde uurtarief van € 2,50. Dit baat belanghebbende niet aangezien het skicentrum naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden aangemerkt als sportorganisatie in de zin van de vrijwilligersregeling.

Uitspraak



RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/5462

Uitspraakdatum: 25 mei 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Eindhoven,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 19 september 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de door haar over het tijdvak 1 oktober 2009 tot en met 31 oktober 2009 afgedragen loonheffingen.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2012 te Tilburg.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, [gemachtigde], vergezeld van gemachtigde, [gemachtigde], verbonden aan De Beer Accountants & Belastingadviseurs te Tilburg, en namens de inspecteur, [gemachtigde].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende dient uit praktische overwegingen aangiften loonheffingen in voor medewerkers van [het skicentrum] B.V. (hierna: het skicentrum). Het skicentrum beschikt over een skibaan waar men tegen betaling kan skiën en snowboarden. Ook worden lessen en cursussen dienaangaande aangeboden. Daarnaast worden wintersportreizen, (kinder)feesten en borrels georganiseerd. In de aangifteperiode oktober 2009 verrichtten onder meer [persoon A] en [persoon B] (hierna [persoon A] respectievelijk [persoon B]), beiden 15 jaar oud, werkzaamheden voor het skicentrum. De werkzaamheden bestonden uit het assisteren bij de verhuur van skimateriaal. [persoon A] en [persoon B] ontvingen daarvoor een brutobeloning van € 2,41 per uur. [persoon A] heeft in het onderhavige tijdvak een beloning ontvangen van in totaal € 58,50 en [persoon B] van € 36,91.

2.2.Tussen partijen is in geschil of [persoon A] en [persoon B] zijn aan te merken als vrijwilligers voor de toepassing van de vrijwilligersregeling van artikel 2, lid 6 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB).

2.3.In artikel 2 van de Wet LB is, voor zover te dezen van belang, het volgende bepaald:

“1. Werknemer is de natuurlijke persoon die tot een inhoudingsplichtige in privaatrechtelijke dienstbetrekking staat (…).

(…)

6. Het eerste lid is eveneens niet van toepassing op personen die als vrijwilliger uitsluitend vergoedingen of verstrekkingen ontvangen met een gezamenlijke waarde van ten hoogste € 150 per maand en € 1 500 per kalenderjaar. Hierbij wordt onder vrijwilliger verstaan degene die niet bij wijze van beroep arbeid verricht voor een privaatrechtelijk of publiekrechtelijk lichaam dat niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting dan wel voor een sportorganisatie. (…)”

2.4.Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat [persoon A] en [persoon B] zijn aan te merken als vrijwilligers in de zin van de vrijwilligersregeling. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van vrijwilligers omdat beide heren een marktconforme beloning ontvangen voor hun werkzaamheden en het skicentrum niet valt aan te merken als een sportorganisatie.

2.5.Vast staat dat [persoon A] en [persoon B] in het onderhavige tijdvak niet méér hebben ontvangen dan de in artikel 2, lid 6 van de Wet LB genoemde bedragen. In beginsel is dan geen sprake van een dienstbetrekking. Dit is slechts anders als de heren [persoon A] en [persoon B] een marktconforme vergoeding ontvingen voor hun arbeid, zoals de inspecteur stelt en belanghebbende betwist. Over de vraag of al dan niet sprake is van een marktconforme vergoeding heeft de Staatssecretaris van Financiën in zijn brief van 20 maart 2008 nr. DGB08-1190 het volgende geschreven:

“In 2006 hebben enkele vrijwilligersorganisaties aan de Belastingdienst gevraagd welke vergoeding zij nog kunnen betalen zonder dat zij aan zouden lopen tegen de kwalificatie beroepsmatige arbeid. Die organisaties betalen hun vrijwilligers een uurvergoeding en zij wilden geen verschil in behandeling als verschillende inspecteurs de betaalde vergoedingen zouden beoordelen. Die organisaties wildenzekerheid tot welk bedrag de Belastingdienst de vergoeding nog als een niet-marktconforme beloning zou aanmerken. De belastingdienst heeft in het kader van de uitvoeringscoördinatie daarop het standpunt ingenomen dat men voor alle vrijwilligers op voorhand ervan uitgaat dat bij een vergoeding van ten hoogste € 4,50 per uur geen sprake is van een marktconforme beloning. (…) Voor vrijwilligers onder de 23 jaar geldt een bedrag van € 2,50 per uur.

(…)

Bepaalde organisaties betalen hun vrijwilligers per uur. Bij twijfel over de aard van de beloning is het uurtarief een logisch aanknopingspunt als de organisatie er zelf voor heeft gekozen een vergoeding te betalen op basis van het aantal gewerkte uren. (…) In die gevallen zal de Belastingdienst een uurvergoeding van ten hoogste € 4,50 (€ 2,50) als een niet-marktconforme vergoeding beschouwen (safe harbour). Dat betekent dat de eenheden van de Belastingdienst zich op voorhand op dit standpunt stellen.

(…)

Voorbeeld 1

Vereniging X betaalt aan drie vrijwilligers een vergoeding van € 4 per uur.

(…)

Uitwerking

(…) dat uurtarief is niet hoger dan € 4,50 per uur. Men valt dus alle drie onder de (fiscale) definitie van vrijwilliger.”

2.6.Nu de aan [persoon A] en [persoon B] toekomende vergoeding per uur minder bedraagt dan € 2,50, is de rechtbank van oordeel dat die vergoedingen gelet op voornoemde brief van de Staatssecretaris van Financiën, niet kunnen worden aangemerkt als marktconforme beloningen. Het andersluidende standpunt van de inspecteur berust op een onjuiste rechtsopvatting.

2.7.Vervolgens komt de vraag aan de orde of het skicentrum kan worden aangemerkt als een sportorganisatie in de zin van artikel 2, lid 6 van de Wet LB . Noch in de wettekst, noch in de parlementaire geschiedenis is uitleg gegeven aan het begrip ‘sportorganisatie’. Voor de uitleg van dit begrip zal de rechtbank dan ook aansluiting zoeken bij het spraakgebruik. Volgens het “Van Dale” woordenboek Nederlandse taal is een organisatie een groep personen met een bepaald doel of een bepaalde functie. Een sportorganisatie is dan een groep personen met als doel (het organiseren van) sport. In het geval van het skicentrum is het doel van de organisatie, niet het organiseren of bevorderen van sport, maar het genereren van winst. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van een sportorganisatie in de zin van de vrijwilligersregeling.

2.8.Nu het skicentrum, naar het oordeel van de rechtbank, niet kan worden aangemerkt als een sportorganisatie en voorts niet in geschil is dat het skicentrum is onderworpen aan de vennootschapsbelasting, kunnen [persoon A] en [persoon B] voor hun werkzaamheden bij het skicentrum niet onder de vrijwilligersregeling worden gebracht. Voor dat geval zijn partijen het erover eens dat de afdracht over het onderhavige tijdvak terecht en correct is geweest.

2.9.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.10.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 25 mei 2012 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr . drs. M.H. van Schaik, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 31 mei 2012.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature