< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Huurtoeslag. Uitkering uit ongevallen inzittendenverzekering kan niet worden aangemerkt als (daadwerkelijke) schadevergoeding als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, sub 1, van de Uitvoeringsregeling en de toelichting daarop. Verweerder was dan ook niet bevoegd tot het buiten toepassing laten van artikel 7, derde lid, van de Awir .

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2267

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 mei 2012 in de zaak tussen

P.R. Vlaar, te Hoorn, eiser

(gemachtigde: mr. L. Bosch),

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: A.A. Wubs).

Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder afgewezen het verzoek van eiser om bij de berekening van de huurtoeslag met ingang van 10 november 2008 rekening te houden met een bijzondere situatie.

Bij besluit van 27 juli 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Bij besluit van 23 december 2008, gewijzigd op 9 juni 2009, heeft verweerder aan eiser een voorschot huurtoeslag voor het jaar 2009 verleend.

Bij besluit van 22 september 2010 heeft verweerder de huurtoeslag voor het jaar 2009 definitief vastgesteld op een bedrag van € 2.720.

Bij besluit van 11 februari 2011 heeft verweerder de definitief vastgestelde huurtoeslag voor het jaar 2008 herzien naar nihil. Daarbij heeft verweerder een bedrag van € 2.658 van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 18 februari 2011 heeft verweerder de definitief vastgestelde huurtoeslag voor het jaar 2009 herzien naar nihil. Daarbij heeft verweerder een bedrag van € 2.720 van eiser teruggevorderd.

Tegen de besluiten van 11 en 18 februari 2011 heeft eiser bezwaar gemaakt. Op dit bezwaar heeft verweerder nog niet beslist.

In het formulier ‘Verzoek bijzondere situatie huurtoeslag’ van 24 februari 2011 heeft eiser aangegeven dat per 10 november 2008 sprake is van een bijzondere situatie. Op 6 november 2008 heeft AEGON Schadeverzekering N.V. (hierna: AEGON) uit hoofde van een ongevallen inzittendenverzekering aan eiser een bedrag van € 33.077,26 toegekend wegens volledige blijvende invaliditeit na een door eiser op 20 augustus 2006 overkomen ongeval.

Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen.

2. Het bestreden besluit gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om bij de berekening van de huurtoeslag met ingang van het jaar 2008 rekening te houden met de bijzondere situatie van eiser. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het door AEGON uitgekeerde bedrag wordt gezien als een materiële schadevergoeding en niet valt onder de uitzonderingssituaties genoemd in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Uitvoeringsregeling) in samenhang met artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).

3. Eiser voert aan dat hij een uitkering heeft ontvangen uit hoofde van een sommenverzekering. Volgens eiser dient te worden aangeknoopt bij het civiele recht. De uitkering uit de sommenverzekering wordt bij andere dan eenzijdige ongevallen eerst in mindering gebracht op een toe te kennen schadevergoeding. In feite heeft eiser een immateriële schadevergoeding ontvangen. Zijn immateriële schade ziet op een bedrag ver boven het door hem ontvangen bedrag uit de sommenverzekering. Ook heeft verweerder in zijn berekening ten onrechte geen rekening gehouden met de door eiser betaalde premies voor de Ongevallen Inzittendenverzekering. Daardoor vindt er een dubbeltelling plaats.

4.1. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag is het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Awir , wordt ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

Op grond van artikel 7, derde lid, van de Awir, voor zover van belang, bestaat indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien bij de belanghebbende over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking wordt genomen.

Op grond van artikel 47 van de Awir , geldend tot 30 december 2008, kan bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Ministers wie het aangaat, een van deze wet afwijkende maatregel worden getroffen voor groepen van gevallen waarin toepassing van artikel 7, derde of vierde lid, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Op grond van artikel 47 van de Awir , geldend per 30 december 2008, is Onze Minister bevoegd in overeenstemming met Onze Ministers wie het aangaat bij ministeriële regeling voor groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, welke zich bij de toepassing van artikel 7, derde of vierde lid, mochten voordoen.

Deze regeling is de Uitvoeringsregeling.

Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, sub 1, van de Uitvoeringsregeling blijft artikel 7, derde en vierde lid, van de wet op verzoek van de belanghebbende buiten toepassing ten aanzien van degene bij wie over het berekeningsjaar geen voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking zou worden genomen indien de rendementsgrondslag als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zou worden verminderd met een bedrag ter grootte van de navolgende eenmalige uitkeringen die in het berekeningsjaar of in enig eerder jaar zijn ontvangen: immateriële schadevergoedingen.

4.2. In de toelichting van de Uitvoeringsregeling (Staatscourant 27 december 2005, nummer 251/pagina 31) staat het volgende:

‘Artikel 9, eerste lid, onderdeel b, noemt een aantal eenmalige uitkeringen die in het berekeningsjaar of in enig ander jaar zijn ontvangen, waarvan de bedragen bij de vermogenstoets buiten aanmerking kunnen blijven.

Ten eerste wordt hierbij gedacht aan immateriële schadevergoedingen (artikel 9, eerste lid, onderdeel b, onder 1 °). Immateriële schadevergoedingen spelen bijvoorbeeld een rol in situaties waarbij naar aanleiding van een ongeval een schadevergoeding is uitgekeerd. Alleen het gedeelte dat daadwerkelijk als smartengeld is verstrekt mag dan voor de vermogenstoets op de rendementsgrondslag in mindering worden gebracht.’

4.3. In de uitspraak van 24 maart 2010 (LJN: BL8697) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) overwogen dat uit artikel 47 van de Awir volgt dat de wetgever een gesloten stelsel van categorie ën van gevallen heeft beoogd, waarin een afwijkende maatregel kan worden getroffen. Bij de Uitvoeringsregeling is in overeenstemming daarmee een regeling getroffen voor groepen gevallen waarin toepassing van artikel 7, derde lid, van de Awir leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Ook uit de opsomming van de gevallen waarin een voordeel uit sparen en beleggen bij de vermogenstoets niet in aanmerking wordt genomen, alsmede uit de wijze waarop artikel 9 van de Uitvoeringsregeling is toegelicht, heeft de Afdeling afgeleid dat buiten de in de Uitvoeringsregeling opgesomde gevallen geen bevoegdheid bestaat tot het buiten toepassing laten van artikel 7, derde lid, van de Awir. De opsomming van bezittingen en uitkeringen neergelegd in artikel 9, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling moet daarbij als limitatief worden aangemerkt.

5.1. De rechtbank stelt vast en tussen partijen is niet in geschil dat de door eiser ontvangen uitkering van AEGON geen uitkering is als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2 tot en met 12, van de Uitvoeringsregeling. Ter beantwoording staat de vraag of eiser immateriële schadevergoeding als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, sub1, van de Uitvoeringsregeling heeft ontvangen.

5.2. De rechtbank zal eerst beoordelen of het door eiser van AEGON ontvangen bedrag kan worden aangemerkt als schadevergoeding.

Op grond van artikel 925, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) betreft een verzekeringsovereenkomst ofwel een schadeverzekering, ofwel een sommenverzekering. Tussenvormen kunnen niet bestaan.

De rechtbank stelt vast en tussen partijen is niet in geschil dat onderhavige ongevallen inzittendenverzekering een sommenverzekering betreft.

Op grond van artikel 7:964 van het BW is een sommenverzekering de verzekering waarbij het onverschillig is of en in hoeverre met de uitkering schade wordt vergoed. Een sommenverzekering heeft derhalve - in tegenstelling tot de schadeverzekering - niet tot doel opgelopen schade te vergoeden. De ongevallen inzittendenverzekering keert een vast bedrag uit voor iedere inzittende die door een ongeval blijvend invalide wordt of overlijdt. De verschuldigde bedragen zijn van te voren in de polis vastgesteld. Ook maakt het voor het recht op uitkering niet uit of de bestuurder schuldig is aan het ongeval of niet. Er bestaat evenmin een relatie tussen het uitgekeerde bedrag en de werkelijk geleden schade.

Gelet hierop concludeert de rechtbank dat het door eiser van AEGON ontvangen bedrag niet kan worden aangemerkt als (daadwerkelijke) schadevergoeding als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, sub 1, van de Uitvoeringsregeling en de toelichting daarop. Verweerder was dan ook niet bevoegd tot het buiten toepassing laten van artikel 7, derde lid, van de Awir . De rechtbank verwerpt derhalve de beroepsgrond van eiser.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Bankert, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2012.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature