< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Verdachte maakt met zijn gezin, waaronder zijn twee leerplichtige kinderen, een wereldreis gedurende 8,5 maand. Hof verwerpt alle verweren van verdachte, onder meer ter zake de ontvankelijkheid van het OM en de strafbaarheid van het bewezen verklaarde. Bewezenverklaring artikel 2, eerste lid, Leerplichtwet. Hof kwalificeert het bewezen verklaarde als luxe verzuim en veroordeelt verdachte tot twee maal een geldboete van € 750,= en twee maal één week voorwaardelijke hechtenis.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



Sector strafrecht

Parketnummer : 20-003108-11

Uitspraak : 29 mei 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie 's-Hertogenbosch, van 21 juli 2011 in de strafzaak met parketnummer 01/740135-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1971],

wonende te [woonplaats][plaatsnaam], [adres],

waarbij hij ter zake van het niet nakomen van de verplichting opgelegd bij artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 , meermalen gepleegd, werd veroordeeld tot een geldboete van € 1.500,=, subsidiair 30 dagen hechtenis, en tot een voorwaardelijke hechtenis van 14 dagen, met een proeftijd van 2 jaren.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf, en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 3.000,=, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Door de verdachte is primair bepleit dat het openbaar ministerie wegens vormverzuimen niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn strafvervolging, dan wel dat bewijsuitsluiting zal plaatsvinden en de verdachte als gevolg daarvan zal worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Subsidiair heeft de verdachte bepleit dat hij zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Voor het geval het hof toch tot een veroordeling zou komen, heeft de verdachte verzocht tot toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Meest subsidiair heeft de verdachte naar voren gebracht bezwaar te maken tegen de voorwaardelijk opgelegde hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op enig(e) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2010 tot en met 29 november 2010 te [plaatsnaam], althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, meermalen, althans eenmaal, terwijl hij (telkens) als degene die het gezag uitoefende over de jongere [kind 1], geboren op [2003], en/of de jongere [kind 2], geboren op [2001], althans, terwijl hij zich (telkens) met de feitelijke verzorging van die jongere(n) had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere(n), die als leerling(en) van een school, te weten basisschool [naam school] was/waren ingeschreven, die school na inschrijving geregeld bezocht(en).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe heeft de verdachte – zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de gemeente [plaatsnaam] de aangifte van vertrek van zijn kinderen per 1 maart 2010 niet heeft verwerkt. Door de uitschrijving van de leerplichtige kinderen uit (het hof begrijpt) de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: het GBA) na te laten, heeft de gemeente [plaatsnaam]:

- artikel 48 van de wet GBA (gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens) overtreden met gevolg dat de kinderen niet als inwoner en ook niet als leerling van de basisschool [naam school] zijn uitgeschreven;

- de in artikel 12, tweede lid, van het Internationaal Verdrag voor Burgerlijke en Politieke Rechten en de in artikel 2, eerste lid, van het Vierde Protocol van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde vrijheid van (de kinderen van) de verdachte om het land te verlaten en elders te verblijven, geschonden;

- onzorgvuldig gehandeld door de ‘weigeringsbeschikking’ naar het (het hof begrijpt) toenmalige GBA-adres van de verdachte te sturen, terwijl de gemeente ervan op de hoogte was dat de verdachte daar niet meer verbleef met gevolg dat geen (tijdig) bezwaar/beroep bij de bestuursrechter kon worden aangetekend. Nu door toedoen van de gemeente geen procedure kon worden gestart, dient het hof in de strafzaak een inhoudelijk oordeel te geven over de onwettige handelwijze van de gemeente. Indien het hof in deze strafzaak een dergelijk inhoudelijk oordeel achterwege laat, wordt artikel 6 EVRM , het recht op een eerlijk proces, geschonden.

Gelet op het bovenstaande is de verdachte (zo begrijpt het hof) in essentie van mening dat als de gemeente [plaatsnaam] de leerplichtige kinderen wel zou hebben uitgeschreven de ten laste gelegde overtredingen van de Leerplichtwet nooit hadden kunnen ontstaan. Het door de leerplichtambtenaren opgemaakte proces-verbaal is ten gevolge daarvan behept met een niet te herstellen essentiële vormfout die moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het hof overweegt het volgende.

De gemeente [plaatsnaam] heeft op 9 april 2010 het besluit genomen de aangifte tot uitschrijving van de kinderen van de verdachte niet te verwerken in het GBA. Dit besluit is verstuurd naar het toenmalige GBA-adres van de verdachte.

Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat, nu vaststaat dat de verdachte geen gebruik heeft gemaakt van de met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang tegen de ‘weigeringsbeschikking’ van de gemeente, niet kan worden gesteld dat sprake is van een niet te herstellen essentiële vormfout die zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het hof is dan ook niet gehouden om, zoals door de verdachte is bepleit, de al dan niet rechtmatigheid van die ‘weigeringsbeschikking’ inhoudelijk te toetsen. Van een schending van het recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM , is geen sprake.

Aan het bovenstaande doet niet af dat de gemeente [plaatsnaam] de ‘weigeringsbeschikking’ naar het toenmalige GBA-adres van de verdachte heeft gestuurd, terwijl de gemeente ervan op de hoogte was dat de verdachte daar niet meer verbleef, met gevolg dat geen (tijdig) bezwaar/beroep bij de bestuursrechter kon worden aangetekend.

Naar het oordeel van het hof is het voor rekening en risico van de verdachte dat de ‘weigeringsbeschikking’ hem niet tijdig heeft bereikt. De verdachte heeft immers verklaard dat hij zichzelf en zijn echtgenote met opzet niet heeft uitgeschreven uit het GBA, omdat hij om verschillende redenen nog in Nederland zou moeten zijn. Zo blijkt onder meer uit het door de leerplichtambtenaren opgemaakte proces-verbaal dat de verdachte aan een ambtenaar van de afdeling van de gemeente [plaatsnaam] heeft laten weten dat de ouders de kinderen zouden wegbrengen en zouden kijken voor een school en dat zij dan terug zouden komen (pagina 6). Nog afgezien daarvan mag de gemeente het adres dat in het GBA staat geregistreerd in redelijkheid als postadres beschouwen nu de verdachte, zo blijkt uit voornoemd proces-verbaal (pagina 6), bij de gemeente slechts een (het hof begrijpt: tijdelijk) ( mail )adres van het hotel op het vliegveld in Miami had achtergelaten.

Gelet op het bovenstaande en nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 maart 2010 tot en met 17 november 2010 te [plaatsnaam], meermalen, terwijl hij telkens als degene die het gezag uitoefende over de jongere [kind 1], geboren op [2003], en de jongere [kind 2], geboren op [2001], telkens niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongeren, die als leerlingen van een school, te weten basisschool [naam school] waren ingeschreven, die school na inschrijving geregeld bezochten.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Ten aanzien van het bewezen verklaarde

De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij - op basis van dezelfde argumenten die hiervoor staan weergegeven onder het kopje ‘Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging’ - aangevoerd dat er sprake is van een niet te herstellen essentiële vormfout

die op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering moet leiden tot bewijsuitsluiting.

Het hof overweegt ter zake dat, zoals hiervoor reeds is overwogen onder het kopje ‘Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging’, er geen sprake is van een niet te herstellen essentiële vormfout. Van bewijsuitsluiting op die grond kan dan ook geen sprake zijn, zodat het verweer van de verdachte wordt verworpen.

Het hof overweegt in het bijzonder nog als volgt.

Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet, degene die het gezag over een jongere uitoefent, verplicht is overeenkomstig de bepalingen van die wet te zorgen dat de jongere als leerling van een school is ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. Ingevolge artikel 11, aanhef en onder g, is degene die het gezag over een jongere uitoefent van die verplichting vrijgesteld indien de jongere door "andere gewichtige omstandigheden" verhinderd is de school te bezoeken. Een zodanig beroep op vrijstelling kan ingevolge artikel 14, eerste lid, slechts worden gedaan indien het hoofd van de betrokken school op verzoek van degene die het gezag uitoefent, verlof heeft verleend dat de jongere de school tijdelijk niet bezoekt. Het laatste lid van dat artikel bepaalt dat indien zodanig verlof wordt gevraagd voor meer dan tien dagen de leerplichtambtenaar van de woongemeente van de jongere omtrent het verlof beslist.

Hieruit volgt dat de in artikel 11, aanhef en onder g, Leerplichtwet voorziene vrijstelling wegens ’andere gewichtige omstandigheden’ van de verplichting om te zorgen dat een jongere de school waarop hij is ingeschreven geregeld bezoekt, afhankelijk is van de beslissing van het hoofd van de betrokken school, dan wel van de genoemde leerplichtambtenaar op een verzoek tot verlof, tegen welke beslissing een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat. Of sprake is van de in voormelde bepaling bedoelde ’andere gewichtige omstandigheden’ staat mitsdien niet ter zelfstandige beoordeling van de strafrechter. Hij behoeft in een geval als het onderhavige slechts te onderzoeken of door de leerplichtambtenaar verlof is verleend (Hoge Raad 22 februari 2011, LJN BO5254, NJ 2011, 108).

Het hof stelt vast dat de echtgenote van de verdachte in het najaar van 2009 de directeur van [naam school] heeft benaderd met de vraag of het mogelijk is om de kinderen mee te nemen op wereldreis. Daarop heeft de directeur contact opgenomen met het Regionaal Bureau Leerplichtzaken om na te vragen wat de mogelijkheden zijn. De directeur heeft [echtgenote van verdachte] laten weten dat daarvoor geen verlof kan worden verleend.

Vast staat dat de verdachte en zijn echtgenote met hun drie kinderen, van wie de oudste twee leerplichtig, van 1 maart 2010 tot en met 17 november 2010 in het buitenland hebben verbleven, met – zo blijkt uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep – als primaire doel het maken van een wereldreis. Gedurende die periode hebben de twee leerplichtige kinderen van de verdachte,[kind 1] en [kind 2], steeds ingeschreven gestaan bij basisschool [naam school] te [plaatsnaam], maar hebben zij de school in die periode niet bezocht.

De verdachte heeft zijn kinderen willen uitschrijven uit het GBA en heeft daartoe aangifte van vertrek gedaan van (uitsluitend) zijn kinderen op 26 februari 2010. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte met zoveel woorden verklaard dat hij zijn kinderen wilde uitschrijven uit het GBA met het oog op het voorkomen van problemen met de op de twee oudste kinderen rustende leerplicht. “Als de kinderen niet uitgeschreven zijn, is de Leerplichtwet van toepassing”, aldus de verdachte. Ook in zijn pleitnota d.d. 8 december 2011 stelt verdachte dat er sprake is van een rechtstreekse schakelwerking tussen de wet GBA en de Leerplichtwet.

Ondanks het feit dat de leerplichtambtenaar van de gemeente[plaatsnaam] de verdachte voor zijn vertrek naar het buitenland tijdens een huisbezoek heeft gewezen op de mogelijkheid om achteraf een vrijstelling te krijgen wegens het volgen van onderwijs in het buitenland door een bewijs van inschrijving op een buitenlandse school te overleggen, heeft de verdachte van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

.

Het hof is van oordeel dat, nu vooraf noch achteraf een vrijstelling is verleend van de op de verdachte rustende verplichting ex artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet en ook anderszins geen verlof was verleend, vast staat dat de verdachte de ten laste gelegde overtredingen heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als overtreding voorzien bij artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 en strafbaar gesteld in artikel 26, eerste lid, van die wet en wordt als volgt gekwalificeerd:

als persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 , de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichting niet nakomen, tweemaal gepleegd.

De verdachte heeft bepleit dat hij zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat:

a) de Leerplichtwet buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat deze een ongeoorloofde inperking inbreuk maakt op het in artikel 8 EVRM geformuleerde recht op family life;

b) de kinderen onderwijs op afstand hebben genoten, zodat zij wel degelijk onderwijs hebben gevolgd in de zin van artikel 41 van de Wet op het Primair Onderwijs en zijns inziens daarmee is voldaan aan het doel van de Leerplichtwet.

Het hof overweegt ter zake als volgt.

Ad a)

Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat de Leerplichtwet 1969 en bijbehorende regelgeving een inbreuk vormen op het door het EVRM in artikel 8 beschermde recht op gezinsleven van de verdachte, is deze inmenging, naar het oordeel van het hof, – gelet op het bepaalde in het tweede lid van dat artikel – gerechtvaardigd. Het tweede lid van artikel 8 EVRM beoogt immers de rechten van anderen, in dit geval die van minderjarigen door het volgen van onderwijs, zoals dit in de Leerplichtwet is vastgelegd, te beschermen.

Ad b)

Het hof wil aannemen dat tijdens het verblijf in het buitenland door de verdachte en zijn echtgenote, in samenwerking met de basisschool [naam school] de kinderen onderwijs is gegeven, zoals ook blijkt uit de bij de pleitnota d.d. 8 december 2011 gevoegde brief van de directeur van genoemde basisschool d.d. 1 december 2011. Daarmee vervalt echter niet de verplichting voor de verdachte om zich aan de bepalingen van de Leerplichtwet te houden.

Het hof verwerpt mitsdien de verweren van de verdachte op dit punt. Ook voor het overige zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de afwezigheid van zijn leerplichtige kinderen [kind 1] en [kind 2]niet als luxe verzuim kan worden geclassificeerd. Daartoe heeft de verdachte aangevoerd dat hij zijn eigen belang niet heeft laten prevaleren boven het belang dat de kinderen hebben bij het volgen van onderwijs.

De verdachte heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet conform de richtlijn van paragraaf 4.1. van de Aanwijzing strafrechtelijke aanpak schoolverzuim heeft gehandeld door hem te dagvaarden. Volgens de verdachte had hem in plaats daarvan eerst een transactie aangeboden moeten worden.

Tot slot heeft de verdachte zich op het standpunt gesteld dat – gelet op een vergelijkbare strafzaak – bij een eventuele strafoplegging aansluiting gezocht moet worden bij de (het hof begrijpt: lagere) tarieven die voor het absoluut schoolverzuim gelden.

Bij de beoordeling van de onderhavige strafzaak is voor het openbaar ministerie - gelet op de bewezen verklaarde pleegperiode - de ‘Richtlijn voor strafvordering strafrechtelijke aanpak schoolverzuim’ (Staatscourant 30 juli 2007, nr. 144, pagina 8) leidend. In genoemde richtlijn wordt onderscheid gemaakt in absoluut en relatief verzuim. Van absoluut verzuim is sprake indien een jongere niet staat ingeschreven als leerling van een instelling overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet. Van relatief verzuim is sprake indien een jongere na inschrijving een school niet geregeld bezoekt. Het relatief verzuim wordt onderverdeeld in luxe verzuim (het hof begrijpt: het vakantieverzuim) en signaalverzuim (het hof begrijpt: het verzuim als gevolg van spijbelen).

Nu de leerplichtige kinderen van de verdachte wel waren ingeschreven, maar gedurende de bewezen verklaarde periode de basisschool niet hebben bezocht, is niet voldaan aan genoemde definitie van absoluut verzuim. Het hof ziet dan ook geen reden om aansluiting te zoeken bij de voor het openbaar ministerie geldende tarieven van absoluut verzuim, welke tarieven beduidend lager zijn dan de tarieven die gelden voor het luxe verzuim.

Zoals hiervoor is overwogen, heeft de verdachte met zijn kinderen (gedurende een periode van 8,5 maand) een wereldreis gemaakt, hetgeen naar het oordeel van het hof – gelet op het primaire doel van de reis – aansluit bij het in de richtlijn genoemde luxe verzuim. Daar doet niet aan af dat de kinderen gedurende hun schoolverzuim door de verdachte en zijn echtgenote zijn onderwezen.

Met betrekking tot het luxe verzuim schrijft de richtlijn aan het openbaar ministerie voor om te dagvaarden indien het verzuim langer dan twee weken heeft geduurd. Volgens de richtlijn had dus niet eerst, zoals door de verdachte is bepleit, een transactie moeten worden aangeboden met gevolg dat het openbaar ministerie conform de richtlijn heeft gehandeld.

Het hof verwerpt mitsdien de verweren van de verdachte.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De Leerplichtwet biedt het wettelijk kader om te garanderen dat kinderen het onderwijs genieten waar zij recht op hebben. De verdachte en zijn echtgenote hebben samen met hun kinderen – van wie de oudste twee leerplichtig – een wereldreis gemaakt gedurende 8,5 maand. Daarmee hebben zij hun kinderen gedurende die periode onttrokken aan geregeld schoolbezoek. De verdachte en zijn echtgenote hebben zich van tevoren weliswaar georiënteerd op de mogelijkheden om met leerplichtige kinderen een lange reis te maken en hebben zich daaromtrent laten adviseren, maar het feit dat zij nul op het rekest kregen, heeft hen er niet van weerhouden om te vertrekken.

Het hof acht het bewezen verklaarde feit ernstig, met name in aanmerking genomen de duur van de overtreding. Voor toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – zoals door de verdachte is bepleit –, is naar het oordeel van het hof uit dat oogpunt dan ook geen plaats. De oplegging van alleen een geldboete, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, doet naar het oordeel van het hof evenmin voldoende recht aan de ernst van het bewezen verklaarde feit.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten – zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd –, de oplegging per overtreding van een geldboete van € 750,=, subsidiair 15 dagen hechtenis, en per overtreding van een voorwaardelijke hechtenis voor de duur van één week, passend en geboden is.

Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Bij de straftoemeting heeft het hof overigens rekening gehouden met de omstandigheid dat uit het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 17 januari 2012 lijkt dat hij niet eerder is veroordeeld ter zake enig strafbaar feit. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969 en de artikelen 14a, 14 b, 14c, 18, 23, 24, 24c en 62 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot betaling van tweemaal een geldboete van elk € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door telkens 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot twee maal hechtenis voor de duur van telkens 1 (één) week.

Bepaalt dat de hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. M. Rutgers, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. A.M.G. Smit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. Dieleman-Dieleman, griffier,

en op 29 mei 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature