< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Leges.

Heffingsgrondslag. Bewijs door gemeente niet geleverd.

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 11/00295

uitspraakdatum: 2 mei 2012

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 november 2010, nummer SBR 10/823,

in het geding tussen belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente IJsselstein (hierna: de Ambtenaar).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is door de Ambtenaar bij een op 13 februari 2009 gedagtekende aanslag gemeentelijke leges (aanslagbiljetnummer 01) bouw- en welstandleges in rekening gebracht ten bedrage van in totaal € 6.413,40.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Ambtenaar bij uitspraak op bezwaar de aanslag gemeentelijke leges gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Utrecht (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 9 november 2010, waarvan een afschrift aan partijen is gezonden op 12 november 2010, ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. De Ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Het Gerechtshof te Amsterdam heeft op grond van artikel 8:13 van de Algemene wet bestuursrecht deze zaak ter verdere behandeling verwezen naar het Gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof).

1.6 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.7 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2011 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Ambtenaar.

1.8 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.9 Bij brief van 15 november 2011 heeft het Hof partijen in kennis gesteld van zijn besluit om ingevolge artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek te heropenen ten einde nadere inlichtingen bij de Ambtenaar in te winnen. Bij vorenbedoelde brief is tevens het onder 1.8 genoemde proces-verbaal van de zitting gevoegd.

1.10 De Ambtenaar heeft bij brief van 4 januari 2012 nadere inlichtingen verstrekt aan het Hof. Een afschrift van genoemde brief van de Ambtenaar is doorgezonden aan belanghebbende. Belanghebbende heeft bij brief van 12 januari 2012 op de nadere inlichtingen van de Ambtenaar gereageerd.

1.11 Met toestemming van beide partijen heeft het Hof op de voet van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende heeft met dagtekening 22 maart 2008, ingekomen op 27 maart 2008, bij de gemeente IJsselstein een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een reguliere vergunning voor de renovatie van een monumentaal pand gelegen aan de a-straat 1 te Q (hierna: het pand). De bouwkosten voor de renovatie had belanghebbende geraamd op € 250.000. Op 14 januari 2009 heeft de gemeente IJsselstein aan belanghebbende een bouwvergunning verleend. Ter zake van het in behandeling nemen van de aanvraag van de voor de renovatie verleende vergunning is aan belanghebbende een bedrag van € 6.413,40 aan bouw- en welstandleges in rekening gebracht en door hem betaald. De aanslag is als volgt berekend:

bouwsom € 250.000 / € 500 x € 10,55 € 5.275,00

artikel 19.3 WRO procedures € 63,40

welstand € 1.075,00

€ 6.413,40

2.2 Ingevolge artikel 2 van de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2008 (hierna: de Verordening) worden onder de naam ‘leges’ rechten geheven ter zake van het genot door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze Verordening en de daarbij behorende tarieventabel. De bij de Verordening behorende tarieventabel luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

‘5.2 Bouwvergunningen

5.2.1 Onder bouwkosten wordt in dit hoofdstuk verstaan de aannemingssom (exclusief omzetbelasting) als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme administratieve voorwaarden voor uitvoering van werken 1989 (UAV 1989), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt een raming van de bouwkosten (exclusief omzetbelasting) als bedoeld in het normblad NEN 2631, uitgave 1979, of zoals dit normblad laatstelijk is vervangen of gewijzigd. Indien het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt wordt in dit hoofdstuk onder bouwkosten verstaan: de prijs die aan een derde in het economisch verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk.

(…)

5.2.4 Het tarief bedraagt ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een lichte bouwvergunning: voor elke € 500,- bouwkosten of een gedeelte daarvan: € 10,55 met een minimumbedrag van: € 84,55;

5.2.5 Het tarief bedraagt ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een reguliere bouwvergunning: voor elke € 500,- bouwkosten of een gedeelte daarvan: € 10,55 met een minimumbedrag van: € 84,55;

(…)

5.3.2.1 Indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwplan waarvoor een lichte bouwvergunning moet worden verleend en toetsing aan welstandscriteria van de welstandsnota moet plaatsvinden wordt:

(…)

5.3.2.1.2 Indien hierover het advies van de Welstandscommissie moet worden ingewonnen, het overeenkomstig onderdeel 5.2 berekende bedrag verhoogd met € 63,40

5.3.2.2 Indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwplan waarvoor een reguliere bouwvergunning moet worden verleend en hierover het advies van de welstandscommissie moet worden ingewonnen, wordt het overeenkomstig 5.2.5 berekende bedrag verhoogd met € 2,15 per € 500,- bouwkosten of een gedeelte daarvan met een minimumbedrag van € 63,40.

(…)’

2.3 Artikel 43, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Woningwet (zoals deze bepaling luidde tot 1 oktober 2010) bepaalt dat geen bouwvergunning is vereist voor het bouwen dat tot het gewone onderhoud behoort.

2.4 Op 8 december 2008 is door aannemingsbedrijf ‘A B.V.’ een begroting van de werkzaamheden gemaakt. Volgens die begroting bedroeg de aannemingssom € 416.285,81 exclusief BTW.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of het bedrag aan te heffen bouwleges moet worden bepaald aan de hand van de door belanghebbende bij zijn aanvraag voor de bouwvergunning geraamde bouwkosten van € 250.000, zoals de Ambtenaar verdedigt, of dat de verschuldigde bouwleges, zoals belanghebbende bepleit, moet worden vastgesteld op basis van de niet op gewoon onderhoud betrekking hebbende bouwkosten, door belanghebbende begroot op een bedrag van € 39.369,99. Belanghebbende stelt daarnaast dat een lichte bouwvergunning zou volstaan. Hij verzoekt voorts om vergoeding van de wettelijke rente over de vermindering van de leges.

3.2 Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak van de Ambtenaar, tot vermindering van de aanslag gemeentelijke leges te berekenen over € 39.369,99 bouwkosten, uitgaande van een lichte bouwvergunning en vergoeding van de wettelijke rente over de vermindering van die leges.

3.4 De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Bouwleges

4.1 Belanghebbende betoogt dat de bouwkosten moeten worden gesteld op de kosten die zien op de vergunningplichtige bouwwerkzaamheden – dat wil zeggen de niet als gewoon onderhoud aan te merken werkzaamheden – door belanghebbende gesteld op een bedrag van € 39.369,99. De Ambtenaar neemt het standpunt in dat het hem vrijstaat om het volledige renovatieproject bij de aanvraag van de bouwvergunning te beoordelen en hierin eveneens de niet-vergunningplichtige bouwwerkzaamheden te betrekken.

4.2 Naar het oordeel van het Hof rust op de Ambtenaar de bewijslast aannemelijk te maken waaruit de heffingsgrondslag voor de in geschil zijnde bouwleges bestaat.

4.3 Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van het in behandeling nemen van de aanvraag een aanneemsom ontbrak. Naar het oordeel van het Hof moeten dan de bouwkosten worden gesteld op de raming van de bouwkosten als bedoeld in onderdeel 5.2.1 van de bij de Verordening behorende tarieventabel.

4.4 Belanghebbende heeft onweersproken gesteld de totale bouwkosten op het tijdstip waarop het belastbaar feit zich voordeed, redelijkerwijs op € 250.000 konden worden geraamd. Uit artikel 229, eerste lid en onderdeel b, van de Gemeentewet volgt dat rechten mogen worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. De in het onderhavige geval verstrekte dienst is het in behandeling nemen van een aanvraag voor een bouwvergunning. Ingevolge artikel 43, eerste lid, onderdeel b, van de Woningwet is voor werkzaamheden ter zake van gewoon onderhoud geen bouwvergunning vereist. Daarmee is naar het oordeel van het Hof in overeenstemming de begroting van de bouwkosten, waarnaar de rechten worden berekend, te beperken tot de kosten van de werkzaamheden waarvoor de dienst van het gemeentebestuur, te weten het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning, wordt gevraagd.

4.5 De Ambtenaar heeft daartoe gesteld dat belanghebbende in zijn aanvraag bouwvergunning onder punt 8 ‘aanneemsom of raming van de kosten’ een bedrag van € 250.000 heeft opgegeven, dat belanghebbende uit de toelichting bij het aanvraagformulier, inhoudende dat ‘alleen die kosten dienen te worden ingevuld die betrekking hebben op de bouw’, had moeten begrijpen dat alleen de bouwkosten van de vergunningplichtige werkzaamheden dienden te worden ingevuld en dat, nu belanghebbende een bedrag van € 250.000 heeft ingevuld, het volledige bedrag van de door belanghebbende geraamde bouwkosten uitsluitend zien op vergunningplichtige werkzaamheden.

4.6 Belanghebbende heeft hiertegen gemotiveerd gesteld dat een monumentenvergunning was vereist voor het volledige renovatieproject, inclusief de niet-bouwvergunningplichtige werkzaamheden, dat hij de geschatte kosten van dat project heeft vermeld en dat daarmee het geraamde bedrag van de vergunningplichtige bouwkosten te hoog is. Belanghebbende stelt gemotiveerd dat de kosten van de bouwvergunningplichtige werkzaamheden niet hoger dan € 39.369,99 moeten worden geraamd.

4.7 Het Hof acht de Ambtenaar in de op hem rustende bewijslast ter zake van de heffingsgrondslag niet geslaagd. Naar het oordeel van het Hof heeft de Ambtenaar zijn stelling niet, althans onvoldoende, onderbouwd met bijvoorbeeld een overzicht van de te verrichten vergunningplichtige bouwwerkzaamheden en de daarmee gemoeide kosten. Ook nadat het Hof hem uitdrukkelijk om een dergelijke specificatie had verzocht, heeft hij slechts in algemene termen gesteld dat ‘in slechts zeer beperkte mate sprake is van kosten welke zien op onderhoud. Deze kosten blijven ruim binnen het verschil tussen de begroting (€ 495.380,11) en de heffingsgrondslag van de leges (€ 250.000). Met deze algemene stelling heeft de ambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat een hoger bedrag dan € 39.369,99 is toe te rekenen aan vergunningplichtige werkzaamheden.

Welstandleges

4.8 Belanghebbende heeft gesteld dat voor de bouwvergunningplichtige werkzaamheden een lichte bouwvergunning zou volstaan. Voor zover de Ambtenaar heeft bedoeld dat te betwisten, heeft hij die betwisting niet onderbouwd. De Ambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat voor de bedoelde werkzaamheden een reguliere bouwvergunning was vereist. De verhoging van de leges in verband met toetsing aan de welstandscriteria bedraagt daarom ingevolge onderdeel 5.3.2.1.2 van de tarieventabel € 63,40.

Gelet op het hiervoor overwogene moeten de leges worden verminderd tot (79 x € 10,55) + € 63,40 + € 63,40 = € 960,25.

Griffierecht Rechtbank

4.9 Met betrekking tot het ingestelde beroep heeft de griffier van de Rechtbank naar het oordeel van het Hof ten onrechte van belanghebbende een griffierecht geheven naar het tarief dat ten tijde van het instellen van het beroep gold in gevallen waarin door een bestuursorgaan een besluit als bedoeld in artikel 27b, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is genomen (€ 150). Aangezien te dezen een beroep is aangetekend tegen een besluit als bedoeld in artikel 27b, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen was belanghebbende een griffierecht verschuldigd van € 41. Het verschil ten bedrage van € 109 dient aan belanghebbende te worden vergoed. Het Hof zal bepalen dat het verschil aan belanghebbende wordt gerestitueerd.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5. Kosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 7 voor de kosten in eerste aanleg en € 27 voor de kosten in hoger beroep, ofwel in totaal op € 34 aan reis- en verblijfkosten.

6. Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het tegen de uitspraak van de Ambtenaar ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraak van de Ambtenaar,

– vermindert de aanslag gemeentelijke leges tot € 960,25,

– veroordeelt de Ambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 34,

– gelast dat de gemeente IJsselstein aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 41 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 111 in verband met het hoger beroep bij het Hof, en

– gelast dat de griffier van de Rechtbank aan belanghebbende het teveel betaalde griffierecht restitueert, te weten € 109.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. P.L.M. van Gorkom, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 2 mei 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake) (J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 2 mei 2012

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature