Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding met broer. Hoofdverblijf op hetzelfde adres. Appellant heeft niet aannemelijk kunnen maken dat de wederzijdse zorg voortspruit uit een zakelijke relatie. De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden wijzen op een in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en op een mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijden.

Uitspraak



11/1298 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 februari 2011, 10/7883 en 10/7884 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (college)

Datum uitspraak: 22 mei 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L. Plokker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2012. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Schuurman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft zich op 28 mei 2010 gemeld voor het indienen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met ingang van 15 mei 2010. Daarbij heeft hij opgegeven dat hij een kamer huurt bij zijn broer op het adres [adres] te [plaatsnaam]. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft er een intakegesprek plaatsgevonden op 24 juni 2010. De bevindingen van dit intakegesprek zijn neergelegd in een rapportage Wet werk en bijstand (rapportage WWB) van 1 juli 2010.

1.2. Het college heeft op basis van de bevindingen uit de rapportage bij besluit van 1 juli 2010 de aanvraag om bijstand afgewezen. Dit besluit berust op het standpunt dat appellant ten tijde hier van belang op het opgegeven adres een gezamenlijke huishouding voert met zijn broer [naam broer]. Bij besluit van 29 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 juli 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat zonder nader onderzoek naar de feitelijke situatie in de woning van zijn broer kon worden vastgesteld. Daarbij komt dat het verslag van het intakegesprek eenzijdig door de bijstandsconsulent is opgesteld en niet aan appellant is voorgelegd ter ondertekening. Nu appellant eerst in bezwaar kennis heeft genomen van het verslag van het intakegesprek kon hij ook niet eerder dan in bezwaar aangeven dat het verslag op een aantal punten niet juist was. Volgens appellant is er wel sprake van een door zakelijke verhoudingen beheerste huurdersrelatie, zodat er geen aanwijzingen zijn voor wederzijdse zorg.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In geschil is de afwijzing van een aanvraag om bijstand. De door de bestuursrechter te beoordelen periode bestrijkt in dat geval in beginsel de periode met ingang waarvan de bijstand is aangevraagd tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat in deze zaak de te beoordelen periode loopt van 15 mei 2010 tot en met 1 juli 2010.

4.2. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang. In het geval het gaat om een aanvraag om bijstand moet volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 december 2009, LJN BK8581, de aanvrager in het algemeen de feiten en de omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van de aanvraag.

4.4. Niet in geschil is dat appellant en zijn broer gedurende de hier te beoordelen periode beiden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.5. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars zorg voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, is bepalend voor het antwoord op de vraag of aan het criterium van wederzijdse zorg voldaan.

4.6. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de in de rapportage WWB van 1 juli 2010 weergegeven verklaring een toereikende grondslag biedt voor het standpunt van het college dat in de hier te beoordelen periode sprake was van wederzijdse zorg. Appellant heeft toen verklaard dat hij zijn broer maandelijks € 250,-- betaalt voor de huur, en dat zij verder alles samen doen. Hij slaapt alleen in zijn kamer en maakt verder gebruik van alle andere ruimtes. Hij kijkt bijvoorbeeld samen met zijn broer televisie. Appellant heeft verder verklaard dat hij kookt voor twee personen zodat ook als zijn broer laat thuis komt er nog eten voor hem is en dat zij de boodschappen om de beurt doen. Appellant heeft vervolgens niet aannemelijk kunnen maken dat de wederzijdse zorg voortspruit uit een zakelijke relatie. De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden wijzen op een in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en op een mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijden.

4.7. De Raad ziet geen aanleiding om aan te nemen dat het college de besluitvorming niet heeft kunnen baseren op de rapportage WWB van 1 juli 2010 en dat er derhalve sprake is van onzorgvuldig onderzoek. De verklaring die appellant heeft afgelegd tijdens het intakegesprek op 24 juni 2010 is opgenomen in deze rapportage. Appellant heeft weliswaar steeds bestreden dat deze verklaring juist is opgetekend nu daarin volgens appellant aperte onjuistheden staan, maar hij heeft in bezwaar en beroep nagelaten de feiten zoals neergelegd in de rapportage WWB van 1 juli 2010 consistent en met concrete feiten te weerspreken. Zo heeft appellant in bezwaar en beroep bevestigd dat zowel hij als zijn broer boodschappen deden en dat hij voor twee personen kookte, zodat als zijn broer laat thuis kwam hij nog te eten had. Op grond van deze verklaringen staat buiten twijfel dat hij van zijn kant een niet te verwaarlozen bijdrage aan de huishouding leverde. De in hoger beroep door appellant nog naar voren gebrachte aanvullingen op zijn verklaring van 24 juni 2010 zijn wederom niet consistent en weerspreken niet hetgeen hij in eerste instantie heeft verklaard. Er is daarom geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de inhoud van de verklaring van 24 juni 2010 onjuist is weergegeven.

4.8. Uit het hiervoor in 4.6 tot en met 4.8 overwogene volgt dat de voorzieningenrechter van de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college op goede gronden heeft geconcludeerd dat, naast het hoofdverblijf in dezelfde woning, sprake was van wederzijdse zorg en daarmee van een gezamenlijke huishouding. De aanvraag is dan ook terecht afgewezen. Het hoger beroep treft geen doel, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en H.C.P. Venema en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2012.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M. van Gorkum.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden ( Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature