< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Terugvordering pgb. Het college heeft hierbij overwogen dat uit de verantwoording is gebleken dat appellante de hulp bij het huishouden heeft laten uitvoeren door haar inwonende huisgenote en dat zij daarvoor is betaald uit het pgb, terwijl van huisgenoten mag worden verwacht dat zij gebruikelijke zorg leveren.

Raad: De Raad stelt vast dat de definitie van gebruikelijke zorg in de Beleidsregels afwijkt van die van de Verordening door niet alleen partners, ouders en inwonende kinderen tot de leefeenheid te rekenen, maar ook andere huisgenoten. Daardoor worden de aanspraken op huishoudelijke hulp beperkt. Uit art. 5 van de Wmo vloeit voort dat het college niet bevoegd is om met voorbijgaan van de Verordening en in afwijking van de uitdrukkelijke bepalingen daarvan zelfstandig regels vast te stellen die de reikwijdte daarvan beperken. Dit betekent dat voor de toepassing van het begrip gebruikelijke zorg, zoals gedefinieerd in art. 1, aanhef en onder e, van de Verordening, slechts van belang kan zijn of sprake is van een leefeenheid met partners, ouders of inwonende kinderen. Voor de uitleg van dat artikellid doen eventuele andere huisgenoten dus niet ter zake.

Niet in geschil is dat de inwoonster geen ouder of inwonend kind is van appellante. Vervolgens rijst de vraag of de inwoonster kan worden gekwalificeerd als partner als bedoeld in de Verordening. Anders dan het begrip echtgenoot, is het begrip partner noch in de Wmo noch in de Verordening nader gedefinieerd. Gelet op de feiten en omstandigheden van deze zaak, namelijk dat de inwoonster bij appellante is komen wonen omdat ze geen woonruimte had en dat ze de zorg voor appellante op zich nam, kan niet worden gezegd dat de inwoonster een partner is van appellante.

Nu niet is voldaan aan de voorwaarde van art. 1, aanhef en onder e, van de Verordening, dat het moet gaan om partners, ouders of inwonende kinderen, wordt niet toegekomen aan de beoordeling van de vraag of voldaan is aan de - ook in art. 1, aanhef en onder e, van de Verordening gestelde - voorwaarde dat een gemeenschappelijk huishouden werd gevoerd.

Bestreden besluit kan wegens strijd met de Verordening niet in stand blijven. Aangevallen uitspraak vernietigd.

Uitspraak



11/7400 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 november 2011, 11/3524 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 14 mei 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C.R. de Lyon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 23 april 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Lyon. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit.

De enkelvoudige kamer van de Raad heeft het geding verwezen naar de meervoudige kamer. Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluiten van 9 december 2009 en 19 januari 2010 heeft het college aan appellante over de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 april 2009 respectievelijk 22 december 2009 tot en met 21 maart 2010 een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor hulp bij het huishouden.

1.2. Bij besluit van 22 februari 2011 heeft het college de besluiten van 9 december 2009 en 19 januari 2010 ingetrokken en het betaalde pgb van € 2.121,- teruggevorderd. Dit berust op het standpunt dat uit de verantwoording is gebleken dat appellante de hulp bij het huishouden heeft laten uitvoeren door haar inwonende huisgenote [naam inwoonster] (inwoonster) en dat zij daarvoor is betaald uit het pgb, terwijl van huisgenoten mag worden verwacht dat zij gebruikelijke zorg leveren.

1.3. Bij besluit van 5 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 februari 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellante met de inwoonster als huisgenote een leefeenheid heeft gevormd en met haar een gezamenlijk huishouden heeft gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) stelt de gemeenteraad bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet regels over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en over de voorwaarden waaronder personen die een aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget […].

4.1.2. Ingevolge artikel 21, vijfde lid, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Amsterdam, zoals deze luidde van 1 januari 2007 tot 1 januari 2012 (Verordening), wordt een individuele voorziening voor hulp bij het huishouden niet toegekend als gebruikelijke zorg mogelijk is voor de situatie waarvoor de voorziening wordt aangevraagd.

4.1.3. Artikel 1, aanhef en onder e, van de Verordening bepaalt dat in deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder gebruikelijke zorg: de normale dagelijkse ondersteuning die partners, ouders of inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gemeenschappelijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden.

4.1.4. Het college heeft beleidsregels voor de voorzieningen in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning (Beleidsregels) vastgesteld. Hoofdstuk 3, paragraaf 1.4 van de Beleidsregels bepaalt met ingang van 1 januari 2009 dat onder gebruikelijke zorg wordt verstaan: de normale dagelijkse ondersteuning die partners, ouders, kinderen en huisgenoten geacht worden elkaar te bieden omdat ze als leefeenheid een gemeenschappelijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden.

4.2. De Raad stelt vast dat de definitie van gebruikelijke zorg in de Beleidsregels afwijkt van die van de Verordening door niet alleen partners, ouders en inwonende kinderen tot de leefeenheid te rekenen, maar ook andere huisgenoten. Daardoor worden de aanspraken op huishoudelijke hulp beperkt. Uit artikel 5 van de Wmo vloeit voort dat het college niet bevoegd is om met voorbijgaan van de Verordening en in afwijking van de uitdrukkelijke bepalingen daarvan zelfstandig regels vast te stellen die de reikwijdte daarvan beperken. Dit betekent dat voor de toepassing van het begrip gebruikelijke zorg, zoals gedefinieerd in artikel 1, aanhef en onder e, van de Verordening, slechts van belang kan zijn of sprake is van een leefeenheid met partners, ouders of inwonende kinderen. Voor de uitleg van dat artikellid doen eventuele andere huisgenoten dus niet ter zake.

4.3. Niet in geschil is dat de inwoonster geen ouder of inwonend kind is van appellante. Vervolgens rijst de vraag of de inwoonster kan worden gekwalificeerd als partner als bedoeld in de Verordening. Anders dan het begrip echtgenoot, is het begrip partner noch in de Wmo noch in de Verordening nader gedefinieerd. Gelet op de feiten en omstandigheden van deze zaak, namelijk dat de inwoonster bij appellante is komen wonen omdat ze geen woonruimte had en dat ze de zorg voor appellante op zich nam, kan niet worden gezegd dat de inwoonster een partner is van appellante.

4.4. Nu niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 1, aanhef en onder e, van de Verordening, dat het moet gaan om partners, ouders of inwonende kinderen, wordt niet toegekomen aan de beoordeling van de vraag of voldaan is aan de - ook in artikel 1, aanhef en onder e, van de Verordening gestelde - voorwaarde dat een gemeenschappelijk huishouden werd gevoerd.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit wegens strijd met de Verordening niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft een en ander niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal vervolgens onderzoeken of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

4.6. De gemachtigde van het college heeft zich ter zitting op het nadere standpunt gesteld dat appellante bij de aanvraag voor huishoudelijke verzorging niet heeft aangegeven dat de inwoonster bij haar in huis woont en dat zij daarmee artikel 3 van de Verordening heeft geschonden. In artikel 3 van de Verordening is geregeld dat een aanvrager verplicht is aan het college of de door hem aangewezen adviseur die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De Raad is van oordeel dat appellante artikel 3 van de Verordening heeft geschonden, maar dat dit niet kan leiden tot een intrekking van de toekenningsbesluiten, omdat geen sprake is van een situatie waarin als gevolg van deze schending het recht op huishoudelijke verzorging niet kon worden vastgesteld.

4.7. De Raad concludeert dat er geen reden is de rechtsgevolgen in stand te laten en ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien, door het besluit van 22 februari 2011 te herroepen.

5. Tot slot bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze worden begroot op € 1.748,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 5 juli 2011;

-herroept het besluit van 22 februari 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 22 februari 2011;

-veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.748,-.

-bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2012.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature