Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Terugvorderingsverhaal vanwege verzwegen samenwoning. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zijn hoofdverblijf bij de moeder van zijn kind heeft gehad in de periode 2005 tot en met 2011. Beroep evenwel gegrond omdat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom de uitkering van de moeder is ingetrokken vanaf 10 januari 2005. Samenhang met de procedure waarin verweerder de uitkering heeft ingetrokken en teruggevorderd van de moeder van eisers kind, LJN: BW9167

Uitspraak



RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11 / 1696

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2012 in de zaak tussen

[eiser], te Weert, eiser

(gemachtigde: mr. Y.J.K. Meulemans),

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Weert, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder ten onrechte door de ex-partner van eiser ontvangen bijstand, op grond van artikel 59, tweede en derde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) mede op eiser verhaald.

Bij besluit van 5 november 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2012, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. V. Paulissen.

Overwegingen

1. Door de sociale recherche van de gemeente Weert is een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie va[naam]. Aanleiding voor dit onderzoek was een anonieme melding dat [naam] zou samenwonen met eiser, de vader van haar jongste kind. In dat kader zijn meerdere observaties verricht bij de woning [adres]s] te Weert. Op 24 maart 2011 is deze woning doorzocht. Bij de doorzoeking is beslag gelegd op diverse in de woning aangetroffen voorwerpen, zoals foto‘s, bankafschriften en rekeningen. Ook zijn een aantal foto’s gemaakt van aangetroffen voorwerpen. Voorts zijn [naam] en eiser gehoord en heeft een buurtonderzoek plaatsgevonden bij de woning van [naam], alsmede aan [adres]es] te Weert, zijnde het adres waarop eiser sedert 2008 is ingeschreven in de gemeentelijke Basisadministratie. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van de sociale recherche van 18 mei 2011.

2. De onderzoeksresultaten zijn voor verweerder aanleiding geweest om bij besluit van 23 mei 2011 het recht op bijstand van [naam] met ingang van 10 januari 2005 in te trekken en over de periode van 10 januari 2005 tot en met 31 december 2010 en tot terugvordering van [naam] van een bedrag van € 98.276,95 bruto en een bedrag van € 1.926,51 netto. Volgens verweerder heeft [naam] in die periode een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 van de WWB gevoerd met eiser op het adres [adres] te Weert, terwijl zij deze gezamenljke huishouding niet aan verweerder bekend heeft gemaakt, zodat zij de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden.

3. Bij het primaire besluit is de ten onrechte door [naam] ontvangen bijstand op grond van artikel 59, tweede en derde lid, van de WWB tevens van eiser teruggevorderd. Dit besluit heeft verweerder bij het bestreden besluit gehandhaafd.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is er sprake van een gezamenlijke huishouding, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder b, van artikel 3 van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en – voor zover hier relevant – uit hun relatie een kind is geboren. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet naar vaste rechtspraak van de Raad worden beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden.

6. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling aan het college van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

7. Artikel 54, eerste lid, van de WWB is bepaald, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft of vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft. Ingevolge het tweede lid doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

8. Ingevolge het derde lid is voor zover hier van belang bepaald dat het college het besluit tot toekenning van bijstand kan herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

9. In artikel 59, tweede lid, van de WWB is bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17, of artikelen 30c, tweede lid en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen , niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

10. Het bestreden besluit heeft betrekking op een mede terugvordering van de kosten van bijstand van [naam] over de periode van 10 januari 2005 tot en met 23 mei 2011, waarin eiser volgens verweerder met [naam] heeft samengewoond. De rechtbank dient, mede gelet op de in beroep aangevoerde gronden, derhalve te beoordelen of verweerder de bijstandsuitkering van [naam] terechtheeft ingetrokken met ingang van 10 januari 2005 en daarmee samenhangend de vraag of [naam] en eiser al dan niet een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de periode van 10 januari 2005 tot 23 mei 2011.

11. Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank van 18 juni 2012 in de beroepen van [naam] met betrekking tot de intrekking en terugvordering van bijstand (met zaaknummers 11/1573, 11/1748 en 11/1769) overweegt de rechtbank als volgt geoordeeld.

12. Op grond van het rechtsvermoeden dat is opgenomen in artikel 3, vierde lid, onder a en b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding tussen twee personen in ieder geval aanwezig geacht indien uit hun relatie een kind is geboren. Aangezien [naam] een kind heeft met eiser is bepalend of eiser gedurende voornoemde periode zijn hoofdverblijf heeft gehad bij [naam] aan de [adres] te Weert.

13. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad voor Beroep (CRvB) dient de vraag waar iemand zijn woonadres heeft te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het enkele feit dat iemand regelmatig bij de ander verblijft is onvoldoende om een gezamenlijk hoofdverblijf aan te nemen. Daarvoor is tevens vereist dat voldoende gegevens beschikbaar zijn omtrent overige woon- en leefomstandigheden, waartoe onder meer de inrichting en het gebruik van de ter beschikking staande woonruimtes van beide partners vallen te rekenen (onder meer CRvB van 4 mei 2005,

LJN: AT5527). De belanghebbende is verplicht over zijn woonsituatie de juiste en volledige inlichtingen te verschaffen, aangezien de woon- en leefsituatie van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. De bewijslast van de stelling dat - in afwijking van de opgegeven situatie - sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf rust op verweerder nu de daarop gebaseerde besluitvorming belastend is voor [naam].

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zijn hoofdverblijf heeft in de woning van [naam] aan de [adres] te Weert.

15. Tijdens het huisbezoek op 24 maart 2011 is (een deel van) de administratie en het identiteitsbewijs van eiser aangetroffen in de woning van [naam]. Zo bevond zich in het computermeubel in de woonkamer een brief van de gemeente Weert aan eiser in verband met de berekening van de verhaalsbijdrage. Onder de kussens van het bankstel in de woonkamer zijn twee verzendbonnen gevonden die op naam van eiser zijn gesteld. In de slaapkamer zijn in de nachtkastjes diverse facturen op naam van eiser aangetroffen, onder meer betreffende de aankoop van twee fietsen op 3 mei 2005 en op 18 november 2009 bij Wim Janssen Fietsplus, een dvd-speler op 27 juni 2007, een sd-card op 27 juni 2007, een navigatiesysteem op 3 november 2008, een scooter op 25 augustus 2010. Verder bevonden zich daar een factuur van Mediamarkt van 16 oktober 2010 waarop is vermeld “herhaalde klacht stofzuiger” en een royementsverklaring van Klaverblad Verzekeringen van 20 april 2009. Deze stukken zijn geadresseerd aan eiser wonende aan de [adres] of a[adres]es]. Voorts zijn in de woning van [naam] diverse medicijnverpakkingen gevonden op naam van eiser.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan de aanwezigheid van deze zaken en stukken in de woning van [naam] terecht de conclusie heeft verbonden dat eiser daar zijn hoofdverblijf heeft gehad. Immers bewaart iemand zijn administratie, medicatie en identiteitsbewijs in de regel daar waar hij zijn hoofdverblijf heeft. [naam] betoogt dat verweerder de verkeerde conclusie heeft getrokken aangezien deze documenten alle betrekking hadden op aankopen door eiser voor hun dochter zodat het logisch was dat zij deze stukken in haar administratie bewaarde. In dat betoog ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. In de eerste plaats heeft een aantal documenten geen betrekking op zaken voor de dochter, zoals de medicijnverpakkingen, het identiteitsbewijs van eiser, de royementsverklaring, de dvd-speler, het navigatiesysteem en de sd-card. [naam] heeft met haar betoog dan ook geen plausibele verklaring gegeven voor de aanwezigheid van op die zaken betrekking hebbende documenten in haar woning.

Daar komt bij dat [naam] de stelling dat eiser voor hun dochter de twee fietsen en het home-entertainmentsysteem zou hebben aangeschaft niet heeft onderbouwd. Uit de facturen blijkt daarvan in ieder geval niet.

16. De rechtbank overweegt in dit verband dat zowel [naam] als eiser op dit punt steeds wisselende en tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. [naam] heeft op

24 maart 2012 ten overstaan van de sociale recherche verklaard dat zij niet wist van administratie van eiser in haar woning noch van facturen van KPN op zijn naam. Verder heeft [naam] toen verklaard dat eiser geen enkele bijdrage levert aan haar of haar dochter en dat alle kosten door haarzelf worden betaald, hetgeen in strijd is met haar later ingenomen standpunt. De enkele stelling dat [naam] geen waarde hecht aan haar eerste verklaring en dat zij deze niet heeft ondertekend, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze niet betrokken zouden mogen worden in de afwegingen, nu niet gesteld of gebleken is dat deze verklaring onder dwang tot stand is gekomen of dat deze anderszins ontoelaatbaar zou zijn. Ook eiser heeft aanvankelijk verklaard dat hij geen bijdrage levert aan [naam], te weten op 24 maart 2011 ten overstaan van de sociale recherche. Verder heeft hij toen – ook in afwijking van latere verklaringen - gesteld dat het niet zo kon zijn dat er papieren van hem waren aangetroffen in de woning van [naam].

17. Tijdens het huisbezoek op 24 maart 2011 is verder aan de achterzijde van de woning aan een haak naast de buitendeur een plastic tas aangetroffen met daarin tientallen documenten op naam van eiser. In de tas bevonden zich onder meer een kopie van een bankafschrift van 13 september 2005, diverse rekeningafschriften van Best Credit Line BV uit de periode 2006 - 2007, diverse facturen van T-mobile uit 2007, een brief van Reaal verzekeringen van 29 juni 2007, brieven van een rechtsbijstandverzekeraar, een aantal declaraties van CZ-verzekeringen gedateerd in 2009, een kopie van het rijbewijs van eiser, een aantal brieven van Het Net over de ADSL-aansluiting aan de [adres] met het wachtwoord en de inloggegevens daarvan en een aantal facturen van KPN op naam van eiser, gedateerd in de periode 2005 - 2007.

18. Uit het feit dat de facturen van KPN en de brieven betreffende de

ADSL-aansluiting geadresseerd zijn aan de [adres] blijkt dat in opdracht en voor rekening voor eiser een telefoon- en internetaansluiting is aangelegd in de woning van [naam]. De rechtbank is van oordeel dat ook daaruit is af te leiden dat eiser daar zijn hoofdverblijf heeft gehad. Daar waar iemand woont, zal hij immers zijn telefoon- en internetverbinding laten aanleggen. De tegenwerping van [naam] dat eiser deze aansluiting heeft betaald voor zijn dochter omdat zij internet nodig had voor school, acht de rechtbank niet geloofwaardig nu zowel [naam] als eiser aanvankelijk hebben verklaard dat eiser geen bijdrage leverde aan [naam] of hun dochter. Ook valt deze verklaring niet te rijmen met de verklaring van [naam] dat zij niet wist van KPN-facturen op naam van eiser.

19. De overige documenten die zich in de plastic tas bevonden zijn gericht aan eiser wonende aan de [adr[adres]es] te Weert en dateren uit de periode september 2005 tot en met september 2009. Anders dan [naam] stelt is de rechtbank van oordeel dat uit de adressering niet zonder meer is af te leiden dat eiser zijn hoofdverblijf eerst op de [adres] had en nadien op de [adres]. Deze documenten zijn immers feitelijk elders aangetroffen, namelijk bij [naam]. Zoals onder rechtsoverweging 13 is overwogen wordt de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, beantwoord worden aan de hand van de feitelijke situatie. [naam] heeft over de plastic tas tijdens de zitting verklaard dat eiser ten tijde van zijn verhuizing in 2008 van de [adres] naar de [adres] vanwege ruimtegebrek een aantal zaken in haar schuur had opgeslagen, waaronder de tas met daarin een deel van zijn administratie. Nadat eiser geen gehoor had gegeven aan diverse verzoeken om de tas mee te nemen, heeft [naam] de tas buiten gehangen. Eiser heeft eenzelfde verklaring gegeven. De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig aangezien deze niet te rijmen is met het feit dat sommige documenten in de tas geadresseerd zijn aan de [adres] en dateren uit 2008 en 2009, zijnde de periode na de verhuizing. Daar komt bij dat [naam] in bezwaar en beroep hierover een andere verklaring heeft afgelegd, namelijk dat zij eiser in het verleden heeft geattendeerd op rondslingerende post waarna zij op enig moment als statement alle post heeft verzameld in een plastic tas om deze aan de buitendeur te hangen. De rechtbank is vanwege de tegenstrijdigheden in de afgelegde verklaringen van oordeel dat hetgeen [naam] hierover heeft verklaard, ongeloofwaardig is.

20. De observaties van de sociale recherche en de verklaringen van mevrouw [naam] en de heer [naam] leveren voorts ondersteunend bewijs op voor het oordeel dat eiser bij [naam] heeft ingewoond in de perriode 2005 tot en met 2011. Een van de auto’s van eiser (Audi A4) is in de periode van 14 december 2010 tot 14 maart 2011 meer dan veertig keer gezien bij de woning van [naam]. Hoewel deze observaties op zichzelf onvoldoende zijn voor het oordeel dat eiser zijn hoofdverblijf bij [naam] had nu vaststaat dat eiser de zorg voor hun dochter met [naam] deelt, kunnen deze evenwel naar het oordeel van de rechtbank wel aangemerkt worden als ondersteunend bewijs nu geen afdoende verklaring is gegeven voor de frequentie en de tijdstippen waarop de auto bij [naam]’ woning is aangetroffen. Volgens [naam] en eiser bracht eiser zijn dochter dagelijks naar school en kwam hij na afloop nog vaak bij [naam] voor overleg over hun dochter, hetgeen de frequentie en de tijdstippen waarop de auto is aangetroffen zou verklaren. Verder kwam eiser naar eigen zeggen veel bij [naam] om haar naar het ziekenhuis te brengen voor de behandeling van haar hernia. Voorts had hij de Audi A4 aan de zoon van [naam] uitgeleend zodat ook deze haar naar het ziekenhuis kon brengen. De rechtbank acht deze verklaringen ongeloofwaardig nu [naam] en eiser over de aanwezigheid van de auto steeds wisselende en tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. [naam] heeft op 24 maart 2011 verklaard dat zij niet wist dat de auto van eiser verschillende malen bij haar woning was geparkeerd. Verder hebben zowel [naam] als eiser aanvankelijk alleen verklaard dat eiser hun dochter kwam afhalen om haar naar school te brengen. Nadat verweerder daar op had gereageerd met de stelling dat de tijden waarop de auto was gezien niet correspondeerden met de omgangsregeling en met de aanvangstijden van school, hebben beiden daaraan toegevoegd dat eiser na het wegbrengen bij [naam] terugkwam om te overleggen over hun dochter. Eiser heeft tijdens de zitting op 25 april 2012 aanvullend verklaard dat hij de Audi A4 gedurende de maanden december 2010 tot en met maart 2011 had uitgeleend aan de zoon van [naam], terwijl hijzelf in zijn Volkswagen Golf reed. Deze verklaring is in strijd met de eerdere verklaring van eiser dat hij de Audi A4 enkele keren had uitgeleend aan de zoon van [naam], te weten op de data waarop de auto is gezien. Ook [naam] heeft in onderhavige bezwaar- en beroepsprocedures nooit aangevoerd dat haar zoon de Audi A4 gedurende enkele maanden had geleend.

21. Ook de bevindingen van het buurtonderzoek leveren ondersteunend bewijs op voor het oordeel dat eiser bij [naam] inwoonde. Mevrouw [naam], die woont aan de [adres], heeft ten eerste op 1 april 2011 ten overstaan van de sociale recherche verklaard dat aan de [adres] sinds een jaar of acht een man en een vrouw wonen met twee kinderen. Op vertoon van de foto van eiser heeft zij bevestigd dat hij degene is die op dat adres woont. De heer [naam], die sinds maart 2003 aan de [adres] woont, heeft verder op 25 maart 2011 ten overstaan van de sociale recherche gedetailleerd verklaard wie aan de [adres] wonen en - op vertoon van zijn foto - dat eiser daar nooit gewoond heeft. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze verklaringen te twijfelen nu deze zijn vastgelegd in een op ambtseed opgemaakt rapport en niet gesteld of gebleken is dat deze onder dwang tot stand zouden zijn gekomen of dat deze anderszins niet toelaatbaar zouden zijn.

22. Aan de verklaringen van buurtbewoners die [naam] in het geding heeft gebracht kent de rechtbank niet de betekenis toe die [naam] daaraan geeft. Met betrekking tot de verklaring van [naam] van 4 mei 2011 overweegt de rechtbank dat hieruit niet blijkt dat eiser wel aan de [adres] te Weert heeft gewoond. [naam] heeft in die nadere verklaring immers slechts gesteld dat hij eiser met zijn eerste verklaring niet in de problemen had willen brengen, dat hij hem wel vaker heeft gezien en dat hij met eiser heeft gesproken over het snoeien van de heg. Met betrekking tot de verklaringen van [de buurtbewoners] overweegt de rechtbank als volgt. Voornoemde personen wonen allen aan de [adres] en hebben op verzoek van [naam] verklaard dat [naam] een alleenstaande vrouw met twee kinderen is en dat zij de vader van het meisje regelmatig hebben gezien bij de woning van [naam]. De rechtbank is van oordeel dat uit deze verklaringen niet zonder meer kan worden afgeleid dat eiser niet bij [naam] inwoont, nu de verklaringen slechts een conclusie bevatten en de feitelijke onderbouwing daarvan ontbreekt. De verklaringen doen bovendien niet af aan de bevindingen van het huisbezoek waarbij administratie van eiser is aangetroffen in de woning van [naam]. De verklaringen sluiten bovendien niet uit dat [naam] zich tegenover buurtbewoners heeft gepresenteerd als alleenstaande moeder terwijl eiser tevens zijn hoofdverblijf bij haar had. Omdat het huisbezoek op zichzelf al voldoende bewijs heeft opgeleverd voor de conclusie dat eiser zijn hoofdverblijf bij [naam] had, heeft verweerder geen nader buurtonderzoek hoeven doen.

23. Nu de bevindingen van het huisbezoek voldoende feitelijke informatie hebben opgeleverd voor de conclusie dat eiser bij [naam] inwoonde heeft verweerder - anders dan [naam] betoogt - naar het oordeel van de rechtbank verder niet hoeven onderzoeken van wie de aangetroffen herenkleding, te weten van eiser of van de zoon van [naam].

24. Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser en [naam] een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd in de periode 2005 tot 1 maart 2011 omdat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in die periode daar zijn hoofdverblijf heeft gehad. De omstandigheid dat eiser in de GBA was ingeschreven op een ander adres doet daar niet aan af omdat niet is gebleken dat eiser op het door hem opgegeven woonadres feitelijk heeft gewoond. In dat kader verwijst de rechtbank naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (uitspraak van 2 maart 2004, LJN: AO5328) Met inachtneming van artikel 3, vierde lid, van de WWB is er, nu betrokkenen samen een hebben, sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden waaruit volgt dat zij een gezamenlijke huishouding voeren. Of er feiten zijn die al dan niet aantonen dat zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding, dan wel anderszins, hoeft in dit geval niet meer te worden aangetoond, maar wordt op grond van dat rechtsvermoeden aangenomen. Voor een belangenafweging is in deze beoordeling en toetsing geen ruimte. Voor zover eiser heeft ontkend dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding slagen zijn beroepsgronden niet.

25. Aangezien verweerder terecht en op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser met [naam] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, had bij de verlening van bijstand rekening moeten worden gehouden met de middelen van eiser. Tevens staat op grond van het hiervoor overwogene vast dat de beoordeling inzake een eventuele verlening van gezinsbijstand achterwege is gebleven, omdat [naam] de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Daarmee is gegeven dat ten aanzien van eiser is voldaan aan de voorwaarden voor medeterugvordering of verhaal met toepassing van artikel 59, tweede lid, onder a, van de WWB .

26. Met betrekking tot de periode van verhaal is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het gehandhaafde verhaalsbesluit niet heeft gemotiveerd waarom de uitkering is ingetrokken vanaf 10 januari 2005. Tijdens de zitting heeft de vertegenwoordiger van verweerder desgevraagd toegelicht dat het oudste in de woning aangetroffen document, dat gericht is aan eiser, dateert van die datum. De rechtbank constateert dat de opsomming van in de woning aangetroffen documenten geen document bevat dat gedateerd is op 10 januari 2005. Het bestreden besluit ontbeert op het punt van de ingangsdatum van de intrekking een feitelijke onderbouwing zodat het daartegen ingestelde beroep gegrond wordt verklaard.

27. De rechtbank ziet aanleiding om te beoordelen of zij met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak kan voorzien. Uit de documenten blijkt dat eiser bij brief van 23 september 2005 de inloggegevens heeft ontvangen voor de ADSL-aansluiting in de woning aan de [adres]. De rechtbank is van oordeel dat daaruit blijkt dat eiser in ieder geval vanaf die datum zijn intrek heeft genomen in die woning. Uit de andere gegevens blijkt dat eiser vervolgens tot begin 2011 zijn hoofdverblijf daar heeft gehad. Immers heeft hij daar in de periode van 2005 tot en met 2007 een telefoon- en internet heeft gehad en zijn in de woning documenten aangetroffen op naam van eiser die dateren uit de jaren 2008 tot en met 2010. De verklaring van mevrouw [naam] ondersteunt het oordeel dat eiser van 2005 tot begin 2011 bij [naam] heeft ingewoond, nu zij heeft verklaard dat er sinds een jaar of acht een echtpaar aan de [adres] heeft gewoond. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aannemelijk is geworden dat eiser vanaf 23 september 2005 tot 1 maart 2011 zijn hoofdverblijf in de woning van [naam] heeft gehad. Met betrekking tot het bestreden besluit, kan de rechtbank evenwel niet zelf in de zaak voorzien aangezien zij niet de beschikking heeft over de gegevens die nodig zijn voor een herberekening. De rechtbank zal het besluit vernietigen waarbij zij verweerder opdraagt om een nieuw besluit op bezwaar te nemen uitgaande van een verhaalsperiode van 23 september 2005 tot 1 maart 2011.

28. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten ter zake van het beroep gericht tegen het bestreden besluit. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen in deze zaak worden 2 punten toegekend (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting).

Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1. Dit brengt met zich dat verweerder zal worden veroordeeld in de proceskosten ad € 874,00.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 874,00 (wegens kosten van rechtsbijstand) te betalen aan eiser;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door of namens deze betaalde griffierecht ad € 41,00 volledig vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van

mr. C.H.M. Bartholomeus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

18 juni 2012.

w.g. mr. C.H.M. Bartholomeus,

griffier w.g. mr. B.J. Zippelius,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 18 juni 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature