< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bijtelling privé-gebruik auto. Met hetgeen belanghebbende heeft ingebracht heeft hij niet overtuigend aangetoond dat de auto in een of beide van de onderhavige tijdvakken op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt.

Uitspraak



GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 10/00903 en 10/00904

10 mei 2012

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[X], wonende te [Z],

belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerken AWB 10/300 en 10/302 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Oost/Landelijk Coördinatiecentrum Auto,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 8 oktober 2009 aan belanghebbende voor het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 een naheffingsaanslag opgelegd in de loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: LB) tot een bedrag van € 4.140 (hierna ook: de naheffingsaanslag LB 2008). Tegelijk met het vaststellen van deze naheffingsaanslag is bij beschikking een vergrijpboete van € 2.070 opgelegd, zijnde 50% van het bedrag van de naheffingsaanslag.

1.1.2. De inspecteur heeft met dagtekening 8 oktober 2009 aan belanghebbende voor het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 juli 2009 een naheffingsaanslag LB opgelegd tot een bedrag van € 2.405 (hierna ook: de naheffingsaanslag LB 2009). Tegelijk met het vaststellen van deze naheffingsaanslag is bij beschikking een vergrijpboete van € 1.202 opgelegd, zijnde 50% van het bedrag van de naheffingsaanslag.

1.2. Na tegen de hiervoor genoemde naheffingsaanslagen en vergrijpboeten gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraken, gedagtekend 3 december 2009, de naheffingsaanslagen gehandhaafd en de vergrijpboeten verminderd tot respectievelijk € 1.035 en € 601, zijnde 25% van de bedragen van de naheffingsaanslagen.

1.3. Bij uitspraak van 8 november 2010 heeft de rechtbank de door belanghebbende ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

1.4. De tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroepen zijn bij het Hof ingekomen op 16 december 2010 en aangevuld bij faxbericht van 11 januari 2011. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1 De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld, waarbij (evenals in de hierna opgenomen rechtsoverwegingen uit deze uitspraak) belanghebbende is aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’:

“2.1. Eiser is in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 juli 2009 in loondienst bij [A BV] te [B] (hierna: de werkgever). De werkgever heeft aan eiser in deze periode voor zakelijke doeleinden een auto met een cataloguswaarde van € 26.480 (hierna: de auto) ter beschikking gesteld.

2.2. Desgevraagd heeft verweerder aan eiser met dagtekening 8 oktober 2007 een “Verklaring geen privé-gebruik auto” afgegeven. In de verklaring schrijft verweerder onder meer het volgende:

“Als blijkt dat u op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé rijdt, wordt het voordeel gesteld op nihil. U heeft aangegeven dat u op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé rijdt.

U moet tijdens de looptijd van deze verklaring overtuigend kunnen bewijzen dat u niet meer dan 500 kilometer privé op kalenderjaarbasis rijdt. U kunt het bewijs leveren door dagelijks een sluitende rittenregistratie bij te houden. Het is daarom raadzaam om onder andere uw rittenregistratie te bewaren. De Belastingdienst kan u om het bewijs vragen.”

In dezelfde brief geeft verweerder aan op welke manier eiser meer informatie over de rittenregistratie en andere bewijsmogelijkheden kan vinden.

Eiser heeft deze verklaring aan de werkgever overhandigd, waarna deze de forfaitaire bijtelling van het voordeel van het privé-gebruik van de auto bij het loon achterwege heeft gelaten voor de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 juli 2009.

2.3. Bij brief met dagtekening 8 mei 2009 heeft verweerder eiser verzocht over de periode 1 januari 2008 tot en met 11 mei 2009 een vragenformulier “Loonheffingen Geen privégebruik auto” in te vullen en de gevraagde gegevens, waaronder een rittenregistratie, over te leggen. Eiser heeft hierop gereageerd door het vragenformulier met dagtekening 12 mei 2009 ingevuld en ondertekend te retourneren, met als bijlage een rittenregistratie over de periode 2 januari 2008 tot en met 11 mei 2009.

2.4. Aan de hand van gegevens van verkeersdiensten heeft verweerder geconstateerd dat onder meer op 17 april 2008, 22 november 2008, 16 februari 2009, 5 april 2009 en 18 april 2009 met de auto is gereden. Deze ritten staan niet vermeld in de rittenregistratie. Bij brief van 8 juni 2009 heeft verweerder verzocht om een verklaring hiervoor.

2.5. Bij brief van 15 juni 2009 heeft eiser verweerder onder meer het volgende bericht.

“17 april 2008 ben ik op de [C-straat] in [D] geweest en waarschijnlijk over [E] terug gereden. Maar ik moet eerlijk bekennen dat ik dat nu meer dan een jaar na dato niet meer zeker weet. Het is geen privé rit geweest.

22 november 2008 is een privé rit geweest.

16 februari 2009 [F] – ik heb hier een foutieve datum ingevuld dit moet de rit in de registratie zijn naar [G] die op 13 februari staat. Excuses daarvoor.

5 april 2009 was een verjaardag van een zakelijke relatie (directeur […]) in [H]. Omdat ik twijfelde of dit al dan niet een privé rit zou zijn heb ik deze niet in de administratie opgenomen, ook niet omdat ik niet aan de 500 kilometer privé ritten kom.

18 april 2009 is wel een privé rit geweest.

(…)

Algemeen;

Ik heb de incidentele privé ritten nooit in de overzichten verwerkt omdat ik van mening was dat ik bij minder dan 500 privé kilometer per jaar geen bijtelling heb. Dat kunt u ook zien in de kilometer registratie.”

2.6. Op zaterdag 5 juli 2008 is de auto gefotografeerd bij de grensovergang met België ([I]). Ter zitting heeft eiser hierover verklaard dat deze rit kennelijk abusievelijk niet juist in de rittenregistratie is opgenomen en dat hij op die zaterdag is terug gereden van een klant in [J]. Als verklaring hiervoor gaf eiser aan dat hij de ritten achteraf reconstrueerde via zijn mobiele telefoon, en dat dat dus fout is gegaan.”

2.2. Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan; met dien verstande dat het Hof aan onderdeel 2.1 nog het volgende toevoegt:

- de onder 2.1 van de uitspraak van de rechtbank vermelde auto is van het merk Chrysler, type Voyager, met kenteken […] (hierna: de auto);

- de auto is aan belanghebbende “ook voor privé-doeleinden” ter beschikking gesteld; en

- bij het opleggen van de onder 1.1.1 en 1.1.2 opgelegde naheffingsaanslagen is een catalogusprijs van € 31.852 in aanmerking genomen.

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. Zij heeft daarbij het volgende overwogen:

“4.1. In artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB 1964) is geregeld dat het voordeel van privégebruik van de auto op tenminste 25% van de waarde van de auto wordt gesteld. Dat is slechts anders als blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. In het laatste geval wordt het voordeel op nihil gesteld. In hetzelfde artikel is ook bepaald dat bij ministeri ële regeling regels kunnen worden gesteld waaraan een rittenregistratie moet voldoen. Tevens kunnen regels worden gesteld over het anderszins laten blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. Als de werknemer niet doet blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt, wordt de verschuldigde belasting nageheven van de werknemer.

4.2. De staatssecretaris van Financiën heeft in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (hierna: URLB) van zijn in artikel 13bis van de Wet LB 1964 bedoelde bevoegdheid gebruikgemaakt. Artikel 21c, eerste lid, van de URLB bepaalt, voor zover hier van belang:

“De rittenregistratie bedoeld in artikel 13bis (…) van de wet bevat ten minste de volgende gegevens:

a. merk, type en kenteken van de auto;

b. periode van terbeschikkingstelling van de auto;

c. per rit:

1°. datum;

2°. beginstand en eindstand van de kilometerteller;

3°. beginadres en eindadres;

4°. de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke;

5°. het karakter van de rit.”

4.3. Op eiser rust de last om aan te tonen dat hij de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden heeft gebruikt. De wetgever heeft gekozen voor een zware bewijslast voor degene die wil voorkomen dat hij een bijtelling krijgt wegens privégebruik. Het enkel stellen of aannemelijk maken dat er 500 of minder privé kilometers gereden zijn is daartoe niet voldoende; de wetgever verlangt dat dit blijkt.

4.4. De rechtbank stelt voorop dat een rittenadministratie niet bij voorbaat dient te worden verworpen indien deze niet aan alle onder 4.2 aangehaalde vereisten voldoet, doch dat een administratie in combinatie met andere bewijsmiddelen ten minste zodanig sluitend dient te zijn dat daaruit eenduidig kan worden afgeleid hoeveel kilometers er met de auto zakelijk en privé is gereden.

4.5. Zoals hiervoor onder 2.4 tot en met 2.6 is vastgesteld heeft eiser diverse ritten niet, dan wel met een verkeerde datum, in zijn rittenregistratie vermeld. Nu eiser zijn privé-ritten in het geheel niet in zijn rittenregistratie heeft opgenomen, kan de rittenregistratie alleen al op die grond niet dienen als bewijs dat op jaarbasis met de auto in 2008 en 2009 niet meer dan 500 kilometer in privé is gereden. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de rittenregistratie ten aanzien van het aantal kilometers dat eiser voor privédoeleinden met de auto heeft gereden, onvoldoende betrouwbaar is. Eiser heeft geen ander bewijs overlegd om zijn stelling te onderbouwen dat hij de auto op kalenderjaarbasis voor minder dan 500 kilometer voor privédoeleinden heeft gebruikt. Verweerder heeft de naheffingsaanslagen dan ook terecht opgelegd.

Boete

4.6. Ingevolge artikel 67f, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100 procent van de grondslag, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige is te wijten dat de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet voorziene termijn is betaald. Ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt de grondslag gevormd door het bedrag van de belasting dat niet of niet tijdig is betaald, voor zover dat bedrag als gevolg van opzet of grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige niet of niet tijdig is betaald. Ingevolge § 25, eerste lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (BBBB 1998), kunnen, voor zover hier van belang, vergrijpboetes alleen worden opgelegd indien sprake is van opzet of grove schuld. Ingevolge § 25, tweede lid van het voornoemde besluit legt de inspecteur in geval van grove schuld een vergrijpboete op van 25 procent.

4.7. Gezien de geconstateerde gebreken in de rittenregistratie is de rechtbank van mening dat eiser ter zake hiervan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Tevens is de rechtbank van mening dat het een feit van algemene bekendheid is dat privé-ritten dienen te worden vermeld in een rittenregistratie als bedoeld in artikel 13bis van de Wet LB 1964. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er ten minste sprake is van grove schuld van eiser, zodat de door verweerder opgelegde boetes van 25 procent niet te hoog zijn.

Heffingsrente

4.8. Het beroep tegen de beschikking heffingsrente heeft eiser niet afzonderlijk onderbouwd. Omdat de beroepsgronden tegen de naheffingsaanslagen geen doel treffen, zal het beroep tegen de beschikking heffingsrente eveneens ongegrond worden verklaard.”

4. Geschil in hoger beroep

4.1. In hoger beroep is - evenals in eerste aanleg - in geschil of aan belanghebbende terecht de naheffingsaanslagen LB 2008 en 2009 zijn opgelegd. Het geschil spitst zich met name toe op de vraag of belanghebbende heeft doen blijken dat de auto in elk van de onderhavige tijdvakken op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt. Voorts is tussen partijen in geschil of terecht en tot de juiste bedragen vergrijpboeten zijn opgelegd.

Belanghebbende beantwoordt de hiervoor vermelde vragen ontkennend en de inspecteur bevestigend.

4.2. Met betrekking tot de hoogte van de naheffingsaanslagen (en daarmee ook de hoogte van de vergrijpboeten) heeft de inspecteur zich ter zitting van het Hof nader op het standpunt gesteld dat de (ter bepaling van het voordeel van privé-gebruik van de auto te hanteren) waarde van de auto dient te worden gesteld op een catalogusprijs van € 26.480 (en dus niet op bij het opleggen van de naheffingsaanslagen gehanteerde catalogusprijs van € 31.852), en dat - naar het Hof begrijpt - de naheffingsaanslagen en boeten dienovereenkomstig dienen te worden verminderd.

4.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

5. Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Gebruik auto voor privé-doeleinden

5.1. Indien de auto ook voor privé-doeleinden aan belanghebbende ter beschikking is gesteld wordt het voordeel op kalenderjaarbasis gesteld op ten minste 25% van de waarde van de auto. Indien echter uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto in elk van de onderhavige kalenderjaren voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt, wordt het voordeel op nihil gesteld (artikel 13bis van de Wet ).

De inspecteur stelt zich ook in hoger beroep op het standpunt dat met hetgeen belanghebbende heeft ingebracht hij niet overtuigend heeft aangetoond dat in elk van de onderhavige tijdvakken op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 kilometer in privé met de auto is gereden. Belanghebbende bestrijdt dit standpunt.

5.2. Een belanghebbende kan met elk bewijsmiddel doen blijken dat de hem ter beschikking gestelde auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt (vgl. Hoge Raad 13 september 1989, nr. 26 254, LJN: ZC4101, BNB 1989/318 en Hoge Raad 22 oktober 2010, nr. 10/00484, LJN: BO1395, BNB 2011/22).

5.3.1. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de auto in het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt, heeft belanghebbende onder andere het volgende ingebracht:

(1) Een rittenregistratie (voor het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008) waarin per dag een opgaaf is vermeld van de (gestelde) zakelijk gereden kilometers en een korte omschrijving van het afgelegde traject. In dit overzicht zijn de begin- en eindstanden van de kilometerteller, het begin- en eindadres en een omschrijving van het karakter van de rit vermeld.

(2) Een brief van 15 juni 2009 van belanghebbende aan de inspecteur waarin hij (in antwoord op een vragenbrief van de inspecteur van 8 juni 2009) onder meer schrijft dat de (niet in de rittenregistratie vermelde) rit op 22 november 2008 (door de inspecteur was geconstateerd dat de auto in [K] had gereden) een privé rit is geweest. Voorts schrijft belanghebbende dat hij de incidentele privé ritten nooit in de rittenregistratie heeft verwerkt omdat hij van mening was - zo begrijpt het Hof - dat de auto op kalenderjaarbasis voor minder dan 500 kilometer voor privé-doeleinden werd gebruikt (deze brief van 15 juni 2009 wordt door de rechtbank aangehaald onder 2.5 van haar uitspraak).

(3) Een brief van 9 juli 2009 van belanghebbende aan de inspecteur waarin belanghebbende (onder meer) stelt dat ook indien de privé rit op 22 november 2008 in [K] (retour is volgens belanghebbende 156 kilometer) in aanmerking wordt genomen, de auto op kalenderjaarbasis voor minder dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt.

(4) Zijn verklaring ter zitting van de rechtbank dat op 5 juli 2008 een zakelijke rit heeft plaatsgevonden vanuit [J] en dat deze rit abusievelijk niet in de rittenregistratie staat vermeld.

5.3.2. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de auto in het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 juli 2009 op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt, heeft belanghebbende onder andere het volgende ingebracht:

(1) Een rittenregistratie (voor het tijdvak 1 januari 2009 tot en met tot en met 31 juli 2009) waarin per dag een opgaaf is vermeld van de (gestelde) zakelijk gereden kilometers en een korte omschrijving van het afgelegde traject. In dit overzicht zijn de begin- en eindstanden van de kilometerteller, het begin- en eindadres en een omschrijving van het karakter van de rit vermeld.

(2) Een brief van 15 juni 2009 van belanghebbende aan de inspecteur waarin hij (in antwoord op een vragenbrief van de inspecteur van 8 juni 2009) in reactie op door de inspecteur genoemde signaleringen van de auto te [F] (16 februari 2009), [H] (5 april 2009) en [B] (18 april 2009) onder meer schrijft:

“16 februari 2009 [F] – ik heb hier een foutieve datum ingevuld dit moet de rit in de registratie zijn naar [G] die op 13 februari staat. Excuses daarvoor.

5 april 2009 was een verjaardag van een zakelijke relatie (directeur […]) in [H]. Omdat ik twijfelde of dit al dan niet een privé rit zou zijn heb ik deze rit niet in de administratie opgenomen, ook niet omdat ik niet aan de 500 kilometer privé ritten kom.

18 april 2009 is wel een privé rit geweest.”

Voorts schrijft belanghebbende dat hij de incidentele privé ritten nooit in de rittenregistratie heeft verwerkt omdat hij van mening was - zo begrijpt het Hof - dat de auto op kalenderjaarbasis voor minder dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt (deze brief van 15 juni 2009 wordt door de rechtbank aangehaald onder 2.5 van haar uitspraak).

(3) Zijn verklaring dat de rit naar [H] zakelijk is geweest. In dit kader heeft belanghebbende in hoger beroep aangeboden een schriftelijke verklaring te overleggen waarin staat dat de rit naar [H] een zakelijke rit is geweest.

(4) Een brief van 9 juli 2009 van belanghebbende aan de inspecteur waarin belanghebbende stelt dat ook indien de ritten op 5 april 2009 naar [H] (retour volgens belanghebbende 184 kilometer) en 18 april 2009 naar [B] (retour is volgens belanghebbende 66 kilometer) in aanmerking worden genomen, de auto op kalenderjaarbasis voor minder dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt.

5.4. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard dat hij de ritten eerst op zijn mobiele telefoon invoert en op basis daarvan achteraf de rittenregistratie bijhoudt. Verder heeft belanghebbende verklaard; “Ik kan niet doen blijken dat de auto in elk van de onderhavige kalenderjaren voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt. Ik heb een rittenregistratie bijgehouden, maar er zitten gaten in. Ik kan het niet terug tellen.” Het Hof begrijpt belanghebbendes verklaringen aldus dat ook hij meent dat de rittenregistratie niet voldoet aan de eisen die daaraan zijn gesteld in artikel 13bis van de Wet in verbinding met artikel 21c van de Uitvoeringsregeling loonbelasting (hierna: URLB).

5.5. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met de onder 5.3.1 en 5.3.2 opgesomde bewijsmiddelen (waaronder de overgelegde rittenregistraties en verklaringen) noch anderszins, op zichzelf of in onderling verband en samenhang bekeken, doen blijken dat de auto in een of beide van de onderhavige tijdvakken op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt. Het Hof wijst hierbij met name op de omstandigheid dat belanghebbende slechts de zakelijke ritten (een enkele keer met een verkeerde datum) in de rittenregistratie heeft bijgehouden en de privé ritten - waaronder de rit op 22 november 2008 in [K] en de rit op 18 april 2009 in [B] - daarin niet heeft verwerkt. Gelet op de in de rittenregistratie ontbrekende ritten, maakt ook de omstandigheid dat de kilometerstanden volgens die administratie wel op elkaar aansluiten, de rittenregistratie onbetrouwbaar en oncontroleerbaar. Hetgeen betekent dat het van belanghebbende verlangde overtuigende bewijs met betrekking tot het werkelijk (privé) gebruik van de auto ontbreekt.

5.6. Voor zover belanghebbende zich in hoger beroep erover heeft beklaagd dat de rechtbank hem niet althans onvoldoende de gelegenheid heeft geboden om nader bewijs te overleggen, overweegt het Hof dat belanghebbende in hoger beroep (alsnog) de mogelijkheid heeft om zijn standpunt met elk bewijsmiddel te onderbouwen. Zijn in hoger beroep gedane aanbod alsnog een schriftelijke verklaring te overleggen waarin staat dat de rit naar [H] een zakelijke rit is geweest (overweging 5.3.2 onder (3)) passeert het Hof nu een dergelijke verklaring het onder 5.5 weergegeven oordeel van het Hof niet anders zou maken.

Vertrouwensbeginsel

5.7. Belanghebbende heeft in hoger beroep nog het volgende gesteld: “in de afgelopen jaren - vanaf 2001 - heb ik rittenregistraties ingeleverd. Nooit eerder heb ik kritiek gehad of gehoord dat de door mij verstrekte rittenregistraties in de ogen van de Belastingdienst onjuist zouden zijn”. Het Hof begrijpt belanghebbende aldus dat hij betoogt dat hij een in rechte te beschermen vertrouwen heeft dat hij met de door hem in de onderhavige tijdvakken overlegde rittenregistraties aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan dat de auto op kalenderjaarbasis voor minder van 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt. De inspecteur heeft dit betoog betwist en daarbij, onweersproken, gesteld dat de Belastingdienst belanghebbendes rittenregistratie niet eerder heeft beoordeeld.

5.8. Uit geen van de stukken van het geding volgt dat de vraag naar de betrouwbaarheid van de rittenregistratie ten behoeve van de “bijtelling privé-gebruik auto” in enig aan de onderhavige tijdvakken voorafgaand tijdvak onderwerp van geschil is geweest of anderszins door één van partijen uitdrukkelijk aan de orde is gesteld. Ook overigens zijn geen feiten en/of omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan belanghebbende in redelijkheid mocht menen dat de inspecteur op dit punt bewust een standpunt had ingenomen. Ook indien ervan moet worden uitgegaan dat ook over eerdere jaren ingeleverde vergelijkbare rittenregistraties niet tot enige reactie van de Belastingdienst hebben geleid is dit daartoe onvoldoende. Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.

5.9. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd rechtvaardigt evenmin het oordeel dat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd.

5.10. Op grond van het hiervoor onder 5.1 tot en met 5.9 overwogene komt het Hof tot de conclusie dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Gelet op het onder 4.2 weergegeven nadere standpunt van de inspecteur dat een catalogusprijs van € 26.480 in aanmerking dient te worden genomen, zal het Hof:

- de naheffingsaanslag LB 2008 verminderen tot € 3.442 (25% x € 26.480 x tarief van 52%); en

- de naheffingsaanslag LB 2009 verminderen tot € 2.008 (25% x € 26.480 x (7/12 x tarief van 52%)).

Vergrijpboeten

5.11. Tegelijk met het opleggen van de naheffingsaanslagen LB heeft de inspecteur aan belanghebbende vergrijpboeten van 50% van het bedrag van de naheffingsaanslagen opgelegd, welke boeten hij bij het doen van de uitspraak op bezwaar heeft verminderd tot 25%. De inspecteur verwijt belanghebbende ten aanzien van de omstandigheid dat (aanvankelijk) te weinig geheven belasting op aangifte is afgedragen grove schuld.

5.12. Evenals de rechtbank stelt het Hof voorop dat de inspecteur ingevolge artikel 67f, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) - voor zover hier van belang - een vergrijpboete kan opleggen van ten hoogste 100 procent van de grondslag, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, niet is betaald. Ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt de grondslag gevormd door het bedrag van de belasting dat niet is betaald, voor zover dat bedrag als gevolg van opzet of grove schuld van de belastingplichtige niet is betaald. In zijn arrest van 23 juni 1976, nr. 17 879, BNB 1976/199 heeft de Hoge Raad grove schuld omschreven als ‘een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid’.

5.13. Belanghebbende wordt geen opzet verweten. Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting in hoger beroep volgt ook niet dat de intentie van belanghebbende er op was gericht aan belastingheffing te ontkomen.

Gelet echter op de omstandigheid dat belanghebbende hoewel hij er, blijkens hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder 2.2, mee bekend was dat hij overtuigend moest kunnen bewijzen niet meer dan 500 kilometer privé te rijden, daartoe in hoofdzaak gebruikt maakte van gebrekkige, onbetrouwbare en oncontroleerbare rittenregistraties en belanghebbende uit geen enkel feit of omstandigheid heeft kunnen afleiden dat de inspecteur bewust het standpunt had ingenomen dat hij het in artikel 13bis van de Wet verlangde bewijs had geleverd, is het Hof van oordeel dat belanghebbende door desalniettemin een ‘verklaring geen privé-gebruik auto’ aan zijn werkgever te geven en te bewerkstelligen dat bijtelling wegens privé-gebruik van de hem ter beschikking gestelde auto achterwege bleef, in zo grote mate onzorgvuldig en lichtvaardig heeft gehandeld dat hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt en het aan zijn grove schuld is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven.

Het aan belanghebbende te maken verwijt is niet minder indien ervan uit moet worden gegaan dat hij ook in het verleden vergelijkbare rittenregistraties heeft gehanteerd en dit niet tot enige reactie van de Belastingdienst heeft geleid.

5.14. De inspecteur heeft derhalve bewezen dat belanghebbende het beboete feit heeft begaan en dat hem dienaangaande grove schuld kan worden verweten. Het Hof acht een boete van 25% van de nageheven LB passend en geboden.

5.15. Nu het Hof de naheffingsaanslagen heeft verminderd is daarmee ook de grondslag voor de boeten verminderd. Het Hof zal derhalve:

- de bij de naheffingsaanslag LB 2008 opgelegde boete verminderen tot € 860

(25% x € 3.442); en

- de bij de naheffingsaanslag LB 2009 opgelegde boete verminderen tot € 502

(25% x € 2.008).

Slotsom

De slotsom is dat de hoger beroepen gegrond zijn en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal het Hof de beroepen gegrond verklaren, de uitspraken op bezwaar vernietigen en de naheffingsaanslagen en de vergrijpboeten verminderen als hiervoor onder 5.10 en 5.15 vermeld.

6. Kosten

Nu de door belanghebbende ingestelde hoger beroepen gegrond zijn en de uitspraak van de rechtbank om die reden wordt vernietigd, acht het Hof termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor de behandeling van de zaken in beroep en hoger beroep.

De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel c vermelde reiskosten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Besluit wordt het bedrag van de in onderdeel c van artikel 1 bedoelde kosten vastgesteld op de voor het bijwonen van het onderzoek ter zitting (bij de rechtbank in Haarlem en het Hof in Amsterdam) gemaakte reiskosten per openbaar vervoer tweede klasse van (€ 22,50 + € 13) in totaal € 35,50.

7. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag LB 2008 tot een bedrag van € 3.442;

- vermindert de vergrijpboete die tegelijk is opgelegd met de naheffingsaanslag LB 2008 tot € 860;

- vermindert de naheffingsaanslag LB 2009 tot een bedrag van € 2.008;

- vermindert de vergrijpboete die tegelijk is opgelegd met de naheffingsaanslag LB 2009 tot € 502;

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 35,50; en

- gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 41 (beroep bij de rechtbank) en € 111 (hoger beroep bij het Hof), in totaal € 152 te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, F.J.P.M. Haas en P.F. Goes, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op 10 mei 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature