< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Veroordeling voor het in strijd met artikel 6 van de EG-verordening nr. 1 /2005 EG vervoeren van een zieke koe.

Oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke geldboete en de overweging dat deze uitspraak naar het oordeel van het hof geen gevolgen zou dienen te hebben voor de (verlenging van de) vergunningen waarover de verdachte dient te beschikken voor de uitvoering van haar werkzaamheden.

Uitspraak



Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004048-11

Uitspraak d.d.: 29 mei 2012

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Utrecht van 25 oktober 2011 in de strafzaak tegen

[Verdachte]

gevestigd te [vestigingsplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 mei 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij, op of omstreeks 24 maart 2009 te IJsselstein en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, heeft gehandeld in strijd met artikel 6 van de EG-verordening nr. 1 /2005, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) als vervoerder(s) een of meer dieren niet in overeenstemming met de technische voorschriften uit bijlage I behorende bij voornoemde verordening vervoerd;

door een gewond, zwak en/of ziek rund (NL 335415522) te vervoeren dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport en/of terwijl de vervoersomstandigheden dusdanig waren dat aan dit dier onnodig lijden werd berokkend en/of terwijl dit rund niet in staat was te worden vervoerd, daar dit rund niet op eigen kracht pijnloos kon bewegen en/of niet zonder hulp kon lopen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

De vertegenwoordiger van de verdachte heeft ter terechtzitting betoogd, zakelijk weergegeven, dat volgens de Verordening 1/2005 zieke of gewonde dieren mogen worden vervoerd mits dit vervoer geen letsel of onnodig lijden toebrengt aan het dier. Er is niet in strijd met de Verordening vervoerd. Bovendien is de koe bij het lossen door de medewerkers van de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) niet genoteerd op de lijst waarop de gegevens van dieren worden genoteerd wanneer daarmee iets mis is voor of na de slacht. Ook heeft de vertegenwoordiger van de verdachte aangevoerd dat de chauffeur om 8.00 uur weg was bij het slachthuis terwijl de overtreding pas een aantal uren nadien is geconstateerd en dit laat de mogelijkheid open dat de verwonding na het transport is ontstaan.

Uit het dossier volgt dat de betreffende koe door de [naam chauffeur], die als chauffeur in dienst is bij de verdachte, is geladen en naar het slachthuis is vervoerd. [Naam chauffeur] heeft verklaard dat hij voorafgaand aan het transport had geconstateerd dat de koe met een van haar poten trok en dat die poot dik was. De koe kon wel zelfstandig de wagen inlopen. [Naam chauffeur] heeft de koe geladen en haar, vanwege zijn constateringen, in een apart hok gezet.

De dierenartsen [naam dierenarts A] en [naam dierenarts B] hebben de poot van de betreffende koe onderzocht. Uit de diergeneeskundige verklaring die is opgemaakt blijkt dat de koe een opgezette onderpoot had en dat de kroonrand van de klauwen rechtsachter een stevige verdikking vertoonde. De diagnose luidde dat de laterale (buiten)klauw rechtsachter chronisch ontstoken was en dat de ontsteking al meerdere weken aan de gang was. Aan de binnenzijde van de klauwen was een houten klosje aangebracht, dat normaliter wordt gebruikt om de druk op de ontstoken klauw weg te nemen. Geschat werd dat dit klosje twee of drie weken voor het transport was aangebracht.

De koe kon de betreffende poot rechtsachter niet belasten, terwijl een dier tijdens het transport vier poten dient te gebruiken om het evenwicht voortdurend bij te sturen. Door het transport is volgens de dierenartsen daarom onnodig lijden toegebracht.

De Verordening (EG) nr. 1/2005 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de richtlijnen 64/432/EEG en 91/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (hierna: de Verordening) bepaalt in bijlage I onder hoofdstuk 1 welke dieren geschikt zijn voor het vervoer.

Artikel 1 stelt dat alleen dieren die geschikt zijn voor het voorgenomen transport mogen worden vervoerd, waarbij de vervoersomstandigheden zodanig moeten zijn dat de dieren geen letsel of onnodig lijden kan worden berokkend.

Artikel 2 bepaalt – voor zover thans van belang – dat gewonde, zwakke en zieke dieren niet in staat worden geacht te worden vervoerd, met name niet wanneer de dieren niet in staat zijn zich op eigen kracht pijnloos te bewegen en zonder hulp te lopen.

Artikel 3 bepaalt vervolgens voor wat betreft zieke of gewonde dieren – voor zover hier van belang – dat deze dieren in staat worden geacht te worden vervoerd onder meer wanneer het licht gewonde of zieke dieren betreft waarvoor het vervoer geen onnodig lijden veroorzaakt. Indien men twijfelt, dient advies van de dierenarts te worden ingewonnen.

Uit de verklaring van de chauffeur van de verdachte blijkt dat de koe met haar poot trok. Ondanks deze constatering is geen dierenarts geraadpleegd over het voorgenomen transport. Uit de hiervoor genoemde diergeneeskundige verklaring volgt dat de koe niet al haar poten kon belasten, terwijl dit wel noodzakelijk is voor het evenwicht gedurende het vervoer. Gelet op deze laatste omstandigheid is aan de koe onnodig lijden toegebracht door haar te vervoeren. Dat de koe apart van de andere dieren is geplaatst doet aan het voorgaande niet af.

Evenmin is van belang dat de betreffende koe niet op de lijst van de medewerkers van de VWA is genoteerd bij de keuring die plaatsvond direct na het lossen. Uit de gegevens op die volgt immers niet of een dier al dan niet geschikt was voor het transport.

Voor zover nog is betoogd dat de verwonding na het transport is ontstaan, is het hof van oordeel dat dit verweer faalt omdat zowel uit de verklaring van de chauffeur van de verdachte als uit de diergeneeskundige verklaring volgt dat de verwonding reeds (geruime tijd) voor het transport aanwezig was.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij, op 24 maart 2009 te IJsselstein en Amsterdam,, heeft gehandeld in strijd met artikel 6 van de EG-verordening nr. 1 /2005, immers heeftverdachte als vervoerder een dier niet in overeenstemming met de technische voorschriften uit bijlage I behorende bij voornoemde verordening vervoerd;

door een ziek rund (NL 335415522) te vervoeren dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport en/of terwijl dit rund niet in staat was te worden vervoerd, daar dit rund niet op eigen kracht pijnloos kon bewegen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het bewezen verklaarde levert op:

het door een rechtspersoon begaan van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 59 Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren .

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op het maatschappelijk functioneren van verdachte en haar draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van

€ 550,-.

De economische politierechter in de rechtbank Utrecht heeft de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 550,- waarvan € 250,- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld conform het vonnis van de economische politierechter.

De verdachte heeft een dier vervoerd in strijd met de technische voorschriften die in bijlage I onder hoofdstuk 1 van Verordening 1/2005 zijn opgesteld voor dat vervoer.

Daardoor zijn voornoemde regels overtreden en is aan de koe die is vervoerd onnodig lijden toegebracht.

Het hof heeft in de strafoplegging ten voordele van de verdachte meegewogen dat de chauffeur die bij de verdachte in dienst was, heeft geprobeerd de koe in kwestie zoveel mogelijk te ontlasten door het dier afzonderlijk van de andere dieren te vervoeren tussen twee deuren.

Ook is ten voordele van de verdachte meegewogen dat de verdachte, blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie van 24 april 2012, niet eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van enig strafbaar feit.

Gelet op deze omstandigheden is het hof, met de economische politierechter en de advocaat-generaal, van oordeel dat volstaan kan worden met het opleggen van een gedeeltelijk voorwaardelijke geldboete. Het hof legt de verdachte daarom een geldboete van € 550,- waarvan € 250,- voorwaardelijk op.

Het hof tekent bij deze uitspraak uitdrukkelijk aan dat aan de veroordeling naar zijn oordeel geen gevolgen zouden dienen te worden verbonden voor (verlenging van) de vergunningen waarover verdachte dient te beschikken voor de uitvoering van haar werkzaamheden, gelet op de blanco documentatie van de verdachte op dit punt en gelet op de omstandigheden waaronder het betreffende feit is begaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten , artikel 59 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, artikel 9 van de Regeling dierenvervoer 2007, artikel 6 van de Verordening (EG) nr. 1/2005 en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 51 van het Wetboek van Strafrecht ,

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro).

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr A. van Waarden, voorzitter,

mr J.A.W. Lensing en mr L.E.M. Hendriks, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 29 mei 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr L.E.M. Hendriks is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature