< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebieden:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bezwaar niet-ontvankelijk. Het primaire besluit betreft niet een besluit tot intrekking van een aan verzoeker verleende aanstelling. Het besluit valt niet anders te karakteriseren dan als een besluit om verzoeker, in afwijking van het eerder geuite voornemen daartoe, toch niet in de door hem geambieerde functie bij de politieregio te benoemen. Tegen dit besluit kan geen bezwaar worden ingesteld. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden waardoor appellant in dit geval wel getroffen is in zijn hoedanigheid als ambtenaar. Vernietiging aangevallen uitspraak en vernietiging van het bestreden besluit. Het bezwaar tegen het primaire besluit is niet-ontvankelijk.

Uitspraak



12/2295 AW-VV

12/2291 AW

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2012 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland (korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 23 mei 2012

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2012. Verzoeker is vertegenwoordigd door mr. W.J. Dammingh, advocaat. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Tanja.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoeker is werkzaam bij het Parket-Generaal in de functie van chauffeur van de voorzitter van het College van procureurs-generaal. Verzoeker heeft bij de korpsbeheerder gesolliciteerd naar de functie van chauffeur/kamerbewaarder. Bij brief van 16 augustus 2011 heeft de korpsbeheerder verzoeker meegedeeld dat hij voor een aanstelling in die functie in aanmerking kan worden gebracht met ingang van 1 oktober 2011.

1.2. Bij brief van 7 september 2011 heeft de korpsbeheerder verzoeker meegedeeld dat de sollicitatieprocedure met hem wordt beëindigd, omdat na raadpleging van de Justitiële Documentatie is gebleken dat verzoeker strafrechtelijk is veroordeeld voor dood door schuld bij een aanrijding in november 1994 en dat hij in mei 1995 een transactie heeft voldaan in verband met een poging tot oplichting. Deze achtergrond acht de korpsbeheerder niet verenigbaar met de door verzoeker geambieerde functie.

1.3. Bij besluit van 29 september 2011 is het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 7 september 2011 niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de korpsbeheerder zich - onder andere - op het standpunt gesteld dat ingevolge artikel 8:4, aanhef en onder d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen bezwaar kan worden gemaakt tegen het besluit van 7 september 2011, omdat verzoeker niet werkzaam is onder het gezagsbereik van de korpsbeheerder.

1.4. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (rechtbank) heeft bij uitspraak van 2 november 2011 het door verzoeker gedane verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen, het beroep tegen het besluit van 29 september 2011 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Hiertoe is overwogen dat de korpsbeheerder het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 7 september 2011 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 september 2008, LJN BF1954, heeft de rechtbank geoordeeld dat er bij verzoeker een gerechtvaardigde verwachting tot benoeming is gewekt, waardoor verzoeker geacht moet worden de in artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb genoemde ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet te zijn. De korpsbeheerder heeft in deze uitspraak berust.

1.5. Ter uitvoering van de uitspraak van 2 november 2011 heeft de korpsbeheerder bij besluit van 13 februari 2012 (bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker gericht tegen het besluit van 7 september 2011 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de korpsbeheerder zich op het standpunt gesteld dat nu verzoeker geen melding heeft gemaakt van de strafvervolging in 1994 en in 1995, hij onvoldoende openheid heeft betracht, waardoor er geen vertrouwen meer in hem is.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

3. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende een opschorting van de vervulling van de door verzoeker geambieerde functie totdat onherroepelijk op het hoger beroep is beslist. Immers, indien de aangevallen uitspraak vernietigd zou worden en het beroep van verzoeker gegrond zou worden verklaard, bestaat het risico dat de functie niet langer meer beschikbaar is.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 17 van de Beroepswet kan, indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 17 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek in dit geval redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat er ook overigens geen beletselen zijn om tevens onmiddellijk in de hoofdzaak uitspraak te doen.

4.3. De voorzieningenrechter ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of, gelet op het bepaalde in artikel 7:1, artikel 8:4, aanhef en onder d, en, in samenhang met deze bepalingen, artikel 1:3, eerste en tweede lid, van de Awb , bezwaar kon worden gemaakt tegen het besluit van 7 september 2011. De rechtbank heeft deze vraag in haar uitspraak van 2 november 2011, die gezag van gewijsde heeft verkregen, bevestigend beantwoord. Dat de korpsbeheerder in deze uitspraak heeft berust, vormt voor de voorzieningenrechter geen grond om dit aspect buiten beschouwing te laten, aangezien het gaat om toepassing van bepalingen van openbare orde, die niet ter vrije beschikking van partijen staan.

4.4. Vooropgesteld wordt in dit verband dat de brief van 16 augustus 2011 nog niet een besluit tot aanstelling van verzoeker behelst. Dit blijkt uit de bewoordingen die daarin zijn gekozen, maar ook uit het gegeven dat daarbij een akkoordverklaring was gevoegd die door verzoeker moest worden ingevuld en ondertekend, alsmede uit het feit dat het voor de aanstelling benodigde veiligheidsonderzoek ten tijde van die brief nog niet was afgerond. Dit betekent dat het besluit van 7 september 2011 niet het karakter draagt dat verzoeker daaraan toegedicht zou willen zien, te weten het karakter van een besluit tot intrekking van een aan verzoeker verleende aanstelling. Het enkele feit dat in het briefhoofd van die brief als onderwerp “intrekking aanstelling” is vermeld, kan dat niet anders maken. Het besluit valt, zoals overigens ook blijkt uit de formulering daarvan, niet anders te karakteriseren dan als een besluit om verzoeker, in afwijking van het eerder geuite voornemen daartoe, toch niet in de door hem geambieerde functie bij de politieregio te benoemen. Het betreft dus een weigering tot het verlenen van de gewenste aanstelling.

4.5. Ingevolge artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld - en gezien artikel 7: 1 van die wet kan dus ook geen bezwaar worden gemaakt - tegen een besluit tot benoeming of aanstelling, tenzij beroep wordt ingesteld door, voor zover hier van belang, een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig. Hetzelfde heeft te gelden voor de weigering om te benoemen of aan te stellen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 10 september 2009, LJN BJ8726) wordt een ambtenaar bij een bepaalde overheidswerkgever (in dit geval het Parket-Generaal) in beginsel niet in de door artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb ge ëiste hoedanigheid van ambtenaar getroffen door een weigering om hem of haar te benoemen bij een andere overheidswerkgever (in dit geval de politieregio). Naar eveneens vaste jurisprudentie van de Raad kunnen zeer bijzondere omstandigheden nopen tot een uitzondering op dit beginsel. Daarbij gaat het om omstandigheden met betrekking tot de sollicitatie, op grond waarvan moet worden aangenomen dat de sollicitant, niettegenstaande het formeel externe karakter van die sollicitatie, toch in zijn belang als ambtenaar is getroffen. Van zodanige omstandigheden zal, zo komt met verwijzing naar CRvB 5 juni 2003, LJN AH9041, naar voren in de onder 1.4 genoemde uitspraak van 18 september 2008, sprake kunnen zijn indien de sollicitatie direct voortvloeit uit een bestaand loopbaanperspectief of carrièrepatroon, dan wel uit bij de betrokkene gewekte verwachtingen tot benoeming in de geambieerde functie.

4.6. Verzoeker heeft zich er, in navolging van de rechtbank in haar uitspraak van 2 november 2011, op beroepen dat de korpsbeheerder met de brief van 16 augustus 2011 onmiskenbaar de verwachting tot benoeming heeft gewekt en dat zich daarom in dit geval een uitzonderingssituatie voordoet als hierboven bedoeld. De voorzieningenrechter deelt dit standpunt niet en overweegt dat het standpunt van verzoeker berust op een onjuiste uitleg van de genoemde rechtspraak van deze Raad. Wat er immers ook zij van de vraag of van het wekken van verwachtingen als bedoeld door verzoeker al of niet daadwerkelijk sprake is geweest, het betreft hier - eventuele - verwachtingen die zouden zijn gecreëerd in het stadium van de afhandeling van de sollicitatie. Van omstandigheden voorafgaand aan en rechtstreeks samenhangend met die sollicitatie, die eventueel zouden kunnen maken dat met die sollicitatie, en daarmee met de besluitvorming daarover, enig belang van verzoeker als ambtenaar is gemoeid, is in dit geval in het geheel niet gebleken. Ter zitting van de voorzieningenrechter is, in tegendeel, namens verzoeker bevestigd dat het hier een reguliere externe sollicitatie betreft, die voortkomt uit een reguliere extern opengestelde vacature.

5. Het voorgaande betekent dat het bezwaar van verzoeker, gelet op de genoemde bepalingen in de Awb, niet-ontvankelijk is. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak kan niet in stand blijven. Hetzelfde geldt voor het bestreden besluit, waarin is uitgegaan van een ontvankelijk bezwaar. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzieningenrechter het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Gezien deze uitspraak in de hoofdzaak bestaat er voor het treffen van een voorlopige voorziening geen aanleiding.

6. In het voorgaande vindt de voorzieningenrechter ten slotte aanleiding de korpsbeheerder te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in beroep tot een bedrag van € 874,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 874,-.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak

-verklaart het beroep gegrond

-vernietigt het besluit van 13 februari 2012

-verklaart het bezwaar gericht tegen het besluit van 7 september 2011 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit

-wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af

-veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.748,-.

-bepaalt dat de korpsbeheerder aan verzoeker het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 776,-- voldoet.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012.

(get.) B.J. van de Griend.

(get.) M.C. Nijholt.

HD


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature