Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Intrekking en terugvordering van bijstandsuitkering vanwege verzwegen samenwoning. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de vader van het jongste kind van eiseres zijn hoofdverblijf bij eiseres heeft gehad in de periode 2005 tot en met 2011. Beroep evenwel gegrond omdat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom de uitkering is ingetrokken vanaf 10 januari 2005. Rechtbank voorziet zelf in de zaak door te beslissen dat de uitkering wordt ingetrokken vanaf 23 september 2005. Dat kan zij niet voor wat betreft de terugvordering nu zij niet beschikt over de daarvoor benodigde gegevens. Samenhang met terugvorderingsprocedure LJN: BW9185

Uitspraak



RECHTBANK ROERMOND

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11 / 1573 AWB 11 / 1748 en 11 / 1769

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2012 in de zaak tussen

[eiseres], te Weert, eiseres

(gemachtigde: A.P. van Knippenbergh),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2011 heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres met ingang van 1 maart 2011 opgeschort. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 6 oktober 2011 ongegrond verklaard (het bestreden besluit 1).

Bij besluit van 23 mei 2011 heeft verweerder de uitkering van eiseres ingetrokken met ingang van 10 januari 2005 en de ten onrechte ontvangen uitkering van eiseres teruggevorderd, zijnde bedragen van € 98.276,95 bruto en € 1.926,51 netto. Het hiertegen gerichte bezwaar is bij besluit van 5 november 2011 ongegrond verklaard (het bestreden besluit 2).

Bij besluit van 3 augustus 2011 heeft verweerder een verrekeningsbesluit genomen. Het bezwaar daartegen is bij besluit van 22 november 2011 ongegrond verklaard (het bestreden besluit 3).

Tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 is beroep ingesteld. De beroepen zijn geregistreerd onder de zaaknummers AWB 11/1573, AWB 11/1748 en AWB 11/1769.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2012. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. V. Paulissen.

Overwegingen

1. Eiseres ontving sinds 19 juni 2000 een bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder. Eis[adres]s] te Weert samen met haar zoon (21 jaar) en haar dochter (16 jaar). De dochter is geboren uit een relatie met de heer[naam] (hierna: [naam]), die sinds 29 mei 2008 is ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) aan het adres [adres] te Weert.

2. Naar aanleiding van een anonieme telefonische melding op 23 augustus 2010, dat eiseres zou samenwonen met [naam], heeft de sociale recherche een onderzoek uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 18 mei 2011. De sociale recherche heeft observaties verricht, de woning van eiseres bezocht en verklaringen afgenomen van een aantal personen. Naar aanleiding van de eerste onderzoeksresultaten heeft verweerder bij de uitkering van eiseres opgeschort, tegen welk besluit eiseres bezwaar heeft gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard bij bestreden besluit 1.

3. Bij besluit van 23 mei 2011 heeft verweerder de uitkering met ingang van

10 januari 2005 ingetrokken. Tevens heeft verweerder bij dat besluit de teveel ontvangen uitkering van eiseres teruggevorderd, zijnde een bedrag van € 98.276,95 bruto over de periode 10 januari 2005 tot 1 januari 2011 en een bedrag van € 1.926,51 netto over de periode 1 januari 2011 tot 1 maart 2011. Ook tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt, dat verweerder bij het bestreden besluit 2 ongegrond heeft verklaard.

4. Volgens verweerder voeren eiseres en de heer [naam] vanaf 10 januari 2005 een gezamenlijke huishouding in de woning van eiseres aan de [adres] te Weert en heeft eiseres haar inlichtingenverplichting geschonden door daarvan geen opgave te doen. De bijstandsverlening aan eiseres is hervat met ingang van 19 juli 2011. Bij het verrekeningsbesluit heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de vordering maandelijks wordt verrekend met de uitkering van eiseres met een bedrag van 10% daarvan inclusief vakantietoeslag, een en ander op grond van het gemeentelijk terugvorderingsbeleid, waartegen eiseres bezwaar heeft gemaakt. Verweerder heeft vervolgens bij het bestreden besluit 3 de bezwaren ongegrond verklaard.

5. Bij besluit van 23 mei 2011 heeft verweerder [naam] hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de vordering van teveel ontvangen bijstand. [naam] heeft beroep ingesteld tegen het besluit waarmee verweerder zijn bezwaar tegen dat besluit ongegrond heeft verklaard. De rechtbank heeft het door eiser ingestelde beroep behandeld tijdens de zitting op

25 april 2012 (AWB 11 / 1696).

6. Eiseres voert – kort gezegd – aan dat er van een gezamenlijke huishouding met [naam] nimmer sprake is geweest en dat de onderzoeksresultaten van de sociale recherche de opschorting en de daarop volgende intrekking van haar bijstandsuitkering niet kunnen dragen. Er is volgens eiseres dan ook geen sprake van ten onrechte ontvangen bijstand die teruggevorderd en verrekend kan worden.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

8. Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is er sprake van een gezamenlijke huishouding, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder b, van artikel 3 van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en – voor zover hier relevant – uit hun relatie een kind is geboren. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet naar vaste rechtspraak van de Raad worden beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden.

9. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling aan het college van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

10. Artikel 54, eerste lid, van de WWB is bepaald, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft of vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft. Ingevolge het tweede lid doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

11. Ingevolge het derde lid is voor zover hier van belang bepaald dat het college het besluit tot toekenning van bijstand kan herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

12. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder de bijstandsuitkering van eiseres op goede gronden heeft ingetrokken met ingang van 10 januari 2005 gaat het om de vraag of eiseres en [naam] al dan niet een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de periode van 10 januari 2005 tot 23 mei 2011, zijnde de datum van het intrekkingsbesluit. Op grond van het rechtsvermoeden dat is opgenomen in artikel 3, vierde lid, onder a en b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding tussen twee personen in ieder geval aanwezig geacht indien uit hun relatie een kind is geboren. Aangezien eiseres een kind heeft met [naam] is bepalend of [naam] gedurende voornoemde periode zijn hoofdverblijf heeft gehad bij eiseres aan de [adres] te Weert.

13. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad voor Beroep (CRvB) dient de vraag waar iemand zijn woonadres heeft te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het enkele feit dat iemand regelmatig bij de ander verblijft is onvoldoende om een gezamenlijk hoofdverblijf aan te nemen. Daarvoor is tevens vereist dat voldoende gegevens beschikbaar zijn omtrent overige woon- en leefomstandigheden, waartoe onder meer de inrichting en het gebruik van de ter beschikking staande woonruimtes van beide partners vallen te rekenen (onder meer CRvB van 4 mei 2005,

LJN: AT5527). De belanghebbende is verplicht over zijn woonsituatie de juiste en volledige inlichtingen te verschaffen, aangezien de woon- en leefsituatie van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. De bewijslast van de stelling dat - in afwijking van de opgegeven situatie - sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf rust op verweerder nu de daarop gebaseerde besluitvorming belastend is voor eiseres.

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat [naam] zijn hoofdverblijf heeft in de woning van eiseres aan de [adres] te Weert.

15. Tijdens het huisbezoek op 24 maart 2011 is (een deel van) de administratie en het identiteitsbewijs van [naam] aangetroffen in de woning van eiseres. Zo bevond zich in het computermeubel in de woonkamer een brief van de gemeente Weert aan [naam] in verband met de berekening van de verhaalsbijdrage.

Onder de kussens van het bankstel in de woonkamer zijn twee verzendbonnen gevonden die op naam van [naam] zijn gesteld. In de slaapkamer zijn in de nachtkastjes diverse facturen op naam van [naam] aangetroffen, onder meer betreffende de aankoop van twee fietsen op 3 mei 2005 en op 18 november 2009 bij Wim Janssen Fietsplus, een dvd-speler op 27 juni 2007, een sd-card op 27 juni 2007, een navigatiesysteem op 3 november 2008, een scooter op 25 augustus 2010. Verder bevonden zich daar een factuur van Mediamarkt van 16 oktober 2010 waarop is vermeld “herhaalde klacht stofzuiger” en een royementsverklaring van Klaverblad Verzekeringen van 20 april 2009. Deze stukken zijn geadresseerd aan [naam] wonende aan de [adres] of a[adres]es]. Voorts zijn in de woning van eiseres diverse medicijnverpakkingen gevonden op naam van [naam]. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan de aanwezigheid van deze zaken en stukken in de woning van eiseres terecht de conclusie heeft verbonden dat [naam] daar zijn hoofdverblijf heeft gehad. Immers bewaart iemand zijn administratie, medicatie en identiteitsbewijs in de regel daar waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Eiseres betoogt dat verweerder de verkeerde conclusie heeft getrokken aangezien deze documenten alle betrekking hadden op aankopen door [naam] voor hun dochter zodat het logisch was dat zij deze stukken in haar administratie bewaarde. In dat betoog ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. In de eerste plaats heeft een aantal documenten geen betrekking op zaken voor de dochter, zoals de medicijnverpakkingen, het identiteitsbewijs van eiser, de royementsverklaring, de dvd-speler, het navigatiesysteem en de sd-card. Eiseres heeft met haar betoog dan ook geen plausibele verklaring gegeven voor de aanwezigheid van op die zaken betrekking hebbende documenten in haar woning. Daar komt bij dat eiseres de stelling dat [naam] voor hun dochter de twee fietsen en het home-entertainmentsysteem zou hebben aangeschaft niet heeft onderbouwd. Uit de facturen blijkt daarvan in ieder geval niet.

16. De rechtbank overweegt in dit verband dat zowel eiseres als [naam] op dit punt steeds wisselende en tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Eiseres heeft op

24 maart 2012 ten overstaan van de sociale recherche verklaard dat zij niet wist van administratie van [naam] in haar woning noch van facturen van KPN op zijn naam. Verder heeft eiseres toen verklaard dat [naam] geen enkele bijdrage levert aan haar of haar dochter en dat alle kosten door haarzelf worden betaald, hetgeen in strijd is met haar later ingenomen standpunt. De enkele stelling dat eiseres geen waarde hecht aan haar eerste verklaring en dat zij deze niet heeft ondertekend, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze niet betrokken zouden mogen worden in de afwegingen, nu niet gesteld of gebleken is dat deze verklaring onder dwang tot stand is gekomen of dat deze anderszins ontoelaatbaar zou zijn. Ook [naam] heeft aanvankelijk verklaard dat hij geen bijdrage levert aan eiseres, te weten op 24 maart 2011 ten overstaan van de sociale recherche. Verder heeft hij toen – ook in afwijking van latere verklaringen - gesteld dat het niet zo kon zijn dat er papieren van hem waren aangetroffen in de woning van eiseres.

17. Tijdens het huisbezoek op 24 maart 2011 is verder aan de achterzijde van de woning aan een haak naast de buitendeur een plastic tas aangetroffen met daarin tientallen documenten op naam van [naam]. In de tas bevonden zich onder meer een kopie van een bankafschrift van 13 september 2005, diverse rekeningafschriften van Best Credit Line BV uit de periode 2006 - 2007, diverse facturen van T-mobile uit 2007, een brief van Reaal verzekeringen van 29 juni 2007, brieven van een rechtsbijstandverzekeraar, een aantal declaraties van CZ-verzekeringen gedateerd in 2009, een kopie van het rijbewijs van [naam], een aantal brieven van Het Net over de ADSL-aansluiting aan de [adres] met het wachtwoord en de inloggegevens daarvan en een aantal facturen van KPN op naam van [naam], gedateerd in de periode 2005 - 2007.

18. Uit het feit dat de facturen van KPN en de brieven betreffende de

ADSL-aansluiting geadresseerd zijn aan de [adres] blijkt dat in opdracht en voor rekening voor [naam] een telefoon- en internetaansluiting is aangelegd in de woning van eiseres. De rechtbank is van oordeel dat ook daaruit is af te leiden dat [naam] daar zijn hoofdverblijf heeft gehad. Daar waar iemand woont, zal hij immers zijn telefoon- en internetverbinding laten aanleggen. De tegenwerping van eiseres dat [naam] deze aansluiting heeft betaald voor zijn dochter omdat zij internet nodig had voor school, acht de rechtbank niet geloofwaardig nu zowel eiseres als [naam] aanvankelijk hebben verklaard dat [naam] geen bijdrage leverde aan eiseres of hun dochter. Ook valt deze verklaring niet te rijmen met de verklaring van eiseres dat zij niet wist van KPN-facturen op naam van [naam].

19. De overige documenten die zich in de plastic tas bevonden zijn gericht aan [naam] wonende aan de [adres] en de [adres] te Weert en dateren uit de periode september 2005 tot en met september 2009. Anders dan eiseres stelt is de rechtbank van oordeel dat uit de adressering niet zonder meer is af te leiden dat [naam] zijn hoofdverblijf eerst op de [adres] had en nadien op de [adres]. Deze documenten zijn immers feitelijk elders aangetroffen, namelijk bij eiseres. Zoals onder rechtsoverweging 12 is overwogen wordt de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, beantwoord worden aan de hand van de feitelijke situatie. Eiseres heeft over de plastic tas tijdens de zitting verklaard dat [naam] ten tijde van zijn verhuizing in 2008 van de [adres] naar de [adres] vanwege ruimtegebrek een aantal zaken in haar schuur had opgeslagen, waaronder de tas met daarin een deel van zijn administratie. Nadat [naam] geen gehoor had gegeven aan diverse verzoeken om de tas mee te nemen, heeft eiseres de tas buiten gehangen. [naam] heeft eenzelfde verklaring gegeven. De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig aangezien deze niet te rijmen is met het feit dat sommige documenten in de tas geadresseerd zijn aan de Montfortstraat 32 en dateren uit 2008 en 2009, zijnde de periode na de verhuizing. Daar komt bij dat eiseres in bezwaar en beroep hierover een andere verklaring heeft afgelegd, namelijk dat zij [naam] in het verleden heeft geattendeerd op rondslingerende post waarna zij op enig moment als statement alle post heeft verzameld in een plastic tas om deze aan de buitendeur te hangen. De rechtbank is vanwege de tegenstrijdigheden in de afgelegde verklaringen van oordeel dat hetgeen eiseres hierover heeft verklaard, ongeloofwaardig is.

20. De observaties van de sociale recherche en de verklaringen van mevrouw [naam] en de heer [naam] leveren voorts ondersteunend bewijs op voor het oordeel dat [naam] bij eiseres heeft ingewoond in de perriode 2005 tot en met 2011. Een van de auto’s van [naam] (Audi A4) is in de periode van 14 december 2010 tot 14 maart 2011 meer dan veertig keer gezien bij de woning van eiseres. Hoewel deze observaties op zichzelf onvoldoende zijn voor het oordeel dat [naam] zijn hoofdverblijf bij eiseres had nu vaststaat dat [naam] de zorg voor hun dochter met eiseres deelt, kunnen deze evenwel naar het oordeel van de rechtbank wel aangemerkt worden als ondersteunend bewijs nu geen afdoende verklaring is gegeven voor de frequentie en de tijdstippen waarop de auto bij eiseres’ woning is aangetroffen. Volgens eiseres en [naam] bracht [naam] zijn dochter dagelijks naar school en kwam hij na afloop nog vaak bij eiseres voor overleg over hun dochter, hetgeen de frequentie en de tijdstippen waarop de auto is aangetroffen zou verklaren. Verder kwam eiser naar eigen zeggen veel bij eiseres om haar naar het ziekenhuis te brengen voor de behandeling van haar hernia. Voorts had hij de Audi A4 aan de zoon van eiseres uitgeleend zodat ook deze haar naar het ziekenhuis kon brengen.

De rechtbank acht deze verklaringen ongeloofwaardig nu eiseres en [naam] over de aanwezigheid van de auto steeds wisselende en tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Eiseres heeft op 24 maart 2011 verklaard dat zij niet wist dat de auto van [naam] verschillende malen bij haar woning was geparkeerd. Verder hebben zowel eiseres als [naam] aanvankelijk alleen verklaard dat [naam] hun dochter kwam afhalen om haar naar school te brengen. Nadat verweerder daar op had gereageerd met de stelling dat de tijden waarop de auto was gezien niet correspondeerden met de omgangsregeling en met de aanvangstijden van school, hebben beiden daaraan toegevoegd dat [naam] na het wegbrengen bij eiseres terugkwam om te overleggen over hun dochter. [naam] heeft tijdens de zitting op 25 april 2012 aanvullend verklaard dat hij de Audi A4 gedurende de maanden december 2010 tot en met maart 2011 had uitgeleend aan de zoon van eiseres, terwijl hijzelf in zijn Volkswagen Golf reed. Deze verklaring is in strijd met de eerdere verklaring van [naam] dat hij de Audi A4 enkele keren had uitgeleend aan de zoon van eiseres, te weten op de data waarop de auto is gezien. Ook eiseres heeft in onderhavige bezwaar- en beroepsprocedures nooit aangevoerd dat haar zoon de Audi A4 gedurende enkele maanden had geleend.

21. Ook de bevindingen van het buurtonderzoek leveren ondersteunend bewijs op voor het oordeel dat [naam] bij eiseres inwoonde. Mevrouw [naam], die woont aan de [adres], heeft ten eerste op 1 april 2011 ten overstaan van de sociale recherche verklaard dat aan de [adres] sinds een jaar of acht een man en een vrouw wonen met twee kinderen. Op vertoon van de foto van [naam] heeft zij bevestigd dat hij degene is die op dat adres woont. De heer [naam], die sinds maart 2003 aan de [adres] woont, heeft verder op 25 maart 2011 ten overstaan van de sociale recherche gedetailleerd verklaard wie aan de [adres] wonen en - op vertoon van zijn foto - dat [naam] daar nooit gewoond heeft. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze verklaringen te twijfelen nu deze zijn vastgelegd in een op ambtseed opgemaakt rapport en niet gesteld of gebleken is dat deze onder dwang tot stand zouden zijn gekomen of dat deze anderszins niet toelaatbaar zouden zijn.

22. Aan de verklaringen van buurtbewoners die eiseres in het geding heeft gebracht kent de rechtbank niet de betekenis toe die eiseres daaraan geeft. Met betrekking tot de verklaring van [naam] van 4 mei 2011 overweegt de rechtbank dat hieruit niet blijkt dat [naam] wel aan de [adres] te Weert heeft gewoond. [naam] heeft in die nadere verklaring immers slechts gesteld dat hij [naam] met zijn eerste verklaring niet in de problemen had willen brengen, dat hij hem wel vaker heeft gezien en dat hij met [naam] heeft gesproken over het snoeien van de heg. Met betrekking tot de verklaringen van [de buurtbewoners] overweegt de rechtbank als volgt. Voornoemde personen wonen allen aan de [adres] en hebben op verzoek van eiseres verklaard dat eiseres een alleenstaande vrouw met twee kinderen is en dat zij de vader van het meisje regelmatig hebben gezien bij de woning van eiseres. De rechtbank is van oordeel dat uit deze verklaringen niet zonder meer kan worden afgeleid dat [naam] niet bij eiseres inwoont, nu de verklaringen slechts een conclusie bevatten en de feitelijke onderbouwing daarvan ontbreekt. De verklaringen doen bovendien niet af aan de bevindingen van het huisbezoek waarbij administratie van [naam] is aangetroffen in de woning van eiseres. De verklaringen sluiten bovendien niet uit dat eiseres zich tegenover buurtbewoners heeft gepresenteerd als alleenstaande moeder terwijl [naam] tevens zijn hoofdverblijf bij haar had. Omdat het huisbezoek op zichzelf al voldoende bewijs heeft opgeleverd voor de conclusie dat [naam] zijn hoofdverblijf bij eiseres had, heeft verweerder geen nader buurtonderzoek hoeven doen.

23. Nu de bevindingen van het huisbezoek voldoende feitelijke informatie hebben opgeleverd voor de conclusie dat [naam] bij eiseres inwoonde heeft verweerder - anders dan eiseres betoogt - naar het oordeel van de rechtbank verder niet hoeven onderzoeken van wie de aangetroffen herenkleding, te weten van [naam] of van de zoon van eiseres.

24. Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat [naam] en eiseres een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd in de periode 2005 tot 1 maart 2011 omdat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat [naam] in die periode daar zijn hoofdverblijf heeft gehad. Verweerder heeft dan ook op goede gronden geconcludeerd dat eiseres haar inlichtingenverplichting heeft geschonden en als gevolg daarvan ten onrechte een uitkering heeft ontvangen. Verweerder heeft dan ook terecht en op goede gronden besloten tot handhaving van het besluit om de uitkering van eiseres op te schorten. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 is dan ook ongegrond.

25. Met betrekking tot de periode van terugvordering is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het gehandhaafde intrekkings- en terugvorderingsbesluit niet heeft gemotiveerd waarom de uitkering is ingetrokken vanaf 10 januari 2005. Tijdens de zitting heeft de vertegenwoordiger van verweerder desgevraagd toegelicht dat het oudste in de woning aangetroffen document, dat gericht is aan [naam], dateert van die datum. De rechtbank constateert dat de opsomming van in de woning aangetroffen documenten geen document bevat dat gedateerd is op 10 januari 2005. Het bestreden besluit 2 ontbeert op het punt van de ingangsdatum van de intrekking een feitelijke onderbouwing zodat het daartegen ingestelde beroep gegrond wordt verklaard.

26. De rechtbank ziet aanleiding om te beoordelen of zij met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak kan voorzien. Uit de documenten blijkt dat [naam] bij brief van 23 september 2005 de inloggegevens heeft ontvangen voor de ADSL-aansluiting in de woning aan de [adres]. De rechtbank is van oordeel dat daaruit blijkt dat [naam] in ieder geval vanaf die datum zijn intrek heeft genomen in die woning. Uit de andere gegevens blijkt dat [naam] vervolgens tot begin 2011 zijn hoofdverblijf daar heeft gehad. Immers heeft hij daar in de periode van 2005 tot en met 2007 een telefoon- en internet heeft gehad, en zijn in de woning documenten aangetroffen op naam van [naam] die dateren uit de jaren 2008 tot en met 2010. De verklaring van mevrouw [naam] ondersteunt het oordeel dat [naam] van 2005 tot begin 2011 bij eiseres heeft ingewoond, nu zij heeft verklaard dat er sinds een jaar of acht een echtpaar aan de [adres] heeft gewoond. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [naam] vanaf 23 september 2005 tot 1 maart 2011 zijn hoofdverblijf in de woning van eiseres heeft gehad. De rechtbank zal het primaire besluit herroepen voor zover het de datum betreft van de intrekking van het uitkeringsrecht en deze vaststellen op 3 mei 2005.

27. Met betrekking tot het bestreden besluit 2, kan de rechtbank voor wat betreft de terugvordering niet zelf in de zaak voorzien aangezien zij niet de beschikking heeft over de gegevens die nodig zijn voor een herberekening. De rechtbank zal dit deel van het besluit vernietigen waarbij zij verweerder opdraagt om een nieuw besluit op bezwaar te nemen uitgaande van een periode van terugvordering van 23 september 2005 tot 1 maart 2011.

28. Nu het terugvorderingsbesluit geen stand kan houden, kan ook het bestreden

besluit 3 geen standhouden. Immers gaat dat verrekeningsbesluit uit van een onjuist terugvorderingsbesluit. De rechtbank verklaart het beroep tegen bestreden besluit 3 gegrond en draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het gestelde in de uitspraak.

29. De rechtbank ziet verder aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten ter zake van het beroep gericht tegen de bestreden besluiten 2 en 3. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen in deze zaak worden 2 punten toegekend (2 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting). Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1. Dit brengt met zich dat verweerder zal worden veroordeeld in de proceskosten ad € 1.311,00.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond;

- herroept het besluit van 23 mei 2011 voor zover het de intrekking van de uitkering betreft;

- bepaalt dat de uitkering van eiseres wordt ingetrokken met ingang van

23 september 2005;

- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen voor zover het de terugvordering van de teveel ontvangen uitkering betreft met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

- verklaart het beroep tegen besluit 3 gegrond;

- draagt verweerder op om een nieuw verrekeningsbesluit te nemen met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 1.311,00 (wegens kosten van rechtsbijstand) te betalen aan eiseres;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door of namens deze betaalde griffierecht ad € 82,00 (2x € 41,00) volledig vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van

mr. N.F.M. Beurskens-Roelofs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken

op 18 juni 2012.

w.g. mr. N.F.M. Beurskens-Roelofs,

griffier w.g. mr. B.J. Zippelius,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 18 juni 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature