< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Vastgoedhandelaar P. in hoger beroep veroordeeld tot 4 jaar cel wegens witwassen, oplichting, valsheid in geschrift en belastingfraude:

- witwassen van 10 betalingen van in totaal ruim 17 miljoen euro. De betalingen zijn aan de verdachte gedaan door Endstra en het gevolg van de afpersing van Endstra door H.;

- witwassen van aandelen omdat P. die aandelen in het verleden heeft aangeschaft met geld dat van misdrijf afkomstig is;

- vervalsing van een overeenkomst om krediet bij een bank te krijgen. Door die overeenkomst daarbij te gebruiken is de bank opgelicht;

- feitelijk leiding geven aan belastingfraude door valse facturen in de administratie op te nemen en aan de Belastingdienst ter beschikking te stellen en om daarmee ten onrechte terugbetaling van omzetbelasting te claimen;

- feitelijk leiding geven aan het in een notariële akte opnemen van een te lage koopsom voor een pakket aandelen.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



parketnummer: 23-002592-10 (promis)

datum uitspraak: 16 mei 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam (nevenvestiging Haarlem) van 8 juni 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13-077040-04 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1957],

adres: [adres],

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van:

- 13 en 15 juli 2009;

- 1 september 2009;

- 18 en 21 januari 2010;

- 29 en 30 maart en 1 april 2010;

- 6, 8 en 9 april 2010;

- 12, 13 en 15 april 2010;

- 19 en 20 april 2010;

- 27 april 2010;

- 10 en 11 mei 2010;

- 18, 20 en 25 mei 2010

en op de terechtzittingen in hoger beroep van:

- 25 mei en 10 juni 2011;

- 5, 7 en 8 september 2011;

- 25 en 27 oktober 2011;

- 30 januari 2012;

- 5 april 2012;

- 12 april 2012;

- 19 april 2012 en

- 26 april en 1, 10 en 16 mei 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadslieden naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank op 13 juli 2009 en 20 april 2010 toegelaten wijzigingen ten aanzien van respectievelijk feit 5 en de feiten 5 en 6 is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van feit 1

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2002 tot en met 31 januari 2004,

te Amsterdam en/of Rotterdam en/of/althans (elders) in Nederland en/of in Zwitserland en/of op de Kanaaleilanden (zijnde Kroonbezit van het Verenigd Koninkrijk) en/of op de Nederlandse Antillen,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) op of omstreeks (één of meer van) de navolgende tijdstippen (telkens) één of meer hierna te noemen geldbedragen tot een totaalbedrag van (ongeveer) EUR 17.068.165,-, in elk geval (telkens) van één of meer hierna te noemen geldbedragen, althans enig geldbedrag, verworven en/of voorhanden gehad, te weten één of meer van de navolgende geldbedragen:

1. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 3.176.461,50 (ontvangen op of omstreeks 30 december 2002) en/of

2. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 1.361.340,60 (ontvangen op of omstreeks 10 januari 2003) en/of

3. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 3.400.000,- (ontvangen op of omstreeks 28 februari 2003) en/of

4. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 1.500.000,- (ontvangen op of omstreeks 14 maart 2003) en/of

5. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 900.000,- (ontvangen op of omstreeks 2 april 2003) en/of

6. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 450.000,- (ontvangen op of omstreeks 23 april 2003) en/of

7. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 1.499.920,28 (ontvangen op of omstreeks 27 mei 2003) en/of

8. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 2.800.000,- (ontvangen op of omstreeks 26 juni 2003) en/of

9. een geldbedrag van (ongeveer) EUR 400.000,- (ontvangen op of omstreeks 21 juli 2003) en/of

10. een geldbedrag van USD 2.000.000,- (zijnde of vertegenwoordigende een (tegen)waarde van (ongeveer) EUR 1.580.373,37) (ontvangen op of omstreeks 7 januari 2004),

zulks (telkens) terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die/dat geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Ten aanzien van feit 2

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 6 april 2000 tot en met 03 december 2003,

te Amsterdam, in elk geval in Nederland, en/of te Zürich, in elk geval in Zwitserland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een Overeenkomst inzake een Zekerheidsstelling (getiteld 'Escrow Agreement'), gedateerd 6 april 2000, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) in strijd met de waarheid

a. die Overeenkomst gedateerd op 6 april 2000, terwijl in die Overeenkomst een Rekening voor de Zekerheidsstelling (getiteld 'Escrow Account') met nummer [rekeningnummer 502] is vermeld, die/dat op deze datum nog niet bestond en/of was geopend, en/of

b. in die Overeenkomst opgenomen - zakelijk weergegeven - dat de bankrekening met nummer [rekeningnummer 502] een Rekening voor de Zekerheidsstelling (getiteld 'Escrow Account') betreft die gesteld is ten name van de vennootschap Cantor Holding B.V., terwijl die rekening in werkelijkheid een privé-rekening van hem, verdachte, was, en/of

c. in die Overeenkomst opgenomen - zakelijk weergegeven - dat de vennootschap TDI Holding Limited, zijnde de koper van de aandelen van de vennootschap Mediamax Group B.V., een deel van de koopprijs van Mediamax Group B.V., te weten een geldbedrag van (ongeveer) NLG 75.000.000,- (tegenwaarde: EUR 34.033.516,21) schuldig is aan de vennootschap Cantor Holding B.V., zijnde de verkoper van de aandelen van de vennootschap Mediamax Group B.V., en/of dat het verschuldigde geldbedrag onverwijld na het ondertekenen van die Overeenkomst diende te worden overgemaakt naar de Rekening voor de Zekerheidsstelling, en/of dat de Union Bank of Switserland AG als Agent voor de Zekerheidsstelling in zes termijnen van mei 2001 tot en met februari 2006 betalingen vanuit de Rekening voor de Zekerheidsstelling zou doen door storting op de rekening met nummer [rekeningnummer 503] ten name van de verkoper Cantor Holding B.V., terwijl Cantor Holding B.V. en/of hij, verdachte, in werkelijkheid de gehele koopprijs reeds had(den) ontvangen, en/of

d. in die Overeenkomst opgenomen - zakelijk weergegeven - dat de bankrekening met nummer [rekeningnummer 503] gesteld is ten name van de vennootschap Cantor Holding B.V.,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

Ten aanzien van feit 3

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de maand december 2003,

te Amsterdam en/of Maarssen, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

de SNS bank heeft bewogen tot het aangaan van een geldleningovereenkomst van (ongeveer) EUR 1.500.000,- en/of tot de afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) EUR 1.500.000,-, in elk geval van enig geldbedrag,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met het hiervoor omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid ter verkrijging van voornoemde geldlening (informatie uit) een vals of vervalst geschrift, te weten een Overeenkomst inzake een Zekerheidsstelling (getiteld 'Escrow Agreement'), gedateerd 6 april 2000, verstrekt en/of toegezonden en/of overgelegd, waaruit zou moeten blijken dat hij, verdachte, althans de vennootschap Cantor Holding B.V. waartoe hij gerechtigd was, in totaal (ongeveer) NLG 75.000.000,-, althans op dat moment nog (ongeveer) NLG 44.100.000,-, zou ontvangen ter zake van de verkoop van de aandelen van de vennootschap Mediamax Group B.V., terwijl dat in werkelijkheid niet het geval was, waardoor de SNS bank werd bewogen tot het aangaan van die geldleningovereenkomst en/of tot bovenomschreven afgifte;

Ten aanzien van feit 4

hij in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 16 februari 2006,

te Amsterdam en/of Maarssen, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

een of meer voorwerpen, te weten een of meer aandelen in de Exploitatiemaatschappij 't Gooier Hoofd heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die/dat voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf;

Ten aanzien van feit 5

([pand 1])

Merwede Real Estate B.V. en/of Akragon Real Estate B.V. en/of Merwede Monumenten B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2001 tot en met 16 juli 2007 te Maarssen en/of elders in Nederland,

(telkens) als degene(n) die ingevolge de Belastingwet (artikel 47 Algemene Wet inzake rijksbelastingen) verplicht waren/was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar hebben/heeft gesteld,

immers hebben/heeft Merwede Real Estate B.V. en/of Akragon Real Estate B.V. en/of Merwede Monumenten B.V. opzettelijk een of meer factu(u)r(en) en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt aan controleambtena(a)r(en) van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D47a, D48a, D49a, D50a, D51a, D52a, D53, D54a, D55a) in welke factu(u)r(en) en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze zien/ziet op (een) verbouwing van en/of investering(en) in en/of onderhoudskosten aan een (bedrijfs)pand van een of meer van voornoemde bedrijven terwijl dit een verbouwing van en/of investering(en) in en/of onderhoudskosten aan een ander (woon)pand, te weten [pand 1] te Amsterdam betrof(fen),

en/of

Merwede Real Estate B.V. en/of Akragon Real Estate B.V. en/of Merwede Monumenten B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2001 tot en met 10 november 2001 te Maarssen en/of Utrecht en/of elders in Nederland,

(telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting voor het tweede kwartaal 2001 (D172) en/of het derde kwartaal 2001 (D146) en/of september 2001 (Dl55), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft/hebben Merwede Real Estate B.V. en/of Akragon Real Estate B.V. en/of Merwede Monumenten B.V. opzettelijk op die/dat door de inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst (te Utrecht) uitgereikte en/of bij deze ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting (telkens) de omzetbelasting van (een) factu(u)r(en) betreffende (een) verbouwing van en/of investering(en) in en/of onderhoudskosten aan een woonpand ([pand 1] te Amsterdam) als voorbelasting geclaimd ten behoeve van een of meer van voornoemde bedrij(f)(ven),

en/of

([pand 2])

Merwede Kantoren B.V. en/of Merwede Monumenten B.V. en/of Merwede Winkels B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 maart 2001 tot en met 16 juli 2007, te Maarssen en/of elders in Nederland,

(telkens) als degene(n) die ingevolge de Belastingwet (artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen) verplicht waren/was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar hebben/heeft gesteld,

immers heeft/hebben Merwede Kantoren B.V. en/of Merwede Monumenten B.V. en/of Merwede Winkels B.V. opzettelijk een of meer factu(u)r(en) en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt, aan controleambtena(a)r(en) van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D85a, D85a1, D86a, D87a, D88a, D89a, D92a, D93a, D94a, D95a, D144a) in welke facturen en/of in welke administratie in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze zien/ziet op (een) verbouwing van en/of investering(en) in en/of onderhoudskosten aan een (bedrijfs)pand van een of meer van voornoemde bedrijven terwijl deze facturen (deels) betrekking hebben op een verbouwing van en/of investering(en) in en/of onderhoudskosten aan een ander (woon)pand, te weten [pand 2] te Amsterdam betrof(fen),

en/of

Merwede Kantoren B.V. en/of Merwede Monumenten B.V. en/of Merwede Winkels B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2001 tot en met 1 november 2004 te Maarssen en/of Utrecht en/of Rotterdam en/of elders in Nederland,

(telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting voor het tweede kwartaal 2001 (D172) en/of vierde kwartaal 2001 (D150) en/of het eerste kwartaal 2002 (D151) en/of het tweede kwartaal 2002 (D169) en/of het vierde kwartaal 2002 (D/153) en/of het eerste kwartaal 2003 (D154) en/of september 2004 (D168), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft/hebben Merwede Kantoren B.V. en/of Merwede Monumenten B.V. en/of Merwede Winkels B.V., opzettelijk op die/dat door de inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst (te Utrecht en/of Rotterdam) uitgereikte en/of bij deze ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting (telkens) de omzetbelasting van (een) factu(u)r(en) betreffende (een) verbouwing van en/of investering(en) in en/of onderhoudskosten aan een woonpand ([pand 2] te Amsterdam) als voorbelasting geclaimd ten behoeve van een of

meer van voornoemde bedrij(f)(ven),

en/of

([pand 3])

Akragon Real Estate B.V. en/of Merwede Real Estate B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 maart 2006 tot en met 16 juli 2007, althans in of omstreeks de periode van 1 april 1999 tot en met 16 juli 2007 te Maarssen en/of elders in Nederland,

(telkens) als degene(n) die ingevolge de Belastingwet (artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen) verplicht waren/was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar hebben/heeft gesteld,

immers heeft/hebben Akragon Real Estate B.V. en/of Merwede Real Estate B.V. opzettelijk een of meer factu(u)r(en)en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt aan controleambtena(a)r(en) van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D5) in welke factu(u)r(en) en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze zien/ziet op (een) verbouwing van en/of investering(en) in en/of onderhoudskosten aan een (bedrijfs)pand van een of meer van voornoemde bedrijven terwijl dit een verbouwing van en/of investering(en) in en/of onderhoudskosten aan een ander (woon)pand, te weten [pand 3] te Baambrugge betrof(fen),

en/of

Akragon Real Estate B.V. en/of Merwede Real Estate B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 1999 tot en met 1 maart 2000 te Maarssen en/of Utrecht en/of elders in Nederland,

(telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene Wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting voor het tweede kwartaal 1999 (D l72) en/of het vierde kwartaal 1999 (D l72), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft/hebben Akragon Real Estate B.V. en/of Merwede Real Estate B.V., opzettelijk op die/dat door de inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst (te Utrecht) uitgereikte en/of bij deze ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting (telkens) de omzetbelasting van (een) factu(u)r(en) betreffende (een) verbouwing van en/of investering(en) in en/of onderhoudskosten aan een woonpand ([pand 3] te Baambrugge) als voorbelasting geclaimd ten behoeve van een of meer van voornoemd(e) bedrij(f)(ven),

en/of

([pand 4])

Merwede Monumenten B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2002 tot en met 16 juli 2007 te Maarssen en/of elders in Nederland, (telkens) als degene(n) die ingevolge de Belastingwet (artikel 47 Algemene Wet inzake rijksbelastingen) verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft gesteld,

immers heeft Merwede Monumenten B.V. opzettelijk een of meer factu(u)r(en) en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt aan controleambtena(a)r(en) van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D56b, D57b, D58b, D59b, D60b, D61b, D62b, D63b, D64b, D65b, D66b, D67b, D68b, D69b, D70b, D71b, D72b, D73b, D74b) in welke factu(u)r(en) en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze zien/ziet op (een) verbouwing van en/of investering(en) in en/of onderhoudskosten aan een (bedrijfs)pand van een of meer van voornoemde bedrijven terwijl dit een verbouwing van en/of investering(en) in en/of onderhoudskosten aan een ander (woon)pand, te weten [pand 4] te Den Bosch betrof(fen),

en/of

Merwede Monumenten B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2002 tot en met 1 juni 2004 te Maarssen en/of Utrecht en/of Rotterdam en/of elders in Nederland,

(telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting voor september 2002 (Dl56) en/of december 2002 (Dl57) en/of februari 2003 (Dl58) en/of maart 2003 D159) en/of april 2003 (D160) en/of mei 2003 (D161) en/of juni 2003 (D162) en/of juli 2003 (D163) en/of augustus 2003 (D164) en/of oktober 2003 (D165) en/of november 2003 (D166) en/of april 2004 (Dl67), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft Merwede Monumenten B.V. opzettelijk op die/dat door de inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst (te Utrecht en/of Rotterdam) uitgereikte en/of bij deze ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting (telkens) de omzetbelasting van (een) factu(u)r(en) betreffende (een) verbouwing van en/of investering(en) in en/of onderhoudskosten aan een woonpand ([pand 4] te Den Bosch) als voorbelasting geclaimd ten behoeve van een of meer van voornoemde bedrij(f)(ven),

en/of

([pand 5])

Akragon Real Estate B.V. en/of Merwede Real Estate B.V. en/of MIE. Ridderhofstad Bolenstein B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2000 tot en met 16 juli 2007, te Maarssen en/of elders in Nederland,

(telkens) als degene(n) die ingevolge de Belastingwet (artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen) verplicht waren/was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar hebben/heeft gesteld,

immers heeft/hebben Akragon Real Estate B.V, en/of Merwede Real Estate B.V. en/of M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein B.V. opzettelijk een of meer factu(u)r(en) en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt aan controleambtena(a)r(en) van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D32a, D34a, D35a, D36a, D37a, D38a, D39a, D44a) in welke factu(u)r(en) en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze zien/ziet op (een) verbouwing van en/of investering(en) in en/of onderhoudskosten aan een (bedrijfs)pand van een of meer van voornoemde bedrijven terwijl dit een verbouwing van en/of investering(en) in en/of onderhoudskosten aan een ander (woon)pand, te weten [pand 5] te Amstelveen betrof(fen ),

en/of

Akragon Real Estate B.V. en/of Merwede Real Estate B.V. en/of M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein B.V. op één of meer tijdstip(en) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2000 tot en met 1 oktober 2002 te Maarssen en/of Utrecht en/of elders in Nederland,

(telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting voor het vierde kwartaal 2000 (D172) en/of tweede kwartaal 2001 (D172) en/of derde kwartaal 2001 (D146) en/of vierde kwartaal 2001 (D147) en/of eerste kwartaal 2002 (D148) en/of vierde kwartaal 2002 (D149) en/of augustus 2001 (D170) en/of juli 2002 (D172), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft/hebben Akragon Real Estate B.V. en/of Merwede Real Estate B.V. en/of M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein B.V., opzettelijk op die/dat door de inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst (te Utrecht) uitgereikte en/of bij deze ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting (telkens) de omzetbelasting van (een) factu(u)r(en) betreffende (een) verbouwing van en/of investering(en) in en/of onderhoudskosten aan een woonpand ([pand 5] te Amstelveen) als voorbelasting geclaimd ten behoeve van een of meer van voornoemde bedrij(f)(ven),

en/of

(Londen)

M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 16 juli 2007 te Maarssen en/of elders in Nederland,

(telkens) als degene(n) die ingevolge de Belastingwet (artikel 47 Algemene Wet inzake rijksbelastingen) verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft gesteld,

immers heeft M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein B.V. opzettelijk een of meer factu(u)r(en) en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt aan controleambtena(a)r(en) van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D124) in welke factu(u)r(en) en/of de administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze zien/ziet op (een) verbouwing van en/of investering(en) in en/of onderhoudskosten aan een (bedrijfs)pand van een of meer van voornoemde bedrijven terwijl dit een verbouwing van en/of investering(en) in en/of onderhoudskosten aan een ander (woon)pand in Londen betrof(fen),

en/of

M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 1 oktober 2003 te Maarssen en/of Utrecht en/of Rotterdam en/of elders in Nederland,

(telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting voor januari 2002 (D172) en/of juni 2003 (D171), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein B.V. opzettelijk op die/dat door de inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst (te Utrecht en/of Rotterdam) uitgereikte en/of bij deze ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting (telkens) de omzetbelasting van (een) factu(u)r(en) betreffende (een) verbouwing van en/of investering(en) in en/of onderhoudskosten aan een woonpand (in Londen) als voorbelasting geclaimd ten behoeve van een of meer van voornoemde bedrij(f)(ven),

terwijl die feiten / dat feit er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

Ten aanzien van feit 6

Cantor Holding B.V. op of omstreeks 2 oktober 2001 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander (te weten [medeverdachte S]) of anderen, althans alleen,

in een notariële akte, zijnde een authentieke akte, op genoemde datum te Amsterdam verleden voor [notaris J] (als waarnemer van [notaris D]), (beiden) notaris ter standplaats Amsterdam, valselijk heeft doen opnemen dat,

- de koopsom/waarde van de aandelen van de besloten vennootschap Tout Frais B.V. NLG 546.500,- (vijf honderd zes en veertig duizend vijf honderd gulden) bedroeg, en/of

- dat er na verrekening van de koopsom en een (nog openstaande) schuld van NLG 350.000,- (drie honderd vijftig duizend gulden) het restant van de koopsom, groot NLG 196.500,- (een honderd zes en negentig duizend vijf honderd gulden) door koper (zijnde Cantor Holding B.V.) aan verkoper (zijnde [medeverdachte S]) zou worden voldaan,

van de waarheid van welk(e) feit(en) die akte moest doen blijken, terwijl Cantor Holding B.V. en/of [medeverdachte S] en/of een of meer andere mededader(s) wist(en) dat

- de koopsom/waarde van de aandelen van de besloten vennootschap Tout Frais B.V. niet NLG 546.500,- (vijf honderd zes en veertig duizend vijf honderd gulden) bedroeg, althans dat de in de notariële akte opgegeven koopsom/waarde van de aandelen van de besloten vennootschap Tout Frais B.V. (te weten NLG 546.500,-) onjuist was, en/of

- die NLG 196.500,- (een honderd zes en negentig duizend vijf honderd gulden) niet door koper (zijnde Cantor Holding B.V.) aan verkoper ([medeverdachte S]) zou worden voldaan en/of

- het bedrag van NLG 546.500,- (vijf honderd zes en veertig duizend vijf honderd gulden) als koopsom/waarde van de aandelen van die besloten vennootschap Tout Frais B.V. in die notariële akte was opgenomen om een aanslag inkomstenbelasting voor [medeverdachte S] te voorkomen en/of het bedrag van een aanslag inkomstenbelasting voor [medeverdachte S] te verlagen,

terwijl Cantor Holding B.V. en/of [medeverdachte S] en/of een of meer andere mededader(s) wist(en) dat de koopsom/waarde van die aandelen in werkelijkheid NLG 2.000.000,- (twee miljoen gulden), althans een bedrag groter dan die NLG 546.500,- (vijf honderd zes en veertig duizend vijf honderd gulden), bedroeg,

zulks met het oogmerk om die akte of een afschrift daarvan te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware die opgave in overeenstemming met de waarheid, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens/meermalen) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte (telkens/meermalen) feitelijk leiding heeft gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof op onderdelen tot een andere bewezenverklaring komt.

Overwegingen ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde aangevoerd dat het er op lijkt dat er bij het strafrechtelijk onderzoek een 'tussenstop' is gemaakt bij de Belastingdienst alvorens men tot vervolging is overgegaan. Hetgeen zich tijdens die 'tussenstop' heeft voorgedaan, blijft voor de verdediging echter ongewis, waardoor het onderzoek volgens haar niet transparant en controleerbaar is geweest. Verder wordt in de stukken van het dossier de indruk gewekt dat er pas een verdenking jegens de verdachte zou zijn ontstaan, nadat de stukken van het strafrechtelijk onderzoek waren vrijgegeven voor fiscaal gebruik. Uit een memorandum van 6 juli 2005 zou echter blijken dat die verdenking daarvoor ook al bestond. Het openbaar ministerie heeft de rechter daarover onjuist geïnformeerd door te stellen dat er pas tijdens het fiscale onderzoek een verdenking jegens de verdachte is ontstaan.

Volgens de verdediging dient het openbaar ministerie vanwege deze gang van zaken niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.

Het openbaar ministerie heeft gesteld dat er geen sprake is van het opzettelijk onjuist voorlichten van de rechter. Het openbaar ministerie is pas in een laat stadium op de hoogte geraakt van de inhoud van memorandum 82 van 6 juli 2005. Hoewel dit alles wel onder zijn verantwoordelijkheid valt, is er geen sprake van een doelbewuste veronachtzaming van de belangen van de verdediging die tot niet-ontvankelijkheid zou moeten leiden. Het openbaar ministerie stelt zich primair op het standpunt dat er geen sprake is geweest van een onjuiste voorlichting door dat ministerie van de rechter. Voor zover er wel sprake zou zijn van een vormverzuim is dit naar de mening van het openbaar ministerie in hoger beroep hersteld door toevoeging van het memorandum van 6 juli 2005 aan het dossier.

Het hof overweegt het volgende.

In het proces-verbaal van relaas van 14 juni 2007 van [verbalisant A] is omtrent de aanleiding van het onderzoek gerelateerd dat op 17 augustus 2005 de stukken in het strafrechtelijk onderzoek zijn vrijgegeven voor fiscaal gebruik. Vervolgens zou het fiscale onderzoek aanleiding hebben gegeven tot een verdenking jegens de verdachte. De bevindingen van dit onderzoek zijn omschreven in de notitie 'Leningen [medeverdachte S] - [verdachte]' van 7 november 2005 en deze zijn voorgelegd aan de boete-fraudecoördinator bij de FIOD-ECD. Daaropvolgend is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld.1

Voordat de stukken uit het strafrechtelijk onderzoek waren vrijgegeven voor fiscaal gebruik, was er wel al een notitie opgesteld welke in het onderzoek bekend staat als memorandum 82 van 6 juli 2005. Dit memo is op de terechtzitting in hoger beroep van 25 en 27 oktober 2011 toegevoegd aan de stukken in het dossier.2

Op basis van een samenwerkingsovereenkomst van 5 juli 2004 tussen de regiopolitie Amsterdam en het Arrondissementsparket Amsterdam enerzijds en de Belastingdienst Amsterdam en de FIOD/ECD anderzijds kon informatie tussen die diensten worden uitgewisseld en bijstand worden verleend.3 Deze overeenkomst is telkens verlengd in het afstemmingsoverleg van achtereenvolgens 27 oktober 2004, 12 januari, 12 april en 28 juni 2005. Bij laatstgenoemd afstemmingsoverleg is besloten om de samenwerking te verlengen tot en met december 2005.4

Het hof stelt vast dat dit samenwerkingsverband nog steeds van kracht was op het moment dat op 17 augustus 2005 stukken uit het onderzoek Matterhorn werden vrijgegeven voor fiscaal gebruik en op het moment dat de bevindingen van de Belastingdienst zijn neergelegd in een notitie van 7 november 2005.

Verder stelt het hof vast dat er van een ondoorzichtig onderzoek niet is gebleken. In voormeld proces-verbaal van relaas van 14 juni 2007 is gerelateerd hoe het onderzoek precies in zijn werk is gegaan. Verder blijkt dit ook uit de notitie 'Leningen [medeverdachte S] - [verdachte]' van 7 november 2005.5

Zou het zo zijn dat het dossier, alhoewel er al een strafrechtelijke verdenking jegens de verdachte bestond, eerst naar de Belastingdienst zou zijn gestuurd met het opzet dat deze dienst met de haar toekomende ver strekkende bevoegdheden materiaal boven tafel zou krijgen dat met strafvorderlijke bevoegdheden niet verkregen kan worden, en zou het openbaar ministerie de rechter hierover willens en wetens onjuist hebben geïnformeerd, dan zou zeker niet uit te sluiten zijn dat dit tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou moeten leiden.

Het hof maakt echter uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting op dat de gang van zaken kennelijk aldus is geweest: medewerkers van de Belastingdienst hebben geconstateerd dat er zowel een mogelijke verdenking van strafbare feiten jegens de verdachte bestond in dit onderzoek als dat er te weinig belasting was geheven/voldaan in het kader van de verkoop van de aandelen Tout Frais B.V. Deze bevindingen zijn in het memorandum van 6 juli 2005 neergelegd. Het dossier is daarop naar de Belastingdienst gegaan, om verder onderzoek te doen naar de vraag of inderdaad te weinig belasting was geheven/voldaan en daartoe maatregelen te treffen. Het hof ziet geen aanknopingspunten voor de conclusie dat er tijdens dat fiscale onderzoek controlebevoegdheden zijn gebruikt voor strafrechtelijke doeleinden. Ook van de zijde van de verdediging is niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat stukken in het strafrechtelijk onderzoek terecht zijn gekomen door misbruik van fiscale controlebevoegdheden. Vervolgens is het dossier weer teruggekomen in het strafrechtelijk onderzoek, in verband met de strafrechtelijke verdenkingen. Een en ander is, zoals hiervoor is beschreven, uitvoerig gerelateerd. Dat er daarbij sprake zou zijn van een onjuiste relatering, ziet het hof, gelet op het vorenstaande, niet.

Niet valt in te zien dat door de hiervoor geschetste gang van zaken de verdedigingsbelangen zijn geschonden, laat staan dat er aanleiding is te spreken van het doelbewust en op grove wijze veronachtzamen daarvan. Evenmin kan gezegd worden dat er sprake is geweest van een vormverzuim dat niet meer kan worden hersteld en waardoor de beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschonden.

Vervolgens is er bij de hervatting van het strafrechtelijk onderzoek kennelijk een nieuw memorandum opgesteld dat voortbouwde op het eerdere memorandum van 6 juli 2005. Voor zover er sprake is geweest van onjuiste of onvolledige voorlichting door het openbaar ministerie op het punt van de vraag of er al een strafrechtelijke verdenking was gerezen jegens de verdachte vóórdat het dossier naar de Belastingdienst ging, is dat verzuim in hoger beroep hersteld. Het openbaar ministerie heeft immers alsnog tijdig inzicht gegeven in de gang van zaken door toezending van memorandum 82 aan het hof en de raadslieden van de verdachte bij brief van 19 oktober 2011.

Het hof ziet ten slotte geen aanleiding te oordelen dat het openbaar ministerie deze onjuiste of onvolledige informatie in eerste aanleg opzettelijk heeft verstrekt.

Gelet op hetgeen het hof aan de hand van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft kunnen vaststellen, zoals hiervoor overwogen, is de noodzaak [verbalisant K] als getuige te horen in verband met het memorandum 'Leningen [medeverdachte S] - [verdachte]' van 6 juli 2005 en de notitie van 7 november 2005 en de gang van zaken bij de informatie-uitwisseling ten behoeve van de start van het onderzoek 'Matterhorn' - zoals door de verdediging bij pleidooi in hoger beroep voorwaardelijk is verzocht - niet gebleken. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

Overwegingen ten aanzien van voorwaardelijk gedane algemene verzoeken van de verdediging

De verdediging heeft bij pleidooi (andermaal) verzocht om kennis te kunnen nemen van stukken omtrent de financiële administratie van [W.E.] die betrokken zouden zijn in het onderzoek naar de moord op [W.E.] (Enclave NN) en wel in het bijzonder de gedigitaliseerde administratie van [W.E.].

De verdediging geeft als reden voor dit verzoek dat in het onderzoek in de onderhavige zaak stukken zijn opgenomen die afkomstig zijn uit het onderzoek naar de moord op [W.E.] en koppelt daaraan de stelling dat dit meebrengt dat ook inzage verstrekt moet worden in al die in beslag genomen stukken.

De verdediging heeft de volgende redenen gegeven om inzage te krijgen in de gedigitaliseerde administratie:

1. gesloten beurzen hypothese;

2. eerdere betaling Bayline, Bergvalk 4;

3. waardeontwikkeling Holding Seaport IJmuiden (hierna steeds aan te duiden als: HSIJ);

4. andere betalingen aan [W.H.];

5. betalingen aan andere criminelen, onder wie [J.M.];

6. betaling van de 3 miljoen door [W.E.] in het dossier 't Gooier Hoofd (Threeglen);

7. verklaring verschil boedelbeschrijving en eigen opgave [W.E.] omtrent zijn vermogen;

8. schifting tussen wel en niet kloppende betalingen.

De verdediging beroept zich daarbij op beslissingen van de Hoge Raad van 31 januari 2012 (LJN BU4214), 21 oktober 1997 (NJ 1998, 133) en 7 mei 1996 (NJ 1996, 687).

Het hof constateert dat het in die zaken ging om het bekijken van videobanden die waren gemaakt van verhoren, respectievelijk een fotoboek dat in die verhoren werd gebruikt ten behoeve van de herkenning door getuigen. De juistheid van de van die verhoren opgemaakte processen-verbaal werd betwist.

Het hof stelt vast dat in de onderhavige zaak (Enclave Financieel) - die, wat het in feit 1 ten laste gelegde betreft, betrekking heeft op gelden die door afpersing van Endstra zouden zijn verkregen en door de verdachte zouden zijn witgewassen (daarom ter onderscheid van het onderzoek Enclave NN verder 'de witwaszaak' te noemen) - door het openbaar ministerie stukken zijn gevoegd die afkomstig zijn uit Enclave NN, te weten het onderzoek naar de moord op die [W.E.] (verder gemakshalve 'de moordzaak' te noemen). Die stukken uit de moordzaak maken deel uit van de witwaszaak. In zoverre is er een verschil met de door de raadslieden genoemde jurisprudentie: daar ging het om onderliggende informatie in dezelfde zaak.

Naar het oordeel van het hof zijn daarom niet zonder meer de overwegingen van de Hoge Raad in die zaken van toepassing.

Het openbaar ministerie heeft een keuze gemaakt welke stukken (en als zodanig duidt het hof ook de gedigitaliseerde administratie van [W.E.] aan) uit de moordzaak wel en welke niet in de witwaszaak zouden worden gevoegd, en het heeft deze keuze verantwoord6.

In verband met de regiezitting in hoger beroep heeft het openbaar ministerie gemeld dat er in de witwaszaak afstemming is geweest met de onderzoeksteams met betrekking tot de moordzaak en de afpersingszaak tegen [W.H.] en anderen (verder te noemen: de Kolbakzaak). Het openbaar ministerie heeft verder toegelicht dat de politie door de financiële man van [W.E.], [J.H.], is geattendeerd op de tien in feit 1 ten laste gelegde betalingen en de titels daarvoor. In dat verband is de administratie van [W.E.] onderzocht en is alles wat dienaangaande is aangetroffen in het dossier van de witwaszaak gevoegd. Daarbij is door de advocaten-generaal aangetekend dat vanaf de aanvang van het onderzoek is bezien of de door [W.E.] (in de zogenaamde dagboekaantekeningen) genoteerde bedragen op iets anders zouden kunnen duiden dan op de in de witwaszaak ten laste gelegde betalingen in verband met afgeperste gelden.

Naar de bevindingen van het openbaar ministerie zijn er geen andere stukken in het dossier van de moordzaak die van belang zijn voor het onderzoek in de witwaszaak dan de stukken die al in de witwaszaak zijn gevoegd.7

De verdediging heeft deze stelling toen niet betwist.

Het hof stelt vast dat het onderzoek met betrekking tot hetgeen de verdachte verweten wordt langdurig en uitgebreid is geweest. In de verschillende fasen van de behandeling van deze zaak zijn vele stukken onderzocht en zijn getuigen door opsporingsambtenaren en - in aanwezigheid van de verdediging - door rechters gehoord. Tevens zijn op verzoek van de verdediging ook in hoger beroep nog diverse stukken door het openbaar ministerie opgespoord en in het dossier gevoegd ten behoeve van de verdediging.

Tegen die achtergrond overweegt het hof met betrekking tot het verzoek nog het volgende.

Een aantal van de getuigen was - blijkens hun verklaring - goed op de hoogte van de administratie van [W.E.]. Het hof noemt in dit verband met name [J.H.], [D.P.], de fiscalist [A.M.] en [A.T.].

- Van Prins bevinden zich diverse verklaringen in het dossier.8 [D.P.] - die de verdachte sedert 1996/97 kent en die vanaf september 1998 voor [W.E.] heeft gewerkt - was op de hoogte van [W.E.]'s administratie en op de hoogte van transacties in verband met andere zakenpartners van [W.E.], onder wie [W.H.]. Ook is hij in de Kolbakzaak door de rechter-commissaris gehoord.9

In hoger beroep heeft de verdediging alleen gevraagd om het horen van [D.P.] in verband met de zogenaamde dagboekaantekeningen van [W.E.]. Dat verhoor heeft plaatsgevonden.

- [J.H.] - die in maart 2003 voor [W.E.] ging werken en orde moest aanbrengen in de financiële organisatie van diens ondernemingen - is talloze malen verhoord, te beginnen op 18 mei 2004, de dag na het overlijden van [W.E.].10 Hij heeft de politie op de hoogte gebracht van een aantal betalingen van [W.E.] aan de verdachte, het al dan niet bestaan van titels daarvoor en het mogelijke verband met afpersing door [W.H.]. Op 26 mei 2004 heeft hij de politie een aantal stukken gegeven met betrekking tot betalingen vanuit het [W.E.]concern aan [verdachte]/Ballados.11

Uit niets blijkt dat [J.H.] op de hoogte was van de vondst en de inhoud van stukken die als dagboekaantekeningen bekend werden en eerst in november 2005 in het onderzoek betrokken werden.12

[J.H.] verklaart bovendien over andere zakenpartners van [W.E.], onder wie [J.M.], en hun zakelijke besognes.

[J.H.] is daarna nog gehoord door de rechter-commissaris13 en ter terechtzitting in eerste aanleg.14

- [A.M.]15 heeft vanaf de tweede helft van 2002 boekenonderzoek in de administratie van alle vennootschappen van [W.E.] gedaan, mede in verband met transacties die niet op papier zouden staan. Hij is in het bijzonder gehoord over een schuld van Marpollo aan Ballados en over Bayline en Bergvalk 4, mede in verband met een gesprek tussen hem, [J.H.] en [A.T.]. Op 6 maart 2009 is hij ten overstaan van de rechter-commissaris gehoord.16

- [A.T.], die vanaf 1993 tot de dood van [W.E.] in 2004, vooral op fiscaal gebied, werkzaamheden heeft verricht voor de verdachte, is uitvoerig gehoord, ook ter terechtzitting in hoger beroep.17 Hij heeft verklaard over de verschillende betalingen tussen [W.E.] en de verdachte.

Gelet op de mogelijkheden die de verdediging in dit onderzoek heeft gehad om inzicht te krijgen in de zaken van [W.E.] en tegen de achtergrond van de aangeduide verklaringen is het hof niet gebleken dat twijfel kan bestaan aan de hiervoor weergegeven woorden van het openbaar ministerie dat - kort gezegd - alle voor de witwaszaak van belang zijnde stukken uit de moordzaak zijn toegevoegd aan eerstgenoemd dossier.

Het hof acht daarom toewijzing van het verzoek niet noodzakelijk.

Gelet daarop behoeft het door het openbaar ministerie naar voren gebrachte belang dat het onderzoek naar de daders in de moorzaak nog steeds loopt en de stelling dat dit belang zich verzet tegen kennisneming door de verdediging van (de) stukken in dat dossier geen bespreking meer.

Aansluitend zal het hof het bij pleidooi in hoger beroep voorwaardelijk gedane verzoek behandelen tot voeging in het dossier van een memo van [J.H.].

Gelet op de mededeling van het openbaar ministerie bij gelegenheid van de repliek dat geenszins vast staat dat een memo als bedoeld door de verdediging in de administratie van [W.E.] was opgenomen en, indien dit het geval zou zijn geweest, het in de rede had gelegen dat het in het opsporingsonderzoek zou zijn aangetroffen, ziet het hof - mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de voor het onderzoek in deze zaak van belang zijnde stukken uit de administratie van [W.E.] - geen noodzaak voor toewijzing van het verzoek. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

Notitie voor de lezer

De door het hof in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd waren en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Schriftelijke bescheiden worden slechts gebruikt in samenhang met de inhoud van overige bewijsmiddelen. Alle hierna opgenomen verklaringen worden zakelijk weergegeven en alleen voor zover relevant voor het bewijs. De door het hof voor het bewijs gebezigde onderdelen worden voorafgegaan door een asterisk.

Redengevende feiten en omstandigheden en bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

De rechtbank heeft bewezen geacht dat de verdachte een tiental betalingen, tot een totaal van

€ 17.068.165, heeft ontvangen op rekeningen van de verdachte of bedrijven van de verdachte18 en dat deze betalingen uiteindelijk afkomstig waren van wijlen [W.E.] (verder te noemen: [W.E.]).

De verdachte betwist het vorenstaande niet.

De rechtbank heeft voorts bewezen geacht dat deze betalingen door [W.E.] onvrijwillig zijn gedaan en zijn afgedwongen door [W.H.] (verder te noemen: [W.H.]), dat de verdachte hiervan op de hoogte was en dat hij daarom tezamen en in vereniging met [W.H.] deze bedragen heeft verworven en/of voorhanden gehad.

Dit wordt door de verdachte betwist.

Bij de beoordeling van de vraag of ook dit deel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen is, gaat het hof, op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep uit van de navolgende redengevende feiten en omstandigheden en de navolgende overwegingen.

* Het betreft de volgende betalingen met bijgenoemde omschrijvingen en nadere gegevens:19

ontvangen bedrag

datum opdracht

datum ontvangst

ontvangen op bankrekening

omschrijving

1

€ 3.176.461,5020

30-12-02

30-12-02

[rekeningnummer 887]

Ballados Investment NV

deelaflossing lening S.M.IJ. in opdracht van Marpollo, restant volgt

2

€ 1.361.340,6021

09-01-03

10-01-03

[rekeningnummer 887]

Ballados Investment NV

deelaflossing lening S.M.IJ. in opdracht van Marpollo

3

€ 3.400.00022

28-02-03

01-03-03

[rekeningnummer 887]

Ballados Investment NV

Bayline

4

€ 1.500.00023

14-03-03

[rekeningnummer 502] UBS

5

€ 900.00024

02-04-03

02-04-03

[rekeningnummer 887]

Ballados Investment NV

6

€ 450.00025

18-04-03

24-04-03

[rekeningnummer 887]

Ballados Investment NV

Marina Seaport IJmuiden

7

€ 1.499.990,2826

26-05-03

28-05-03

[rekeningnummer 887]

Ballados Investment NV

8

€ 2.800.00027

24-06-03

26-06-03

[rekeningnummer 502] UBS Bank

Agreement

9

€ 400.00028

18-07-03

21-07-03

[rekeningnummer 887]

Ballados Investment NV

Flamingo

10

$ 1.999.962,5029

24-12-03

07-01-04

[rekeningnummer 102] Xenia International Holdings Ltd.

volgens afspraak

* De tiende betaling vertegenwoordigt een tegenwaarde van ongeveer € 1.580.373,--.30

* [W.E.] heeft vanaf 2002 tot in 2004 gesprekken gevoerd met medewerkers van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE), de zogenoemde achterbankgesprekken.31

Het hof neemt hierna de mededelingen op die [W.E.] deed aan medewerkers van de CIE die het hof redengevend acht voor de bewezenverklaring. Voor zover gesprekken in de vraag-en-antwoordvorm zijn weergegeven duidt het hof waar nodig [W.E.] aan met "E" en medewerkers van de CIE met "C".

De schriftelijke samenvatting van het eerste gesprek van [W.E.] met de CIE, 20 maart 2003:32

[W.E.] leerde zo'n tien jaar geleden [W.H.] kennen. Tussen Endstra en [W.H.] ontstond gaandeweg een band, die onder meer bestond uit het dagelijks trainen op een sportschool.

De groepering van [W.H.], [D.S.], [S.H.] en [P] houdt zich bezig met afpersingen. [W.E.] heeft de overtuiging dat als hij niet meer kan betalen, hij zal worden geliquideerd in opdracht van deze groepering. Tot op heden heeft hij een heel groot vermogen aan [W.H.] en [D.S.] moeten overmaken. Deze betalingen gingen naar 'legale', door de financiële deskundige van de groep opgezette bedrijven die het ( geld ) 'stallen' voor [W.H.] en zijn maten. [W.E.] is heel angstig geworden en heeft de sloten in zijn huis laten vervangen, omdat [W.H.] een sleutel had en het voorkwam dat hij 's nachts in zijn woning stond.

Als [W.H.] [W.E.] wil spreken, komt hij ook midden in de nacht schreeuwen voor de deur van [W.E.].

Enige tijd geleden werd [W.E.] gebeld met het verzoek op kantoor van zijn advocaat [advocaat M] te komen. Toen [W.E.] daar kwam en de secretaresse van [advocaat M] hem naar diens werkkamer had gebracht zat niet [advocaat M] daar, maar zaten [D.S.] en [W.H.] achter het bureau. Ook zat [P] in die ruimte samen met andere personen. [W.E.] werd daar met name door [D.S.] bedreigd en zou weer geld moeten overmaken en, zo niet, worden afgeschoten. Deze woorden werd kracht bijgezet door een onbekende Joegoslaaf die daar [W.E.] een vuurwapen in de buik drukte.

[W.E.] spreekt zijn angst uit over het voeren van dit gesprek en geeft aan dat, zodra wij hiervan een rapport opmaken, dit zal uitlekken, hetgeen zijn dood zal betekenen.

Het tweede gesprek, 3 april 200333

E: Ik heb precies opgeschreven hoe ik heb moeten betalen. Ik heb echt enorme bedragen moeten betalen.

C: Die betalingen van u gaan via gerenommeerde bedrijven?

E: Ja. Het staat bij anderen en daar is ie ([W.H.]) ook dominant aanwezig en die mensen hebben zogenaamd dat geld, maar het is niet van hen.

Die worden onder druk gezet om daaraan mee te werken. Die weten dat het van mij komt. Ik moet het overmaken. Dat zijn eigenlijk normale, nette mensen allemaal, maar die worden onder druk gezet.

E: Vorige week dinsdagavond (het hof begrijpt: 25 maart 2003) om 23.00 uur stond ([W.H.]) voor de deur. Hij zei dat hij [K.H.] ging doodschieten als ik niet betaalde.

E: Ik betaal omdat ik geen andere oplossing weet. ([W.H.]) heeft gezegd: 'Je moet niet denken dat je kan vluchten; met mijn politiecontacten weet ik binnen een dag waar je zit.'

([W.H.]) was mij ook aan het afluisteren en opnemen. De apparatuur was door een kennis van hem geplaatst, [V.H.].

Het vierde gesprek, 16 april 200334

E: Ik kreeg vannacht om 01.30 uur weer visite. Een beetje onder druk houden, noemen ze dat.

[W.H.] en [D.S.].

Het restant dat ik moest betalen. Als ik dat niet deed, dan wist ik het wel.

Ze hebben een bedrag vastgesteld van enige miljoenen, dan zou ik ervan af zijn. Ik moet 20 miljoen betalen, voor 1 mei.

Ze persen me af, ze bedreigen me, ze willen me vermoorden.

Ze verzinnen een probleem, dan gaan ze je helpen en daarna word je afgeperst.

Ze hebben een aantal zeer nette mensen die ik ken, die worden als een soort stroman gebruikt en ik weet zeker dat ze dat niet vrijwillig doen.

Het vijfde gesprek, 15 mei 200335

E: Vorige week zaterdag (10 mei 2003) is iemand die voor hem werkt, bij mij op kantoor geweest. Die heeft de harde schijf uit mijn computer gehaald. Ik moest een kabel van Schiphol naar Zandvoort kopen; daar moest ik 20 miljoen gulden voor betalen. Bleek dat het geen kabel was maar een holle buis. Ik zei: 'Ik moet gegevens hebben'. Dus heb ik een brief gestuurd naar een BV in het buitenland, dat ik informatie moest hebben over die kabel, dat ik het wilde kopen. Maar toen moest ik het geld op een andere manier betalen. Maar ik had dus brieven gestuurd. Die moest ik wissen. Toen kwam hij plotseling langs en heeft mijn harde schijf eruit gehaald. Hij zei: 'Ik moet die schijf eruit halen'. Hij heeft alles overgezet (het hof begrijpt: op een andere, vervolgens in de computer geplaatste, harde schijf) wat erop stond, behalve die twee brieven (van) vijftien januari (2003). Hij heet [V.H.].

Er vinden 'normale' betalingen plaats en die mensen geven het geld niet aan [W.H.]; die houden, bewaren het voor hem.

Het zevende gesprek, 24 juni 200336

E: Ik ben vandaag weer enige malen bedreigd met de dood. Ik moest betalen. 'Doodschieten als je dit en dat niet ...'. ([W.H.]) wilde 7 miljoen euro. Hij zei ook: 'Ik heb je gewaarschuwd, maar nu is het over'.

Ik kreeg een briefje van hem, dat ik geld moest overmaken. Ik moest deze week betalen. Zeven miljoen wil hij over de bank overgemaakt hebben, naar een zakenrelatie van hem. En die man houdt het, bewaart het dan weer voor hem.

C: (Die man) kan toch wel in de tang zitten van ([W.H.])?

W: Ik denk dat dat inderdaad het geval is.

([W.H.]) rijdt af en toe achter me aan. Hij is me de hele dag aan het intimideren.

Ik doe tegen hem niet bang. Hij zegt bijvoorbeeld: 'Je haalt de week niet'. Ik zeg: 'Dan ben ik toch nog vijftig geworden'.

Hij zei: 'Jij kan wel weggaan, maar je familie is nog hier, en je kinderen'. Mijn kinderen, mijn familie, alles wordt bedreigd.

[D.S.] heeft mij hoogstpersoonlijk bedreigd, helemaal zwaarbewapend.

Het tiende gesprek, 27 augustus 200337

E: 'Ik moet nog een stukje betalen. Weer een bedreiging. Dat was in het Bosplan (het hof begrijpt: het Amsterdamse Bos). [M.K.] zei dat ik daar moest komen. Hij ([W.H.]) zei: 'Als je niet dat restje betaalt, vermoordt die ouwe ([S.H.]) je binnen twee tellen; had je maar moeten betalen, straks lig je met een kaartje aan je teen in de vrieskist'. Dat was vorige week. Ik moet nog 7 miljoen euro betalen binnen twee weken. Ik heb gezegd: 'Ik kan dat niet betalen'. Ten eerste zou ik niet weten hoe ik dat moet doen, want er moet een titel voor zijn. Ten tweede heb ik het geld niet.'

De schriftelijke samenvatting van het elfde gesprek van [W.E.] met de CIE, 20 oktober 200338

'Twee weken geleden was [W.E.] in het buitenland toen [mevr. K] op zijn kantoor verscheen. Zij moest [W.E.] spreken omdat haar overleden man [S.K.] zeven miljoen had uitstaan bij [W.E.]. [W.E.] is naar Nederland teruggekomen en heeft met [mevr. K] gesproken. Kort daarvoor kwam [W.H.] langs en zei dat [W.E.] [mevr. K] keurig en beleefd moest behandelen en dat er Joegoslavische vrienden om de hoek stonden. Daags na dit incident maakte [W.E.] een afspraak met [advocaat M] op kantoor. Daar aangekomen, was niet [advocaat M] er, maar werd hij door [W.H.] meegenomen naar een kamertje. Daar is [W.E.] duidelijk gemaakt dat hij zeven miljoen moest betalen, doch niet aan [mevr. K] maar aan hem ([W.H.]). De termijn liep dinsdag a.s. af, maar is inmiddels met een week verlengd.

In de woning in IJmuiden is zes weken geleden ingebroken door middel van een valse sleutel. [W.E.] had daar een dossier met betrekking tot de praktijken van [W.H.]. Dit dossier is gestolen. [W.H.] maakt opmerkingen als: 'Ik weet meer dan je denkt.'

Het 12e gesprek, 11 november 200339

Geeft aan dat zijn dossier is gejat vanuit zijn woning in IJmuiden.

Als hij overhoop geschoten wordt ligt er bij een notaris in den lande een handgeschreven stuk waar hij zijn handtekening onder heeft gezet, hoe zijn financiële situatie in elkaar steekt.

* Ook heeft [W.E.] in die periode contact gezocht met de officier van justitie J. Plooij. Deze heeft naar aanleiding daarvan de volgende bevindingen40 opgeschreven:

Op 2 juli 2003 werd ik in de loop van de ochtend gebeld door de chef CIE van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, [chef CIE].

[chef CIE] vroeg mij dringend nog deze middag naar het hoofdbureau van politie in Amsterdam te komen voor een gesprek met [W.E.] en diens raadsman, [advocaat P]. Onderweg vertelde [chef CIE] mij in het kort dat medewerkers van de RCIE gesprekken voerden met [W.E.], waarin [W.E.] onder meer vertelde dat hij werd afgeperst door [W.H.]. Ook vertelde [chef CIE] mij onderweg dat hij de indruk had dat [W.E.] doodsbang was en mogelijk op een punt was gekomen dat hij wilde praten over het afleggen van tactisch bruikbare verklaringen.

Op het kantoor van [advocaat P] hebben wij vervolgens een gesprek gehad met [W.E.], in aanwezigheid van [advocaat P].

[W.E.] vertelde hij dat hij erg bang was dat dit gesprek zou uitlekken, zoals er al zo vaak gevoelige informatie over hem naar de media was uitgelekt. Hij zei in dat verband in één adem dat [W.H.] altijd en overal van wist, en overal zijn voelhorens had; dat had [W.H.] hem verteld.

Bij het vertellen van het navolgende maakte [W.E.] zichtbaar een gespannen indruk; op mijn vraag tussendoor of hij op dat moment bang was voor [W.H.] antwoordde hij zonder meer bevestigend.

[W.E.] vertelde mij dat hij enorm bang was voor verbale en fysieke bedreigingen door [W.H.]. Hij zei dat hij door [W.H.] al geruime tijd werd afgeperst in ruil voor 'protectie'. [W.H.] maakte enorme indruk op hem door regelmatig duidelijk te maken dat hij bij een aantal liquidaties betrokken is geweest; [W.E.] werd door [W.H.]s soms indirecte opmerkingen in dat verband heel erg bang dat dit hem ook zou kunnen gaan overkomen als hij niet zou doen wat [W.H.] wilde, en had de indruk dat [W.H.] het zei om hem die angst te geven.

* [W.E.] heeft op 10 april 2003 (naar het hof uit de hierna volgende bewijsmiddelen begrijpt) een verklaring afgelegd bij notaris [notaris L]. [notaris L] (verder te noemen: de notaris) heeft zich op 18 mei 2004 bij de politie gemeld en toen deze schriftelijke verklaring overhandigd.41

Op de envelop is de volgende door de notaris met de hand geschreven en door hem ondertekende verklaring van 10 april 2003 geplaatst:42

Bijgaande verklaring te openen in geval van overlijden van de heer Mr [W.E.] als gevolg van zijn liquidatie.

* De notaris heeft bij de rechter-commissaris met betrekking tot het gebeurde op 10 april 2003 het volgende verklaard:43

[W.E.] heeft mij gevraagd de verklaring die ik voor hem heb opgeschreven, geheim te houden en aan de CRI (het hof begrijpt: Criminele Recherche Inlichtingendienst) te overhandigen, mocht hij onvrijwillig het leven laten. [W.E.] was zeer geëmotioneerd, al voordat ik wist wat hij wilde. Hij heeft mij de verklaring gedicteerd. Hij heeft voordat hij de verklaring dicteerde mij verteld dat hij van het advocatenkantoor Lexence afkwam en dat hij hoogst ongelukkig was met de dingen die hem waren overkomen.

Ik vond het niet prettig. In de verklaring is aan de orde geweest de bedreiging met een liquidatie. Ik zat ermee. Je zit met iemand die zegt dat hij net is afgeperst.

* Eerder had de notaris verklaard over de datering van de verklaring en over andere stukken in de envelop44:

Per 1 januari van dit jaar (2004) ben ik oud-notaris. Ten tijde van de opgenomen verklaring van [W.E.] was ik nog notaris. In de handgeschreven verklaring die ik eerder heb overhandigd en op de envelop dient waar 2004 staat, 2003 gelezen te worden. De handtekening van [W.E.] en de parafen aan de onderzijde van de pagina's zijn in mijn tegenwoordigheid gezet. [W.E.] kwam zomaar bij me binnenlopen, zonder voorafgaande afspraak, vermoedelijk tegen het einde van de ochtend. Hij voelde zich onheus bejegend bij Lexence advocaten en wilde hierover een verklaring afleggen. Hij deed dit bij mij omdat hij mij kende en mij vertrouwde. Ik heb vervolgens de verklaring handgeschreven opgenomen. Deze verklaring werd door [W.E.] aan mij gedicteerd.

Gezien de vertrouwelijkheid is de verklaring niet door de secretaresse uitgewerkt. Ik was ongelukkig, ongemakkelijk met de verklaring die [W.E.] aflegde. Ik heb deze verklaring opgenomen omdat ik [W.E.] gespannen vond en hij zijn verhaal wilde vertellen. Hiermee kon ik hem van dienst zijn. De verklaring is door mij als codicil bewaard.

De bijlagen die bij de verklaring van [W.E.] zijn gevoegd, heb ik gekregen van [W.E.]. Hij had deze stukken bij zich.

* De ten overstaan van de notaris afgelegde verklaring van [W.E.] luidt als volgt:45

Op 10 april 2003 verklaarde de heer mr. [W.E.] in persoon tegenover ondergetekende als notaris:

Ik, mr [W.E.] ben onder dwang op 10 april 2003 om 12.00 uur bij [notaris W] (het hof begrijpt in dit verband: [notaris H]) verbonden aan Lexence advocaten te Amsterdam

verschenen te zijnen kantore op verzoek van mr [A.T.].

Aldaar werd ik gedwongen een onherroepelijke volmacht te geven en te

tekenen waarbij de aandelen in Recreatiepark Port Greve NV zouden worden verpand aan Bergheim Investments SA gev te Panama voor een fictieve schuld van E 6.806.703 (Hfls 15.000.000) aan Balladas Investments NV (het hof begrijpt: Ballados Investment NV) en een gefingeerde schuld van E 3.857.000 aan Bergheim Investments SA te Panama.

De verpandingsakte welke is getekend op 26 febr 2003 is eveneens onder

dwang van liquidatie van ondergetekende en/of familieleden getekend op 26 febr 2003, terwijl de handgeschreven toevoegingen in de akte van 26 febr 2003 op heden 10 april 2003, bij [notaris W] zijn toegevoegd door de notaris.

Aanvankelijk weigerde ik te tekenen en ben zonder iets te zeggen

weggelopen en rechtstreeks naar de heer [hoofd CID] gegaan, hoofd CID,

kantoor Amsterdam. Naast [hoofd CID] waren nog 2 medewerkers

aanwezig bij het gesprek.

Ik heb de heer [hoofd CID] medegedeeld wie achter de afpersing zaten te

weten de heer [W.H.] en zijn vriend [D.S.].

Ik werd opgebeld door [A.T.] om circa 13.00 uur om terug te keren naar Lexence advocaten onder de toezegging dat de boete van 0,5% per dag pas zal ingaan op 1 mei 2003.

Daarna heb ik de stukken getekend.

De heer Ad van [A.T.] verklaarde nadat de heer Weijman de kamer had verlaten, dat de heer [verdachte] onder dwang aan deze verpanding en of afpersing meewerkte, maar dat [verdachte] ook onder dwang handelde.

Baladas NV (het hof begrijpt hier en verder: Ballados Investment NV) is een NV die vroeger van [verdachte] was en geadministreerd bij FTC Trust te Wassenaar.

Nadat de heer [verdachte] zijn aandelen in de Seaport Marina IJmuiden aan de familie [W.E.] had verkocht en geleverd, heeft hij Baladas aan mij,

W [W.E.], overgedragen voor f 1 ,= hoewel er een vordering was van

Baladas op Seaport Marina van f 12.500.000,=. De vordering was niet

volwaardig ivm zware verliezen van Seopart (het hof begrijpt: Seaport) Marina, daarom was de koopsom f l ,=.

Bij FTC trust was bekend dat Baladas van [W.E.] was. Ik ben gedwongen

deze NV terug over te dragen aan [verdachte] om niet zulks in dec 2002.

Daarvoor heb ik bij FTC trust stukken moeten tekenen dat ik geen eigenaar meer was van Baladas. Na de overdracht heb ik de vordering van Baladas ad ongeveer f 12.500.000,= moeten voldoen aan Baladas bij Fortis bank te R'dam op een rek nr.

De schulden genoemd in de akte van verpanding dd 26 febr 2003 zijn

gefingeerd. Naar Baladas is een verklaring afgegeven aan de accountant van Seaport Marina dat Baladas geen vordering meer had (zie verklaring

accountant)

Ook de vordering ad E 3.857.000,- tbv van Bergheim heeft geen rechtsgrond.

[W.E.] zal zich inspannen desondanks de bedragen te betalen onder

dreiging van liquidatie v/hem in persoon.

Mocht ik toch worden geliquideerd dan verzoek ik nots [notaris L] deze verklaring aan de politie te overhandigen.

Aldus opgemaakt en getekend op 10 april 2004 (het hof begrijpt: 2003)

Mr. [W.E.]

De hiervoor weergegeven verklaringen van [W.E.] komen er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat hij heeft gezegd dat hij onder dwang van liquidatie van hemzelf en/of familieleden betalingen moet doen en heeft moeten doen, door al dan niet gefingeerde vorderingen te voldoen, aan (onder anderen) - zo zegt hij in de verklaring bij de notaris afgelegd met zoveel woorden - de verdachte. Achter de afpersing zouden [W.H.] en diens vriend [D.S.] (het hof begrijpt: [D.S.]) zitten. Tegenover de CIE-medewerkers heeft [W.E.] verklaard dat [W.H.] en [D.S.] een aantal nette mensen als stromannen gebruiken.

Hetgeen [W.E.] heeft verklaard wordt op essentiële onderdelen door de hierna volgende verschillende redengevende feiten en omstandigheden bevestigd.

* Op 17 mei 2004 wordt [W.E.] voor zijn kantoor te Amsterdam doodgeschoten46.

* De getuige [advocaat Z] heeft op 19 mei 200447 het volgende verklaard:

Ik ken [W.E.] sinds 1988. Ik ben zijn advocaat geweest tot 1998, begin 1999. We werden al snel goede vrienden. Ik weet dat [W.E.] al enige jaren bedreigd werd. Dat betrof afpersing. Op kantoor circuleerde al enige tijd de naam van [W.H.]. In augustus 2002 was er een zakelijk geschil ontstaan tussen [W.E.] en [J.M.]. Ik heb [W.E.] wel eens horen zeggen dat hij soms problemen had die hij beter met [W.H.] kon oplossen. Hij heeft mij verteld dat hij voor dergelijke problemen altijd vele tonnen beschikbaar hield. Ik vroeg hem of hij dat allemaal wel kon verantwoorden. Hij zei mij dat hij niet wilde dat er in zijn boeken en jaarcijfers over afpersing werd gesproken. Ik heb hem de laatste tijd horen zeggen dat hij met de dood bedreigd werd. Je kon ook merken dat zijn gedrag veranderde als hij een telefoontje kreeg.

Vraag: Hoe is het mogelijk dat er zoveel geld uit het bedrijf onttrokken kon worden.

Er gingen gigantische bedragen van miljoenen euro's naar ondoorzichtige projecten. De financieel directeur [J.H.] en ik waren bezorgd over deze situatie. De voortdurende onttrekking van liquiditeiten aan de bedrijven van [W.E.] leidde tot een volstrekt onduidelijke bedrijfsvoering. Het liquiditeitsprobleem was zo groot dat recentelijk [W.E.] zijn mobiele telefoon kort afgesloten is geweest en dat hij bij vrienden geld leende voor investeringen terwijl er stapels sommaties lagen voor openstaande rekeningen. [W.E.] wilde koste wat het kost zijn verplichtingen aan bepaalde personen nakomen.

* Op 19 mei 2004 wordt de advocaat mr. [advocaat B], die op dat moment de raadsman van [mevr. E], de partner van [J.M.] is, gehoord over een door hem na de dood van [W.E.] aan de politie overhandigde brief van [W.E.]. Hij had deze brief van [W.E.] zelf, in een gesloten enveloppe gekregen met het verzoek deze te openen en aan de politie te overhandigen als [W.E.] zou worden doodgeschoten. Hij verklaarde verder:48

Ik vertegenwoordig [mevr. E] in een geschil met [W.E.] over California Properties BV. Er is een overeenkomst gesloten en [W.E.] heeft zich borg gesteld om de termijnen en betalingen na te komen. De betalingen werden al snel niet conform de afspraken gedaan. [W.E.] gaf te kennen dat hij liquiditeitsproblemen had. Gedurende 2003 heb ik [W.E.] zien veranderen van een strakke zakelijke persoon in een labiele persoon, bij wie de angst van het gezicht te lezen was. Deze angst kwam voort uit het feit dat hij voor zijn leven vreesde, dat hij werd bedreigd en afgeperst. Dit heeft hij mij verteld en hij verzocht mij hem juridisch niet kapot te maken door hem te houden aan de termijnen en tot uitwinning over te gaan.

* In de aan [advocaat B] overhandigde brief, gedateerd 2 december 200349, schrijft [W.E.]:

'Begin deze maand heb ik u € 200.000 overgemaakt (...). Er is een behoorlijke achterstand ontstaan in de aflossing (...). De reden voor deze achterstand is tweeërlei. Ten eerste is het moeilijk voor ondergetekende nieuwe financiering te verkrijgen gezien de negatieve artikelen in de media en ten tweede is veel van onze liquiditeit verdwenen aan oneigenlijke betalingen aan [W.H.]. Meermalen zijn wij met de dood bedreigd indien wij niet betaalden. Ook is medegedeeld dat wij niet aan uw cliënt mochten betalen; dit zou tot gevolg hebben dat ondergetekende dan wel familie van mij zou worden (...) geliquideerd. De bedreigingen houden aan en maken het mij en mijn familie moeilijk om op een normale manier verder te leven.'

* De getuige [V.H.] heeft op 31 januari 200650 het volgende verklaard:

Vraag: [W.E.] heeft voor zijn dood gesproken met de politie. Hij heeft toen ook verteld dat ene [V.H.] klusjes doet voor [W.H.]. [V.H.] heeft diverse camera's geplaatst en heeft ook een keer de harde schijf van [W.E.]'s computer gewist. Wat is daarop jouw reactie?

Ik weet dat ik de harde schijf van [W.E.] een keer verwisseld heb, maar hoe dat verder precies is gegaan weet ik niet meer.

* De door [W.E.] naar de notaris meegebrachte stukken die als bijlage bij de hiervoor genoemde door [W.E.] ten overstaan van die notaris afgelegde verklaring waren gevoegd, zijn de volgende:

Een geschrift met opschrift Verpanding, kennelijk een onderhandse akte van 26 februari 2003.51 Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als getypte tekst en (van 10 april 2003 daterende) handgeschreven renvooien:

Overwegende:

Holding Seaport IJmuiden BV ('HSY') heeft bij overeenkomst van 25 februari 2003 op zich genomen € 6.806.703 (fl. 15.000.000) aan Ballados Investment NV ('Ballados') te betalen op rekening Fortisbank [rekeningnummer 887].

Recreatiepark Port Greve BV ('Vennootschap') heeft op zich genomen € 3.857.000 (fl. 8.500.000) aan Bergheim Investments S.A. ('Bergheim'), te betalen als commissie voor de aankoop van Gran Dorado Hoch Sauerland en voor de aankoop van de aandelen World Fashion Center.

Indien beide betalingen niet vóór 31 maart 2003 plaatsvinden zullen de aandelen Recreatiepark Port Greve BV verbeurd worden en zal een boeterente van 0,5% (renvooi: per dag over het restant van de hoofdsom te rekenen vanaf 1 mei 2003 tot de datum van voldoening) verschuldigd zijn. Voor deze verplichtingen staat [W.E.] persoonlijk garant.

De verpanding zal als volgt geschieden.

(renvooi: International Leisure Properties BV ('Pandgeefster')) en Bergheim zijn overeengekomen dat Pandgeefster een eerste pandrecht zal vestigen ten behoeve van Bergheim op de aandelen in Recreatiepark Port Greve BV, tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen (renvooi: Vennootschap) aan Bergheim (renvooi: en/of HSY aan Ballados) schuldig is.

Dit geschrift bevat op de eerste twee pagina's telkens een paraaf van [W.E.] en is op de derde, laatste, pagina gedateerd te Amsterdam, 26 februari 2003, en ondertekend door [W.E.]. Op de eerste pagina staat een aantal renvooien, alle handgeschreven, geparafeerd door [W.E.] en op 10 april 2003 aangebracht.52

Een geschrift met opschrift Onherroepelijke Volmacht.53 Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

[W.E.], handelend als bestuurder van Convoy Contigas BV, handelend als bestuurster van Recreatiepark Texel BV, handelend als bestuurster van International Leisure Properties BV, 'Aandeelhoudster', geeft onherroepelijke volmacht aan Bergheim Investments S.A., 'Bergheim', om op eerste vordering van Bergheim namens Aandeelhoudster (1) goed te keuren verpanding aan Bergheim van 52 aandelen in Recreatiepark Port Greve BV, 'Vennootschap', conform aangehecht concept Aandeelhoudersbesluit, (2) ter uitvoering van een overeenkomst van 26 februari 2003, in kopie54 aangehecht, mee te werken aan de akte van verpanding van die aandelen aan Bergheim conform aangehecht concept Akte van verpanding van aandelen, en (3) als directeur van Vennootschap de verpanding te erkennen.

Ondertekend door [W.E.] op 10 april 2003.

Een geschrift, kennelijk het in het hiervoor opgenomen geschrift bedoelde concept Aandeelhoudersbesluit55. Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Bergheim, handelend als gevolmachtigde van Aandeelhoudster, besluit hierbij toestemming te verlenen aan verpanding door Aandeelhoudster aan Bergheim van de 52 aandelen in Recreatiepark Port Greve BV.

Het concept bevat op beide pagina's een paraaf of ondertekening van [W.E.].

Een geschrift, kennelijk de in de hiervoor weergegeven onherroepelijke volmacht56 bedoelde concept Akte van verpanding van aandelen57. Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Heden ... is voor mij, mr. Jelle ten Have, notaris te Amsterdam, verschenen: (...,) werkzaam bij Lexence, advocaten en notarissen, handelend als gevolmachtigde van:

(1) Aandeelhoudster,

(2) Bergheim en

(3) Recreatiepark Port Greve BV, 'Vennootschap'.

In aanmerking nemend dat Vennootschap uit hoofde van een overeenkomst € 3.857.000 schuldig is aan Bergheim en dat Holding Seaport IJmuiden BV, 'HSY', uit hoofde van een overeenkomst € 6.806.703 schuldig is aan Ballados Investment NV, 'Ballados', en dat Aandeelhoudster met Bergheim is overeengekomen 52 aandelen in Recreatiepark Port Greve BV aan Bergheim te verpanden, vestigt Aandeelhoudster ten behoeve van Bergheim een eerste recht van pand op die aandelen en aanvaardt Bergheim deze inpandgeving, tot zekerheid van de voldoening van hetgeen Bergheim en/of Ballados uit hoofde van voornoemde overeenkomst te vorderen heeft van Vennootschap resp. HSY.

Het concept bevat op alle pagina's een paraaf of ondertekening van [W.E.].

* Er blijken voorts inderdaad aantekeningen door [W.E.] te zijn gemaakt, de zogenoemde dagboekaantekeningen, die op belangrijke punten overeenkomen met wat [W.E.] heeft verklaard. Het hof neemt over de door de rechtbank in haar vonnis aangehaalde pagina's 3, 5, 7 en 15 van de dagboekaantekeningen58.

* Op 9 september 2008 heeft [M.M.]59 het volgende verklaard:

Ik heb vijf jaar (het hof begrijpt: als directiesecretaresse/officemanager) bij [verdachte] gewerkt, van 2000 tot half april 2005.

Ik weet nog dat [verdachte] een tafel had bij het Ronald MacDonaldgala. Hij vroeg of ik mee wilde gaan. Het was volgens mij eind maart of april 2000. Op dat gala had [W.E.] ook een tafel. [verdachte] zei toen tegen mij dat hij absoluut niets meer met hem (het hof begrijpt: [W.E.]) te maken wilde hebben. [verdachte] zei dat hij een verdacht figuur was, die verdacht werd van witwaspraktijken en dergelijke. Hij zei dat hij ooit zaken met hem had gedaan en dat hij zelfs aandelen in Seaport IJmuiden met verlies had verkocht omdat hij niets met hem te maken wilde hebben. Hij wilde verre van hem blijven.

* De politie heeft op 26 mei 2004 met de getuige [J.H.] gesproken en van hem stukken ontvangen. Daarover is het volgende gerelateerd:60

Doel van ons bezoek was om enkele stukken van [J.H.] in ontvangst te nemen die betrekking hebben op betalingen vanuit door [W.E.] bestuurde bedrijven aan bedrijven gerelateerd aan [verdachte]/Ballados.

Wij namen enkele betalingsbewijzen van [J.H.] in ontvangst. Hij zei ons dat hij de betalingen had laten uitvoeren, en dat deze aanvankelijk voor hem begrijpelijk waren, omdat er een schuld van Sea Port Marina BV (het hof begrijpt: HSIJ) aan Ballados open stond van ongeveer fl. 12.000.000,--. [J.H.] zei ons dat het hem was opgevallen dat hij, nadat dat bedrag was betaald, van [W.E.] opdrachten bleef ontvangen om geldbedragen te betalen aan Ballados dan wel aan Ballados gerelateerde bedrijven. [J.H.] zei ons dat [W.E.] tegen hem zei dat hij extra betalingen moest blijven doen aan [verdachte] omdat hij werd afgeperst en dat [W.H.] daar achter zat. Hij had met [A.T.] (het hof begrijpt: [A.T.]) overleg gehad over de vraag op welke wijze de extra betalingen in de boekhouding afgedekt moesten worden.

Als bijlage bij dit proces-verbaal zijn onder meer documenten gevoegd die betrekking hebben op de betalingen 1, 2, 3, 5, 6, 8, 9 en 10.

* De getuige [J.H.] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg op 9 april 201061 onder meer het volgende verklaard:

In maart 2003 ben ik in dienst getreden bij Convoy (het hof begrijpt: bij het concern van [W.E.]). Ik ben gestart als controller. In de loop van 2003 ben ik directeur financiële zaken geworden. Tijdens mijn werkzaamheden kwam ik transacties tegen waarvan ik de grondslag niet wist. Ik zag betalingen zonder titel. Dat ben ik niet gewend. Ik wist niet waarom ze gedaan werden. In augustus 2003 heb ik [W.E.] hierover aangesproken. Hij heeft mij apart genomen en buiten kantoor verteld dat hij werd afgeperst door [W.H.] en dat de betalingen aan Ballados in dat kader geplaatst moesten worden. [W.E.] heeft mij verteld dat het op dat moment nog ging om een bedrag van 30-40 miljoen. Ik kreeg geen specifieke opdrachten van [W.E.]. Ik moest de betalingen alleen in goede banen leiden. Het moest goed in de boeken verwerkt worden, zodat er geen fiscale vragen kwamen.

[A.T.] kende ik uit het verleden. We zijn begonnen met het aflossen van de lening van HSIJ aan Ballados. Ik heb aan het trustkantoor gevraagd of zij hetzelfde bedrag in de boeken van Ballados hadden. De trust vertelde mij de vordering niet te kennen. Daarna nam [A.T.] contact met mij op. Toen ik hoorde dat Ballados de vordering niet kende was het probleem dat er al betaald was.

In de loop van maart tot en met augustus 2003 heb ik me een beeld gevormd van de betalingen zonder grondslag. De omschrijvingen van de betalingen kwamen van [W.E.].

Later dat jaar, aan het einde, is er een afspraak geweest waarbij [W.E.] en [A.T.] aanwezig waren. Dit was op mijn initiatief, omdat ik de afspraken goed wilde verwerken. Deze bijeenkomst was in Hilversum, in de woning van [A.T.]. Het gesprek ging over winstrechten, dat weet ik nog goed. Op enig moment was de lening afgelost en de aankoop van Bayline boekhoudkundig verwerkt. Er was meer betaald en daar moest een titel aan worden gegeven. Dat werd het winstrecht dat in HSIJ aanwezig was. Deze titel werd aangedragen door [W.E.]. Hij pakte een papiertje en schreef daar het bedrag aan winstrecht op waar we op uit moesten komen. Dit was de eerste keer dat ik iets over winstrecht hoorde. Volgens mij heeft [W.E.] mij nooit verteld dat er afspraken waren over het winstrecht. [W.E.] rekende het bedrag voor, hoe je op het totale bedrag zou komen. Ik weet niet meer op hoeveel het winstrecht is vastgesteld. Niet lang daarna gingen we weg. De uitkomst van het overleg was dat er een overeenkomst moest worden opgesteld waarin de winstrechten op een fiscale manier verantwoord werden. Ik heb de overeenkomst nooit onder ogen gehad. Vrij kort hierna is [W.E.] overleden. Het gesprek heeft eind 2003, begin 2004 plaatsgevonden.

Het winstrecht is nooit geactiveerd. Het enige wat in de boeken stond was een schuld aan Ballados.

* [A.T.] is op 9 juni 2004 als verdachte gehoord in het dossier Enclave.62 Deze verklaring maakt deel uit van het dossier tegen de verdachte. [A.T.] heeft toen het volgende verklaard:

In december 2002 ben ik door de heer [verdachte] gevraagd om te adviseren over en te assisteren bij de afwikkeling van de financiële vorderingen in het kader van de ontvlechting die ongeveer in 1999 had plaatsgevonden. [verdachte] (het hof begrijpt hier en in de verdere verklaringen van [A.T.]: de verdachte) en [W.E.] (het hof begrijpt hier en in de verdere verklaringen van [A.T.]: [W.E.]) hadden blijkbaar onderling al overleg gehad over de omvang van de bedragen en de wijze waarop betaald moest worden. Mij is gevraagd dat fiscaal en juridisch te begeleiden.

In de loop van 2003 zijn de nodige zaken in de afspraken tussen partijen gewijzigd. Dit betreft dan de samenstelling van de vordering die uit meerdere elementen was opgebouwd, zoals onder andere commissies. Dat is echter fiscaal niet aantrekkelijk omdat je hier belasting over moet betalen.

Het was mij bekend dat [W.E.] betalingsmoeilijkheden had. Daarover heeft hij mij zelf geïnformeerd. Er waren onvoldoende liquide middelen aanwezig maar wel schuldeisers, onder wie [W.H.]. Hij heeft die naam genoemd. Hij heeft verteld dat hij onder druk stond om te betalen.

* In een derde, op 10 juni 2004 afgelegde, verklaring63 zegt [A.T.] het volgende:

[verdachte] vertelde mij dat de geldelijke transacties reeds met [W.E.] besproken waren en ook de wijze waarop dit diende te worden afgehandeld. Hierbij noemde hij tevens de titels welke aan deze betalingen ten grondslag zouden liggen. Ik heb de heer [verdachte] aangegeven dat ik mij niet kon vinden in al de aangedragen titels vanuit mijn positie als fiscaal adviseur. De titel die ik direct heb afgewezen betrof de aankoop van een telecombuis tussen Schiphol-Rijk en Zandvoort, welke [verdachte] eerst zou verwerven en vervolgens zou doorverkopen aan [W.E.]. Ik overlegde met [verdachte] nog over de titels. Hiermee bedoel ik de redenen van de overeenkomsten.

De titels zijn:

- aflossing vordering Ballados en

- commissies ten gunste van Bergheim.

Hierna heb ik aangegeven dat de voorgestelde commissie betalingen aan Bergheim om fiscale en feitelijke redenen geen goede betalingsreden waren. Feitelijk was dit gebakken lucht, de reden was de afgesproken betalingen. [verdachte] zei dat er sprake was van een totaal aan betalingen die [W.E.] nog verschuldigd was. Dit was in het kader van oude afspraken en deze betalingen moesten nu op korte termijn worden afgehandeld.

Op 10 april 2003 hebben [W.E.] en ik afgesproken bij de notaris. Ik vertegenwoordigde bij de notaris Ballados en Bergheim als adviseur van [verdachte], in opdracht van [verdachte]. De notaris in kwestie was Jelle ten Have. Voor de ondertekening verliet [W.E.] het pand. Hij zei niet bereid te zijn een stuk te ondertekenen met een dergelijke boetebepaling. Bij het vertrek was [W.E.] zeer ontdaan. [W.E.] kwam ongeveer een half uur later weer terug.

* Op 12 juni 2004 verklaart [A.T.]64 (als verdachte, de verklaring maakt deel uit van het dossier tegen de verdachte) nog het volgende:

De afspraken voor de winstverdeling inzake HSIJ zijn gemaakt nadat ik had aangegeven dat ik de commissiebetalingen van Port Greve aan Bergheim niet logisch en uitlegbaar vond. [W.E.] had hiervoor al eens aangegeven dat er ook gesproken kon worden over winstrechten met betrekking tot de aandelenverkoop Ballados en Sea Port IJmuiden. Ik heb nooit stukken/documenten gezien over de verkoopafspraken die [W.E.] en [verdachte] hebben gemaakt ten tijde van de verkoop van de aandelen.

* [A.T.] heeft op 16 december 2008 als verdachte (de verklaring maakt deel uit van het dossier van de verdachte) bij de rechter-commissaris het volgende verklaard:65

In de herfst van 2003 vertelde [W.E.] mij dat hij onder druk stond om anderen te betalen. Later, eind 2003, begreep ik van [J.H.] dat het om [W.H.] en [J.M.] ging.

* [A.T.] heeft voorts als getuige op 2 maart 2009 ten overstaan van de rechter-commissaris66 nog het volgende verklaard:

Na het afblazen van de telecombuis moesten we de betalingen van [W.E.] aan [verdachte] zo fiscaal gunstig mogelijk en binnen de grenzen van de wet verantwoorden. Het resultaat van deze besprekingen is het overzicht gemaakte afspraken.

* Een geschrift met de volgende inhoud (het zogenoemde 'Overzicht gemaakte afspraken'):67

* Op Bayline Ltd. Is een bod gedaan van Dfl. 7 mio. Concept overdrachtsbalans volgt z.s.m. Het is nu nog niet bekend of Bayline als onroerende zaak vennootschap wordt aangemerkt. Om iedere discussie over overdrachtsbelasting te vermijden is het wenselijk geen der nieuwe aandeelhouders meer dan 33 1/3 % te laten houden. Graag ontvang ik een opgaaf wie de nieuwe aandeelhouders worden. In samenhang met de volgende punten wordt echter afgesproken de koopsom te stellen op Dfl. 10 mio. Deze betaling dient zo spoedig mogelijk (direct) overgemaakt te worden aan Ballados (zie hierna). Deze transactie moet voor 1 maart zijn afgewikkeld. Aandelen worden door trust overgedragen aan op te geven aandeelhouders zodra betaling ontvangen is.

* Voor de afkoop van de winstrechten HSY (het hof begrijpt: HSIJ) (...) ontvangt Ballados Dfl. 15 mio direct.

* Voor een bedrag van Dfl. 15 mio wordt pandrecht gevestigd op de aandelen van Recreatiepark Port Greve B.V. en Alrama Zandvoort B.V.. Bevestigd dient te worden dat deze beide vennootschappen aan jou behoren en dat de bezitting betreffen de aandelen in o.a. Fabege Enterprises B.V. Dit pandrecht wordt gevestigd vanwege winstrecht en commissies in verband met de aankoop van de vakantieparken en de verkoop van het WFC. Een nadere overeenkomst wordt hiervoor opgesteld en zal begin maart worden afgestemd. Deze rechten worden verstrekt aan Bergheim S.A. Betaling van dit resterende bedrag dient voor 31 maart 2003 plaats te vinden. Indien dit niet het geval is worden de aandelen verbeurd aan pandnemer. Voorts is bij late betaling de boeterente ad 0,5% verschuldigd zoals eerder overeengekomen met persoonlijke garantie van jou.

* Betaling van de eerste twee bedragen dient direct plaats te vinden aan Ballados: bankrekening nummer[rekeningnummer 887]. Voor Bergheim S.A. volgen nog instructies.

* Bij vragen graag contact opnemen. Het totaalbedrag is iets hoger dan laatst besproken i.v.m. te maken kosten voor structurering en advisering.

Samenvartting:

Dfl. Euro

1. Betaling Bayline 7 3.176.462 (direct)

2. Extra vergoeding Bayline 3 1.361.341 (direct)

3. Winstrecht HSY 15 6.806.703 (direct)

4. Winstrecht etc. WFC 15 6.806.703 (voor 31 maart

2003)

* [A.T.] heeft als getuige ter zitting in eerste aanleg van 9 april 2010 het volgende verklaard:68

Het 'overzicht gemaakte afspraken' (Enclave 2 391 [het hof begrijpt: Enclave 3 961]) is door mij opgesteld. Dit overzicht is het resultaat van een aantal zaken die [W.E.] mij had verteld toen de telecombuistransactie geen doorgang kon vinden. [W.E.] heeft vervolgens een aantal zaken aangedragen waarbij wel gelden aan [verdachte] konden worden betaald. Hij heeft onder meer de commissie en de zaken in het overzicht aangedragen.

Het overzicht is gemaakt op basis van wat beide partijen mij hebben verteld. De zaken werden primair door [W.E.] aangedragen en dat heb ik geprobeerd schriftelijk vast te leggen.

* [A.T.] heeft als getuige ter zitting in hoger beroep van 5 september 2011 nog het volgende verklaard:69

Er zijn vanaf december 2002 door [W.E.] betalingen verricht aan de verdachte. Ik heb een reeks betalingen gezien over de periode van één jaar, waarvan de bedragen niet bij transacties aansloten. Ik wist dat er een totaalsom was overgemaakt. Onderdeel van dit bedrag zou, in overleg met de verdachte en [J.H.], de koopprijs van Bayline zijn. Ik heb zelf nooit de aansluiting kunnen maken. Vanaf het begin van 2003 zijn wij er van uitgegaan dat de eerste betalingen van [W.E.] betrekking hadden op het aflossen van de lening van HSIJ. [J.H.] heeft mij op een gegeven moment een overzicht van de betalingen laten zien. Naar aanleiding van het overzicht van [J.H.] is vastgesteld dat er voldoende was betaald voor de overdracht van de aandelen Bayline.

Ik kreeg begin 2000 de instructie dat de aandelen van Bayline overgedragen zouden worden aan [W.E.]. Amicorp zou aan de verdachte vragen of hij de overdracht kon bevestigen. Dit heeft de verdachte ook gedaan. Voor mij was duidelijk dat Bayline was overgedragen aan [W.E.]. Hij heeft daar ook wat handelingen mee verricht. Achteraf heeft hij verklaard dat hij niet de eigenaar was. Als je puur kijkt naar de certificaten en het aandeelhoudersregister is juridisch de conclusie dat de vennootschap was overgedragen aan [W.E.].

Ik wist dat [W.E.] en de verdachte hun belangen wilden splitsen. Ik ben er daarom voor mezelf van uit gegaan dat die overdracht van vennootschappen in 2000 daar deel van uitmaakte. Omdat ik niet geïnformeerd was over betalingen, ging ik er van uit dat Bayline, Leopard en Xenia deel uitmaakten van een transactie met gesloten beurs. Ik heb later van de verdachte begrepen dat afspraken niet waren nagekomen en dat Bayline nog steeds zijn eigendom was. Het is mij niet bekend wat die afspraken inhielden. Ik weet niet of de koopsom van 7 miljoen gulden al in 1999 is afgesproken. In december 2002 is mij meegedeeld dat de koopsom van Bayline 7 miljoen gulden bedroeg.

* Ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 april 201070 heeft de verdachte verklaard:

Ik heb aan [W.E.] gevraagd om een verklaring op te laten maken dat hij geen aandeelhouder van Xenia en Bayline is geweest. Dat heeft hij gedaan.

* Ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 april 201071 heeft de verdachte verklaard:

U vraagt mij wat ik wist van de grootte en het moment van de 10 betalingen die op het overzicht staan. Ik heb met [W.E.] besproken wat hij over zou maken. Het ging mij om het totaalbedrag. Op een papiertje hield ik bij wat er binnen kwam. Ik heb geen idee waar de omschrijving 'Flamingo' op slaat.

* Ter terechtzitting in eerste aanleg van 12 april 201072 heeft de verdachte ten slotte verklaard:

[W.H.] heb ik twee keer bij [W.E.] thuis gezien.

Het hof acht, op grond van al het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat [W.E.] door [W.H.] is afgeperst. Het neemt hierbij over hetgeen de rechtbank heeft overwogen ter zake van de omstandigheid dat het hier gaat om een getuige die zelf niet meer onderworpen kan worden aan onderzoek omtrent wat hij heeft verklaard, te weten de volgende passages73:

"4.1 Bruikbaarheid bewijsmiddelen

(..) Allereerst stelt de verdediging dat [W.E.] als de belangrijkste getuige en de enige leverancier van direct bewijs tegen verdachte nooit door de verdediging bevraagd is kunnen worden. Dit behoeft op grond van Europese jurisprudentie inhoudelijke compensatie, hetgeen volgens de verdediging niet meer mogelijk is.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Vastgesteld moet worden dat de verdediging niet op enig moment in de gelegenheid is geweest om [W.E.] te ondervragen, nu hij op 17 mei 2004 van het leven is beroofd. Dit maakt dat stevige eisen moeten worden gesteld aan de kwaliteit van andere bewijsmiddelen die steun moeten bieden aan belastende informatie die in de schriftelijke weergave van de zogenoemde "achterbankgesprekken" en in de zogenoemde "dagboekaantekeningen" is neergelegd.

Om van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) te kunnen spreken, dient de rechtbank vervolgens te beoordelen of er voldoende compenserende maatregelen zijn getroffen om de verdediging in staat te stellen de verklaringen van [W.E.] inhoudelijk te betwisten. De rechtbank is van oordeel dat aan de verdediging in het licht van artikel 6 van het EVRM voldoende compensatiemogelijkheden zijn geboden. Er is een aanzienlijk aantal getuigen gehoord, de verdediging heeft de gelegenheid gekregen de "achterbankgesprekken" te beluisteren en naar aanleiding daarvan verbeteringen in de transcripties te doen aanbrengen en vele andere door de verdediging naar voren gebrachte onderzoekswensen zijn eveneens toegewezen.

(..)

De rechtbank overweegt met betrekking tot de bewijswaarde van de "achterbankgesprekken" nog het volgende. Vooropgesteld wordt dat de achterbankgesprekken bewijstechnisch gezien te gelden hebben als schriftelijke bescheiden in de zin van artikel 344, eerste lid, onder 5, van het Wetboek van Strafvordering en derhalve alleen gebezigd kunnen worden voor het bewijs in samenhang met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Wat betreft de betrouwbaarheid van de schriftelijke weergave van de achterbankgesprekken overweegt de rechtbank dat hiervan met behoedzaamheid gebruik gemaakt dient te worden. Deze gesprekken tussen [W.E.] en CIE-medewerkers zijn nimmer bedoeld als verklaringen die in een strafrechtelijke procedure een rol zouden moeten spelen. [W.E.] is in deze gesprekken niet altijd specifiek en lijkt soms bewust het geven van antwoorden te vermijden. De rechtbank sluit zeker niet uit dat [W.E.] niet altijd de waarheid sprak. De rechtbank ziet onder ogen dat [W.E.] verdachte is geweest van meerdere strafbare feiten en ook van misdrijf afkomstige geldbedragen heeft aangenomen van personen uit het criminele circuit. Dit laat evenwel onverlet dat diverse uitlatingen van [W.E.] controleerbaar juist zijn gebleken. (..)

De verdediging heeft nog aangevoerd dat het de waarheidsvinding niet ten goede is gekomen dat de dagboekaantekeningen van [W.E.] door de familie [W.E.] niet integraal aan justitie zijn verstrekt.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. De enkele omstandigheid dat niet alle aantekeningen aan justitie ter beschikking zijn gesteld, staat op zichzelf niet aan de betrouwbaarheid van de aantekeningen in de weg. Niet ter discussie staat immers dat de aantekeningen door [W.E.] zijn gemaakt. Ook voor de dagboekaantekeningen van [W.E.] heeft te gelden dat de rechtbank hiervan behoedzaam gebruik dient te maken en dat deze slechts voor het bewijs gebezigd kunnen worden in samenhang met de inhoud van andere bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt voorts dat de dagboekaantekeningen niet uitblinken in duidelijkheid en berusten op een door [W.E.] op een later tijdstip gemaakte reconstructie van het 'echte' dagboek, dat op enig moment in het ongerede is geraakt. Niettemin kan worden vastgesteld dat deze aantekeningen op een aanzienlijk aantal punten bevestiging vinden in concrete gebeurtenissen, documenten (onder meer bankafschriften) en getuigenverklaringen. De dagboekaantekeningen zijn - onder de geschetste voorwaarden - wel degelijk bruikbaar voor het bewijs."

Met betrekking tot de vraag of de documenten al dan niet integraal aan de justitie zijn verstrekt voegt het hof hier het volgende aan toe.

* Met betrekking tot deze vraag is in hoger beroep onder anderen door de raadsheer-commissaris [D.P.]74 gehoord. [D.P.] heeft verklaard:

[H.E.] kon het dagboek niet meer vinden op de plek waar het opgeborgen was en daarom is er op allerlei andere plekken gezocht waar stukken door [W.E.] werden bewaard, die niet voor anderen bestemd waren. Samen met [A.E.] [W.E.] heb ik een aantal papieren gevonden in de garage aan de Minervalaan te Amsterdam. Dit was een stapeltje dat met een binder aan elkaar was gehecht.

Kort nadat wij deze stukken gevonden hadden, vertelde [A.E.] mij dat hij gebeld was door [E.D.], die in Breda stukken gevonden had. [A.E.] heeft die stukken opgehaald.

[H.E.], [A.E.] en ik zijn in het kantoor van [W.E.] bij elkaar geweest. Wij hebben de stukken bekeken en gekopieerd. De stukken die in Breda zijn gevonden en de stukken die in Amsterdam zijn gevonden, zijn bij elkaar gevoegd. Ik denk dat elk van de stapeltjes een dikte had van 1 centimeter. Als u mij de stukken laat zien in het dossier op de pagina's 2 0704 tot en met 2 716, zeg ik u dat ik deze stukken herken. Ik weet niet meer of dit de stukken uit de garage of uit Breda zijn. Er was meer dan dat u mij nu laat zien. Ik herken het handschrift van Wim [W.E.].

Ik herinner mij dat de stukken betrekking hadden op geldbedragen en transacties.

De advocaat-generaal laat mij nu een stapel stukken zien uit het Kolbakdossier (D5-15 t/m 131). Dit lijkt meer op het stapeltje papier dat wij gekopieerd hebben en dat naar de politie moest dan de 18 pagina's die u mij eerder liet zien. Ik meen mij te herinneren dat dit de stapel is die naar de politie moest. Ik zie dat de 18 pagina's die u mij eerder liet zien, deel uit maken van deze stapel. Ik herinner mij inderdaad dat er onder andere stukken van een notaris bij zaten.

Het hof constateert dat de hiervoor bedoelde door de advocaat-generaal aan de getuige getoonde stukken uit het Kolbakdossier door de Criminele Inlichtingen Eenheid aan het onderzoeksteam ter beschikking zijn gesteld75 en dat als bijlage zijn gevoegd de pagina's D5-15 t/m D5-131, waaronder de eerdergenoemde 'dagboekaantekeningen' en voorts kopieën van overzichten, brieven, aktes, overeenkomsten en andere stukken.

Gelet op deze verklaring is het hof van oordeel dat er geen grond is voor de stelling van de verdediging dat de 'dagboekaantekeningen' niet integraal aan de justitie zijn verstrekt.

Ten aanzien van de geloofwaardigheid van hetgeen [W.E.] in woord en in geschrift heeft gezegd over de afpersing overweegt het hof nog het volgende.

[W.E.] heeft - volgens de desbetreffende notaris "zeer geëmotioneerd" - zich tot een notaris gewend om een verklaring af te leggen, inhoudend beschuldigingen aan het adres van anderen, met de uitdrukkelijke stipulatie dat die verklaring alleen aan de politie openbaar mocht worden gemaakt in het geval dat betrokkene zou worden geliquideerd. Het valt moeilijk aan te nemen dat een in dergelijke omstandigheden afgelegde verklaring volledig uit de lucht zou zijn gegrepen. Deze zou immers alleen enig effect kunnen sorteren in het geval dat [W.E.] daadwerkelijk zou worden geliquideerd. Het feit dat [W.E.] kort nadien is geliquideerd verleent daarmee op zich al - bij het ontbreken van enig aanknopingspunt voor de gedachte dat [W.E.] zich met die verklaring op onschuldigen zou willen wreken, anders dan de enkele omstandigheid dat [W.E.] wel eens met de term "schijtnicht" aan de verdachte schijnt te hebben gerefereerd, hetgeen voor een dergelijke verstrekkende conclusie niet voldoende is - geloofwaardigheid daaraan.

Daarbij komt dat het hof constateert dat hetgeen [W.E.] heeft verklaard - op zichzelf gedetailleerd en consistent, in alle van hem afkomstige bronnen - zozeer op essentiële details wordt ondersteund door andere, niet rechtstreeks op [W.E.] te herleiden bewijsmiddelen, dat uitgegaan mag worden van de juistheid van wat [W.E.] op dit punt heeft gezegd.

Het hof acht ook bewezen dat de tien in de tenlastelegging genoemde betalingen zijn verricht in het kader van die afpersing. Het hof baseert zich daarbij op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen en voegt daar nog de volgende overwegingen aan toe.

Het hof maakt uit de hiervoor weergegeven dagboekaantekeningen het volgende op, daarbij grotendeels doch niet geheel aansluitend bij hetgeen de rechtbank op dit punt heeft overwogen en geconcludeerd.76

In de aantekeningen worden bedragen en data genoemd, die in belangrijke mate, en wat de vermeldingen op pagina 15 van de hiervoor weergegeven dagboekaantekeningen betreft, vrijwel geheel, aansluiten bij de door de verdachte ontvangen betalingen.

Zo begrijpt het hof dat op pagina 3 van de dagboekaantekeningen een overzicht van het totaalbedrag dat [W.E.] gedwongen zou moeten betalen, is vermeld, te weten 49.500 (het hof begrijpt: fl. 49,5 miljoen). Het staatje lijkt voorts aan te geven wat er al betaald is en wat er nog open staat: 23.500 (het hof begrijpt: fl. 23,5 miljoen).

Het hof leest dat er onder de noemer 'Bayline' een bedrag van 10.000 (het hof begrijpt: fl. 10 miljoen) door [W.E.] is betaald en dat dit afgetrokken wordt van hetgeen aan [W.H.] (het hof begrijpt: [W.H.]) betaald moet worden.

Dit bedrag sluit aan bij het door [A.T.] opgestelde 'Overzicht gemaakte afspraken', dat als eerste afspraak de betaling van fl. 10 miljoen in verband met de koop door [W.E.] van Bayline omschrijft.

Op deze pagina van de dagboekaantekeningen noteert [W.E.] eveneens dat hij voor 1 april (het hof begrijpt: 2003) dient te betalen, omdat verdachte anders alles (de aandelen Port Greve) afneemt voor W.H. (het hof begrijpt: [W.H.]).

Op pagina 5 van de dagboekaantekeningen schrijft [W.E.] over een BV die de verdachte heeft teruggenomen. Dit sluit aan bij de hiervoor opgenomen verklaring van [A.T.] ("Voor mij was duidelijk dat Bayline was overgedragen aan [W.E.]. Hij heeft daar ook wat handelingen mee verricht. Achteraf heeft hij verklaard dat hij niet de eigenaar was. Als je puur kijkt naar de certificaten en het aandeelhoudersregister is juridisch de conclusie dat de vennootschap was overgedragen aan [W.E.].") en anderzijds bij de eveneens hiervoor opgenomen verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 april 2010 ("Ik heb aan [W.E.] gevraagd om een verklaring op te laten maken dat hij geen aandeelhouder van Xenia en Bayline is geweest. Dat heeft hij gedaan.")

Op pagina 7 van de dagboekaantekeningen schrijft [W.E.] met betrekking tot 22 juni (het hof begrijpt: 2003): "Ik moet naar de Japaner in IJmuiden. Marcel belde. W.H. zal daar zijn en hij is boos want hij wil geld zien van W.F.C. Staat in Frankfurt van Port Greve en moet ik overmaken, naar een [T] dat schijnt rekening te zijn van [verdachte]! Hij wil nog 10 mio Euro. Ik kan er maar 3 betalen en restant als boot verkocht wordt 4,5. Ontmoeting met Marcel bij Shell Station IJmuiden om 9 uur komt W. Holle daar. Ik kreeg brief met vragen over dat geld maar ik had geen €10 mio overgemaakt maar slechts € 2.800 naar Ballados (het hof begrijpt hier en verder: Ballados Investment N.V.)."

Uit het overzicht van de door [W.E.] gedane en door de verdachte (middellijk) ontvangen bedragen van hiervoor blijkt dat er een betalingsopdracht is van 24 juni 2003 op naam van Recreatiepark Port Greve BV, waarbij € 2.800.00 wordt overgemaakt naar de zogenoemde [T]rekening van de verdachte bij de UBS bank.77

Het hof leidt hier, met de rechtbank, uit af dat [W.H.] op de hoogte was van een privébankrekening van de verdachte en zijn betalingen op die rekening wenste te ontvangen. Dat de verdediging kennelijk begrijpt78 en blijft begrijpen79 dat de rechtbank hier concludeert dat [W.E.] in juni 2003 voor het eerst van [W.H.] zou hebben gehoord dat de verdachte de zogenaamde [T]-rekening had, berust op een onjuiste lezing van de desbetreffende overweging van de rechtbank.

Pagina 15 van de dagboekaantekeningen is weliswaar niet volledig te doorgronden, maar bevat wel een overzicht van betalingen die gelijk zijn aan de hiervoor genoemde betalingen die [W.E.] aan de verdachte heeft gedaan.

De 1e en de 2e betaling vormen samen een bedrag van (afgerond) fl. 10 miljoen, het bedrag dat bovenaan de pagina wordt genoemd. Na 28-2 wordt een bedrag vermeld dat gelijk is aan de 3e betaling, € 3.400.000 op naam van Ballados. Na 2-4 wordt een bedrag vermeld van € 900.000, met vermelding Balla, hetgeen overeenkomt met de 5e betaling op de rekening van Ballados.

Na 13-3 staat een bedrag van € 1.500.000 [T] opgenomen en dat komt overeen met de 4e betaling op de zogenoemde [T]rekening.

Na 26-5 staat een bedrag vermeld van € 1.500.000 -&gt; Akragon. Dit is identiek aan de 7e betaling, afkomstig van de derdengeldrekening van Loyens&Loeff, vrijkomend uit een transactie met betrekking tot de Akragontoren.

Onder deze regel staat een bedrag vermeld van € 450.000 Bank Ballados 21-4-2003. Het hof ziet hierin de 6e betaling vermeld.

De regel hieronder noemt een bedrag van 2800,- [T] 26-6. Het hof is van oordeel dat hier moet worden gelezen € 2.800.000 en dat [W.E.] hiermee de 8e betaling verwoordt, gestort op de [T]rekening.

Nagenoeg onderaan staat een bedrag vermeld van € 400.000,-- Ballados +/- 25 juli. Dit ziet naar het oordeel van het hof op de 9e betaling.

Hoewel de tiende betaling niet in de dagboekaantekeningen voorkomt, noch anderszins door [W.E.] genoemd wordt, merkt het hof in navolging van de rechtbank ook deze betaling als afgedwongen betaling aan, nu deze betaling blijkens de verklaring van de verdachte samenhangt met de overige betalingen en deel uitmaakt van het totaalbedrag dat [W.E.] aan de verdachte moest betalen80.

Het hof acht deze aantekeningen, bezien in het licht van de overige bewijsmiddelen, voldoende duidelijk om deze conclusies te kunnen trekken. Dat andere aantekeningen niet, in ieder geval niet direct, in het licht van dit dossier te begrijpen zijn, maakt dat niet anders. Anders dan de verdediging ziet het hof voorts niet in dat het enkele feit dat op pagina 18 van de dagboekaantekeningen een optelling van bedragen die niet met deze zaak in verband zijn te brengen kennelijk eveneens leidt tot een totaal bedrag van € 49.500.00 voor de verdachte ontlastend zou zijn. Voor een dergelijke conclusie geven noch het dossier, noch de aantekeningen op zichzelf, aanleiding.

Voorts geldt dat uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat er sprake is geweest van willekeurige betalingen van aanzienlijke bedragen, die door [W.E.] op zijn betalingsopdrachten niet of van een vage omschrijving werden voorzien. Dit is een hoogst ongebruikelijke handelwijze voor een schuldenaar die er toch belang bij heeft om aan te kunnen tonen welke schulden hij heeft voldaan. Dit geldt eens te meer als daarbij fiscale overwegingen een rol spelen. Ook aan de ontvangende kant blijkt niemand in staat te zijn te zeggen op welke verplichtingen de individuele betalingen betrekking hebben. Het hof trekt hieruit de conclusie dat dit ook niet de bedoeling is geweest, aangezien het om wit te wassen criminele betalingen ging.

De verdediging heeft op dit punt nog aangevoerd dat geen conclusies kunnen worden verbonden aan het soort omschrijving dat [W.E.] aan zijn betalingsopdrachten gaf zolang niet duidelijk is in hoeverre [W.E.] gewoon was om bij betalingen aan vaste zakenpartners vage of ontbrekende omschrijvingen te vermelden. De verdediging ziet er daarbij echter aan voorbij dat hier juist geen sprake meer was van vaste zakenpartners, maar van twee mensen die volgens de verdachte hun zakelijke belangen enige jaren daarvoor bewust hadden gescheiden en behoudens deze betalingen zakelijk niets meer met elkaar te maken hadden. In die situatie liggen vage of ontbrekende omschrijvingen bij betalingen, wanneer die dan na enige jaren eindelijk worden gedaan, niet voor de hand.

De verdediging heeft getracht het bewijs van afgedwongen betalingen ten bate van [W.H.] te ontkrachten en heeft daartoe veel werk gemaakt van het, met name ook boekhoudkundig, uiteenzetten hoe de betalingen aan de hand van bestaande verplichtingen van [W.E.] jegens [verdachte] kunnen worden uitgelegd.

Een en ander heeft het hof echter niet overtuigd.

Indien hier sprake was geweest van reguliere betalingen in het economisch verkeer, en wel tot een totaal van ruim 17 miljoen euro, had verwacht mogen worden dat er onderliggende stukken zouden zijn, daterend uit de periode waarin de afspraken waarop deze betalingen zouden zijn terug te leiden zijn gemaakt, te weten 1998/1999, waaruit verschuldigdheid en prestatie duidelijk naar voren komen, en waarbij een duidelijke en directe relatie is te leggen met de verrichte betalingen. Direct valt dan op dat anders dan de notariële akte van 31 december 199981 (inhoudend de overdracht van de aandelen HSIJ van de aan de verdachte toebehorende onderneming Ballados aan Marpollo) en de daarop volgende overdracht van die aandelen nooit enig schriftelijk stuk naar voren is gekomen waarin de afspraken die de verdachte stelt in 1998 of 1999 met [W.E.] te hebben gemaakt, en op welke afspraken alle betalingen terug te voeren zouden zijn, zijn opgeschreven, hoewel de verdachte verklaart dat een dergelijk stuk er wel is geweest. Uiteraard kunnen stukken zoek raken. Onverklaarbaar vindt het hof echter, dat de verdachte, toen [A.T.] opdracht kreeg deze betalingen in goede banen te leiden, niet de beschikking heeft gekregen over dit stuk, waarbij de verdachte zelfs heeft verklaard (ter terechtzitting in eerste aanleg van 12 april 2010, als hiervoor weergegeven) dat verstrekking van het toen kennelijk nog wel voorhanden zijnde stuk aan [A.T.] niet aan de orde was. Tevens is onaannemelijk dat de verdachte niet meer zou weten of dit stuk in het ongerede is geraakt of dat hij het heeft weggegooid. Het hof gelooft derhalve niet dat dit stuk ooit heeft bestaan en dat de gestelde afspraken destijds zijn gemaakt.

De verdediging heeft er op gewezen dat [A.T.] ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat het in het door hem opgestelde 'overzicht gemaakte afspraken' genoemde winstrecht al sinds 1999 bestond en dat zowel de verdachte als [W.E.] hem dat hebben verteld. Het hof kan echter geen voor de verdachte ontlastende betekenis aan deze mededeling hechten. Enerzijds is de bron van die informatie de verdachte, die er belang bij had om te versluieren waarop de betalingen echt betrekking hadden en daartoe nu juist [A.T.] had aangezocht. Anderzijds is het [W.E.], die in die periode, zo blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen, actief deelnam aan de pogingen plausibele verklaringen te vinden voor de betalingen en daartoe ook ideeën aandroeg. Het hof acht een en ander daarom onvoldoende om aan te nemen dat er in 1999 al afspraken waren gemaakt over bedoeld winstrecht, al kon dat achteraf gezien wel als plausibel worden geconstrueerd.

Verder komt uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen duidelijk het volgende beeld naar voren: er zijn betalingen gedaan die boekhoudkundig niet zijn thuis te brengen, maar die aan beide zijden, zowel bij de betaler als bij de betaalde, wel boekhoudkundig moesten worden verwerkt, en wel aldus dat een en ander geen vragen zou oproepen bij een eventuele controle. Daartoe moesten onderliggende verplichtingen aangedragen of gezocht worden, daar is het nodige overleg voor nodig geweest en zelfs speciaal iemand voor aan het werk gezet, namelijk [A.T.]. Sommige "kandidaat-verplichtingen" zijn hangende het proces afgevallen. Deze hele gang van zaken past bij het zonder argwaan te wekken in de boekhouding verstoppen van criminele betalingen, en niet bij het voldoen van reguliere betalingen in het economisch verkeer. Dat de achteraf gevonden betalingstitels op grond van de zakelijke verhoudingen in 1998/1999 tussen de verdachte en [W.E.], ook boekhoudkundig, nog wel in meer of mindere mate aannemelijk zijn te maken, doet aan het voorgaande niet af. Een noodzaak tot het alsnog toegang verlenen van de verdediging tot de gedigitaliseerde administratie van [W.E.] doet zich op dit punt dan ook niet voor.

Overigens blijft wat het hof betreft overeind dat in ieder geval aan de betalingstitels Bayline en de winstrechten HSIJ de nodige gebreken kleven. Zo lijkt toch duidelijk te zijn dat Bayline in 2000 aan [W.E.] is overgedragen, gelet ook op de hiervoor aangehaalde verklaring ter terechtzitting in hoger beroep van 5 september 2011 van [A.T.] op dit punt en erkent de verdachte dat hij in 2002 [W.E.] heeft gevraagd te verklaren dat deze geen aandeelhouder van Xenia en Bayline is geweest. Evenzeer blijft overeind dat in de hiervoor genoemde notariële akte van 31 december 1999 is uitgesloten dat er nog aanspraak zou kunnen worden gemaakt op enige winstuitkering. Hoe dat ook zij, een en ander is niet relevant nu het hof bewezen acht dat er van achteraf geconstrueerde dan wel erbij gezochte betalingstitels sprake is die onder de 10 betalingen zijn geschoven, en dat deze 10 betalingen niet zijn terug te voeren op in 1998/1999 gemaakte afspraken.

De verdediging heeft er in dit verband nog op gewezen dat de verdachte juist in de periode dat [A.T.] met zijn opdracht voor de verdachte doende was, wel aan de als getuigen gehoorde [R.H.] en [J.S.] - en in mindere mate aan de getuige [E.W.] - precies uiteengezet zou hebben welke financiële verplichtingen [W.E.] nog jegens hem zou hebben. Het hof kan aan deze getuigenverklaringen geen geloof hechten, omdat wat zij verklaren, gelet juist op wat hiervoor is overwogen, niet aannemelijk is. Het hof acht het bovendien niet geloofwaardig dat de getuigen [J.S.] en [R.H.], gehoord in 2010, op dat moment nog in zoveel detail als waarin zij hebben verklaard zouden weten wat de verdachte hun in 2000/2001 dan wel 2002 zou hebben verteld over zijn zakelijke bemoeienissen met [W.E.]. Daar komt bij dat bijvoorbeeld de getuige [M.M.] - wier verklaring niet door de verdachte is betwist - op dit punt weer heel anders heeft verklaard, zoals hiervoor is weergegeven. Laatstgenoemde verklaring bevat overigens nog wel een mogelijke verklaring voor het feit dat er inderdaad in de zakelijke verhoudingen tussen de verdachte en [W.E.] zoals die in 1998/1999 waren, achteraf bezien nog wel financiële verschuldigdheden van [W.E.] jegens de verdachte bedacht konden worden.

De verdediging heeft ter ondersteuning van haar standpunt dat er wel sprake was van reeds langer bestaande betalingsverplichtingen van [W.E.] jegens de verdachte nog een beroep gedaan op de verklaring die door de getuige [F.J.] in hoger beroep is afgelegd ten overstaan van de raadsheer-commissaris.82 Bij die gelegenheid heeft [F.J.] onder meer het volgende verklaard:

U vraagt mij van welke kunstwerken ik zelf wetenschap en herinnering heb dat [verdachte] die in zijn bezit heeft gehad. Dat hij de Monet heeft gekocht, weet ik zeker. Ik weet niet meer welke Monet het was. Dat [verdachte] een Botero had, heb ik in 1989 of 1990 van hem gehoord. Ik weet ook dat hij een Chagall had. Dat heeft hij mij verteld. Ik heb de Botero en de Chagall niet gezien.

Ik heb (..) (hof: de mij destijds verhorende politie-ambtenaar) (..) gevraagd om in mijn verklaring ook op te nemen wat ik over [W.E.] zei. Dat weigerde hij. (..)

U vraagt mij wat ik dan had willen zeggen over [W.E.]. Ik ben er tussen 1995 en, dat zal dan 2004 geweest zijn als u zegt dat [W.E.] in 2004 is vermoord, ik dacht dat het eerder was, meermalen geweest. Hij heeft een keer of drie tegen mij gezegd: "Ga jij nog steeds om met die nicht?" Ik zei dan steeds: "Als je [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) bedoelt, die heb ik gisteren nog gezien." En dan begon hij te zeuren over dat hij [verdachte] nog geld schuldig was in verband met IJmuiden. Dit was in de laatste twee tot drie jaar voor zijn dood en met name in het laatste half jaar voor zijn dood en dat is een keer of twee, drie gebeurd.

Op enig moment zijn de verhoudingen tussen [verdachte] en mij bekoeld. Ik was er niet blij mee dat hij buiten mij om dingen verkocht. Ik heb hem gevraagd: "Ga je verkopen?" Toen zei hij: "Ja, maar dat is toch te groot voor jou." Toen heb ik het kasteel verlaten en hebben wij in mijn beleving zo'n anderhalf jaar geen contact meer gehad. Dit is eind jaren negentig geweest. De raadsman houdt mij voor dat [verdachte] eerst in 2000 op Kasteel Bolenstein is gaan wonen. Dan moet het in het kantoor van Mediamax zijn geweest. U vraagt mij of ik zeker weet of dat eind jaren negentig was. Nee, dat weet ik niet zeker.

Het ging niet alleen om het verkopen van de Botero. U vraagt mij hoe ik dan weet dat er meer is verkocht dan de Botero, zoals ik nu zeg. Dat weet ik niet. Dat denk ik achteraf, op grond van het bedrag dat met de verkoop gemoeid was. 8,5 miljoen is veel te veel voor één Botero. Over wát hij heeft verkocht, heeft hij mij niets gezegd, hij keek wel uit.

Ik heb twee tot drie weken geleden voor het laatst contact gehad met [verdachte]. Hij belt af en toe. Hij komt dan een kop koffie drinken. Wij spreken dan over de rechtszaken, maar ook over andere dingen. Hij wist mij, voordat ik de oproep voor mijn getuigenverhoor ontving, te vertellen wanneer mijn verhoor zou plaatsvinden.

Ik heb later van [verdachte] gehoord wat hij nog meer had verkocht. Dat was toen dat bedrag van 8,5 miljoen werd genoemd. Ik dacht trouwens dat het om 18 miljoen ging. Dat heb ik van [verdachte] gehoord, naar aanleiding van de strafzaak in eerste aanleg.

Ik had in de aankoop door [verdachte] van kunst bij Royal Fine Arts en galerie K geen enkele rol maar ik wees hem wel op interessante werken. Ik heb niet iets tastbaars gezien van die aankoop. Ik ben voor een groot deel afgegaan op wat [verdachte] mij heeft verteld.

U wijst mij erop dat [verdachte] pas in 2000 op Bolenstein is gaan wonen, dat ik alleen daar zou hebben getaxeerd en dat ik heb verklaard dat mijn eerste taxatie in 1997/1998 is geweest. Het zal dan inderdaad zo zijn geweest dat die eerste taxatie niet op Bolenstein is geweest. Die taxatie zal ik dan gedaan hebben op grond van mijn archief en andere informatie.

U raadpleegt uw aantekeningen en mr. De Bree en mr. Posthumus ook. Daaruit concludeert u dat ik zowel heb gezegd dat ik weet dat [verdachte] in 1989/1990 met een Botero bezig is geweest als dat ik weet dat hij die in 1989/1990 had gekocht. U vraagt mij welke van de twee mededelingen nou klopt. Ik weet het niet meer.

Uit de hiervoor aangehaalde verklaring concludeert het hof dat deze getuige enerzijds de neiging heeft zijn eigen conclusies en wat hij van anderen heeft gehoord als feiten te presenteren en anderzijds geen duidelijk beeld lijkt te hebben van waar en wanneer bepaalde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Voorts is duidelijk dat de getuige en de verdachte regelmatig contact hebben gehad en de inhoud van de beschuldigingen jegens de verdachte hebben besproken. Dit heeft tot gevolg dat het hof de juistheid van de mededelingen van deze getuige in twijfel trekt en daar geen voor de verdachte ontlastende betekenis aan kan hechten.

De verdediging ziet er voorts aan voorbij, waar zij de omstandigheid dat verschillende getuigen hebben verklaard dat [W.E.] de verdachte tot vlak voor zijn dood om leningen vroeg als ontlastend opvoert, dat een dergelijk gegeven juist heel goed past bij de situatie dat de betalingen die [W.E.] aan de verdachte deed (uiteindelijk) niet voor de verdachte bestemd waren, maar voor [W.H.]. Dat de pogingen van [W.E.] om in zijn (betalings)nood op alle mogelijke manieren aan geld te komen om aan de eisen van [W.H.] te voldoen tevens het vragen van leningen aan degene aan wie hij zijn betalingen aan [W.H.] moest doen omvatten, acht het hof geenszins onaannemelijk.

De verdediging heeft zich er op beroepen dat er nog een scenario op grond van het dossier mogelijk is, dat niet in strijd is met de in het geval van een bewezenverklaring te bezigen bewijsmiddelen, maar wel met een bewezenverklaring. Uitgaande van afpersing door [W.H.] van [W.E.], zou op grond van de inhoud van het dossier zeer wel betoogd kunnen worden dat [W.H.] liever zou zien dat [W.E.] zijn spaarzame liquiditeiten aan de verdachte zou betalen dan aan een concurrent-crimineel van [W.H.], aan wie [W.E.] ook geld verschuldigd was. Het zou dan vervolgens in de rede liggen dat daarna de verdachte afgeperst zou worden, zodat [W.H.] zijn geld alsnog binnen zou krijgen. Een en ander zou verklaren waarom [W.E.] zou hebben gedacht dat de verdachte van de afpersing wist en waarom het openbaar ministerie geen contacten tussen [W.H.] en de verdachte in de jaren 2002 tot 2004 heeft kunnen vaststellen.

Het hof verwerpt dit verweer. Het acht niet aannemelijk dat [W.H.] of welke afperser dan ook iemands leven en dat van zijn familie op uiterst serieuze wijze zou bedreigen om ervoor te zorgen dat betrokkene zijn reguliere schulden zou voldoen. Evenmin valt in te zien dat een dergelijke merkwaardige handelwijze, waarmee dan toch aanzienlijke tijd en moeite zouden zijn gemoeid, mogelijk zou moeten maken dat de afperser dan vervolgens opnieuw tijd en moeite moet gaan steken in een tweede afpersing, namelijk die van de inmiddels betaalde reguliere schuldeiser. Dit alles, terwijl de mogelijkheid ook open had gestaan om de schuldenaar er toe te dwingen de betalingen direct ten gunste van de afperser te doen. Dat alleen via die omslachtige methode zou kunnen worden voorkomen dat eerst een concurrent-afperser zou worden betaald, ziet het hof niet in.

Het vorenstaande brengt het hof tot de conclusie dat de verdachte willens en wetens door [W.E.] betaalde geldbedragen die door [W.H.] ten behoeve van zichzelf waren afgedwongen, heeft verworven en voorhanden heeft gehad en dat aldus gezegd kan worden dat hij dit verwerven en voorhanden hebben tezamen en in vereniging met [W.H.] heeft gedaan. Doordat verdachte dit feit gedurende een lange periode en door middel van diverse transacties heeft begaan, acht het hof in navolging van de rechtbank bewezen dat sprake is van (het medeplegen van) gewoontewitwassen.

De verdediging heeft een beroep op de nietigheid van de dagvaarding gedaan in het geval dat het hof tot het oordeel zou komen dat het onderliggende misdrijf niet afpersing door [W.H.] zou zijn maar wel zou veroordelen voor witwassen. Nu deze situatie zich niet voordoet, behoeft dit beroep geen verdere bespreking.

De verdediging heeft verder betoogd dat de verklaring van de getuige [advocaat Z] niet voor het bewijs kan en mag worden gebezigd, nu de verdediging nooit in de gelegenheid is geweest deze getuige te ondervragen en zijn verklaring wordt betwist.

Voor de getuige [advocaat Z], die is overleden, geldt mutatis mutandis hetzelfde als hiervoor met betrekking tot de eveneens overleden [W.E.] is overwogen. Het hof erkent en onderkent dat de omstandigheid dat niet één, maar twee belastende getuigen niet meer ondervraagd kunnen worden, een serieuze hindernis is voor de verdediging. Niettemin is het hof van oordeel dat de verdediging hiervoor toch voldoende is gecompenseerd doordat zowel rechtbank als hof in ruime mate tegemoet zijn gekomen aan de onderzoekswensen van de verdediging ten aanzien van de overige inhoud van het dossier. Om het pleidooi in hoger beroep op dit punt aan te halen:

De bak met getuigenbewijs is in dit dossier enorm. Te hooi en te gras zijn getuigen

gehoord en herhoord. Lappen tekst zijn aan de woordelijke uitwerking van het gezegde gewijd, verhoorverslagen soms belopend tot meer dan 80 pagina's.

Tevens is het hof van oordeel dat er voldoende overig bewijsmateriaal hiervoor is aangehaald, dat - los van de van [W.E.] afkomstige verklaringen - de verklaring van de getuige [advocaat Z] op esssentiële punten ondersteunt. Er is geen sprake van een situatie waarin de verdachte wordt veroordeeld op niets meer dan de verklaringen van twee overleden belastende getuigen. Gelet op het vorenstaande acht het hof het gerechtvaardigd ook de verklaring van de getuige [advocaat Z] voor het bewijs te gebruiken.

De verdediging heeft betoogd, zo begrijpt het hof, dat het hof op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, slechts tot één van de volgende vier conclusies kan komen:

I. de vennootschappen en lening waren niets waard op grond waarvan de betaling in 2002 en 2003 als witwassen van afpersingsbedragen moet worden beschouwd;

II. de vennootschappen en lening vertegenwoordigden wel een waarde maar daarvoor was reeds eerder betaald of verrekend met andere transacties;

III. de vennootschappen en lening vertegenwoordigden wel een waarde maar de verdachte zou [W.E.] dat voordeel aanvankelijk hebben geschonken om daarna de transacties terug te draaien en onder druk van afpersing het daadwerkelijk verschuldigde te incasseren;

IV. de vennootschappen en lening vertegenwoordigden wel een waarde. De betalingen in 2002 en 2003 hadden een reëel karakter, er is geen sprake van witwassen door afpersing.

De verdediging heeft hieraan toegevoegd dat een bewezenverklaring waarbij in het midden wordt gelaten van welke van de vorenstaande varianten sprake zou zijn, onvoldoende en onbegrijpelijk zou zijn gemotiveerd.

Het hof volgt de verdediging hierin niet. In vorenstaand door de verdediging kennelijk als dwingend beschouwd beslisschema is namelijk geen rekening gehouden met de gang van zaken die het hof bewezen acht en waarin er sprake is van afgedwongen betalingen waarvoor in de zakelijke verhoudingen van destijds tussen de verdachte en [W.E.] een plausibele betalingsgrond is gezocht en in meer of mindere mate is gevonden. Deze gang van zaken wordt, als eerder overwogen, gesteund door de gebezigde bewijsmiddelen en daarop rust de bewezenverklaring.

De verdediging heeft de geloofwaardigheid van de getuigen [H.E.], [A.T.] en [J.H.] betwist.

Nu de verklaringen van [H.E.] niet voor het bewijs worden gebezigd, behoeft de geloofwaardigheid van deze getuige geen bespreking door het hof.

De verklaring van getuige [A.T.] zou op onderdelen aantoonbaar onjuist zijn, omdat hij heeft verklaard dat hij pas in april 2003 van de winstrechten HSIJ zou hebben gehoord. Uit het feit dat het 'Overzicht gemaakte afspraken' in februari 2003 door hem is opgesteld, blijkt echter dat hij daarvan in ieder geval toen al op de hoogte was.

Het hof constateert dat [A.T.] ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 april 2010 het volgende ter zake van het 'Overzicht gemaakte afspraken' heeft gezegd:

Het overzicht gemaakte afspraken is gemaakt op basis van wat beide partijen mij hebben verteld. De zaken werden primair door [W.E.] aangedragen en dat heb ik geprobeerd schriftelijk vast te leggen. (..) Nadat de telecombuistransactie niet doorging, gingen de contacten over de nieuwe afspraken. (..) U vraagt mij wanneer in de tijd u die overzicht moet situeren. Het moet gedateerd worden tussen het niet doorgaan van de telecombuis, de eerste week van februari, en de ondertekening van het document. Het moet dus de tweede of derde week van februari 2003 zijn gemaakt.

Tegenover de recherche heeft [A.T.] eerder het volgende op dit punt verklaard:83

(Over het 'Overzicht gemaakte afspraken'): Dit is een stuk dat ik heb opgemaakt naar aanleiding van de, ik denk eerste gesprekken in december 2002 c.q. begin 2003 over de informatie die ik had gekregen over de titels die aan de orde zouden zijn. Even kijken hoor, dit gaat over Bayline. Nee, dit moet later zijn geweest. Dit moet zijn geweest nadat ik heb gezegd van de titels ten aanzien van de kabel en de commissiebetalingen. Toen is er overleg geweest, op welke manier kan er dan wel voldaan worden aan het verzoek om te kijken van nou er moeten betalingen plaatsvinden. Waarschijnlijk ergens in februari 2003 is dit verder uitgekristallisseerd in deze afspraken.

Uit het vorenstaande maakt het hof op dat niet zeker is wanneer het 'Overzicht gemaakte afspraken' is opgemaakt: dat dit in februari 2003 is geweest is een reconstructie achteraf. Gelet op deze onduidelijkheid is naar het oordeel van het hof te verklaren dat [A.T.] eveneens heeft verklaard dat de winstrechten HSIJ pas later in het jaar aan de orde zijn gekomen. Kennelijk staat een en ander hem in de tijd niet helder meer voor ogen. Onbetrouwbaar maakt dat deze getuige in de ogen van het hof niet. Wel dient met behoedzaamheid omgegaan te worden met wat hij op deze punten verklaard voor zover het erom gaat wanneer een en ander gesitueerd moet worden. Het hof heeft hiermee bij het selecteren van de bewijsmiddelen dan ook rekening gehouden.

De getuige [J.H.] zou op onderdelen aantoonbaar onjuist hebben verklaard, overigens niet moedwillig. Zo heeft hij volgens de verdediging aantoonbaar onjuist verklaard door te zeggen dat het winstrecht HSIJ pas in najaar 2003 werd aangedragen door [W.E.], terwijl eerdergenoemd 'Overzicht gemaakte afspraken' al in februari 2003 is opgesteld. Voorts zou hij ten onrechte hebben verklaard dat Bayline een lege huls was.

Verder zou hij veelvuldig in zijn verhoren zelf conclusies trekken en maar fragmentarisch geïnformeerd zijn, waardoor zijn verklaringen een wankel houvast bieden. Hij lijkt zich in zijn verdenkingen ten onrechte enkel te richten op de aan de verdachte gedane betalingen. De verdediging betwist met name, zo begrijpt het hof, de door deze getuige gedane beschuldigingen aan het adres van de verdachte.

Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de hiervoor weergegeven passages uit de verklaringen van [J.H.]. [J.H.] vertelt daarin voornamelijk feitelijke waarnemingen, door hemzelf gedaan, dan wel wat [W.E.] hem heeft meegedeeld. Van aantoonbare onjuistheden of conclusies die als feiten worden gepresenteerd is in deze passages geen sprake. Dat de getuige fragmentarisch geïnformeerd zou zijn, doet voorts niet af aan zijn geloofwaardigheid wanneer hij verklaart over datgene wat als zodanig aan hem zou zijn meegedeeld of wat hij zelf heeft waargenomen. Het leidt uiteraard wel tot behoedzaamheid bij de beoordeling van de vraag in hoeverre zijn verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Zo gebruikt het hof de verklaring van [J.H.] dat Bayline een lege huls zou zijn, niet voor het bewijs. Wat betreft de kwestie van wanneer nu de winstrechten HSIJ punt van bespreking zijn geworden, verwijst het hof naar wat het hiervoor ten aanzien van de getuige [A.T.] op dit punt heeft verklaard. Daarbij komt dan nog dat [J.H.] eerst in maart 2003 in dienst is getreden bij Convoy/[W.E.], en mede daardoor ten opzichte van [W.E.], de verdachte en [A.T.] een informatie-achterstand kan hebben gehad. Het hof ziet, gelet op het vorenoverwogene, geen aanleiding de verklaringen van [J.H.], voor zover voor het bewijs gebezigd, buiten beschouwing te laten.

Voor zover de verdediging met de opmerkingen "dat een zekere kongsie tussen de getuigen aannemelijk is geworden" en "dat verscheidene getuigen er welhaast een taak van hebben te lijken gemaakt om zich met elkaar te verstaan"84 heeft bedoeld het in eerste aanleg gevoerde verweer te handhaven dat door contaminatie van getuigen de waarheidsvinding negatief is beïnvloed, neemt het hof de hierna volgende overwegingen van de rechtbank over:

"De rechtbank acht deze mogelijke contaminatie echter onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat daardoor de waarheidsvinding zodanig ernstig is geschaad dat getuigenverklaringen van het bewijs uitgesloten zouden dienen te worden. De geschetste situatie noopt de rechtbank wel de verschillende verklaringen van iedere getuige onderling en met elkaar te vergelijken en te beoordelen op betrouwbaarheid, een taak waarvoor de rechtbank zich overigens altijd gesteld ziet."

en maakt deze tot de zijne.

Ten overvloede merkt het hof nog op dat geen verklaringen van de getuigen ten aanzien van wie de verdediging het bestaan van enige kongsi ervaart - de verdediging noemt [H.E.], [advocaat K], en [J.T.] - voor het bewijs zijn gebezigd.

De verdediging heeft nog verzocht om inzage in het dossier met betrekking tot de moord op [W.E.], het zogenaamde Enclave NN-dossier, thans om het onbreken van contacten tussen [W.H.] en [verdachte] verder aannemelijk te maken.

Een verzoek tot inzage c.q voeging van die stukken in het dossier van de onderhavige zaak is eerder gedaan bij gelegenheid van de regiezitting en op 10 juni 2011 door het hof afgewezen.

Voor zover de verdediging meent dat het hof daarmee niet heeft beslist op het (subsidiaire) verzoek tot inzage van dat dossier herhaalt het hof hier de op 10 juni 2011 gehanteerde overweging tot afwijzing van het verzoek tot voeging in verband met het verzoek tot inzage:

dat het verzoek tot het voegen van de stukken uit het onderzoek Enclave NN in het onderhavige dossier wordt afgewezen nu dit naar het oordeel van het hof redelijkerwijs niet van belang is voor de verdediging. Enerzijds gaat het bij Enclave NN om een nog lopend onderzoek, anderzijds heeft het openbaar ministerie meegedeeld - en deze mededeling is niet door de verdediging betwist - dat alle voor dit onderzoek van belang zijnde stukken met betrekking tot de in de tenlastelegging betrokken titels en betalingen uit Enclave NN zich al in het dossier bevinden;

en overweegt thans aanvullend dat na "verzoek tot het voegen van de stukken uit het onderzoek Enclave" gelezen dient te worden: "dan wel inzage in die stukken,".

Met betrekking tot het bij pleidooi eveneens gedane verzoek tot inzage in bedoeld dossier om het onbreken van contacten tussen [W.H.] en [verdachte] verder aannemelijk te maken overweegt het hof als volgt.

Het hof ziet geen noodzaak om in dat verband (de verdediging) inzage te laten nemen in het Enclave NN-dossier omdat de verdediging niet heeft onderbouwd op welke wijze inzage zou kunnen leiden tot het door de verdediging gewenste doel: iets vinden dat er niet zou zijn. In het licht van de hiervoor reeds in het kader van de financiële administratie van [W.E.] uit het Enclave NN-dossier gememoreerde mededeling van het openbaar ministerie over de wijze waarop tussen de verschillende onderzoeksteams contacten hebben bestaan en dat gedegen onderzoek heeft plaatsgehad naar alles dat - belastend en ontlastend - zou kunnen zijn, is onvoldoende gebleken dat aan die mededeling twijfel zou moeten bestaan.

De verdediging wenst voorts kennis te nemen van de digitaal beschikbare administratie van [W.E.], zoals deze kennelijk ter beschikking van justitie is. Het hof verwijst op dit punt naar hetgeen het elders in dit arrest overweegt en beslist ten aanzien van het verzoek tot voeging van het dossier Enclave NN in het dossier van de verdachte dan wel het verlenen van inzage in het dossier Enclave NN aan de verdediging.

De verdediging heeft bij pleidooi verzocht de getuigen [W], [B], [S] en [H] alsnog te doen horen in het geval het hof van oordeel zou zijn dat het overeengekomen zijn van een vergoeding van [W.E.] aan de verdachte in verband met de bouw van extra woningen bij de jachthaven te IJmuiden een irreële aangelegenheid zou zijn. Nu het hof een dergelijk standpunt niet inneemt, behoeft dit verzoek geen beslissing.

De verdediging heeft tevens bij pleidooi verzocht deskundigen te doen horen in het geval het hof waarde (het hof begrijpt: bewijswaarde) zou toekennen aan het op verzoek van het openbaar ministerie opgestelde deskundigenbericht van 10 juli 2009. Tevens heeft de verdediging bij pleidooi voorgesteld een door haar genoemde deskundige te benoemen als het hof behoefte mocht hebben aan nadere voorlichting over de uitleg en de reikwijdte van de witwasbepalingen naar aanleiding van het betoog van de door het openbaar ministerie aangezochte deskundige.

Nu een en ander niet het geval is - nog daargelaten dat tot de kerntaken van de rechter de uitleg en vaststelling van de reikwijdte van wettelijke bepalingen behoort - behoeft dit verzoek geen verdere bespreking.

Redengevende feiten en omstandigheden en bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2

Het hof komt op grond van de navolgende bewijsmiddelen tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit,waarbij het hof - nu de verdachte een bekennende verklaring als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft afgelegd - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

* de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2011:85

Het klopt dat iemand van mijn kantoor met het Escrow Agreement van 6 april 2000 naar mij toe is gekomen en dat ik dit vervolgens heb ondertekend. De enige handtekening die niet vervalst is, is de mijne. Die heb ik op het kantoor in Maarssen gezet. Ik zou geen 20 miljoen (het hof begrijpt: 20 miljoen euro, omgerekend naar guldens een bedrag van ongeveer 44.000.000,--) cash krijgen in verband met Mediamax. Een medewerker van kantoor kwam met het initiatief om een escrow agreement valselijk op te maken. Voor zover ik weet is deze escrow agreement door deze persoon opgesteld.

Ik wilde de kredietaanvraag sneller laten verlopen door inbreng van het escrow agreement. Het ging om een kredietaanvraag van 1,5 miljoen euro;

* een schriftelijk bescheid zijnde een Escrow Agreement gedateerd 6 april 2000 (Enclave 2 5264-5268, map 16);

* een schriftelijk bescheid, te weten de Nederlandse vertaling van het Escrow Agreement gedateerd 6 april 2000 (Enclave 2 5281-5285, map 16);

* een schriftelijk bescheid, te weten een Basic document for Account/Custody Account van UBS voor de rekening met nummer 206.[rekeningnummer 502] op naam van [verdachte], gedateerd 11 december 2002 (Enclave 2 5406 - 5408, map 16);

* een schriftelijk bescheid, te weten een Verification of the beneficial owner´s identity van UBS voor de rekening met nummer 206.[rekeningnummer 502] op naam van [verdachte], gedateerd 11 december 2002 met bijlagen (Enclave 2 5410 -5412, map 16);

* een schriftelijk bescheid, te weten de vertaling in het Nederlands van de schriftelijke beantwoording van vragen door UBS d.d. 16 januari 2006 in het kader van het rechtshulpverzoek van Nederland aan Zwitserland (Enclave 2 5469 - 5470, map 16);

* een proces-verbaal van verhoor van [F.K.] door de verbalisanten [verbalisant V] en [verbalisant H] (Enclave 2 5389 - 5392, map 16).

Voor zover in de schriftelijke beantwoording van vragen door UBS d.d. 16 januari 2006 als rekeningnummer 206.866.502 is vermeld, gaat het hof ervan uit dat dit een kennelijke verschrijving betreft en dat bedoeld wordt het rekeningnummer 206.[rekeningnummer 502]. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Redengevende feiten en omstandigheden en bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3

Het hof komt tot bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

* Merwede Monumenten B.V. was in het tenlastegelegde tijdvak een 100 procent dochteronderneming van [bedrijf 9]86. [bedrijf 9] was op haar beurt een 100 procent deelneming van Armario NV (hierna: Armario).87 De verdachte was "beneficial owner", eigenaar van alle aandelen in Armario.88

De Merwede vennootschappen waren gevestigd aan de Bolensteinseweg 3[adres B] waar de verdachte in die periode kantoor hield.89

* De verdachte is naar eigen zeggen de beneficial owner van Cantor Holding BV, door middel van een holding waarvan Cantor een dochter is. Hij heeft verklaard de feitelijke leiding en de zeggenschap binnen Cantor te hebben en de grote lijnen te bepalen.90 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bevestigd dat hij de feitelijk leidinggever is van Cantor.91

* Het dossier bevat een - onder de verdachte - inbeslaggenomen 'Escrow Agreement' (overeenkomst inzake een zekerheidsstelling) gedateerd en ondertekend te Amsterdam op 6 april 2000.92

* In deze overeenkomst is opgenomen dat Cantor Holding BV te Amsterdam als verkopende partij (hierna: Cantor) en TDI Holding Limited te London als kopende partij ('purchaser', hierna ook: TDI) op 13 januari 2000 een overeenkomst zijn aangegaan tot (ver)koop van het aandelenkapitaal van Mediamax Group BV. In het escrow agreement is bepaald - zakelijk weergegeven - dat bij deze verkoop een deel van de koopsom, groot NLG 75.000.000,-- op een zogenoemde 'Escrowrekening' zal worden gestort, te weten de bankrekening bij de Union Bank of Switzerland A.G. (hierna: UBS) met rekeningnummer [rekeningnummer 502] op naam van Cantor. UBS is de in de overeenkomst genoemde 'Escrow Agent'.

Indien TDI geen beroep zal doen op de door Cantor verstrekte garanties bij de verkoop, zal het bedrag van 75 miljoen gulden in zes jaarlijkse termijnen in de periode van 5 mei 2001 tot en met 5 februari 2006 - de laatste drie termijnen, van elk NLG 14.700.000,--, op respectievelijk 5 februari 2004, 5 februari 2005 en 5 februari 2006 - aan Cantor worden uitgekeerd op bankrekeningnummer 206-886503 ten name van Cantor Holding BV.93

* De rekening met nummer [rekeningnummer 502] is op 11 december 2002 door de verdachte als privé persoon aangevraagd bij UBS, gebruikmakend van een (kopie van zijn) paspoort afgegeven op 10 mei 2000.94 Op 13 december 2002 heeft [A.H.] van UBS een brief aan de verdachte gestuurd waarin de toekenning van een rekening met nummer 0206-[rekeningnummer 502] bij UBS aan de verdachte wordt doorgegeven.95

* Op 3 december 2003 heeft de verdachte in het kader van een te verstrekken financiering door de SNS Bank een faxbericht gestuurd aan [P.P.] van de SNS-bank waarbij (kopieën van) het escrow agreement en de bijbehorende letter of undertaking zijn meegezonden.96

* Op 12 december 2003 verleent de SNS Bank aan Merwede Group BV en Merwede Monumenten BV een krediet van € 1.500.000,-- met een looptijd tot 1 maart 2004. De verdachte heeft deze overeenkomst voor hoofdelijke aansprakelijkheid getekend op 12 december 2003 te Maarssen.97

* Bij brief van 25 maart 2004 heeft [S.L.] namens SNS Bank het volgende meegedeeld aan Merwede Group B.V. en Merwede Monumenten B.V., t.a.v. de heer [verdachte]:

Op grond van het bepaalde in onze kredietovereenkomst d.d. 12 december 2003 is uw krediet in rekening courant groot € 1.500.000,- per 1 maart j.l. komen te vervallen.

Uw rekening courant vertoont sinds die datum derhalve een ongeoorloofde debetstand, per heden groot € 1.499.997,63.

Wij verzoeken u per omgaande voor aanzuivering van deze overstand zorg te dragen.98

* [F.K.], van medio 1999 tot 31 december 2003 algemeen directeur van TDI Nederland en als zodanig betrokken bij de overname van Mediamax door TDI, heeft verklaard dat TDI Holding Limited in het jaar 2000 Mediamax heeft overgenomen van de verdachte en dat de koopprijs in één keer volledig is overgemaakt, zonder voorbehoud. Het escrow agreement herkent hij niet. Op de vraag van wie de handtekening op pagina 5 van het agreement is, bij het woord 'purchaser', antwoordt de getuige dat het om een nagemaakte handtekening moet gaan, dat deze op twee punten niet overeenkomt met de zijne en dat het zeer zeker zijn handtekening niet is.99

* Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat de koopprijs voor Mediamax van TDI Holding Limited in één keer is ontvangen, op of omstreeks 17 april 2000.100

* [S.L.] heeft als getuige ter terechtzitting in hoger beroep op 8 september 2011 het volgende verklaard: 101

Omstreeks 2003 was ik als accountmanager bij de SNS bank verantwoordelijk voor het onderhouden van contacten met zakelijke relaties. Een van die relaties was de Merwedegroep. Merwede was een cliënt van onze bank. Ik onderhield persoonlijk contact met de verdachte.

Mij wordt voorgehouden een brief van 12 december 2003 (vindplaats: Enclave, rubriek 2, pagina 5362). Ik kan mij de kredietfaciliteit van 1,5 miljoen euro herinneren. De verdachte had om een kortlopend krediet verzocht. Ik heb dit verzoek samen met mijn leidinggevende en een analist, door ons voorzien van een toelichting, voorgelegd aan de kredietcommissie. Mijn leidinggevende was [naam]. Een leidinggevende was niet bij elke klant betrokken, maar wel bij grote, complexe klanten. Bij de onderhavige kredietaanvraag hebben wij geen zekerheden gevraagd anders dan de hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte in persoon. Voor het verlenen van het krediet waren nog twee andere zaken van belang. Ik heb het dan over het Escrow Agreement en de jaarcijfers van de betrokken vennootschappen, de Merwede Group en Merwede Monumenten. Zonder het Escrow Agreement was het krediet niet verstrekt. De bank wilde voldoende zekerheid hebben dat het krediet kon worden afgelost. Uit het Escrow Agreement bleek dat er nog geldbedragen zouden worden ontvangen vanwege de eerdere verkoop van een onderneming. Dit was voor de bank voldoende onderbouwing dat daadwerkelijk afgelost kon worden. Het privé vermogen van de verdachte was daartoe een onvoldoende onderbouwing, omdat daaruit niet kan blijken of op korte termijn kan worden afgelost.

U vraagt mij of het in staat zijn om de lening op tijd af te lossen van belang was bij de goedkeuring van een kredietaanvraag. Ja, met name dat was van belang.

Het is juist dat het Escrow Agreement in dit geval als conditio sine qua non gold.

Ik heb niet specifiek naar een Escrow Agreement gevraagd aan de verdachte. Ik heb wel naar bewijs van cash flow, naar afbetalingscapaciteit gevraagd. Er moest meer onderbouwing komen van de terugbetalingscapaciteit. Deze kredietaanvraag was al eerder intern behandeld en werd toen afgewezen. Ik heb een en ander teruggekoppeld aan de verdachte en hem om een nadere onderbouwing gevraagd van te verwachten geldstromen.

* P.A. [naam] heeft als getuige ter terechtzitting in hoger beroep op 8 september 2011 het volgende verklaard:102

In 2003 was ik directeur bij het Amsterdamse kantoor van de SNS bank. Ik was ook verantwoordelijk voor onder andere het account van de verdachte. Mij wordt voorgehouden een faxbericht, inhoudende een aanbiedingsbrief en een kopie van het Escrow Agreement (vindplaats: Enclave, rubriek 2, pagina 5353 e.v.).

Ik weet dat wij een verzoek kregen van de verdachte voor een tijdelijke faciliteit van 1,5 miljoen euro. De verdachte heeft daarvoor enkele stukken aangeleverd aan de bank, waaronder het Escrow Agreement. Wij wilden stukken ter onderbouwing van het vermogen om terug te betalen. Jaarcijfers zeggen iets over de solvabiliteit, privé commitment biedt zekerheid en bijvoorbeeld een escrow agreement is nodig om de liquiditeit op termijn aan te tonen. Met het escrow agreement gaf de aanvrager dus aan dat hij over een aantal maanden over voldoende liquide middelen beschikte om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen. Dat was een cruciale voorwaarde voor kredietverstrekking. Ik heb deze op een gegeven moment van de verdachte ontvangen. Ik kan wel verklaren dat de kredietaanvraag zonder overlegging van dit Escrow Agreement niet zou zijn verstrekt. De verdachte had op dat moment liquiditeitszwakte, dus moest hij het bestaan van liquiditeit op termijn aantonen. Dit toonde hij aan met het Escrow Agreement.

Het krediet was niet verstrekt als het Escrow Agreement niet was overgelegd. Ik wilde cash flow zien.

* Ter terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2011 heeft de verdachte het volgende verklaard:103

Het klopt dat iemand van mijn kantoor met het Escrow Agreement van 6 april 2000 naar mij toe is gekomen en dat ik dit vervolgens heb ondertekend. De enige handtekening die niet vervalst is, is de mijne. Die heb ik op het kantoor in Maarssen gezet. Ik zou geen 20 miljoen (het hof begrijpt: 20 miljoen euro, omgerekend naar guldens een bedrag van ongeveer 44.000.000,--) cash krijgen in verband met Mediamax. Een medewerker van kantoor kwam met het initiatief om een escrow agreement valselijk op te maken. Voor zover ik weet is dit escrow agreement door deze persoon opgesteld.

Ik wilde de kredietaanvraag sneller laten verlopen door inbreng van het escrow agreement. Het ging om een kredietaanvraag van 1,5 miljoen euro. Er is niet voor een hypothecaire zekerheid gekozen omdat er destijds waarschijnlijk geen pand voorhanden was waarop dit gevestigd kon worden.

De verdediging heeft ter discussie gesteld of bewezen verklaard kan worden dat de verdachte met het toezenden van het escrow agreement aan de SNS bank het oogmerk had om zich wederrechtelijk te bevoordelen. De verdachte beschikte in privé immers over voldoende vermogen en solvabiliteit en ook de bank maakte zich geen zorgen over de kredietwaardigheid. De bank had bovendien een pandrecht op de vordering kunnen bedingen.

De enige bedoeling van de verdachte was het proces dat tot kredietverlening moest leiden te versnellen of te versoepelen.

Nu er twijfel is of voor de verdachte objectief voorzienbaar was dat liquiditeit door de bank zo belangrijk werd gevonden dat de kredietverstrekking daarop kon afstuiten, nadien de onderhavige lening nog twee maal over is gesloten en de lening inclusief verschuldigde rente uiteindelijk is terugbetaald, dient vrijspraak, althans strafvermindering te volgen, aldus de raadslieden.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Zoals blijkt uit de bewijsmiddelen met betrekking tot de vennootschappen van de verdachte is de verdachte de eigenaar van Armario. Het moet er voor worden gehouden dat hij in die hoedanigheid de financieel belanghebbende bij die vennootschap en haar 100 procent dochters was, zo ook met betrekking tot Merwede Monumenten BV en Merwede Group BV en dat hij een doorslaggevende invloed had op de beslissingen binnen die vennootschappen. Een en ander wordt bevestigd door de verklaring van [S.L.] die de verdachte zag als de verpersoonlijking van de onderhavige Merwede vennootschappen en de ter attentie van de verdachte verzonden brieven aan die vennootschappen.

Uit de verklaringen van de getuigen [naam] en [S.L.] wordt ondubbelzinnig duidelijk dat de bank aanvankelijk geen krediet wilde verlenen aan (de vennootschappen van) de verdachte omdat er sprake was van liquiditeitszwakte; solvabiliteit en voldoende vermogen konden dat niet compenseren. De bank heeft daarom aan de verdachte medegedeeld dat zonder aanvullende zekerheid geen krediet mogelijk was.

Dit laatste weerspreekt de stelling van de verdediging dat het de verdachte niet duidelijk was dat voor de bank liquiditeit cruciaal was.

Kennelijk - zo blijkt uit de verklaring van de verdachte - was het hem of zijn vennootschappen niet mogelijk zekerheden in een andere vorm, bijvoorbeeld door middel van een hypotheek, te verschaffen en is om toch snel krediet te kunnen krijgen bewust gekozen voor het valse escrow agreement.

Daarmee is het opzet van de verdachte op zijn handelen gegeven. Dat de verdachte, zoals door de verdediging is gesteld, niet begreep of inzag wat er verkeerd was aan zijn handelen en zich er klaarblijkelijk, in ieder geval destijds, niet van bewust was dat hij verkeerd of strafbaar handelde, doet daaraan niet af. Boos opzet is immers niet vereist.

Dat de bank geen pandrecht op de vordering heeft bedongen, doet niet ter zake. Gelet op het vertrouwen dat de bank had in de verdachte, die zich borg stelde voor de aan Merwede Monumenten BV te verstrekken lening, en de door het agreement voorgespiegelde cash flow, is dat alleszins begrijpelijk.

Nu vast staat dat aan verdachtes vennootschappen Merwede Group BV en Merwede Monumenten BV de kredietfaciliteit is verstrekt en daaruit geld is opgenomen, dat zonder het door de verdachte aan de bank verstrekte agreement niet zou zijn verstrekt, is er sprake van oplichting van de bank.

Dat door of vanwege de verdachte het opgenomen bedrag van de lening uiteindelijk aan de bank is terugbetaald, kan er niet aan afdoen dat het krediet is verkregen door het bewust daartoe gebruikmaken van een valse overeenkomst.

Het verweer dat vrijspraak moet volgen wordt dan ook verworpen.

Wat betreft de subsidiair bepleite strafvermindering verwijst het hof naar hetgeen het in de motivering van de op te leggen straf daartoe overweegt.

Redengevende feiten en omstandigheden en bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 4

De tenlastelegging houdt - kort gezegd - in dat de verdachte aandelen in Exploitatiemaatschappij 't Gooier Hoofd BV (hierna: 't Gooier Hoofd) met van misdrijf afkomstige geldbedragen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en zich aldus schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

Het gaat daarbij om twee betalingen:

- een bedrag van 5,95 miljoen gulden, dat afkomstig is uit een contante storting van 8,5 miljoen gulden op de rekening van een vennootschap van de verdachte;

- een bedrag van 2,9 miljoen gulden, dat afkomstig is uit een overboeking van 3 miljoen gulden van een Liechtensteinse rekening op naam van Royal Credit Trust naar een rekening op naam van Ballados Investment NV (hierna: Ballados).

Volgens het openbaar ministerie zijn de aandelen 't Gooier Hoofd (gedeeltelijk) met deze geldbedragen verworven en kan het niet anders dan dat beide geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. Deze geldbedragen zouden het totale bedrag waarmee de aandelen 't Gooier Hoofd zijn verworven, hebben 'besmet'.

Door de verdediging is in hoger beroep - kort gezegd - het volgende bepleit:

a. niet kan worden gesteld dat de verdachte de aandelen 't Gooier Hoofd voorhanden heeft gehad. Dit kan alleen gesteld worden ten aanzien van Merwede Horeca B.V., nu zij in juridische zin de eigenaresse is van die aandelen. Reeds daarom dient vrijspraak te volgen;

b. niet bewezen kan worden dat voornoemde geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. De verdachte dient te worden vrijgesproken;

c. indien wel bewezen wordt geacht dat de geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn, kan niet worden gezegd dat die geldbedragen het gehele vermogen waar zij deel van uitmaakten, hebben besmet, gelet op de verhouding tussen het totale bedrag dat met de aankoop gemoeid was en dat deel daarvan dat van misdrijf afkomstig zou zijn. Ook dan dient vrijspraak van de verdachte te volgen;

d. als er al sprake is van witwassen, hebben de daaraan ten grondslag liggende handelingen zich afgespeeld vóórdat witwassen strafbaar werd gesteld. Veroordeling leidt in dat geval tot schending van het verbod van terugwerkende kracht en ook dan dient vrijspraak te volgen.

Op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep stelt het hof de hierna volgende redengevende feiten en omstandigheden vast.

* De vennootschap 't Gooier Hoofd is eigenaar van het hotelcomplex New Port te Huizen (ook wel Newport genoemd). Deze vennootschap heeft tevens een 100% deelneming in New Port BV, waarin de exploitatie van het hotel is ondergebracht.104

* De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg het volgende verklaard:

Ik ben bij de onderhandelingen omtrent de verwerving van de aandelen 't Gooier Hoofd BV betrokken geweest. In 't Gooier Hoofd zit een hotel te Huizen. Ik begreep dat het hotel te koop was. Vervolgens ben ik in onderhandeling gegaan met de eigenaren Fruytier en Taphoorn. Dit heeft geleid tot overname van de aandelen voor 4,5 miljoen gulden. Daarnaast diende ik de aandeelhouders af te lossen voor een bedrag van ongeveer 5 miljoen (het hof begrijpt: 5 miljoen gulden). Ten slotte heb ik nog een lening van ongeveer 15 miljoen (het hof begrijpt: 15 miljoen gulden) overgenomen. In 't Gooier Hoofd zat Newport BV en een belang in het hotel. Ik heb zowel het vastgoed als de exploitatie overgenomen. Merwede Horeca (het hof begrijpt: Merwede Horeca BV) heeft de aandelen 't Gooier Hoofd dus voor een kleine 25 miljoen gulden verworven. Ik ben nog steeds aandeelhouder.105

* Blijkens een notariële akte van levering heeft Merwede Horeca BV (hierna: Merwede

Horeca) de aandelen 't Gooier Hoofd op 13 augustus 1998 verworven.106

* Merwede Horeca is een 100 procent dochteronderneming van Merwede Beheer BV.107 Beide vennootschappen waren gevestigd te Maarssen108. Merwede Beheer BV is op haar beurt een 100 procent deelneming van Armario NV (hierna: Armario).109 De verdachte is "beneficial owner", eigenaar van alle aandelen in Armario.110

Heeft de verdachte de aandelen 't Gooier Hoofd verworven en/of voorhanden gehad?

Het hof is van oordeel dat de verdachte, als uiteindelijk beneficial owner van de hiervoor beschreven vennootschapsstructuur die (telkens) uit 100% deelnemingen bestaat, in strafrechtelijke zin kan worden aangemerkt als verwerver en houder van de aandelen, nu hij geacht moet worden, gelet op die vennootschapsstructuur, een doorslaggevende invloed op de beslissingen binnen die vennootschappen te hebben kunnen uitoefenen. Dat dat in de praktijk ook het geval was en dat hij dit ook zelf zo zag, blijkt uit zijn hiervoor weergegeven verklaring. Dat de aandelen niet op zijn naam stonden doet aan het voorgaande niet af.

Zijn de geldbedragen van 5,95 miljoen en 2,9 miljoen gulden deel gaan uitmaken van het saldo op de rekening waarmee de aandelen 't Gooier Hoofd zijn gekocht?

De volgende vraag waarover het hof zich dient te buigen is of de aandelen 't Gooier Hoofd (deels) zijn verworven met de geldbedragen van 5,95 miljoen en 2,9 miljoen gulden. Het hof oordeelt dat dit het geval is op grond van de navolgende redengevende feiten en omstandigheden.

* Op 29 mei 1998 werd bij de American Express Bank in Luxemburg een bedrag van 8,5 miljoen gulden in contanten gestort en (na aftrek van kosten) geboekt111 op een rekening ten name van Bayline International Ltd (hierna: Bayline) die ter beschikking van de verdachte stond.112

* De verdachte heeft bevestigd dat hij het bedrag heeft laten storten op de rekening van Bayline.113

* Vóórdat het bedrag van 8,5 miljoen gulden werd gestort, was het rekeningsaldo nihil en daarna vonden er geen nieuwe stortingen meer plaats van of naar deze rekening, met uitzondering van een aantal zeer korte termijndeposito's.114 Vervolgens werden vanaf de rekening van Bayline drie bedragen van in totaal 5,95 miljoen gulden overgemaakt naar een rekening ten name van Kauri Holdings NV (hierna: Kauri). Het betreft de volgende bedragen:115

- ƒ 1.000.000,00 op 30 juni 1998 met omschrijving 'TRFT KAURI';

- ƒ 750.000,00 op 10 juli 1998 met omschrijving 'TRF KAURI HOLD';

- ƒ 4.200.000,00 op 16 juli 1998 met omschrijving 'KAURI HOLDINGS'.116

* De hiervoor genoemde door Kauri ontvangen bedragen zijn vervolgens op dezelfde dag of enkele dagen na ontvangst doorgeboekt naar een bankrekening ten name van Mediamax Buitenreclame BV (hierna: Mediamax Buitenreclame). Het betreft de volgende overboekingen:

- ƒ 1.000.000,00 op 30 juni 1998 met omschrijving 'LOAN IN C/A';

- ƒ 750.000,00 op 14 juli 1998 met omschrijving 'LOAN INC/A';

- ƒ 4.200.000,00 op 21 juli 1998 met omschrijving 'LOAN INC/A'.117

* De verdachte heeft verklaard dat hij er vanuit gaat dat hij de opdracht tot deze overboekingen heeft gegeven.118

* Naast voormelde contante storting van 8,5 miljoen gulden is er voorts een overboeking van een rekening bij de Neue Bank AG te Vaduz door Royal Credit Trust van 3 miljoen gulden op rekening van Ballados bij ABN/Amro op 28 juli 1998.119

* Royal Credit Trust is een vennootschap van [W.E.].120 Ballados is een vennootschap van de verdachte.121

* De omschrijving bij de overboeking van het bedrag van 3 miljoen gulden van de Neue Bank AG naar de rekening van Ballados bij ABN/Amro luidt "by one of our clients".122

* Een dag later, op 29 juli 1998, werd van de rekening van Ballados een bedrag van 2,9 miljoen gulden overgemaakt naar de rekening van Kauri.123 Vervolgens werd diezelfde dag van de rekening van Kauri een bedrag van 2,9 miljoen gulden overgemaakt naar de rekening van Mediamax Buitenreclame B.V. (verder te noemen: Mediamax Buitenreclame) met vermelding 'loan in c/a'.124 De verdachte heeft verklaard dat hij de opdracht heeft gegeven voor deze overboekingen.125

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat zowel het bedrag van 8,5 miljoen gulden als het bedrag van 2,9 miljoen gulden deel is gaan uitmaken van het saldo op de rekening van Mediamax Buitenreclame.

* Nadat het in drie porties opgesplitste bedrag van in totaal 5,95 miljoen gulden en het bedrag van 2,9 miljoen gulden eerst op de rekening van Mediamax Buitenreclame werden gestort, werd vervolgens op 4 augustus 1998 vanaf die rekening een geldbedrag van 26 miljoen gulden overgemaakt naar de rekening van Mediamax Group onder boekingsnummer 471.126 Het saldo op de rekening van Mediamax Buitenreclame bedroeg voorafgaand aan die overboeking 26.798.753,30 gulden.127

Aldus kan worden vastgesteld dat vrijwel het gehele saldo op de rekening van Mediamax Buitenreclame is doorgeboekt naar de rekening van Mediamax Group.

* Op 4 augustus 1998 is een totaalbedrag van 37 miljoen gulden bijgeschreven op de bankrekening van Mediamax Group.128 Blijkens boekingscode 471 maakte voornoemd bedrag van 26 miljoen gulden hiervan deel uit. Het resterende bedrag van 11 miljoen gulden was afkomstig uit een andere bron.

* De verdachte werd in 1990 eigenaar van het bedrijf Mediamax (het hof begrijpt: waartoe Mediamax Group BV en Mediamax Buitenreclame BV behoren). In het jaar 2000 werd dit bedrijf door de verdachte verkocht.129

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat zowel het bedrag van 5,95 miljoen gulden als het bedrag van 2,9 miljoen gulden, na eerst deel te hebben uitgemaakt van het saldo op de rekening van Mediamax Buitenreclame, vervolgens deel is gaan uitmaken van het saldo op de rekening van Mediamax Group.

* Vanaf de rekening van Mediamax Group werd vervolgens, op 13 augustus 1998, een tweetal betalingen verricht van onderscheidenlijk 161.638,00 gulden en 9.921.489,00 gulden. Beide bedragen werden overgemaakt naar rekening [rekeningnummer 241] op naam van 'Loeff CS derdengelden', onder vermelding van 'dossier 98.1.4647'.130

* Daarnaar gevraagd heeft de verdachte bevestigd dat de betalingen die op 13 augustus 1998 zijn gedaan op de derdengeldenrekening van Loeff, betrekking hadden op de aankoop van de aandelen ´t Gooier Hoofd. Volgens de verdachte ziet dit bedrag op de aankoop van de aandelen en de overname van de aandeelhoudersleningen.131

* Dat deze betalingen, bij elkaar opgeteld 10.083.127,00 gulden, zijn overgemaakt in

verband met de aankoop van de aandelen ´t Gooier Hoofd, blijkt ook uit de grootboekadministratie van Mediamax Group. Beide betalingen naar de bankrekening van Loeff CS zijn verwerkt op de grootboekkaart 'R/C JDP (privé)', in de rekening-courant met verdachte; de betalingen werden voorzien van de omschrijving 'LOEFF NEWPORT'.132 Hotel Newport was een belang in ´t Gooier Hoofd, zo is hiervoor al door het hof vastgesteld.

* Daarnaast is in de grootboekadministratie van Merwede Group een boeking gemaakt op 13 augustus 1998 voor een bedrag van 4.575.523,55 euro. Omgerekend is dit 10.083.127,00 gulden. Bij deze boeking staat als omschrijving vermeld "Aankoop 't Gooier Hoofd".133

Het hof constateert dat een en ander zich binnen het tijdsbestek van drie maanden tussen 29 mei 1998 - de contante storting - en 13 augustus 1998 - de aankoop en betaling van de aandelen ´t Gooier Hoofd - heeft afgespeeld.

Gelet op het voorgaande - in onderling verband en samenhang beschouwd - is het hof van oordeel dat van het saldo op de rekening van Mediamax Group, waarvan onder andere de geldbedragen van 5,95 miljoen gulden en 2,9 miljoen gulden deel uitmaakten, uiteindelijk de aandelen ´t Gooier Hoofd zijn gekocht.

Is het geldbedrag van 2,9 miljoen gulden van misdrijf afkomstig?

Hiervoor is vastgesteld dat het geldbedrag van 2,9 miljoen gulden afkomstig was uit een eerdere overboeking van 3 miljoen gulden van Royal Credit Trust.

De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat het bedrag van 3 miljoen gulden de uitkoopsom betrof die [W.E.] aan de verdachte moest betalen in verband met de verkoop van hun gezamenlijke belang in de vennootschap Threeglen Limited (hierna: Threeglen) aan [B.F.]. Die verklaring wordt volgens de verdediging in belangrijke mate ondersteund door [B.F.], die op 5 maart 2012 bij de raadsheer-commissaris is gehoord.

Dat het geld via Kauri is doorgeboekt, zoals hiervoor door het hof is vastgesteld, heeft volgens de verdediging niets met witwassen te maken. Dit zou verband houden met cash pooling. Dit houdt volgens de verdediging in dat geldstromen zoveel mogelijk samenkomen op een centraal punt om op die wijze het aantal rekening-courantverhoudingen te beperken en financieel beter te kunnen sturen.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de omstandigheid dat de verdachte geld van [W.E.] heeft ontvangen nog niet maakt dat sprake is van witwassen.

Het openbaar ministerie hecht geen geloof aan de verklaring van de verdachte. De verklaring van [B.F.] biedt daartoe naar zijn mening onvoldoende steun, nu relevante data en details niet zijn benoemd of aannemelijk gemaakt met onderliggende stukken.

Bovendien is de verklaring van de verdachte volgens het openbaar ministerie in strijd met een onder hem in beslag genomen vermogensopstelling waarop het aandeel in Threeglen na de datum van de vermeende uitkoop nog steeds wordt vermeld.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zijn mede-aandeelhouders [W.E.] en [B.F.] de 40 procent van de aandelen die hij, verdachte, in Threeglen bezat, hebben gekocht. Het geldbedrag van 3 miljoen gulden dat op 23 juli 1998 op rekening van Ballados werd geboekt en waarvan 2,9 miljoen gulden werd doorgeboekt, houdt volgens de verdachte verband met die uitkoop.134

De getuige [B.F.] heeft op 5 maart 2012 een verklaring afgelegd ten overstaan van de raadsheer-commissaris.135

De verklaring van [B.F.] houdt - kort gezegd - in dat de verdachte en [W.E.] gezamenlijk 50 procent van de aandelen in Threeglen (een 'single purpose company' die eigenaar was van Findlater House dat was verkocht door Irish Telecom) bezaten en dat [B.F.] de aandelen van de verdachte en [W.E.] voor een bedrag van 3 miljoen Ierse ponden heeft gekocht.136 [B.F.] zou daartoe op instructie van [W.E.] het bedrag van 3 miljoen Ierse ponden (destijds ongeveer 8,5 miljoen gulden137) hebben overgemaakt naar een bankrekening in Liechtenstein.

Op enkele punten komen de verklaringen van de verdachte en [B.F.] met elkaar overeen. In zoverre biedt de verklaring van [B.F.] inderdaad enige steun aan de gang van zaken zoals die volgens de verdachte is geweest. Ten aanzien van de meest essentiële punten echter - wie koopt wat van wie - zijn beide verklaringen geheel met elkaar in tegenspraak. De verdachte zegt immers dat [W.E.] en [B.F.] zijn, verdachtes, 40% aandeel in Threeglen hebben gekocht, terwijl [B.F.] verklaart dat hij het 50% aandeel in Threeglen dat de verdachte en [W.E.] gezamenlijk bezaten, heeft gekocht. Weliswaar heeft de verdachte zich ter terechtzitting in hoger beroep alsnog aangesloten bij hetgeen [B.F.] heeft verklaard bij de raadsheer-commissaris,138 maar een verklaring voor deze eerdere tegenstellingen, anders dan dat hij zich een en ander niet meer goed herinnerde, heeft hij niet gegeven.

Daarbij komt dat de verklaring van [B.F.] veel vragen onbeantwoord laat.

[B.F.] weet niet hoe de verrekening tussen de verdachte en [W.E.] is gegaan.139 Verder kan hij alleen verklaren dat de onderhandelingen omtrent de uitkoop zouden hebben plaatsgevonden in 1997 of in 1998, maar weet hij niet hoeveel tijd er is verstreken tussen de waardebepaling en de uitkoop. Van de betaling van de koopsom weet hij niet meer dan dat die is overgemaakt naar een rekening van [W.E.] in Liechtenstein, maar niet wanneer dat is gebeurd en of dit in één keer of in delen is geschied.140

[B.F.] heeft na een verzoek daartoe van het openbaar ministerie geen stukken kunnen overleggen die verband houden met deze uitkoop, zoals blijkt uit een e-mail bericht van de desbetreffende advocaat-generaal.141 Ook de verdachte heeft zijn lezing niet kunnen onderbouwen met enig schriftelijk stuk.

Het hof kan voorts - wat daar verder overigens ook van zij - een betaling van ongeveer GBP 1.850.000,00 via de Midlands Bank op de rekening van Royal Credit Trust Reg, die kort voor de overboeking van de 3 miljoen gulden van Royal Credit Trust naar Ballados plaats had, niet in verband brengen met de betaling van 3 miljoen Ierse ponden door [B.F.] in verband met de aandelen Threeglen.

Op 16 juli 1998 werd de rekening van Royal Credit Trust bij de Neue Bank immers gevoed met een bedrag van GBP 1.849.665,00 (destijds ongeveer 6 miljoen gulden142) afkomstig van een rekening bij de Midlands Bank in Londen. De omschrijving bij dit bedrag luidde: 'Sale proceeds of m/y Low Profile'. Het saldo vóór deze boeking bedroeg GBP 256,00.143 Deze boeking kan wel worden gerelateerd aan een brief van 4 juni 1998 van Royal Credit Trust Reg te Liechtenstein aan Sarnia Yachts op Guernsey, waarin wordt gevraagd om in verband met de verkoop van het jacht 'Low Profile' een bedrag van GBP 1.850.000,-- over te maken op bankrekening [rekeningnummer 404] bij de Neue Bank AG te Vaduz.

Opvallender is echter nog dat de verklaringen van de verdachte en van [B.F.] over de transactie met betrekking tot Threeglen volledig weersproken worden door een overzicht van het vermogen van de verdachte van 24 februari 2000 dat is opgesteld door Deloitte & Touche, ruim een jaar ná de beweerde overdracht.

Dat vermogensoverzicht, "Private equity and company structure of [verdachte]", vermeldt per november 1998, februari 1999, november 1999, december 1999 en februari 2000 via Leopard Ltd een belang in Threeglen tegen een waarde van 3 miljoen gulden.144

Ter toelichting op deze vermogensopstelling schrijft [drs. C], namens Deloitte & Touche accountants, in een brief van 29 februari 2000 aan de Deutsche Hyp (bank) - kennelijk op verzoek van de verdachte ('Enclosed I send you a copy of the equity statement of [verdachte]. He asked me to give a short explanation for some items in the statement') - in verband met de waarde van Threeglen dat het gebouw van Irish Telecom op basis van de executiewaarde is getaxeerd door een makelaar en dat deze waarde is verminderd met de waarde van de hypotheeklening.145

Geconfronteerd met deze stukken heeft de verdachte slechts gezegd dat deze vermelding - en kennelijk ook de bijbehorende toelichting - een fout moet zijn geweest.146 Dit acht het hof niet aannemelijk, juist gelet op die specifieke toelichting.

Mede gelet op de aanvankelijke ongerijmdheden in de verklaringen van de verdachte ten opzichte van die van [B.F.] leidt een en ander, in onderling verband en samenhang beschouwd, het hof tot het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het bedrag van 2,9 miljoen gulden afkomstig is van de verkoop door de verdachte van aandelen in Threeglen.

Hoewel voor genoemde betaling geen aannemelijke en/of verifieerbare verklaring is gegeven die terug te voeren is op een legale titel, is dat op zichzelf onvoldoende om te kunnen spreken van witwassen, zoals ook terecht door de verdediging is bepleit. In samenhang bezien met andere omstandigheden, kan dit echter wel tot de gevolgtrekking leiden dat het niet anders kan dan dat die betaling van misdrijf afkomstig is. Zo ook in het onderhavige geval.

Het hof betrekt bij zijn overwegingen dat [W.E.] reeds in november 1994 in krantenberichten in verband werd gebracht met de handel in XTC en later ook cannabis.147 Dat de verdachte niet op enigerlei wijze op de hoogte was van dergelijke berichten acht het hof niet geloofwaardig.

* Door [D.B.] is tegenover de rechter-commissaris verklaard148 dat hij in 1996 en 1997 door banken en makelaars met wie hij voor de vennootschappen van de verdachte zaken wilde doen, tegengeworpen kreeg dat de verdachte met [W.E.] samenwerkte; hij rapporteerde deze weerstand om zaken te doen aan de verdachte. Nadat de ontvlechting, in 1999, in de markt min of meer bekend geworden was, hield dat op en vroeg niemand meer 'Goh, meneer [verdachte], werkt die niet voor [W.E.]'.

* De verdachte heeft zelf ter terechtzitting in eerste aanleg in dit verband verklaard149 dat hij eind 1997 de banden met [W.E.] wilde verbreken. De aanleiding daarvoor was dat er mensen bij [W.E.] op bezoek kwamen die hij nooit eerder had gezien en die niet zijn bloedgroep waren; hij wilde geen deel uit maken van die wereld.

In aanmerking genomen:

- dat er sprake is van een overboeking van een aanzienlijk bedrag, 3 miljoen gulden, met de nietszeggende omschrijving "by one of our clients";150

- dat dit geldbedrag afkomstig is van [W.E.], die reeds in november 1994 in verband werd gebracht met XTC-handel en het witwassen van crimineel geld;

- dat de verdachte al in 1996/1997 door zijn medewerker [D.B.] op de hoogte was gebracht van de omstandigheid dat banken en makelaars hem tegenwierpen dat er met [W.E.] werd samengewerkt en dat de verdachte volgens eigen zeggen (daarom) eind 1997 de banden met [W.E.] wilde verbreken;

- dat de verdachte een ongeloofwaardige verklaring heeft afgelegd omtrent de titel op grond waarvan het geld aan hem is betaald;

- dat (het merendeel van) het geld na ontvangst telkens kort na elkaar is doorgeboekt naar verschillende bankrekeningen;

is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat het geldbedrag van 3 miljoen gulden afkomstig is van enig misdrijf. De verdachte moet dit hebben geweten, nu zijn ongeloofwaardige verklaring kennelijk is bedoeld om de ware herkomst van dat geld te verhullen.

De verdediging heeft nog aangevoerd - voor het eerst in hoger beroep - dat het overboeken van de betaling via Kauri een reguliere reden had, aangezien dit zou worden gedaan bij wege van cash pooling of - zoals de verdachte eerder had aangevoerd - netting. Nu zelfs in het geheel niet is onderbouwd dat Kauri ook voor andere betalingen deze functie vervulde, laat het hof deze verklaring als onaannemelijk buiten beschouwing.

Is het geldbedrag van 5,95 miljoen gulden van misdrijf afkomstig?

Hiervoor is vastgesteld dat dit geldbedrag afkomstig is uit een contante storting van 8,5 miljoen gulden.

De verdediging heeft aangevoerd dat het bedrag van 8,5 miljoen gulden afkomstig zou zijn van de verkoop van een aantal kunstvoorwerpen aan een anonieme koper, welke verkoop tot stand zou zijn gekomen door tussenkomst van kunsthandelaar [V]. De verdediging heeft in dit verband te kennen gegeven dat zij zich realiseert dat de verdachte in 'bewijsnood' verkeert dienaangaande, maar is desalniettemin van mening dat verdachtes verklaring over de herkomst van dit bedrag op onderdelen wordt ondersteund door de verklaring van de getuige [F.J.].

Kunsthandelaar [F.J.] heeft op 14 september 2011 verklaard dat hij in verband met de voorgenomen verkoop van een beeld van Botero de verdachte heeft verwezen naar [V], zijnde een Botero-specialist, dat dit vóór 1998 is geweest en dat hij wetenschap had van de aanschaf door de verdachte van enkele kunstwerken waarvan de verdachte heeft verklaard dat hij deze heeft verkocht via [V]. Verder komt uit de verklaring van [F.J.] naar voren dat het niet ongebruikelijk is dat de verdachte zich de namen van de kunstwerken die hij zou hebben verkocht - zo deze kunstwerken al een specifieke naam hadden - niet meer kan herinneren. Tot slot zou uit diens verklaring blijken dat in de kunstwereld overeenkomsten niet zelden zonder contractuele vastlegging tot stand komen.

Het openbaar ministerie hecht geen geloof aan de verklaring van de verdachte en meent dat diens verklaring niet of onvoldoende wordt ondersteund door de verklaring van [F.J.] en wordt tegengesproken door andere verklaringen die zich in het dossier bevinden.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft verklaard dat hij in zijn eentje zeven schilderijen van de muren heeft gehaald in zijn kantoor in Amsterdam en zijn woning in de Woerdense Verlaat en deze schilderijen vervolgens, samen met een bronzen beeld van Botero van 1,5 meter hoog, in zijn jeep heeft geladen en alles zelf naar [V] in België heeft vervoerd. Vervolgens heeft hij de werken en het beeld bij [V] achtergelaten om zich te beraden over de vraag of hij al dan niet akkoord wenste te gaan met een contante betaling van 8,5 miljoen gulden voor deze werken tezamen door een anonieme koper. De verdachte zou vervolgens, voorafgaande aan de transactie, contact hebben opgenomen met twee banken in Nederland om te vragen of hij een dergelijk groot bedrag contant kon storten, hetgeen niet mogelijk bleek. Daarna heeft hij zijn accountmanager [A.L.] bij de American Express Bank te Luxemburg gebeld en toen bleek dat het geld in Luxemburg kon worden gestort, heeft de verdachte de transactie laten doorgaan. Hij kreeg het geld van [V] in diens woning overgedragen in een zwarte reistas. De verdachte heeft het geld slechts globaal geteld. Voor de ontvangst van het geld heeft de verdachte geen kwitantie of enig ander bewijsstuk hoeven tekenen. Evenmin is een koopovereenkomst opgemaakt. Naar de herkomst van het geld heeft de verdachte geen navraag gedaan, terwijl het ook voor hem geen gebruikelijke transactie betrof. Met de tas met geld is de verdachte naar Nederland gereden waar hij het geld gedurende enige tijd, naar hij vermoedt een paar maanden, in een kluis op zijn kantoor in Amsterdam heeft bewaard alvorens het op 29 mei 1998 op de rekening van Bayline in Luxemburg te storten. De verdachte heeft verklaard dat er niemand is die deze gang van zaken kan bevestigen, of zelfs maar heeft bemerkt dat er schilderijen uit het kantoor of de woning zijn verdwenen.151

[F.J.] is op 14 september 2011 door de raadsheer-commissaris als getuige gehoord over deze vermeende kunsttransactie.

Met betrekking tot de vraag naar de betrouwbaarheid van deze getuige verwijst het hof in de eerste plaats naar hetgeen daarover bij de bespreking van het onder 1 ten laste gelegde is overwogen en beslist. Een en ander geldt als hier ingelast. In aanvulling daarop overweegt het hof dat uit de verklaring van [F.J.] tevens naar voren komt dat [F.J.] zijn wetenschap over de door de verdachte gestelde kunsttransactie met name ontleent aan hetgeen de verdachte hem daarover heeft verteld naar aanleiding van de strafzaak in eerste aanleg.152 Dit is ruim tien jaren na de vermeende kunsttransactie geweest. Verder blijkt dat hij zich een aantal dingen niet meer goed kan herinneren en niet zeker is van de juistheid van eerdere verklaringen.

Het hof is voorts van oordeel dat de verklaring van [F.J.], inhoudende dat hij de verdachte vóór 1998 heeft gewezen op [V] als een Botero-specialist, onvoldoende is om aan te nemen dat de verdachte ook daadwerkelijk een beeld van Botero heeft verkocht via die [V], laat staan dat hij daarnaast ook nog een aantal schilderijen via deze tussenpersoon zou hebben verkocht.

Hetzelfde geldt ten aanzien van [F.J.]' verklaring dat hij wetenschap had van de aanschaf van een aantal kunstwerken door de verdachte, waarvan de verdachte heeft verklaard dat hij deze via [V] heeft verkocht. Nog daargelaten dat [F.J.] zijn wetenschap ten aanzien van een aantal van die kunstwerken ontleent aan hetgeen de verdachte hem daarover zelf heeft verteld, kan ook hier geenszins uit blijken dat de verdachte die kunstwerken daadwerkelijk heeft verkocht.153

Verder oordeelt het hof dat uit [F.J.]' verklaring niet zonder meer kan worden afgeleid dat het niet vreemd is dat de verdachte zich geen namen meer kan herinneren van kunstwerken die hij zou hebben verkocht. Dat sommige schilderijen of tekeningen een weinig onderscheidende naam hebben mag zo zijn, dit wil niet zeggen dat de kenmerken van de kunstwerken waarvan de verdachte stelt dat hij deze heeft verkocht ook weinig onderscheidend waren. De verdachte heeft van geen enkel kunstvoorwerp dat hij naar zijn zeggen heeft verkocht een gegeven kunnen verstrekken dat tot identificatie had kunnen leiden.154

Tot slot oordeelt het hof dat - wat er ook zij van de verklaring van [F.J.] dat in de kunstwereld overeenkomsten niet worden vastgelegd - dit niet geldt voor het verzenden van facturen. In het dossier bevindt zich geen enkel document dat of verklaring die de lezing van de verdachte aannemelijk maakt of de verklaring van [F.J.] ondersteunt.

Het hof stelt vast dat het dossier ook overigens geen enkel gegeven bevat waaruit aannemelijk wordt dat de verdachte de bedoelde kunstwerken in bezit heeft gehad. Een omschrijving in een catalogus of een foto is niet aanwezig. Er is niemand die de kunstwerken ooit bij de verdachte heeft gezien en de verdachte kent geen van de kunstwerken bij naam.

Verder is er geen verifieerbaar gegeven met betrekking tot het vervoer en de levering van de kunstwerken. Hetzelfde geldt voor de vaststelling van de koopprijs op 8,5 miljoen gulden en de betaling en de ontvangst daarvan. Niet bekend is wie de koper van de kunstwerken is.

Er is niemand die de transactie of onderdelen daarvan kan bevestigen. De enige persoon die de transactie zou kunnen bevestigen, [V], is, zo heeft de verdachte verklaard, al enige tijd geleden overleden.155

Voorts is de omstandigheid dat de verdachte het contante geldbedrag van 8,5 miljoen gulden eerst enkele maanden in een kluis op zijn kantoor in Amsterdam zou hebben bewaard, moeilijk te rijmen met zijn stelling dat hij voorafgaande aan de vermeende kunsttransactie juist zou hebben geïnformeerd of hij het geld bij American Express in Luxemburg kon storten. Niet valt in te zien waarom de verdachte het geld niet meteen daar heeft gestort, te meer nu hij ook heeft verklaard dat hij geld graag laat renderen.156 De verklaring van de verdachte dat hij het misschien wel te druk had, kan niet overtuigen.157

Gelet op het voorgaande acht het hof de verklaring van de verdachte omtrent de herkomst van het geld niet geloofwaardig. Het hof stelt deze verklaring dan ook terzijde.

De verdediging heeft in dat geval verzocht om de door het openbaar ministerie genoemde [P.M.] als getuige te horen.Deze persoon is door het openbaar ministerie gepresenteerd als kenner van [V], maar hij zou niets afweten van de vermeende kunsttransactie waarvan de verdachte zegt dat die heeft plaatsgevonden. De verdediging heeft aangevoerd dat zij met het verhoor van deze persoon als getuige aannemelijk wenst te maken dat dit niet betekent dat de verklaring van de verdachte terzijde kan worden geschoven.

Het hof wijst het verzoek om [P.M.] als getuige te horen af. De door het openbaar ministerie aangehaalde uitlatingen van [P.M.] worden immers niet door het hof gebezigd om te onderbouwen dat de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig is. Voorts is niet gesteld en ook anderszins niet gebleken dat [P.M.] uit eigen wetenschap kennis heeft van de vermeende kunsttransactie. In zoverre is de noodzaak van het getuigenverzoek dan ook niet gebleken. Voor het overige zijn er door de verdediging geen omstandigheden aangevoerd waaruit die noodzaak wel zou kunnen blijken.

Door de verdediging is nog als mogelijkheid geopperd dat het geldbedrag afkomstig is van gedeeltelijk contante betalingen bij vastgoedtransacties. Dit is niet aannemelijk geworden, nu de verdachte niet dienovereenkomstig heeft verklaard.

In aanmerking genomen:

- dat er een aanzienlijk bedrag, van 8,5 miljoen gulden, in contanten, op een buitenlandse rekening is gestort;

- dat de verdachte geen inzicht heeft gegeven in de herkomst van dat geld, maar daarover een ongeloofwaardige verklaring heeft afgelegd;

- dat er sprake is van kort op elkaar volgende overboekingen, waarbij een bedrag van 5,95 miljoen gulden is doorgeboekt en opgesplitst in een drietal bedragen zonder dat de verdachte daarvoor een steekhoudende verklaring heeft kunnen geven;

- dat (een deel van) het geld telkens kort na elkaar is doorgeboekt naar verschillende bankrekeningen;

is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat het geldbedrag van 8,5 miljoen gulden afkomstig is van enig misdrijf. De verdachte moet dit ook hebben geweten, nu zijn ongeloofwaardige verklaring kennelijk is bedoeld om de ware herkomst van dat geld te verhullen.

Ook hier heeft de verdediging aangevoerd dat de overboeking naar en van de rekening van Kauri zou zijn gedaan in het kader van zogeheten cashpooling. Het hof overweegt op dit punt als hiervoor ten aanzien van hetzelfde verweer inzake het bedrag van 2,9 miljoen gulden, welke overweging als hier herhaald en ingelast heeft te gelden.

Is er sprake van 'besmetting' van het vermogen waarvan de bedragen van 2,9 miljoen en 5,95 miljoen gulden deel zijn gaan uitmaken?

Het hof heeft in het voorgaande vastgesteld dat de verdachte de aandelen ´t Gooier Hoofd heeft verworven en voorhanden gehad. Deze aandelen zijn gekocht voor 4,5 miljoen gulden van het saldo van een bankrekening van Mediamax Group, waar de geldbedragen van 2,9 miljoen en 5,95 miljoen gulden deel van uitmaakten. Van beide bedragen kan worden gezegd dat het niet anders kan dan dat deze van misdrijf afkomstig zijn.

De volgende vraag die bij het hof voorligt is of die geldbedragen het gehele vermogen op die bankrekening hebben besmet.

De verdediging heeft in dat kader subsidiair aangevoerd dat er geen sprake kan zijn van besmetting, omdat beide bedragen onvoldoende van gewicht zijn om het gehele saldo van 37 miljoen gulden op de rekening van Mediamax Group als besmet te kunnen beschouwen. Volgens de verdediging zou er pas sprake kunnen zijn van besmetting als de van misdrijf afkomstige geldbedragen voor meer dan 50% deel uitmaakten van het totale vermogen. Daarbij is volgens de verdediging van belang dat het hier gaat om geldbedragen die ruim voordat witwassen als strafbaar feit in het wetboek werd opgenomen op de rekening van Mediamax Group zijn gestort.

Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de rekening van Mediamax Group voorafgaande aan de totale bijschrijving van 37 miljoen gulden, waarvan de bedragen van 2,9 miljoen en 5,95 miljoen gulden deel uitmaakten, een debetstand van 27.667.686,87 gulden vertoonde. Volgens de verdediging kan niet worden nagegaan of de litigieuze bedragen de debetstand op die rekening niet hebben doen krimpen en aldus ten goede zijn gekomen aan de bank.

Tot slot heeft de verdediging betoogd dat Mediamax Horeca de aandelen heeft verkregen met geld dat is geleend van de verdachte, hetgeen meebrengt dat bij de vraag hoe de verhouding wel en niet crimineel geld is, ook naar diens vermogen dient te worden gekeken.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van besmetting dient in aanmerking te worden genomen of er sprake is van een substantieel bedrag dat van misdrijf afkomstig is, al dan niet in verhouding tot het vermogen waartoe dit bedrag is gaan behoren.

Zoals eerder overwogen is op 4 augustus 1998 een bedrag van 37 miljoen gulden bijgeschreven op de rekening van Mediamax Group, welk saldo op die rekening voor die overboeking negatief was. De geldbedragen van 2,9 miljoen en 5,95 miljoen gulden maakten deel uit van die overboeking van 37 miljoen gulden.

Het saldo op de rekening van Mediamax Group was na de overboeking naar die rekening op 4 augustus 1998 van 37 miljoen gulden, ƒ 9.331.927,76.158

Voorafgaand aan de overboeking op 13 augustus 1998 van een bedrag van ƒ 10.083.127,00 naar Loeff was het saldo op de rekening ƒ 9.723.050,06.159 Dit is, gezien in relatie tot de hoogte van beide saldi, maar weinig hoger dan het saldo op 4 augustus 1998.

Niet is gebleken van andere aanzienlijke overboekingen van of naar de rekening van Mediamax Group in die tussenliggende periode. Er kan dus van uitgegaan worden dat de overboeking naar Loeff is gedaan met hetzelfde geld dat was bijgeboekt op 4 augustus 1998.

Gelet op de omstandigheid dat het hier gaat om een tweetal substantiële bedragen (van 5,95 en 2,9 miljoen gulden), ook in verhouding tot het totale overgeboekte bedrag van 37 miljoen gulden, zowel elk op zich beschouwd als bij elkaar opgeteld, is het hof van oordeel dat dit gehele bedrag is 'besmet'.

Dit geldt zowel voor het deel waarmee de debetstand is aangevuld als voor het deel dat is overgeboekt naar Loeff voor de aanschaf van de aandelen 't Gooier Hoofd. Gelet hierop is niet van belang in welke volgorde de verschillende bedragen op 4 augustus 1998 op de rekening van Mediamax Group zijn geboekt. Aldus zijn de aandelen 't Gooier Hoofd middellijk en (gedeeltelijk) van misdrijf afkomstig.

Het verweer van de verdediging, te weten dat ten minste 50% van het totale vermogen van misdrijf afkomstig moet zijn, wil er sprake zijn van 'besmetting', vindt geen steun in het recht. Dit verweer wordt verworpen.

Het verweer dat ook het vermogen van de verdachte zelf dient te worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van 'besmetting' kan evenmin slagen. Uit het dossier blijkt weliswaar van een schuldverhouding die via de grootboekkaarten is verrekend, maar daarmee is niet gezegd dat dit vermogen moet worden meegewogen bij de vraag of sprake is van 'besmetting'. De bedragen zijn binnen korte tijd - twee weken - overgeboekt via rekeningen van Ballados, Kauri, Mediamax Buitenreclame en Mediamax Group en de betaling van de aandelen heeft via laatstgenoemde rekening plaatsgevonden. Het hof beschouwt deze rekeningen als het kader waarbinnen de vraag of vermenging heeft plaatsgevonden moet worden beantwoord. Dat tegen de achtergrond van de concrete betalingen boekhoudkundig schuldverhoudingen spelen, doet daarbij naar het oordeel van het hof niet ter zake.

Is er strijd met het legaliteitsbeginsel?

Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat de witwasbepalingen zoals neergelegd in artikel 420bis en volgende van het Wetboek van Strafrecht pas op 14 december 2001 in werking zijn getreden, terwijl de feiten die ten grondslag liggen aan de onderhavige verdenking zich al veel eerder hebben afgespeeld, te weten in 1998. Een en ander is volgens de verdediging in strijd met het verbod op de terugwerkende kracht en zij verbindt hier de conclusie aan dat de verdachte dient te worden vrijgesproken.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Hiervoor heeft het hof vastgesteld dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen van 2,9 miljoen gulden en 5,95 miljoen gulden afkomstig zijn van enig misdrijf. Voor een bewezenverklaring van witwassen is niet van belang welk misdrijf dit concreet is geweest. Evenmin is van belang wanneer dit misdrijf is gepleegd. Dit blijkt ook met zoveel woorden uit jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin is bepaald dat als gronddelict voor witwassen kan gelden een misdrijf dat is gepleegd voor 14 december 2001, te weten de datum van inwerkingtreding van de witwasbepalingen, en dat mogelijk voor of na die datum is verjaard.160

Er is pas sprake van een schending van het verbod van terugwerkende kracht indien een verdachte witwashandelingen in de zin van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht heeft gepleegd die vóór 14 december 2001 zijn gesteld. Als witwashandeling is aan te merken het verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten of gebruik maken van een voorwerp dat afkomstig is uit enig misdrijf.

Zoals blijkt uit het voorgaande heeft de verdachte, althans diens vennootschap Merwede Horeca, de aandelen 't Gooier Hoofd op 13 augustus 1998 verworven.161 Deze witwashandeling ligt vóór de datum waarop witwassen strafbaar is gesteld en van het verwerven van die aandelen kan de verdachte strafrechtelijk dan ook geen verwijt worden gemaakt.

De verdachte dient daarom van het onderdeel 'verwerven' in de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het voorhanden hebben van de aandelen ligt dit evenwel anders. Vanaf het moment dat de verdachte de aandelen heeft verworven, heeft hij deze ook voorhanden gehad. Deze situatie duurt voort tot het moment dat de verdachte de aandelen weer aan iemand anders over zou dragen. Daarvan was in ieder geval in het ten laste gelegde tijdvak geen sprake. De verdachte heeft ter terechtzitting van 19 april 2010 immers verklaard dat hij op dat moment nog steeds aandeelhouder was van 't Gooier Hoofd.162

Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte met de van misdrijf afkomstige gelden gekochte aandelen in het tijdvak van 14 december 2001 tot en met 16 februari 2006 voorhanden heeft gehad. Dat is een witwashandeling. Gelet op het aanzienlijke belang dat 't Gooier Hoofd belichaamde, ook binnen een uitgebreide ondernemingsstructuur als die van de verdachte, en gelet op het feit dat de aandelen betrekkelijk kort voor de inwerkingtreding van de strafbaarstelling van witwassen door de verdachte waren verworven, moet dat voorhanden hebben ook met een zekere mate van bewustzijn gepaard zijn gegaan. De omstandigheid dat de vermenging van crimineel en niet crimineel vermogen voor de inwerkingtreding van de witwasbepalingen heeft plaatsgevonden, doet daaraan niet af. De vermenging zoals die hier heeft plaatsgevonden is immers niet aan te merken als een witwashandeling.

Derhalve is geen sprake van schending van het verbod van terugwerkende kracht.

De verdediging heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld, zo begrijpt het hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 26 oktober 2010 (LJN BM4440), dat het enkele voorhanden hebben van een uit misdrijf afkomstig goed geen strafbaar feit oplevert.

Het hof volgt haar daarin niet. In het door de Hoge Raad beoordeelde geval was er sprake van het verkrijgen van een geldbedrag als lening onder hypothecair verband door valsheid in geschrifte en oplichting en het aanwenden van dat geldbedrag om de koopsom van een woning te betalen, waarop de desbetreffende verdachte deze woning als eigenaar heeft gebruikt. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest - voor zover hier relevant - het volgende:

2.4.1. Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het voorhanden hebben van zo´n voorwerp (vgl. HR 2 oktober 2007, LJN BA7923, NJ 2008/16).

2.4.2. Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420 bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt (..). Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het¨voorhanden hebben ¨ daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht ¨om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen¨. Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

De verdediging kan worden nagegeven dat het hof niets anders bewezen acht dan het enkele voorhanden hebben van de aandelen ´t Gooier Hoofd. Zij ziet er echter aan voorbij dat vorenstaand arrest het geval behandelt dat iemand wordt vervolgd voor het louter voorhanden hebben van een voorwerp dat is verkregen door een door hemzelf gepleegd misdrijf. Nu niet is gebleken dat daarvan in het geval van de verdachte sprake is, kan het enkele voorhanden hebben van de aandelen wel tot een bewezenverklaring van witwassen voeren. De overwegingen van de Hoge Raad kunnen naar het oordeel van het hof bezwaarlijk leiden tot de conclusie dat het enkele voorhanden hebben, dat door de wetgever expliciet als witwashandeling is opgenomen in de desbetreffende strafbepalingen, nooit tot een bewezenverklaring van witwassen zou kunnen leiden. Dit te meer nu in dit geval ten aanzien van het voorhanden hebben van deze uit misdrijf verkregen aandelen wel degelijk, zoal niet van een aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer, dan toch in ieder geval wel van een aantasting van de openbare orde kan worden gesproken.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is bewezen dat de verdachte - ter zake van het voorhanden hebben: alleen - in de periode van 14 december 2001 tot en met 16 februari 2006 te Maarssen aandelen in de Exploitatiemaatschappij 't Gooier Hoofd voorhanden heeft gehad, zulks terwijl de verdachte wist dat die voorwerpen (gedeeltelijk) - middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Redengevende feiten en omstandigheden en bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 5163

De verdenking luidt kort gezegd dat de verdachte opdracht heeft gegeven tot en/of feitelijk leiding heeft gegeven aan het door zijn vennootschappen voor raadpleging door de belastingdienst beschikbaar stellen van valse of vervalste documenten en/of het doen van onjuiste dan wel onvolledige aangiften omzetbelasting. Deze vennootschappen zouden een aantal facturen die betrekking hebben op verbouwingen van privéwoningen als zakelijke betalingsverplichtingen in hun administratie hebben opgenomen. Verder zouden die vennootschappen in hun aangiften omzetbelasting ten onrechte vooraftrek hebben geclaimd op basis van die valse facturen.

Vennootschappen van de verdachte

* Akragon Real Estate BV, later vernoemd tot Merwede Real Estate BV, Merwede Monumenten BV, Merwede Kantoren BV, Merwede Winkels BV en Merwede Horeca BV waren in het ten laste gelegde tijdvak 100% (of 99% wat betreft Akragon Real Estate BV) dochteronderneming van Merwede Beheer BV, later vernoemd tot Merwede Group BV164. Woodham & Packard BV was een 100% dochter van Merwede Ventures BV, die op haar beurt weer een 100% dochter was van Merwede Group BV.165

Merwede Group BV was op haar beurt een 100% deelneming van Armario NV (hierna: Armario).166 De verdachte was "beneficial owner", eigenaar van alle aandelen in Armario.167

Alle vennootschappen waren gevestigd aan de Bolensteinseweg 3 te Maarssen waar de verdachte in die periode kantoor hield.168

De verdachte is eigenaar van Bolenstein, gelegen aan de Bolensteinseweg 3 te Maarssen. Het gebouw is ondergebracht in de Maatschappij tot instandhouding en exploitatie van de Ridderhofstad Bolenstein (M.I.E. Bolenstein BV) waarvan de verdachte enig aandeelhouder was169, welke vennootschap eveneens is gevestigd aan de Bolensteinseweg 3 te Maarssen. 170

Zoals blijkt uit het voorgaande is de verdachte de eigenaar van Armario. Het moet er voor worden gehouden dat hij in die hoedanigheid de financieel belanghebbende bij die vennootschap en haar 100% dochters was, en dat hij een doorslaggevende invloed had op de beslissingen binnen die vennootschappen. Dit wordt bevestigd door verschillende getuigen, onder wie [J.E.] en [J.B.]. 171

Verweren in hoger beroep

Bij pleidooi heeft de verdediging op de volgende onderdelen verweer gevoerd.

a) Inkeer

De raadslieden hebben betoogd dat de verdachte een beroep op de fiscale inkeerregeling toekomt als bedoeld in artikel 67n van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Naar zijn zeggen heeft de verdachte, nadat hij had gehoord dat de fiscus een onderzoek had ingesteld naar de privéverbouwing aan de woning van [D.B.] aan de Apollolaan te Amsterdam, zijn medewerkers bijeengeroepen om te onderzoeken of er ook in andere gevallen iets was misgegaan. Daarna heeft de verdachte onmiddellijk suppletie-aangiften gedaan.172

Toen pas zijn bij de verdachte onjuistheden bij deze en andere verbouwingen aan het licht gekomen en heeft hij de fiscus daarvan bij brief van 27 oktober 2007 op de hoogte gesteld.

Dit verweer wordt verworpen.

Volgens artikel 69, derde lid, AWR vervalt het recht op strafvervolging wegens, onder meer, onjuiste of onvolledige belastingaangifte, indien de belastingplichtige alsnog een juiste en volledige aangifte doet dan wel de juiste en volledige inlichtingen of gegevens verstrekt voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de ambtenaren van de Rijksbelastingdienst de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij al eind 2004 hoorde dat er op kosten van het bedrijf (het hof begrijpt: in casu Merwede Kantoren BV) bij Beesemer - directeur van de Merwede Group BV - was verbouwd. Hij had toen [J.E.], tot 1 november 2005 als financial controller werkzaam bij Merwede Group BV, om inzicht gevraagd, naar hij dacht in 2005. Volgens eigen zeggen heeft de verdachte vervolgens onderzoek laten doen of er op dit punt ook in andere gevallen iets was misgegaan. Daarna zou de verdachte onmiddellijk suppletie-aangiften hebben gedaan.173 Die suppletie-aangiften zijn echter pas in 2007 ingediend. Het hof constateert dat de verdachte in ieder geval vanaf het jaar 2005 rekening diende te houden met het constateren van onjuistheden in zijn administratie in het geval van een controle. Die controles zijn vervolgens gevolgd op respectievelijk 2 maart 2006 en 11 en 13 september 2006, dus geruime tijd daarna, maar vóór het indienen van de suppletie-aangiftes. Aldus komt de verdachte geen beroep op de inkeerregeling toe. Het moge zo zijn, zoals de verdediging ook aanvoert, dat inkeer per vennootschap moet worden bezien, maar daarop kan de verdediging zich niet beroepen in een geval als dit. Hier is het immers zo geweest dat de onregelmatigheden bij Merwede Kantoren BV in verband met de verbouwing van het woonhuis van [D.B.] de verdachte aanleiding hebben gegeven om, zo begrijpt ten minste het hof hetgeen de verdachte heeft gezegd - al zijn vennootschappen op onregelmatigheden te laten onderzoeken.

Daar komt nog het volgende bij.

Met betrekking tot het boekenonderzoek zijn twee brieven van de Belastingdienst (aangehecht aan de repliek van het openbaar ministerie) van belang.

In de eerste brief, van 25 januari 2006, aan de Merwede Group BV, wordt de telefonische mededeling aan een van de medewerkers van die vennootschap bevestigd dat de Belastingdienst een boekenonderzoek wil instellen bij de Merwede Group BV en dat het onderzoek betrekking heeft op de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2000 tot en met 2005 door Merwede Finance BV (voorheen Akragon Finance BV) en Merwede Real Estate BV (voorheen Akragon Real Estate BV).

De tweede brief, gedateerd 13 juli 2006, is eveneens gericht aan Merwede Group BV en vermeldt dat de inspecteur van plan is een boekenonderzoek in te stellen ter vaststelling van de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de jaren 2001 tot en met 2005 bij Merwede Group BV, Merwede Kantoren BV, Merwede Winkels BV, Merwede Monumenten BV en Woodham & Packard BV. Het gaat volgens die brief om de vraag naar de juistheid van de in aftrek gebrachte belasting ter zake van geleverde goederen en verleende diensten.

Gelet op deze aankondigingen en het bereik van de aangekondigde onderzoeken diende de verdachte vanaf ofwel de respectievelijke ontvangst van de beide brieven dan toch in ieder geval vanaf de respectievelijke data van de boekenonderzoeken er rekening mee te houden dat de Belastingdienst onjuistheden of onvolkomenheden in de boekhouding van de in die brieven genoemde vennootschappen zou ontdekken. Ook om die reden kunnen de suppletie-aangiftes in 2007 geen beroep op de inkeerregeling rechtvaardigen.

Bij dupliek heeft de verdediging nog aangevoerd:

- dat een boekenonderzoek doorgaans een beroep op inkeer in de weg staat, maar alleen in het geval dat de potentiële 'inkeerder' van dat boekenonderzoek op de hoogte is of zou moeten zijn;

- dat de aankondigingsbrieven slechts zijn verstuurd aan één vennootschap: Merwede Group BV

- dat een boekenonderzoek met betrekking tot de vennootschapsbelasting een beroep op inkeer ten aanzien van de omzetbelasting niet in de weg staat;

- subsidiair: dat verdachte een beroep op inkeer kon doen ten aanzien van de vennootschappen Merwede Finance BV (Akragon Finance BV) en Merwede Real Estate BV (Akragon Real Estate BV).

Het hof verwerpt dit verweer.

Juist is dat de aankondiging van het boekenonderzoek bij brief van 13 juli 2006 voor de omzetbelasting uitsluitend aan Merwede Group BV is geadresseerd.

De eerste twee regels van die brief luiden echter:

" Hierbij deel ik u mede dat ik van plan ben een boekenonderzoek in te stellen bij de volgende tot de Merwede Group behorende vennootschappen.

- Merwede Group BV;

- Merwede Kantoren BV;

- Merwede Winkels BV;

- Merwede Monumenten BV;

- Woodham & Packard BV.

Het doel van het onderzoek is de aanvaardbaarheid vast te stellen van de aangiften omzetbelasting over de jaren 2001 tot en met 2005. Het onderzoek beperkt zich tot het volgende element van de aangiften: de juistheid van de in aftrek gebrachte belasting ter zake van geleverde goederen en verleende diensten."

De inhoud van deze brief laat er naar het oordeel van het hof geen twijfel over bestaan dat het onderzoek zou plaatsvinden bij alle daarin genoemde vennootschappen en hun administraties. De administraties van al deze vennootschappen waren destijds gevestigd op hetzelfde adres (Bolensteinseweg 3, Maarssen) en dezelfde kleine groep van personen hield zich met de administratie van deze vennootschappen bezig.174 Onder deze omstandigheden moet het alle in de brief genoemde vennootschappen redelijkerwijs en onmiskenbaar duidelijk zijn geweest dat de aankondiging zich tot al die vennootschappen richtte.

Voor de aankondiging van het boekenonderzoek in het kader van de vennootschapsbelasting bij brief van 25 januari 2006 geldt, mutatis mutandis, hetzelfde. Die brief luidt, voor zover van belang:

" Naar aanleiding van ons telefoongesprek van vandaag, bevestig ik schriftelijk een boekenonderzoek in te willen stellen bij Merwede Group BV.

Het onderzoek heeft uitsluitend betrekking op de onderdelen:

- Merwede Finance BV (voorheen Akragon Finance BV) en

- Merwede Real Estate BV (voorheen: Akragon Real Estate BV).

van de aangifte vennootschapsbelasting over de jaren 2000 tot en met 2005.

(..)

Teneinde het onderzoek efficiënt te laten verlopen, verzoek ik u bij aanvang van het onderzoek de administratie over de jaren 1998 tot en met heden van Merwede Finance BV en Merwede Real Estate BV beschikbaar te hebben, waaronder:

(...)

- Ten aanzien van onroerend goed:

o alle correspondentie inzake aan- en verkopen

(..)

o gespecificeerd overzicht van (des)investeringen, inclusief de hierop betrekking hebbende facturen

o (..)"

Voor zover de verdediging nog heeft bedoeld te betogen dat alleen Merwede Group BV de geadresseerde kan zijn, juist vanwege het bestaan van een fiscale eenheid met Merwede Finance BV en Merwede Real Estate BV voor de vennootschapsbelasting, wordt dit verweer verworpen. Geen rechtsregel schrijft voor dat het bestaan van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting er aan in de weg staat een verzoek tot het verstrekken van inlichtingen als bedoeld in artikel 47 AWR te doen aan de afzonderlijke van die fiscale eenheid deel uitmakende vennootschappen, hetgeen bij deze brief ook overduidelijk is gebeurd.

Hoewel het hier ging om een aankondiging van een boekenonderzoek met betrekking tot de vennootschapsbelasting staat die aankondiging in dit geval evenzeer een beroep op inkeer in de weg als de aankondiging van een boekenonderzoek met betrekking tot de omzetbelasting.

In de brief van 25 januari 2006 wordt immers, zoals hiervoor is weergegeven, met name ook naar investeringen in vastgoed gevraagd en de onderliggende facturen, zodat naar het oordeel van het hof ook in dit geval geconstateerd moet worden dat het voor de verdachte, al betrof het dan een onderzoek in het kader van de vennootschapsbelasting, redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de Belastingdienst bij gelegenheid van dat onderzoek bekend zou (kunnen) raken met valse facturen in de administratie van de desbetreffende vennootschappen.

Al het voorgaande geldt, zoals hiervoor al is gezegd, naar het oordeel van het hof niet alleen voor de aangeschreven en onderzochte vennootschappen, maar ook voor de verdachte zelf. Ook hem kwam geen beroep toe op de inkeerbepaling, gelet op zijn taak en bevoegdheden binnen de vennootschappen en zijn rol in de verboden handelingen die de vennootschappen worden verweten. Deze rol komt hierna aan de orde onder de kop: gaf verdachte opdracht tot of feitelijk leiding aan de verboden gedragingen door de vennootschappen?

b) Verjaring

De raadslieden hebben betoogd dat strafvervolging wegens onjuiste aangifte omzetbelasting over de tijdvakken van 2001 of eerder niet meer mogelijk is, nu het tripartiete overleg, waarbij is besloten tot strafrechtelijke vervolging, heeft plaatsgevonden op 9 februari 2007 en de bevoegdheid tot bestuurlijke beboeting na verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend, vervalt.

De verdediging beroept zich daarbij op de zogenaamde Aanmeldings- transactie- en vervolgingsrichtlijnen van fiscale delicten, douane-en toeslagdelicten (AAFD- richtlijnen) vanaf 1 juli 2011, voorheen geheten Aanmeldings-, transactie- en vervolgingsrichtlijnen ( ATV-richtlijnen). In de AAFD-richtlijnen, zoals deze vanaf 1 juli 2011 gelden, is in onderdeel 5, punt 7 als reden om niet meer te vervolgen opgenomen: " Geen bestuurlijke boete, anders dan door verjaring, mogelijk".

Indien het op basis van verjaring niet meer mogelijk is om een bestuurlijke boete op te leggen, bestaat evenmin de mogelijkheid om strafvervolging in te stellen, althans een afweging in het tripartiete overleg had tot niet strafrechtelijk vervolgen moeten leiden. Bij dupliek heeft de verdediging met verwijzing naar de toelichting op de ATV-richtlijnen van 2000 en 2006 nog betoogd dat er aanleiding is te veronderstellen dat het niet de bedoeling is geweest of als wenselijk wordt gezien om uit een oogpunt van rechtszekerheid en opportuniteit feiten te vervolgen waarvan door tijdsverloop de mogelijkheid om het mindere te doen (bestuurlijke boete) is verjaard, aldus de raadslieden.

Het hof overweegt als volgt.

De AAFD-richtlijnen waarop de verdediging zich beroept, gelden blijkens hun inhoud niet voor zaken die al voor strafvervolging dan wel beboeting waren geselecteerd voordat de nieuwe regeling in werking trad (1 juli 2011). De nieuwe regels gelden dus niet voor de onderhavige strafzaak.

De ATV- richtlijnen van 2000 en 2006 zijn, daargelaten of deze zouden kunnen leiden tot het door de verdediging gewenste resultaat, evenmin van toepassing. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 november 2011 (LJN: BP6421, NJ 2011,539) bepaald dat de ATV richtlijnen (in dat geval de richtlijnen van 1993) niet van toepassing zijn op degene die wordt vervolgd voor feitelijk leidinggeven aan een rechtspersoon, aan welke persoon (tot de wijziging van de Algemene Wet Bestuursrecht per 1 juli 2009) geen fiscaal-bestuurlijke boete kon worden opgelegd.

Nu van verjaring als door de verdediging bedoeld geen sprake is, verwerpt het hof het verweer.

c) Een aantal facturen is niet vals in de zin van artikel 68, lid 1 sub c AWR

De verdediging heeft betoogd dat het enkele feit dat een factuur is geadresseerd aan een vennootschap waarvoor de werkzaamheden niet zijn uitgevoerd, deze niet vals maakt.

Bij repliek heeft het openbaar ministerie hierop de volgende reactie gegeven.

" In artikel 35a van de Wet op de Omzetbelasting 1968 zijn de eisen omschreven waaraan een factuur moet voldoen. Eén van de vermeldingen die verplicht zijn op de factuur is de naam en het adres van de afnemer. Een andere is vermelding van de hoeveelheid en aard van de geleverde goederen of de omvang en de aard van de verrichte diensten. Deze vereisten zijn alleen al van belang voor de BTW om de correcte toepassing van het BTW-tarief te kunnen vaststellen. Daarnaast moeten de boekhouders aan de hand van de vermeldingen op de factuur kunnen vaststellen hoe de factuur in de boekhouding moet worden verwerkt (zowel bij de debiteur als bij de crediteur). En ten slotte moet de belastingdienst de correcte fiscale verwerking kunnen toetsen. Als een factuur opzettelijk niet wordt uitgeschreven op naam van de natuurlijke of rechtspersoon ten behoeve van wie de werkzaamheden zijn uitgevoerd of opzettelijk vaag wordt gehouden, voldoet deze niet aan de wettelijke eisen en daarmee is zij vals. Er is geen enkele legale reden te verzinnen waarom een factuur verstuurd wordt naar een vennootschap waarvoor geen werkzaamheden zijn verricht. Een factuur die met deze onjuistheden wordt verstuurd heeft overduidelijk als doel het misleiden van anderen, op zijn minst de belastingdienst."

Bij dupliek bestrijdt de verdediging dat een factuur die niet voldoet aan de eisen van artikel 35a van de Wet op de omzetbelasting 1968 als vals moeten worden aangemerkt. Indien niet wordt voldaan aan de eisen van dat artikel heeft dat gevolgen voor de aftrek van de in rekening gebrachte BTW, maar het maakt de factuur niet vals.

Het hof overweegt als volgt:

Daargelaten of een factuur in alle gevallen als vals moet worden aangemerkt indien niet aan alle eisen wordt voldaan die artikel 35 a van de Wet op de omzetbelasting 1968 stelt, is een factuur in ieder geval vals indien deze een onjuiste naam van de afnemer vermeldt of, anders gezegd, onjuist geadresseerd is.

Met het oog op de bestrijding van BTW-fraude heeft een juiste vermelding van de afnemer een essentiële bewijsbestemming. Een factuur die wordt gericht aan een (BTW-plichtige) rechtspersoon in plaats van aan de natuurlijke persoon die geen BTW behoeft af te dragen is een bij uitstek geschikt middel voor het plegen van BTW-fraude.

Hierna zal blijken dat bijna alle facturen die in de tenlastelegging onder feit 5 staan genoemd, in ieder geval op juist dat onderdeel - adressering aan een rechtspersoon als de afnemer in plaats van aan een natuurlijke persoon - vals zijn.

d) Beschikbaar stellen van bescheiden in de zin van artikel 47 AWR

De raadslieden hebben aangevoerd dat, om tot bewezenverklaring te komen van het opzettelijk beschikbaar stellen van valse facturen, ingevolge artikel 47 AWR dient vast te staan dat de vennootschappen van de verdachte verplicht waren om de bewuste facturen over te leggen aan de fiscus. Omdat pas sprake is van een wettelijke verplichting tot het overleggen van stukken indien de Belastingdienst daarom verzoekt zou per factuur de vraag beantwoord moeten worden of deze verplicht en in het kader van een boekenonderzoek ter beschikking is gesteld door de desbetreffende vennootschap.

Ten aanzien van de facturen met betrekking tot de panden [pand 2] te Amsterdam en [pand 4] te 's-Hertogenbosch geldt dat deze facturen - blijkens de opsomming in ambtshandeling AH 44 - niet verkregen kunnen zijn uit het boekenonderzoek bij Merwede Real Estate BV omdat die vennootschap niet betrokken is bij die panden. Daarom zouden deze facturen afkomstig moeten zijn uit een derdenonderzoek. In ambtshandeling AH 44 wordt geen melding gemaakt van de panden [pand 3] te Baambrugge en [pand 6] te Londen, zodat die facturen in ieder geval niet zijn verkregen bij het boekenonderzoek op 2 maart 2006.

Met betrekking tot dit verweer heeft de Belastingdienst op verzoek van het openbaar ministerie bij brief van 23 april 2012 namens de inspecteur van belastingen (bijlage bij de memorie van repliek) - kort samengevat - laten weten dat bijna alle facturen die in de tenlastelegging onder feit 5 worden genoemd bij gelegenheid van een van de twee hiervoor genoemde controles desgevraagd, naar het hof begrijpt: door de desbetreffende vennootschappen, wier administratie immers voorwerp van onderzoek was, ter beschikking zijn gesteld.

De facturen met betrekking tot het pand aan de Rijksstraatweg te Baambrugge vallen buiten de onderzochte periode en zijn niet door de Belastingdienst opgevraagd.

Het openbaar ministerie concludeert hieruit dat alle facturen in het kader van de boekenonderzoeken bij de desbetreffende vennootschappen ter beschikking zijn gesteld met uitzondering van de facturen met betrekking tot het pand aan de Rijksstraatweg te Baambrugge. De controles richtten zich op omzet- en vennootschapsbelasting en de facturen maakten deel uit van de ingeleverde administratie.

* Het hof heeft op basis van het dossier in aanvulling op de bevindingen in genoemde brief van 23 april 2012 van de Belastingdienst vastgesteld dat:

tijdens het boekenonderzoek bij Merwede Real Estate BV op 2 maart 2006 ter beschikking zijn gesteld:175

o de facturen met betrekking tot [pand 1] te Amsterdam, genummerd D47a, D48a, D49a, D50a, D51a, D52a, D54a en D55a,

o alle in de tenlastelegging genoemde facturen met betrekking tot [pand 4] te 's-Hertogenbosch,

o alle in de tenlastelegging genoemde facturen met betrekking tot [pand 5] te Amstelveen,

o de facturen met betrekking tot [pand 2] te Amsterdam genummerd D85a en D85a1,

tijdens het boekenonderzoek op 11 en 13 september 2006 bij onder andere Merwede Group BV en Woodham & Packard Interiors ter beschikking is gesteld; 176

- factuur D 124 met betrekking tot het pand te Londen

* Voorts blijkt dat:177

o de facturen D86a, D87a, D92a, D93a en D94a met betrekking tot [pand 2] door de Belastingdienst zijn aangetroffen bij Merwede te Maarssen; blijkens de eerdergenoemde brief van de Belastingdienst van 23 april 2012, gelezen in combinatie met de brief van 23 april 2012 van de advocaat-generaal aan de Belastingdienst (aangehecht aan de memorie van repliek) is dit tijdens het tweede boekenonderzoek, het hof begrijpt op 11 en 13 september 2006, geschied.

Van de stukken genummerd D53 ([pand 1]), D88a, D89a, D95a en D144a heeft het hof op basis van het dossier niet kunnen vaststellen of deze bij gelegenheid van een van de twee genoemde belastingonderzoeken ter inzage zijn verstrekt. Met betrekking tot het ter beschikking stellen van deze stukken zal dan ook vrijspraak volgen.

Ook ten aanzien van het ter beschikking stellen van valse facturen aan de Belastingdienst met betrekking tot het pand aan de Rijksstraatweg te Baambrugge zal vrijspraak volgen omdat niet gebleken is dat deze stukken bij gelegenheid van een van de boekenonderzoeken ter beschikking zijn gesteld aan de Belastingdienst.

Voor het overige wordt het verweer verworpen.

De afzonderlijke panden

* De verdachte heeft terechtzitting in hoger beroep 178 het volgende verklaard.

In de meeste gevallen die mij onder 5 ten laste zijn gelegd, ging het om privéverbouwingen aan woningen van vrienden van mij. Wie het initiatief daartoe nam, verschilde per geval. Welke vennootschap een factuur betaalde was afhankelijk van de liquiditeit van de vennootschappen. Zowel [J.E.] als [J.B.] hadden daar inzicht in. [J.E.] ging over de vennootschappen die vielen onder de Merwede Group. Ik denk dat [J.E.] uiteindelijk bepaalde welke vennootschap de factuur moest betalen. Hij deed ook de belastingaangiftes bij de fiscus. Ik had geen bemoeienis met de facturering. Het zou wel kunnen dat ik facturen privé heb betaald als er op dat moment geen geld zat in een van mijn vennootschappen. Het is juist dat het om panden gaat waarop geen BTW teruggevraagd kan worden. Dat dat wel is gedaan, is dus onterecht, dat klopt.

1. [pand 3], Baambrugge.

Van het onderdeel van feit 5 dat betrekking heeft op verbouwing van het pand [pand 3] te Baambrugge, moet vrijspraak volgen.

Voor wat betreft het ter beschikking stellen van valse bescheiden aan de Belastingdienst - is dat hiervoor reeds uiteengezet.

Ook van het tweede onderdeel van de tenlastelegging - onjuiste aangifte omzetbelasting - moet vrijspraak volgen.

Zoals volgt uit de ambtsedige verklaring van 19 november 2007 van de controlespecialist bij de Belastingdienst179 zijn met betrekking tot de in de tenlastelegging genoemde kwartalen niet alleen de onderliggende aangiften in het ongerede geraakt maar kan de Belastingsdienst evenmin nog met zekerheid aangeven welke bedragen aan omzetbelasting in aftrek zijn gebracht.

Nu behalve de aangifte ook de gegevens van de omzetbelasting ontbreken is er onvoldoende bewijs voor een onjuiste aangifte.

2. [pand 1] te Amsterdam

* Het pand [pand 1] te Amsterdam werd bewoond door de heer [L.E.]. [L.E.] is de (voormalig) advocaat en een goede vriend van verdachte.180 In maart 2001 werd in opdracht van de heer [P.Z.], op dat moment werkzaam bij Woodham & Packard, een algehele verbouwing aan het pand [pand 1] gestart door H&O Timmerbedrijf.181

* De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep over deze verbouwing onder meer als volgt verklaard:182

[L.E.] was de bewoner en eigenaar van de woning 149hs (het hof begrijpt: [pand 1]) te Amsterdam. Ik wilde de verbouwing aan zijn pand schenken. Hij wilde dit echter niet accepteren en toen heb ik hem een lening verstrekt. Ik heb aan [A.V.] en [C.K.] gevraagd of zij de verbouwing wilden begeleiden en ben zelf niet nauw betrokken geweest bij die verbouwing. Dat er omzetbelasting was teruggevraagd wist ik niet.

* [L.E.] heeft als getuige verklaard :183

Dit pand ([pand 1]) is gesplitst in appartementsrechten. Het pand 149-huis en één hoog zijn van mij en mijn echtgenote. Het pand waar verbouwd is in 2001 door H&O is het pand van [pand 1] op de eerste etage. De opdracht voor zover het de betalingen betrof liep volgens mij via [verdachte]. De afspraak was dat ik een lening kreeg van [verdachte] en dat de verbouwing gefinancierd zou worden door de heer [verdachte]. Daarom zijn de facturen niet naar mij gestuurd.

* De verbouwing is in 2001 verricht door Timmerbedrijf H&O te Amsterdam. De facturen van H&O zijn gericht aan Akragon BV en op de facturen staat : "timmerwerkzaamheden" zonder vermelding van het projectadres.184 Op de factuur van 12 april 2001 staat handgeschreven vermeld: "prima, mits JD akkoord" met de paraaf van [D.B.]185, van februari 1997 tot mei 2005 directeur van Akragon Real Estate, later Merwede Group.

* [A.V.], vanaf 2001 onder andere werkzaam voor de Merwede-vennootschappen , heeft als getuige met betrekking tot [pand 1] verklaard:186

Ik weet dat H&O de verbouwing aldaar heeft verzorgd.

Als hem de facturen D 47b t/m 55 b worden voorgehouden verklaart [A.V.]:

Ik zie dat ik op alle facturen die origineel zijn, dus met uitzondering van 54, dat ik deze voor akkoord heb geparafeerd. Ik zie dat al deze facturen die ik geparafeerd heb zijn gericht aan Akragon. Iemand moet dus tegen mij gezegd hebben dat de facturen op Akragon moesten komen. Ik heb destijds van de boekhouding doorgekregen dat dit Akragon moest worden en zo is het ook uitgevoerd. Ik wist niet beter dan dat [pand 1] in de vennootschap Akragon zat.

* [J.E.] heeft verklaard de facturen pas geboekt en betaald te hebben na goedkeuring van [D.B.] of de verdachte of misschien wel [A.V.]. Als deze facturen betrekking hadden op de [pand 1] te Amsterdam dan hadden deze in ieder geval niet op de Akragontoren geboekt moeten en mogen worden. Deze facturen zijn dus niet juist, aldus [J.E.].187

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de facturen opzettelijk valselijk zijn opgemaakt nu de verbouwing van het pand [pand 1] te Amsterdam, zijnde een privé woonhuis, opzettelijk ten onrechte is gefactureerd aan Akragon BV en op de factuur geen projectadres is vermeld.

Door deze facturen opzettelijk te verwerken in de administratie van Akragon Real Estate BV en Merwede Real Estate BV en deze facturen genummerd D47a (van 12 april 2001, D48a ( van 8 juni 2001) ,D49a (van 28 juni 2001), D50a (van 16 juli 2001), D51a (van 14 augustus 2001, D52a (van 14 augustus 2001, D54a (van 25 september 2001, en D55a (ook van 25 september 2001) en die administratie ter beschikking te stellen aan controleambtenaren van de Belastingdienst is voorts wettig en overtuigend bewezen dat aan de Belastingdienst door deze vennootschappen opzettelijk valse facturen en een valse administratie ter beschikking zijn gesteld.

* In het dossier bevindt zich een door de inspecteur der belastingen te Utrecht uitgereikte en bij deze ingeleverde aangifte omzetbelasting over derde kwartaal van 2001, gedateerd 15-10-2001, afkomstig van Akragon Real Estate BV en ondertekend te Maarssen door [D.B.].188

* Voorts heeft Merwede Real Estate BV aangifte omzetbelasting gedaan over het tweede kwartaal van 2001, zoals blijkt uit de systemen van de Belastingdienst "Jaaroverzichten belastingen" en/of "Integrale Klant Behandeling".189

* [J.E.], van 1998 tot 1 november 2005 als financial controller werkzaam bij de Merwede-vennootschappen en in het bijzonder met de boekhouding van die vennootschappen belast heeft verklaard dat [D.B.] en hij bevoegd waren tot het doen van belastingaangifte voor vennootschappen uit de Merwedegroep. 190

Gelet op de andere zich in het dossier bevindende aangiften omzetbelasting van Merwede-vennootschappen gaat het hof er van uit dat de in het dossier ontbrekende aangiften vennootschapsbelasting met betrekking tot onderdelen van de Merwedegroep door [D.B.] of [J.E.] te Maarssen zijn gedaan en dat deze afkomstig waren van de inspecteur der belastingen te Utrecht.

Door de bovengenoemde valse facturen opzettelijk ten grondslag te leggen aan de aangiften omzetbelasting hebben de daarbij betrokken vennootschappen opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting gedaan.

3 [pand 2], Amsterdam.

* De percelen [pand 2a] en [pand 2] te Amsterdam zijn op 7 september 2000 in één koop gekocht door Merwede Kantoren BV, beide panden samen voor fl. 8.400.000. [pand 2] betreft een woonhuis en [pand 2a] een kantoorpand. [pand 2] is dezelfde dag doorverkocht aan [D.B.], toen directeur van de Merwede Group BV, voor ongeveer fl. 2,9 miljoen. In de periode 2001 tot 2003 zijn beide panden verbouwd door IBC Bouwservice Rotterdam BV (later Heijmans Bouw BV).191

* De verdachte wist dat er werd verbouwd aan de [pand 2a] en [pand 2].192

* Volgens de heer [K.K.], directeur van Heijmans Bouw BV, heeft de Merwede Group in persoon van [D.B.] destijds in 2001 de opdracht voor de verbouwing gegeven. Hij denkt dat [D.B.] ook de verantwoordelijkheid voor de verbouwing droeg.193

In het dossier bevinden zich - onder meer - de volgende facturen:

* D085a (van 30 oktober 2001) is gericht aan Merwede Kantoren en D085a1(ook van 30 oktober 2001) aan Merwede Groep waarbij Merwede Groep is doorgehaald en met de hand gewijzigd in Knt (het hof begrijpt Merwede Kantoren) en waarop geschreven staat : "gebeld om nieuwe fct" (het hof begrijpt: factuur). Onderwerp is [pand 2a] + [pand 2] te Amsterdam.

D086a (van 7 december 2001), D087a (van 24 januari 2002) en D088a (van 25 maart 2002) zijn gericht aan Merwede Kantoren en vermelden als onderwerp "[pand 2a] te Amsterdam; rekening voor het uitvoeren van diverse bouwkundige werkzaamheden. Een en ander conform bijgaande opstellingen". De genoemde bijgaande opstellingen zijn niet bij deze facturen gevoegd.

D089a (van 6 februari 2002) betreft een creditnota gericht aan Merwede Kantoren met als onderwerp [pand 2a] te Amsterdam.

D092a (van 17 juli 2002), D093a (van 19 september 2002) en D094a (van 19 februari 2003) zijn gericht aan Merwede Kantoren. D092a vermeldt voorts als onderwerp Termijnrekening voor het uitvoeren van diverse werkzaamheden e.e.a. conform bijgaande opstelling" (welke opstelling niet bij deze facturen is gevoegd).

D093a (van 19 september 2002) betreft "Rekening voor het uitvoeren van diverse werkzaamheden aan uw pand [pand 2a] te Amsterdam".

D094a (van 19 februari 2002) betreft "slottermijn voor het uitvoeren van diverse bouwkundige werkzaamheden aan uw pand aan de [pand 2a] te Amsterdam".

D144a (van 3 april 2001) is een factuur van [H.H.] gericht aan Merwede Kantoren BV met als onderwerp "Apollolaan, advies inzake verbouwing, decoratie en inrichting" zonder nadere aanduiding.

* [J.E.] heeft als getuige verklaard:194

[pand 2a] is verbouwd door aannemer IBC. De facturen van Heijmans werden ter beoordeling aangeboden aan [C.K.] of [A.V.]. Zij keken of wat op de factuur stond ook gebeurd was. De factuur kwam via [verdachte], [A.V.], [C.K.] of [D.B.] bij mij terecht. [D.B.] parafeerde meestal de facturen [verdachte] deed dat zelden. Als u een factuur heeft zonder paraaf is deze in hoofdlijn afkomstig van [verdachte]. Heijmans heeft ook [pand 2] verbouwd.

Ik heb nooit specificatieoverzichten gezien betreffende de verdeling [pand 2a] en [pand 2]. Volgens mij is er nooit een splitsing per project geweest. Alles werd geboekt op [pand 2a].

Gezien het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de facturen D85a, D85a1, D86a, D87a,D92a en D94a, opzettelijk valselijk zijn opgemaakt nu de verbouwing van het pand [pand 2] te Amsterdam, zijnde een privé woonhuis, opzettelijk ten onrechte is gefactureerd aan Merwede Kantoren BV als een verbouwing aan een bedrijfspand van deze vennootschap.

Door de valse facturen opzettelijk te verwerken in de administratie van Merwede Kantoren BV en de facturen D85a, D85a1, D86a, D87a, D92a, D93a en D94a en administratie ter beschikking te stellen aan controleambtenaren van de Belastingdienst is voorts wettig en overtuigend bewezen dat Merwede Kantoren BV aan de belastingdienst opzettelijk valse facturen en een valse administratie ter beschikking heeft gesteld.

* In het dossier bevinden zich door de inspecteur der belastingen te Utrecht uitgereikte en bij deze ingeleverde aangiften omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2001, gedateerd 28-1-2002 (D150), het eerste kwartaal van 2002, gedateerd 26-4-2002 (D151), het vierde kwartaal van 2002, gedateerd 27-1-2003 (D153) en het eerste kwartaal van 2003, gedateerd 24-4-2003 (D154) afkomstig van Merwede Kantoren BV en ondertekend te Maarssen door [D.B.] (D151 en D154) of [J.E.] (D150 en D153).

* Voorts is er aangifte omzetbelasting gedaan over het tweede kwartaal 2001 van Merwede Kantoren BV afkomstig uit de systemen van de Belastingdienst "Jaaroverzicht belastingen"en/of "Integrale Klant Behandeling".195

* [J.E.], van 1998 tot 1 november 2005 als financial controller werkzaam bij de Merwede-vennootschappen en in het bijzonder met de boekhouding van die vennootschappen belast heeft verklaard dat [D.B.] en hij bevoegd waren tot het doen van belastingaangifte voor vennootschappen uit de Merwedegroep. 196

Gelet op de andere zich in het dossier bevindende aangiften omzetbelasting van Merwede-vennootschappen gaat het hof er van uit dat de aangifte vennootschapsbelasting over het tweede kwartaal 2001 door [D.B.] of [J.E.] te Maarssen zijn gedaan en dat deze afkomstig was van de inspecteur der belastingen te Utrecht.

Door deze valse facturen opzettelijk ten onrechte als verbouwing aan een bedrijfspand in de administratie te verantwoorden heeft Merwede Kantoren BV en deze ten grondslag te leggen aan aangiftes voor de omzetbelasting heeft opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting gedaan.

4. [pand 4], 's-Hertogenbosch.

* Het pand [pand 4] te 's Hertogenbosch is sinds 16 augustus 2002 eigendom van Van Baerle Investments BV te Maarssen. De verdachte is enig aandeelhouder van deze vennootschap. Het beleid in de vennootschap Van Baerle Investments werd feitelijk door de verdachte bepaald. De administratie werd gedaan door [J.B.].197

Sinds juli 2003 wordt het pand bewoond door [I.E.], een vriendin van de verdachte. In de periode september 2002 tot en met april 2004 is het pand [pand 4] verbouwd door Bouwbedrijf Van den Bouwhuijsen.

De verdachte heeft verklaard dat de inrichting van het pand Brede Haven te 's Hertogenbosch is gedaan door [K.V.], een interieurarchitect. [K.V.] zou het project begeleiden. Het is mogelijk dat de verdachte zelf telefonisch contact heeft gehad met Aarts van het Aannemingsbedrijf Van den Bouwhuijsen, maar dit zal minimaal geweest zijn. Verdachte is één of twee maal bij de verbouwing aanwezig geweest. 198

* De verdachte heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard:

Van Baerle Investments is een vennootschap van mij. Het pand aan [pand 4] te 's-Hertogenbosch zit daarin. Mijn vriendin woont daar. Er zijn door haar twee offertes opgevraagd en er is één gekozen. Ik heb twee offertes gezien, volgens mij ook met een beschrijving van wat er zou gebeuren.199

In de periode september 2002 tot en met april 2004 is het pand [pand 4] verbouwd door Bouwbedrijf Van den Bouwhuijsen.

* [A.A.], uitvoerder en projectleider bij Van den Bouwhuijsen BV, heeft onder meer verklaard:

Op de vraag wie hem opdracht heeft gegeven voor de verbouwing:

Voor zover ik weet [K.V.]. Ik denk dat hij weer opdracht heeft gehad van [verdachte]. Ik denk dit omdat ik voor de allereerste keer op locatie [verdachte] heb getroffen. De rest van het project heb ik alleen [K.V.] getroffen.

Op de vraag met wie hij contact had tijdens de verbouwing:

Altijd met [K.V.]. Ik heb tijdens het project wel telefonisch contact gehad met [verdachte]. Het idee is dat [verdachte] de baas was van het project en hij gaf [K.V.] de vrije hand.200

* In het dossier bevindt zich een aantal facturen van Van den Bouwhuijsen Bouwbedrijf BV gericht aan Merwede Monumenten BV te Maarsen met de vermelding 'Betreft: [pand 3a] te Amsterdam).201 Op een aantal facturen staan handgeschreven notities:

- geboekt in rek.ca 75.000 [verdachte];202

- 24/12/02 bet. 15.500 via mb JDP;203

- Via JDP 24/02/03;204

- [verdachte];205

- Bet. Via JDP;206

- 16.700 betaald via AH=JDP ntb 7100via JDP;207

- Via AH 31/3/3 [verdachte];208

- Jack, deze is al betaald? Betaald via JDP;209

- Betaald via [verdachte];210

- Bet. via JDP;211

- JD AKK? Betaald svp boeken via rc JD privé;212

- Bet 1-9-2003 JDP.213

De handgeschreven notities, voor zover deze zien op privé betalingen van verdachte komen in grote lijnen overeen met privé overboekingen van de rekening van verdachte te Maarssen (overboeking van 20 november 2002) en te [pand 6] Londen naar Van den Bouwhuijsen op 1 en 16 april 2003, 20 mei 2003, 20 juni 2003 (twee maal), 23 augustus 2003 en 6 september 2003. De rekeningen zijn dus deels door verdachte privé en deels door vennootschappen betaald waarvan verdachte enig aandeelhouder was.214

* De verdachte heeft ter terechtzitting desgevraagd bevestigd dat de handtekening op de

overschrijving (D070-cl) van hem is.215

Gezien het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de facturen D56b tot en met D74b opzettelijk valselijk zijn opgemaakt nu de verbouwing van het pand [pand 4] te 's-Hertogenbosch, zijnde een privé woonhuis, opzettelijk ten onrechte is gefactureerd aan Merwede Monumenten BV als ging het om een verbouwing aan een bedrijfspand van deze vennootschap.

Door deze valse facturen opzettelijk te verwerken in de administratie van Merwede Monumenten BV en deze facturen en administratie ter beschikking te stellen aan controleambtenaren van de Belastingdienst is voorts wettig en overtuigend bewezen dat Merwede Monumenten BV aan de Belastingdienst opzettelijk valse facturen en een valse administratie ter beschikking heeft gesteld.

* In het dossier bevinden zich door de inspecteur der belastingen te Utrecht uitgereikte en bij deze ingeleverde Aangiften omzetbelasting over september 2002, gedateerd 14-10-2002, december 2002, gedateerd 23-1-2003, februari 2003, gedateerd 26-3-2003, maart 2003, gedateerd 22-4-2003, april 2003, gedateerd 26-5-2003, mei 2003, gedateerd 27-6-2003, juni 2003gedateerd 25-7-2003, juli 2003, gedateerd 25-8-2002, augustus 2003, gedateerd 24-9-2003, oktober 2003, gedateerd 25-11-2003, november 2003, gedateerd 19-12-2003 en april 2004, gedateerd 26-5-2004, alle afkomstig van Merwede Monumenten BV en ondertekend te Maarssen door [D.B.] of [J.E.].216

Door deze valse facturen opzettelijk ten onrechte als verbouwing van een bedrijfspand in de administratie te verantwoorden en deze vervolgens ten grondslag te leggen aan aangiftes voor de omzetbelasting heeft Merwede Monumenten BV opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting zijn gedaan.

5. [pand 5], Amstelveen

* Het pand [pand 5] te Amstelveen is blijkens de akte van levering sinds 1 oktober 1999 persoonlijk eigendom van de verdachte. Sinds januari 2003 wordt het pand bewoond door de heer [T.V.] en diens partner. [T.V.] is al jaren bevriend met de verdachte.217

* Bewoner [T.V.] heeft onder meer verklaard:

Dit pand is eigendom van [verdachte] en ik huur het sinds december 2002 van hem. Ik heb inspraak gehad in de verbouwingen en mijn ideeën zijn doorgevoerd. De aannemers zijn aangedragen door [verdachte]. De betalingen zouden via [verdachte] lopen. De ideeën die ik had zijn met [verdachte] besproken en aan de hand van deze ideeën zijn de verbouwingen verricht. Er is eigenlijk in overleg met [verdachte] verbouwd. Ik heb niets te maken gehad met de betalingen van de verbouwingen. De uiteindelijke opdracht tot de verbouwing van het pand [pand 5] werd door [verdachte] gegeven aan de aannemer.

De contacten met [N.K.] werden onderhouden door zowel [verdachte], ik, als mijn partner.

De kosten van de verbouwing zijn geheel betaald door [verdachte]. Ik heb zelf nooit rekeningen gezien van de aannemer. [verdachte] heeft alles betaald.218

* [N.K.] (directeur van aannemersbedrijf [V.M.]) heeft onder meer verklaard:

[verdachte] heeft opdracht gegeven via [C.K.] om de opdracht op In de Wolken te doen. Door betalingsproblemen heb ik het werk stilgelegd. Ik ben destijds door [verdachte] op de Wenckenbachweg, op zijn kantoor uitgenodigd voor een gesprek. [A.V.] was daarbij. [verdachte] wilde dat het werk doorging en heeft gezorgd dat er betaald werd. Mijn boekhouder kreeg via [A.V.] iedere keer door waarop de factuur moest komen te staan.

Voor alle projecten van [verdachte] was [C.K.] ons aanspreekpunt. Voor alle projecten van [verdachte] was [A.V.] de boekhouder. Vaak verliep de betalingstermijn en dan moest de factuur ineens in opdracht van [J.E.] of [A.V.] op een ander adres.219

* In het dossier bevinden zich facturen van [V.M.] Aannemingsbedrijf BV gericht aan Akragon BV ter attentie van [J.E.] zonder vermelding van het projectadres en met de omschrijving "diverse uitgevoerde werkzaamheden" en een factuur van Rob Woud Inbouwapparatuur gericht aan M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein.220

Op factuur D32a staat de paraaf van [D.B.] met in grote letters daarop geschreven: "wat is dit?". Op factuur D44a staat de paraaf van de verdachte.

* [J.E.] heeft als verdachte onder meer verklaard:

Ik heb met [V.M.] contacten gehad voor Merwede betreffende facturen en de betalingen daarop. Mijn naam en adres staan op de factuur D32 (aan Akragon BV) maar ik kan me deze niet herinneren. Ik wil opmerken dat alle facturen betreffende dit soort bedragen ( hof: de factuur D32 bedraagt f 250.000,00 ) eerst ter goedkeuring worden voorgelegd en/of besproken met [D.B.] of [verdachte]. Als er geen project op de factuur staat, dan weet ik natuurlijk niet waarop de factuur betrekking heeft. Als de factuur goedgekeurd was, werd deze geboekt op de vennootschap waaraan de factuur geadresseerd is. Ik boekte slechts na goedkeuring.221

* [A.V.] heeft verklaard:

Ik zie dat op de originele getoonde facturen D 32b,34b,35b tot en met 39b, niet vermeld staan waar het werk heeft plaatsgehad. Ik zie, nu u dat aangeeft, dat wel op de kopiefacturen, waarvan u zegt dat ze bij [V.M.] vandaan komen, wel staat vermeld waar de werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Ik zie dat ik factuur D34b heb geparafeerd voor akkoord. Op D38b herken ik de paraaf van [D.B.] en lees de vraag: "wat is dit?".

[J.E.] was de boekhouder. Ik keurde alleen facturen goed om te kijken of deze conform werk waren uitgevoerd.222

Gezien het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de facturen D32a en D34a tot en met D39a en D44a opzettelijk valselijk zijn opgemaakt nu de verbouwing aan het pand [pand 5] te Amstelveen, zijnde een privé woonhuis, opzettelijk ten onrechte is gefactureerd aan Akragon BV (D32a en D34a tot en met D39a) en aan M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein BV (D44a).

Door deze valse facturen opzettelijk te verwerken in de administratie van Akragon Real Estate BV en de Maatschappij tot in standhouding en exploitatie van de Ridderhofstad Bolenstein BV en deze facturen en administratie ter beschikking te stellen aan controleambtenaren van de Belastingdienst is voorts wettig en overtuigend bewezen dat deze vennootschappen aan de Belastingdienst opzettelijk valse facturen en een valse administratie ter beschikking hebben gesteld.

* In het dossier bevinden zich door de inspecteur der belastingen te Utrecht uitgereikte en bij deze ingeleverde aangiften omzetbelasting over het derde kwartaal 2001, gedateerd 15-10-2001, het vierde kwartaal 2001, gedateerd 17-1-2002, het eerste kwartaal 2002, gedateerd 23-4-2002 en het vierde kwartaal 2002 afkomstig van Akragon Real Estate BV en ondertekend te Maarssen door [D.B.] of [J.E.] alsmede over het vierde kwartaal 2000 en het tweede kwartaal 2001 afkomstig uit de systemen van de Belastingdienst "Jaaroverzichten omzetbelasting" en/of "Integrale Klant Behandeling".223

* [J.E.], van 1998 tot 1 november 2005 als financial controller werkzaam bij de Merwede-vennootschappen en in het bijzonder met de boekhouding van die vennootschappen belast heeft verklaard dat [D.B.] en hij bevoegd waren tot het doen van belastingaangifte voor vennootschappen uit de Merwedegroep. 224

Gelet op de andere zich in het dossier bevindende aangiften omzetbelasting van Merwede-vennootschappen gaat het hof er van uit dat de aangiften vennootschapsbelasting over het vierde kwartaal 2000 en het tweede kwartaal 2001 door [D.B.] of [J.E.] te Maarssen zijn gedaan en dat deze afkomstig waren van de inspecteur der belastingen te Utrecht.

De aangifte D149 betreft het vierde kwartaal van 2002 en is gedateerd op 22 januari 2003. Nu deze datum valt buiten de ten laste gelegde periode volgt vrijspraak voor zover het gaat om de aangifte over dat kwartaal.

* Voorts bevinden zich in het dossier de door de inspecteur der belastingen te Amsterdam uitgereikte en bij deze ingeleverde aangifte omzetbelasting over augustus 2001 afkomstig van de M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein, gedateerd 26-9-2001 en te Maarssen ondertekend door [J.B.] (D170). Voorts is er aangifte omzetbelasting gedaan over juli 2001 zoals blijkt afkomstig uit de systemen van de Belastingdienst "Jaaroverzichten omzetbelasting" en/of Integrale Klant Behandeling".

Gelet op de verklaring van [J.B.] met betrekking tot zijn bevoegdheden in verband met de M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein225, gaat het hof er van uit dat hij de aangifte over juli 2001 te Maarssen heeft ondertekend.

Door de bovengenoemde valse facturen opzettelijk ten onrechte als verbouwing van een bedrijfspand in de administratie te verantwoorden en deze vervolgens ten grondslag te leggen aan aangiftes voor de omzetbelasting hebben Akragon Real Estate BV en M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting hebben gedaan.

6. [pand 6] Londen

* In de periode van week 47 tot en met week 52 in 2001 hebben schilderwerkzaamheden aan de binnenzijde van dit pand plaatsgevonden door schilders van Woodham & Packard BV, een bedrijf van verdachte. In totaal hebben vier schilders in het pand gewerkt. [H.B.], voorman, heeft verklaard dat hij de woning van verdachte heeft geschilderd. Hij heeft dat samen met drie andere schilders, te weten [R.B.], [W.W.] en [L.L.] gedaan. De opdracht het pand in London te schilderen is ontvangen van [A.V.]. De opdrachten ter plaatse hebben zij gekregen van de bewoonster van het pand, de echtgenote van verdachte, alsmede van een architect ([K.V.]). De schilders hebben de werkbriefjes ingeleverd bij [A.V.].226

* In het dossier (D124) bevindt zich een factuur voor een bedrag van (het hof begrijpt:

€ 50.373,03 (inclusief 19% BTW) van Woodham & Packard Interiors BV gericht aan M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein BV van 30 januari 2002 betreffende schilderwerkzaamheden in de weken 47 t/m 52 en meubelmakerswerk. Een werklocatie is niet vermeld ("betreft: Woodham & Packard, projectnummer: n.v.t.") 227

* De verdachte heeft hierover onder meer verklaard:

Het is mijn huis. Het klopt dat er is geschilderd in dit pand. De eerste twee weken waren er drie schilders. Die kregen ruzie en het is toen door twee schilders afgemaakt. Ik heb een flat voor ze gehuurd en heb alle verf en materialen zelf gekocht. De factuur is naar M.I.E Ridderhofstad gegaan.

U houdt mij een factuur van Woodham & Packard Interiors voor (D124). Het is juist dat mijn handtekening op dit document staat.228

* [A.V.] heeft verklaard:

Dat er gefactureerd is aan Bolenstein heb ik destijds gevraagd aan de administratie of boekhouder, Jack [J.E.]. Het is niet vreemd voor mij dat dit pand in Londen valt onder M.I.E. Bolenstein. Door deze mensen is destijds ook heel veel gewerkt in Bolenstein."229

* [J.B.] heeft met betrekking tot de factuur D124 verklaard:

Ik herken de paraaf (op die factuur) als die van [verdachte]. Elke factuur die ik krijg geef ik [verdachte]. Het is meer een paraaf voor gezien, dan voor accoord. Ik weet niet in wiens opdracht Woodham deze factuur gemaakt heeft.230

Gezien het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de factuur D124 opzettelijk valselijk is opgemaakt nu de schilderwerkzaamheden in het pand [pand 6] te Londen, zijnde een privé woonhuis, opzettelijk ten onrechte zijn gefactureerd aan de M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein BV.

* In het dossier bevindt zich een door de inspecteur der belastingen uitgereikte en bij deze ingeleverde aangiften omzetbelasting over juni 2003 afkomstig van de M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein BV ondertekend door [J.B.]231 . Ook over de maand januari 2002 is aangifte omzetbelasting gedaan zoals blijkt uit de systemen van de Belastingdienst "Jaaroverzichten omzetbelasting" en/of Integrale Klant Behandeling". 232

Gelet op de verklaring van [J.B.] met betrekking tot zijn bevoegdheden in verband met de M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein233, gaat het hof er van uit dat hij de ontbrekende aangifte over januari 2002 te Maarssen heeft ondertekend.

Door de bovengenoemde valse factuur opzettelijk ten onrechte als werkzaamheden aan een bedrijfspand in de administratie te verantwoorden en deze vervolgens ten grondslag te leggen aan aangiftes voor de omzetbelasting heeft M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein BV opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting zijn gedaan.

Het strekkingsvereiste

* De Belastingdienst heeft berekend dat de onjuiste aangiftes een fiscaal nadeel hebben opgeleverd234. Dat het doen van die onjuiste aangiftes strekte tot het heffen van te weinig belasting, staat daarmee vast. Het hof acht voorts bewezen dat ook het ter beschikking stellen van de onderliggende, valse facturen en de administratie waarin die facturen zijn verwerkt aan medewerkers van de Belastingdienst daartoe strekt.

De verdediging heeft het verweer gevoerd dat met betrekking tot dit schilderwerk niet is voldaan aan het strekkingsvereiste dat inhoudt dat fiscale feiten pas strafbaar zijn indien het feit ertoe strekt dat er te weinig belasting wordt geheven. De Nederlandse fiscus heeft geen nadeel ondervonden omdat, nu het ging om een verbouwing van in Engeland gelegen onroerend goed, geen Nederlandse maar Engelse BTW verschuldigd was, welke verdachte in Engeland als privé persoon niet in aftrek had kunnen brengen. Voor de Nederlandse fiscus was het resultaat alsdan nihil geweest omdat zij geen recht had op BTW-ontvangsten en er ook geen aftrek van Nederlandse BTW zou zijn geclaimd.

Het hof volgt de raadslieden hierin niet.

Vastgesteld kan worden dat er in Nederland BTW in rekening is gebracht bij MIE Bolenstein BV terwijl het ging om privé-uitgaven. Die BTW had dus niet in aftrek mogen worden gebracht in de aangiften voor de omzetbelasting van MIE Bolenstein. Nu dat wel is gebeurd, is te weinig belasting geheven. Dat de werkzaamheden in Londen hebben plaatsgevonden doet daar niet aan af.

Het in hoger beroep gevoerde verweer met betrekking tot het schilderwerk aan [pand 6] betreft de rol van de verdachte en komt hierna aan de orde.

Gaf de verdachte opdracht tot of feitelijk leiding aan de door de rechtspersonen gepleegde verboden gedragingen?

De vraag die het hof nog moet beantwoorden is of verdachte moet worden beschouwd als degene die opdracht gaf tot de door zijn vennootschappen gepleegde verboden gedragingen dan wel of hij aan die gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven.

De verdachte was - zoals eerder vermeld - de feitelijke eigenaar van alle vennootschappen waaraan de hiervoor als vals aangemerkte facturen waren gericht. De verdachte had - zo blijkt uit de verklaringen van zowel [J.B.], [J.E.] als [D.B.] beslissende invloed op hetgeen er binnen deze vennootschappen gebeurde.

* [J.E.] heeft op 30 juli 2010 verklaard: 235

Ik heb bij [naam] gewerkt, te beginnen als assistent accountant. Een van opdrachtgevers was Mediamax van [verdachte]. Het zal in1990 zijn geweest zijn dat ik met hem in contact kwam. In april 2000 werd Mediamax verkocht. In september 2001 werd ik bij [verdachte] administrateur. Ik ben directeur van 30 of 40 Nederlandse vennootschappen van [verdachte].

De feitelijke bestuurder en degene die het voor het zeggen heeft in deze ondernemingen is natuurlijk [verdachte]. Hij geeft feitelijk leiding. Met uitzondering van kleine beslissingen - bijvoorbeeld of een reparatie waarover ik zelf mag beslissen moet worden uitgevoerd - beslist [verdachte]; in feite beslist hij over alles.

Mijn verantwoordelijkheden zijn nergens in vastgelegd. U moet mij meer zien als financial controller.

* [J.E.] heeft als getuige op 17 december 2007 onder meer het volgende verklaard.236

In ben bij de Merwede Group eind 1988 begonnen als financieel controller. Per 1 november 2005 heb ik de Merwede Group verlaten.

Merwede Group is de moedermaatschappij van alle onderliggende vennootschappen. [D.B.] was directeur maar [verdachte] nam de beslissingen. Voor mij was [verdachte] mijn uiteindelijke baas. Voor de dagelijkse dingen was [D.B.] mijn baas.

* In hoger beroep heeft [J.E.] als getuige tegenover de raadsheer commissaris op 13 januari 2012 onder meer verklaard: 237

Binnen Merwede had ik af en toe contacten rechtstreeks met [verdachte]. Dat was vooral vanaf 2001-2002, toen er liquiditeitsproblemen ontstonden. Er werd dan besproken, tussen [verdachte], [D.B.] en mij, welke rekeningen er betaald konden worden. Paarbergs stem was daarin beslissend. Daarbij werd dan besproken door welke vennootschap de rekening betaald zou worden. Indien de rekening ten behoeve van een andere vennootschap was, werd dat in rekening courant geboekt

* De verklaring van [J.B.] als getuige luidt onder meer als volgt.238

Van 2001 tot medio 2004 was ik administrateur voor diverse vennootschappen van [verdachte] te weten Cantor Holding en de Maatschappij tot Instandhouding en Exploitatie van de Ridderhofstad Bolenstein BV, Bergvalk II, JDP Holding, Belgrave Estates BV, Meander Pension Fund, Valley Bead BV, Amabo BV, Parade Monumenten BV en Merwede Participaties BV. Vanaf medio 2004 ben ik tevens directeur van voornoemde vennootschappen geworden.

De heer [verdachte] is mijn baas. Ik ben directeur van diverse vennootschappen van [verdachte]. Ik heb bij beslissingen voor deze vennootschappen altijd overleg met de heer [verdachte]. In mijn periode voordat ik directeur was, ik was administrateur, had ik contact met de directeur van destijds [D.B.] en eveneens met [verdachte].

* Tegenover de raadsheer commissaris heeft [J.B.] als getuige in hoger beroep onder meer verklaard: 239

Met betrekking tot de niet-Merwede vennootschappen legde ik alle binnengekomen rekeningen aan [verdachte] voor voor akkoord. Rekeningen waar hij niet akkoord mee kon gaan werden in een aparte map gedaan en dan werd er overleg gepleegd met degene die de rekening gestuurd had. Ik wilde dat [verdachte] van die rekeningen op de hoogte was en dat daar later geen gezeur over kwam. Ik deed dat uit mijzelf. Dat had hij mij niet gevraagd en hij heeft mij ook nooit gezegd dat het niet hoefde. Als er grote betalingen moesten plaatsvinden, werd er altijd gekeken bij welke vennootschappen er geld was om deze betaling te verrichten.

Het verschil tussen de Merwede en de niet-Merwede groepen was dat de Merwede groepen door een accountant werden gecontroleerd en de niet-Merwede groepen niet. Dat was voor mij ook de reden om alle rekeningen aan [verdachte] voor te leggen.

Het hof overweegt het volgende.

Voor het antwoord op de vraag of het de verdachte, evenals zijn vennootschappen, kan worden verweten dat er valse facturen in de administratie zijn opgenomen met behulp waarvan ten onrechte vooraftrek omzetbelasting is geclaimd, is onder meer van belang dat het hier gaat om verbouwingen van panden waar in de periode waarop de tenlastelegging betrekking heeft vrienden van hem woonden of waar hij zelf woonde (Londen) of zijn zakenpartner [D.B.] ([pand 2]).

De kosten van die verbouwingen waren aanzienlijk (van ongeveer € 100.000 tot meer dan

€ 600.000) en in alle gevallen was de verdachte privé bij die verbouwingen betrokken, in ieder geval als degene die (met uitzondering van [pand 2]) opdracht gaf tot de verbouwing en deze betaalde.

Meer specifiek geldt, per pand samengevat, het volgende, ontleend aan de verklaringen en documenten die hiervoor per pand zijn genoemd of aangehaald.

[pand 1], Amsterdam

De bewoner was bevriend met de verdachte. De betalingen liepen via de verdachte en de bewoner ontving geen facturen. Op een van de facturen staat vermeld : "prima, mits JD akkoord".

[pand 4], 's-Hertogenbosch.

Dit pand is eigendom van een van de vennootschappen van de verdachte en werd bewoond door een vriendin van de verdachte. De offertes zijn door de verdachte gezien. De aannemer had overleg met de projectleider en met de verdachte. Op veel van de facturen staan aantekeningen die verwijzen naar de verdachte (het hof gaat er van uit dat de initialen JDP en JP verdachte betreffen). Een aantal facturen is door de verdachte privé betaald.

[pand 5], Amstelveen.

Dit pand is privé eigendom van de verdachte en de bewoner is met hem bevriend. Volgens de bewoner betaalde de verdachte de verbouwingen volledig en was de verdachte nauw betrokken bij de verbouwing. Op één van de facturen staat de paraaf van de verdachte.

[pand 2], Amsterdam

De verdachte was op de hoogte van de verbouwing en had, in ieder geval zakelijk, regelmatig contact met de bewoner/gebruiker van beide panden. Blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 april 2010 (die hiervoor is samengevat) heeft hij de rekeningen met betrekking tot deze verbouwing gezien.

[pand 6], Londen

Dit pand is van de verdachte zelf.

De verdediging heeft in hoger beroep met betrekking tot dit pand aangevoerd dat de verdachte zich mogelijk heeft vergist nu in dezelfde periode een ploeg schilders op kasteel Bolenstein aan het werk was. Omdat Woodham & Packard ook een vennootschap was van de verdachte werden de facturen, gelet op het "vestzak-broekzakgehalte" om die reden minder gecontroleerd.

Een dergelijke vergissing ligt volgens het hof niet voor de hand. Het hof onderschrijft de redenering van het openbaar ministerie bij requisitoir in hoger beroep:

Bij Woodham & Packard waren maar vier of vijf schilders in dienst en twee timmerlieden.

Tenminste vier van de schilders hebben in Londen gewerkt. Niet duidelijk is hoe de schilders in dezelfde periode op twee plekken gewerkt kunnen hebben. Verder is het de verdachte niet ontgaan dat er schilderwerk is verricht aan zijn woning in Londen - hij heeft zelfs een flat voor de schilders gehuurd 240 - zodat het hem evenmin kan zijn ontgaan dat hem daarvoor nooit een rekening in privé is bezorgd.

De verdachte heeft de rekening van 30 januari 2002 voor het werk in de vijf laatste weken van 2001 gezien en er zijn handtekening op gezet. Naar het oordeel van het hof had het op de weg van de verdachte gelegen om - zeker nu Woodham & Packard een bedrijf uit zijn eigen stal was en de werkzaamheden aan zijn eigen woning waren verricht - het ontbreken van een deugdelijke omschrijving van de objectlocatie te bespreken met zijn medewerkers en ze te onderhouden over de onwenselijkheid van een dergelijke handelwijze. Dat heeft de verdachte nagelaten. Dat valt hem te meer te verwijten nu problemen met facturen ten aanzien van andere feiten (In de Wolken, Apollolaan, Brede Haven) die door het hof bewezen zullen worden verklaard zich - in elk geval deels - daarna hebben voorgedaan.

Met betrekking tot de facturering geldt het volgende.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de verbouwingen door een van zijn vennootschappen werden betaald, afhankelijk van de liquiditeit van die vennootschappen. Volgens [N.K.], aannemer bij de verbouwing van [pand 3], Amstelveen, kon dat er toe leiden dat tijdens de verbouwing de namen van de vennootschappen waarop de factuur moest worden geadresseerd enkele malen wisselden.241 De verdachte was dus op de hoogte van de praktijk dat de verbouwingen op naam van een van zijn vennootschappen werd gefactureerd en niet aan degene ten behoeve van wie de verbouwing plaatsvond, zoals is vereist. Nu de verdachte ook wist dat de keuze van de vennootschap waarop werd gefactureerd daarbij door de mate van liquiditeit van de vennootschap werd bepaald, moet de verdachte hebben geweten dat er door zijn vennootschappen valse facturen werden opgemaakt en heeft hij daaraan als eigenaar van de vennootschappen feitelijk leiding gegeven.

Dat de verdachte in een aantal gevallen ook daadwerkelijk betrokken was bij de facturering en de betalingen, blijkt uit de hiervoor aangehaalde verklaringen van [J.E.] en [J.B.] alsmede uit de aantekeningen op verschillende facturen en andere documenten zoals deze hiervoor bij de behandeling van de verschillende panden zijn aangehaald.

Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is ook sprake van feitelijk leiding geven aan een verboden gedraging van een rechtspersoon indien de eigenaar van die vennootschap maatregelen ter voorkoming van de verboden gedraging door de vennootschap achterwege laat hoewel hij daartoe bevoegd is en redelijkerwijs gehouden en hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen en op die manier de gedraging bevordert. In het licht van deze opvatting van de Hoge Raad geldt ten aanzien het tweede verwijt aan de verdachte, het leiding geven aan het doen van valse belastingsaangiften door zijn vennootschappen, het volgende.

De fiscale afwikkeling van de verbouwingen liet de verdachte over aan zijn medewerkers, met name aan [J.E.] en [J.B.]. Dat op grote schaal met behulp van de facturen ten onrechte vooraftrek omzetbelasting is geclaimd, zegt de verdachte niet te hebben geweten.

Het bewust ontlopen van de verantwoordelijkheid toezicht te houden op de fiscale afwikkeling van de verbouwingen kan de verdachte als eigenaar van de vennootschappen ernstig worden verweten nu het gaat om verbouwingen van panden, die voor een deel zijn eigendom waren en waar in een aantal gevallen sprake was van een vriendendienst, in die zin dat de verdachte de verbouwing betaalde dan wel daarvoor een lening verschafte. Daar komt bij dat de verdachte, zo blijkt uit de verklaringen van de bewoners van de te verbouwen panden, zelf betrokken was bij de verbouwingen door het geven van opdrachten aan de aannemers en de toezegging dat hij voor betaling zorg zou dragen. De bewoners zelf kregen nooit een factuur te zien en kregen ook geen informatie over de wijze van betaling.

Voor wat betreft het pand aan de [pand 2] te Amsterdam geldt die persoonlijke betrokkenheid mogelijk in mindere mate. Maar vanwege zijn kennis van de verbouwing, de hem bekende wenselijkheid van een strikte scheiding van de facturering tussen beide panden ([pand 2a] en [pand 2] te Amsterdam), heeft de verdachte dezelfde verantwoordelijkheid voor de juiste fiscale afwikkeling van die verbouwing als hij heeft ten aanzien van de verbouwing van de andere panden.

Nu de verdachte ontkent dat hij op de hoogte was van de aangiften waarmee ten onrechte aftrek van omzetbelasting werd geclaimd en hij deze aangiften ook niet heeft ondertekend kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat hij heeft geweten dat die aangiften zijn gedaan. Toch heeft de verdachte ook aan het doen van die aangiften feitelijk leiding gegeven. Hij heeft maatregelen ter voorkoming van het doen van die aangiften achterwege gelaten hoewel hij daartoe bevoegd was en redelijkerwijs gehouden. Daardoor heeft hij de aanmerkelijke kans aanvaard dat (medewerkers van) zijn vennootschappen dergelijke aangiften zouden doen.

De verdachte was zonder meer gehouden maatregelen te nemen ter voorkoming van die valse aangiften door zijn vennootschappen. Die gehoudenheid vloeit in de eerste plaats voort uit de verantwoordelijkheid die een eigenaar/bestuurder in het algemeen heeft voor een juiste financiering en fiscale afwikkeling van de diensten die zijn vennootschap verricht, maar die verantwoordelijkheid weegt in dit geval, waar het gaat om verbouwingen van panden met een duidelijk privékarakter, waarbij de verdachte ook als privé persoon nauw betrokken was als opdrachtgever en financier, zwaarder. Dat de verdachte wetenschap had van de onjuiste facturering op een van zijn vennootschappen legt nog meer accent op zijn gehoudenheid maatregelen te nemen ter voorkoming van valse belastingaangiften, nu valse facturen op naam van een rechtspersoon bij uitstek geschikt zijn om valse aangiften voor de omzetbelasting mogelijk te maken.

Bij dupliek in hoger beroep heeft de verdediging op dit onderdeel nog het volgende aangevoerd.

[verdachte] was, in de periode waarop de verdenkingen zien, eigenaar van vele vennootschappen, naar schatting 100. Hij had veel panden als eigenaar in beheer. Verdachte had ruim 450 werknemers in dienst die voor hem werkzaamheden verrichtten binnen de vennootschappen en ten behoeve van het onroerend goed. Deze cijfers geven aan dat het niet mogelijk is om binnen deze vennootschappen en over deze werknemers de dagelijkse leiding te hebben. Verdachte bemoeide zich dan ook niet met de dagelijkse leiding op het detailniveau van de omschrijving van de facturen en de boeking daarvan bij de verschillende werkmaatschappijen.

Dit verweer brengt geen verandering in het oordeel van het hof.

Het totaal aantal medewerkers van verdachte is hier niet van belang, nu verdachte zelf steeds de vier eerder genoemde medewerkers als verantwoordelijken aanduidt voor de zaken die hem onder feit 5 worden verweten.

Juist gelet op het grote aantal vennootschappen met hun ingewikkelde - ook fiscaal - niet optimaal transparante structuur, diende de verdachte te meer bedacht te zijn op een zorgvuldige afwikkeling van de facturering en fiscale afwikkeling.

De verdachte heeft niet alleen de dagelijkse leiding aan anderen overgelaten maar ook nagelaten duidelijke instructies te geven die de verboden gedragingen door zijn vennootschappen hadden kunnen en moeten verhinderen.

Hij maakte wel een bewuste keuze door de verbouwingen te (laten) factureren op naam van een van zijn vennootschappen, afhankelijk van de liquiditeit van die vennootschappen, en dient vanuit zijn functie de verantwoordelijkheid voor de gevolgen van die keuze te dragen.

De conclusie luidt dat verdachte ook aan het doen van valse belastingaangiftes door zijn vennootschappen feitelijk leiding heeft gegeven.

Redengevende feiten en omstandigheden en bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 6

Op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast.

* In het dossier bevindt zich een brief van Vijverhof Holding BV (hierna: Vijverhof) van 13 september 2001 ondertekend met "Sjoerd" (het hof begrijpt: [medeverdachte S]), welke brief - strikt persoonlijk en vertrouwelijk - is gericht aan de verdachte.242 In deze brief heeft [medeverdachte S] het volgende geschreven:

In de huidige situatie zouden mijn aandelen Tout Frais (het hof begrijpt: Tout Frais B.V.) voor ƒ 2.000.000,-- aan jou worden verkocht onder gelijktijdige verrekening van een gedeelte van de openstaande schuld. Zulks betekent dat hierop een fiscale claim op mij in privé van 25% volgt. Een extra last van ƒ 500.000 in privé, naast andere tegenslagen uit het verleden, is buitengewoon zwaar (om het maar voorzichtig te zeggen).

[medeverdachte S] stelt in diezelfde brief - kort gezegd - voor om de aandelen in Tout Frais B.V. (verder te noemen: Tout Frais) tegen de helft van het eigen vermogen per 31 december 2000 over te dragen aan Cantor Holding B.V. (verder te noemen: Cantor). Dit komt volgens hem neer op een bedrag van 546.500,-- gulden. Dit bedrag kan volgens [medeverdachte S] worden verrekend met de vordering van Cantor op Vijverhof. Op haar beurt verkoopt Cantor de aandelen aan PG Management Consulting BVBA (hierna: PG Management Consulting) tegen het overeengekomen bedrag en verrekent het restant 'stilzwijgend' met de vordering Talkies, zo stelt [medeverdachte S] vervolgens voor.243

* De verdachte erkent dat deze brief in zijn kantoor op Bolenstein is aangetroffen.244

* De verdachte is naar eigen zeggen de beneficial owner van Cantor, door middel van een holding waarvan Cantor een dochter is. Hij heeft verklaard de feitelijke leiding en de zeggenschap binnen Cantor te hebben en de grote lijnen te bepalen. De verdachte koopt en verkoopt aandelen voor Cantor.245

* Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bevestigd dat hij de feitelijk leidinggever is van Cantor en voorts dat [medeverdachte S] de eigenaar is van Vijverhof.246

* Op 2 oktober 2001 heeft [medeverdachte S] door middel van een notariële akte daadwerkelijk zijn aandelen in Tout Frais aan Cantor verkocht en geleverd.247

* De akte, waarbij de aandelen Tout Frais BV zijn geleverd, is verleden voor [notaris J] (als waarnemer van [notaris D]), (beiden) notaris te Amsterdam. In de akte is opgenomen dat de koopsom van de aandelen van de besloten vennootschap Tout Frais 546.500,-- gulden bedraagt, onder de verplichting aan de koper om de schuld van de verkoper aan Tout Frais B.V. van 350.000,-- gulden over te nemen, onder verrekening daarvan met de koopsom, waarna het restant van de koopsom ad 196.500,-- gulden door de koper aan de verkoper zal worden voldaan.248

* In een brief van [medeverdachte S] aan de verdachte van 2 oktober 2001 wordt verdachte door [medeverdachte S] geïnformeerd over de stand van de vordering van Cantor op Vijverhof. Deze lening bedraagt volgens voornoemd schrijven 3.800.000,-- gulden per 1 januari 2001, waarvan vervolgens (onder meer) een bedrag van 1.650.000,-- gulden wordt afgetrokken onder de noemer "verkoop aandelen Tout Frais".249

* [P.G.] heeft verklaard dat hij alle aandelen in PG Management Consulting bezat en 50% van de aandelen in Tout Frais. [medeverdachte S] bezat de andere 50 procent. Ergens in 2001 besloot [P.G.] dat het goed zou zijn als [medeverdachte S] zich terug zou trekken uit Tout Frais. [P.G.] is daarop ergens in 2001 naar de schuldeiser van [medeverdachte S] - verdachte - gegaan om dit te bespreken. [P.G.] heeft de verdachte toen gezegd dat hij de aandelen van [medeverdachte S] in Tout Frais voor 2.000.000,-- gulden wilde kopen. De verdachte vond het voorstel acceptabel en stelde vervolgens voor dat hij de aandelen van [medeverdachte S] zou kopen voor 2.000.000,-- gulden. De verdachte zou het geld niet daadwerkelijk aan [medeverdachte S] betalen, maar hij, verdachte, zou het bedrag in mindering brengen op diens vordering op [medeverdachte S]. Vervolgens werd afgesproken dat [P.G.] de aandelen van Cantor zou kopen voor 2.000.000,-- gulden. [P.G.] heeft [medeverdachte S] van de afspraak op de hoogte gesteld.

* De overdracht van de aandelen (het hof begrijpt: de aandelen in Tout Frais) van Cantor en [P.G.] aan PG Management Consulting heeft op 7 mei 2002 plaatsgevonden.250 Bij die gelegenheid is de schuld van Cantor aan Tout Frais van 350.000,-- gulden overgenomen door PG Management Consulting.

Verder bevinden zich in het dossier een aantal stukken met daarop onder meer overzichten van de schuldpositie van Vijverhof ten opzichte van Cantor.

* Op een van die stukken (bijlage 2.9) blijkt dat eerst een bedrag van 546.500,-- gulden (overname aandelen Tout Frais 02-10-01) en een bedrag van 350.000,-- gulden (overname schuld [medeverdachte S] aan Tout Frais 02-10-01) met de vordering van Cantor op Vijverhof zijn verrekend. Hierdoor is de vordering van Cantor op Vijverhof met een bedrag van 196.500,-- gulden afgenomen. Per 31 december 2001 komt de totale vordering van Cantor op Vijverhof op 3.756.248,-- gulden.251

* Uit een schuldoverzicht over het daaropvolgende jaar (bijlage 2.10) blijkt dat van die vordering van 3.756.248,-- gulden nog eens een bedrag van 1.103.500,-- gulden, ofwel 500.746,-- euro, is afgetrokken in verband met "verrekening Tout Frais".252

* Bijlage 2.9 en bijlage 2.10 voornoemd zijn onder de verdachte of één van diens vennootschappen in beslag genomen.253

Het hof leidt uit voorgaande feiten en omstandigheden af dat de verrekening van de koopsom van 546.500,--gulden en de overgenomen schuld van [medeverdachte S] aan Tout Frais door Cantor, groot 350.000,-- gulden, heeft geresulteerd in een afname van de vordering van Cantor op Vijverhof met een bedrag van 196.500,-- gulden. Vervolgens is naast die verrekening nog eens een bedrag van 1.103.500,-- gulden verrekend, kennelijk eveneens in verband met de aankoop van de aandelen in Tout Frais. Dit is in strijd met hetgeen in de notariële akte over de koopprijs van de aandelen Tout Frais is vermeld.

De vordering van Cantor op Vijverhof is in verband met de aankoop van de aandelen in Tout Frais in totaal met een bedrag van 1.300.000,-- gulden (bestaande uit genoemde bedragen van 196.500,-- gulden en 1.103.500,-- gulden) afgenomen. Zonder verrekening van de overgenomen schuld van [medeverdachte S] aan Tout Frais door Cantor van 350.000,-- gulden komt de werkelijke koopsom van de aandelen Tout Frais aldus uit op een bedrag van 1.650.000,-- gulden. Hoewel uit de beschikbare stukken in het dossier niet is gebleken dat overeenkomstig het voorstel van [medeverdachte S] in diens brief van 13 september 2001 is gehandeld, in die zin dat de aandelen voor 2 miljoen gulden door Cantor zijn gekocht, stelt het hof vast dat Cantor die aandelen in ieder geval wel heeft gekocht voor een hoger bedrag dan de 546.500,-- gulden die in de akte van aandelenoverdracht worden vermeld.

Op grond van voormelde brief van 13 september 2001 en de verklaring van [P.G.] kan worden vastgesteld dat de reële waarde van de aandelen Tout Frais van [medeverdachte S] 2.000.000,-- gulden was, in elk geval aanzienlijk hoger dan de 546.500,-- gulden die in de akte als koopprijs is vermeld.

Nu deze brief in het kantoor in kasteel Bolenstein van de verdachte is aangetroffen en aan hem gericht was (strikt persoonlijk en vertrouwelijk), moet het er voor worden gehouden dat de verdachte op de hoogte is geweest van de inhoud van die brief.

Het hof concludeert hieruit, alhoewel de verdachte dit ontkent, dat de verdachte willens en wetens heeft meegewerkt aan het voorstel van [medeverdachte S] zoals dit was verwoord in die brief en als feitelijk leidinggevende van Cantor opdracht heeft gegeven dan wel heeft meegewerkt aan het valselijk vermelden van een onjuiste koopprijs in de koopakte van 2 oktober 2001. Dat uiteindelijk minder is verrekend dan is voorgesteld in die brief, doet aan het voorgaande niet af.

Pas ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging - doch niet de verdachte, die zich op het standpunt heeft gesteld dat er niet verrekend kan zijn - zich op het standpunt gesteld dat inderdaad kan worden aangenomen dat een en ander tot extra verrekening heeft geleid. Dat er extra verrekening heeft plaatsgevonden, is volgens haar echter niet zozeer van belang, als wel het tijdstip van die verrekening. De verdediging heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat het de bedoeling was dat Cantor de aandelen in Tout Frais zou kopen tegen de intrinsieke waarde, te weten 546.500,-- gulden. Het was namelijk nog maar de vraag of Cantor die aandelen op haar beurt kon doorverkopen aan PG Management Consulting, omdat laatstgenoemde vennootschap veel voorwaarden stelde aan die aandelenoverdracht. Vanwege de risico's die Cantor daardoor liep, was zij niet bereid om meer voor de aandelen in Tout Frais te betalen dan die intrinsieke waarde. Pas nadat de overdracht van de aandelen in Tout Frais door Cantor aan PG Management Consulting 'onherroepelijk was verzekerd', was Cantor bereid om een en ander te verrekenen in haar schuldverhouding met Vijverhof. Aldus is er volgens de verdediging geen sprake van een valse opgave van de koopprijs.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt als volgt.

Hiervoor is vastgesteld dat de aandelen Tout Frais van [medeverdachte S] gewaardeerd kunnen worden op een aanzienlijk hoger bedrag (2.000.000,-- gulden) dan de in de akte vermelde koopprijs. Voorts is al een gedeelte van de inhoud van de brief van [medeverdachte S] aan de verdachte van 13 september 2001 weergegeven. Uit die brief kan worden afgeleid dat het niet onzekere verwachtingen waren met betrekking tot de toekomst van Tout Frais, maar verlaging van de aanslag inkomstenbelasting voor [medeverdachte S], die tot de in de akte vermelde koopprijs heeft geleid.

Daarbij komt het volgende.

In eerste aanleg heeft de verdediging op verzoek van de rechtbank diverse administratieve stukken van Cantor, waaronder grootboekkaarten, overgelegd.254 Uit één van die grootboekkaarten, betrekking hebbend op de vordering van Cantor op Vijverhof, nummer 2080, boekjaar 2, blijkt dat de vordering van Cantor op Vijverhof per 1 januari 2002 1.246.608,-- euro bedroeg, dat die vordering onder andere met een bedrag van 103.363,-- euro is verminderd op 31 maart 2002 en dat die vordering op 31 december 2002 nog 867.371,-- euro bedroeg.

Het hof is van oordeel dat het niet anders kan dan dat voornoemd bedrag van 103.363,-- euro verband houdt met de verrekening van de koopsom van Tout Frais.

Zoals hiervoor is overwogen is er een extra bedrag van 1.103.500,-- gulden (omgerekend 500.746,-- euro) verrekend met de vordering van Cantor op [medeverdachte S] in 2002. [medeverdachte S] heeft voorgesteld om dit bedrag te verrekenen met de vordering inzake Talkies, zo blijkt uit zijn hiervoor aangehaalde brief van 13 september 2001.

Die vordering inzake Talkies bedroeg op 1 januari 2002 457.903,-- euro.255 De verschuldigde rente over het eerste kwartaal van 2002 bedroeg 7.548,-- euro en verder is er een bedrag van 68.067,-- euro afgelost op deze lening per 29 januari 2002.256 Na verrekening van die rente en aflossing bedroeg de vordering Talkies aldus 397.384,-- euro.

Indien het bedrag van 500.746,-- euro inderdaad conform het voorstel van [medeverdachte S] met die vordering inzake Talkies is verrekend, blijft er een bedrag over van 103.362,-- euro (500.746,-- euro minus 397.384,-- euro), welk bedrag Cantor in dat geval weer verschuldigd zou zijn aan Vijverhof/[medeverdachte S].

Nu dit bedrag - op één euro na - gelijk is aan het bedrag van 103.363,-- euro dat op de vordering van Cantor op [medeverdachte S] in mindering is gebracht op de grootboekrekening 2080 over boekjaar 2 (waarin die vordering inzake Talkies niet is verwerkt), gaat het hof er van uit dat die verrekening met de vordering Talkies daadwerkelijk heeft plaatsgehad en dat de verrekening van het surplus van 103.363,-- euro alles te maken heeft met de restantverrekening in verband met de aandelen in Tout Frais.

Nu verder uit voornoemde grootboekkaart blijkt dat deze verrekening al heeft plaatsgevonden op 31 maart 2002, weliswaar enkele maanden na de overdracht van de aandelen in Tout Frais door [medeverdachte S] aan Cantor, maar nog vóórdat Cantor de aandelen in Tout Frais op haar beurt had overgedragen aan PG Management Consulting, treft het verweer van de verdediging geen doel en wordt het verworpen.

Is de verkoopprijs een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken?

De raadslieden hebben betoogd dat - kort gezegd - de in de akte opgenomen koopprijs geen vals opgegeven feit betreft als bedoeld in artikel 227 van het Wetboek van Strafrecht (verder aan te duiden met: Sr). Met een beroep op literatuur en rechtspraak, onder andere van de Hoge Raad, hebben de raadslieden betoogd dat, nu artikel 2:196 van het Burgerlijk Wetboek (verder aan te duiden als: BW) bepaalt dat de levering van een aandeel slechts mogelijk is bij notariële akte, in dit kader in deze zaak onder "feit" als bedoeld in artikel 227 Sr slechts begrepen kan zijn: de titel van de rechtshandeling en de wijze waarop het aandeel verkregen wordt, de gegevens van de natuurlijke personen die bij de rechtshandeling betrokken zijn, de rechtsvorm, de gegevens van de BV, het aantal en de soort van de aandelen, alsook de vennootschap wier aandelen het betreft, maar niet: de in verband met de overdracht betaalde koopprijs.

Het hof verwerpt dit verweer.

De verdediging heeft gelijk als zij stelt dat artikel 2:196 BW met betrekking tot een overdracht van aandelen niets inhoudt met betrekking tot de vermelding in de akte van de koopprijs. De verdediging heeft echter ongelijk als zij zich ter ondersteuning van haar standpunt beroept op de uitleg die in de rechtspraak wordt gegeven aan de zinsnede "aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken".

In lijn met eerdere uitspraken overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 23 december 1980, NJ 1981, 484, dat het hof met juistheid had beslist dat weliswaar in een notariële akte opgenomen verklaringen betreffende de voldoening en kwijting van een bedrag van 100.000,-- gulden niet betroffen feiten waarvan de waarheid uit die akte moest blijken, maar dat die opgave ongetwijfeld betreft feiten ten aanzien waarvan de akte volledige bewijskracht bezit, zodat in de zin van artikel 227 Sr deze opgave betreft feiten, van welker waarheid de akte moet doen blijken.

De Hoge Raad overwoog voorts dat het in die zaak naar voren gebrachte middel - dat grote gelijkenis vertoont met het in de onderhavige zaak gevoerde verweer - miskent:

"dat het bij art. 227 Sr gestelde vereiste, dat de in dat artikel bedoelde opgave in een authentieke akte moet betreffen een feit "van welks waarheid de akte moet doen blijken" dient te worden getoetst aan de regels voor de bewijskracht van authentieke akten in de wet gesteld, en dat aan dat vereiste is voldaan wanneer de akte is bestemd om van de waarheid van dat feit te doen blijken"

De Hoge Raad verwees daarbij naar de artikelen 1907 - dat bepaalde, dat een authentieke akte tussen partijen en derzelver erfgenamen of rechtverkrijgenden een volledig bewijs oplevert van hetgeen daarin vermeld staat - en 1908 van het oude Burgerlijk Wetboek - dat een beperking inhield ten aanzien van hetgeen in de akte als een bloot te kennen gegeven voorkomt, voor zover het te kennen gegevene niet in een dadelijk verband staat met het onderwerp der akte -- om te concluderen dat de voldoening en kwijting van de koopsom met betrekking tot zich in een woning bevindende roerende goederen wel in dadelijk verband met het onderwerp van een akte van koop en verkoop van die woning staan.

Gelet op het bepaalde van het (ook reeds) ten tijde van het ten laste gelegde feit vigerende artikel 157 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, te weten:

1. Authentieke akten leveren tegen een ieder dwingend bewijs op van hetgeen de ambtenaar binnen de kring van zijn bevoegdheid omtrent zijn waarnemingen en verrichtingen heeft verklaard.

2. Een authentieke of onderhandse akte levert ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring, tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. Onder partij wordt begrepen de rechtverkrijgende onder algemene of bijzondere titel, voor zover het desbetreffende recht is verkregen na het opmaken van de akte.

en het in artikel 7:1 BW bepaalde, te weten:

Koop is de overeenkomst waarbij de een zich verbindt een zaak te geven en de ander om daarvoor een prijs in geld te betalen

kan niet anders dan worden vastgesteld dat vermelding van de koopprijs in de akte tot levering van de aandelen in zodanig dadelijk verband staat tot de levering van die aandelen dat een valse vermelding daarin een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken betreft.

Conclusie

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte S] en Cantor in de notariële akte van 2 oktober 2001 valselijk hebben doen opnemen dat de koopsom van de aandelen Tout Frais 546.500,-- gulden bedroeg, terwijl Cantor en [medeverdachte S] wisten dat de waarde van die aandelen in werkelijkheid een groter bedrag bedroeg, dit met het oogmerk als in de tenlastelegging omschreven en terwijl uit dat gebruik fiscaal nadeel kon ontstaan, aan welke verboden gedraging de verdachte, wat Cantor betreft, feitelijk leiding heeft gegeven.

Het hof is evenwel in navolging van de rechtbank en met het openbaar ministerie en de verdediging van oordeel dat het in de tenlastelegging in de tweede alinea onder het tweede gedachtestreepje opgenomen onderdeel, te weten dat na verrekening van een nog openstaande schuld van 350.000,-- gulden, het restant van de koopsom, groot 196.500,-- gulden, aan verkoper, zijnde [medeverdachte S], zou worden voldaan, niet als een valse opgave kan worden aangemerkt. Met deze in de notariële akte opgenomen zinsnede is naar het oordeel van het hof, gelet op de bewoordingen, niets anders bedoeld dan dat het restant van de koopsom, na verrekening van de openstaande schuld van [medeverdachte S] aan Tout Frais, ten goede van [medeverdachte S] diende te komen. Dat dit bedrag kennelijk ook met schulden van [medeverdachte S] is verrekend, doet daaraan niet af en levert evenmin een valse opgave op.

Bij pleidooi in hoger beroep heeft de verdediging een voorwaardelijk - indien het hof de verklaring van [medeverdachte S] voor het bewijs zou gebruiken - verzoek gedaan tot het horen van [medeverdachte S] als getuige in verband met de verschillen in diens verklaringen afgelegd bij de FIOD en de rechter-commissaris.

Nu het hof de verklaringen van [medeverdachte S] niet voor het bewijs bezigt, behoeft dit verzoek geen bespreking.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Ten aanzien van feit 1

hij in de periode van 1 december 2002 tot en met 31 januari 2004,

te Amsterdam en/of Rotterdam en/of elders in Nederland en/of in Zwitserland en/of op de Kanaaleilanden (zijnde Kroonbezit van het Verenigd Koninkrijk) en/of op de Nederlandse Antillen,

telkens tezamen en in vereniging met een ander,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers hebben hij, verdachte en zijn mededader op of omstreeks de navolgende tijdstippen

de hierna te noemen geldbedragen tot een totaalbedrag van ongeveer EUR 17.068.165,-- verworven en voorhanden gehad, te weten de navolgende geldbedragen:

1. een geldbedrag van EUR 3.176.461,50 (ontvangen op of omstreeks 30 december 2002) en

2. een geldbedrag van EUR 1.361.340,60 (ontvangen op of omstreeks 10 januari 2003) en

3. een geldbedrag van EUR 3.400.000,-- (ontvangen op of omstreeks 28 februari 2003) en

4. een geldbedrag van EUR 1.500.000,-- (ontvangen op of omstreeks 14 maart 2003) en

5. een geldbedrag van EUR 900.000,-- (ontvangen op of omstreeks 2 april 2003) en

6. een geldbedrag van EUR 450.000,-- (ontvangen op of omstreeks 23 april 2003) en

7. een geldbedrag van EUR 1.499.920,28 (ontvangen op of omstreeks 27 mei 2003) en

8. een geldbedrag van EUR 2.800.000,-- (ontvangen op of omstreeks 26 juni 2003) en

9. een geldbedrag van EUR 400.000,-- (ontvangen op of omstreeks 21 juli 2003) en

10. een geldbedrag van USD 2.000.000 vertegenwoordigende een tegenwaarde van ongeveer EUR 1.580.373) (ontvangen op of omstreeks 7 januari 2004),

zulks terwijl verdachte en zijn mededader wisten dat die geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf;

Ten aanzien van feit 2

hij in de periode van 6 april 2000 tot en met 3 december 2003,

in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander,

een Overeenkomst inzake een Zekerheidsstelling getiteld 'Escrow Agreement', gedateerd 6 april 2000, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededader in strijd met de waarheid

a. die Overeenkomst gedateerd op 6 april 2000, terwijl in die Overeenkomst een Rekening voor de Zekerheidsstelling getiteld 'Escrow Account' met nummer [rekeningnummer 502] is vermeld, die op deze datum nog niet bestond, en

b. in die Overeenkomst opgenomen - zakelijk weergegeven - dat de bankrekening met nummer [rekeningnummer 502] een Rekening voor de Zekerheidsstelling getiteld 'Escrow Account' betreft die gesteld is ten name van de vennootschap Cantor Holding BV, terwijl die rekening in werkelijkheid een privé-rekening van verdachte was, en

c. in die Overeenkomst opgenomen - zakelijk weergegeven - dat de vennootschap TDI Holding Limited, zijnde de koper van de aandelen van de vennootschap Mediamax Group BV, een deel van de koopprijs van Mediamax Group BV, te weten een geldbedrag van ongeveer NLG 75.000.000,-- schuldig is aan de vennootschap Cantor Holding BV, zijnde de verkoper van de aandelen van de vennootschap Mediamax Group BV, en dat het verschuldigde geldbedrag onverwijld na het ondertekenen van die Overeenkomst diende te worden overgemaakt naar de Rekening voor de Zekerheidsstelling, en dat de Union Bank of Switzerland AG als Agent voor de Zekerheidsstelling in zes termijnen van mei 2001 tot en met februari 2006 betalingen vanuit de Rekening voor de Zekerheidsstelling zou doen door storting op de rekening met nummer [rekeningnummer 503] ten name van de verkoper, Cantor Holding BV, terwijl Cantor Holding BV in werkelijkheid de gehele koopprijs reeds had ontvangen, en

d. in die Overeenkomst opgenomen - zakelijk weergegeven - dat de bankrekening met nummer [rekeningnummer 503] gesteld is ten name van de vennootschap Cantor Holding BV,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

Ten aanzien van feit 3

dat hij in de maand december 2003,

te Amsterdam en Maarssen,

met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen de SNS bank heeft bewogen tot het aangaan van een geldleningovereenkomst van EUR 1.500.000,-- en tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer EUR 1.500.000,--,

hebbende verdachte toen aldaar met het hiervoor omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk en in strijd met de waarheid ter verkrijging van voornoemde geldlening een vals geschrift, te weten een Overeenkomst inzake een Zekerheidsstelling getiteld 'Escrow Agreement', gedateerd 6 april 2000, verstrekt, waaruit zou moeten blijken dat hij, verdachte, althans de vennootschap Cantor Holding BV waartoe hij gerechtigd was, op dat moment nog NLG 44.100.000,-- zou ontvangen ter zake van de verkoop van de aandelen van de vennootschap Mediamax Group BV, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval was, waardoor de SNS bank werd bewogen tot het aangaan van die geldleningovereenkomst en tot bovenomschreven afgifte.

Ten aanzien van feit 4

hij in de periode van 14 december 2001 tot en met 16 februari 2006

te Maarssen

aandelen in de Exploitatiemaatschappij 't Gooier Hoofd voorhanden heeft gehad, zulks terwijl verdachte wist dat die voorwerpen gedeeltelijk - middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Ten aanzien van feit 5

([pand 1], Amsterdam)

Merwede Real Estate BV en Akragon Real Estate BV in de periode van 1 april 2001 tot en met 16 juli 2007 te Maarssen,

als degenen die ingevolge artikel 47 van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen verplicht waren tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar hebben gesteld,

immers hebben Merwede Real Estate BV en Akragon Real Estate BV opzettelijk facturen en de administratie waarin facturen zijn verwerkt aan controleambtena(a)r(en) van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D47a, D48a, D49a, D50a, D51a, D52a, D54a, D55a) in welke facturen en administratie waarin facturen zijn verwerkt, in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze zien op een verbouwing van een bedrijfspand van voornoemde bedrijven terwijl dit een verbouwing van een woonpand, te weten

[pand 1], te Amsterdam betrof,

en

Merwede Real Estate BV en Akragon Real Estate BV in de periode van 1 april 2001 tot en met 10 november 2001 te Maarssen,

telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting voor het tweede kwartaal 2001 (D172) en het derde kwartaal 2001 (D146), onjuist en/of onvolledig hebben gedaan,

immers hebben Merwede Real Estate BV en Akragon Real Estate BV opzettelijk op die door de inspecteur der belastingen te Utrecht uitgereikte en bij deze ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting telkens de omzetbelasting van facturen betreffende een verbouwing van een woonpand [pand 1] -1 te Amsterdam als voorbelasting geclaimd ten behoeve van voornoemde bedrijven,

en

([pand 2], Amsterdam)

Merwede Kantoren BV in de periode van 2 maart 2001 tot en met 16 juli 2007, te Maarssen,

als degene die ingevolge artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft gesteld,

immers heeft Merwede Kantoren BV opzettelijk facturen en de administratie waarin de facturen zijn verwerkt, aan controleambtena(a)r(en) van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D85a, D85a1, D86a, D87a, D92a, D93a en D94a ) in welke facturen en in welke administratie in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze zien op een verbouwing van een bedrijfspand van voornoemd bedrijf terwijl deze facturen (deels) betrekking hebben op een verbouwing van een woonpand, te weten [pand 2] te Amsterdam,

en

Merwede Kantoren BV in de periode van 1 maart 2001 tot en met 1 november 2004 te Maarssen,

telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting voor het tweede kwartaal 2001 (D172) en vierde kwartaal 2001 (D150) en het eerste kwartaal 2002 (D151) en het vierde kwartaal 2002 (D/153) en het eerste kwartaal 2003 (D154), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft Merwede Kantoren BV opzettelijk op die door de inspecteur der belastingen te Utrecht uitgereikte en bij deze ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting telkens de omzetbelasting van facturen betreffende een verbouwing van een woonpand [pand 2] te Amsterdam als voorbelasting geclaimd ten behoeve van voornoemd bedrijf,

en

([pand 4], 's-Hertogenbosch)

Merwede Monumenten BV in de periode van 1 september 2002 tot en met 16 juli 2007 te Maarssen als degene die ingevolge artikel 47 Algemene Wet inzake rijksbelastingen verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft gesteld,

immers heeft Merwede Monumenten BV opzettelijk facturen en de administratie waarin de facturen zijn verwerkt, aan controleambtena(a)r(en) van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D56b, D57b, D58b, D59b, D60b, D61b, D62b, D63b, D64b, D65b, D66b, D67b, D68b, D69b, D70b, D71b, D72b, D73b, D74b) in welke facturen en administratie waarin de facturen zijn verwerkt in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze zien op een verbouwing van een bedrijfspand van voornoemd bedrijf terwijl dit een verbouwing van een woonpand, te weten [pand 4] te Den Bosch betrof,

en

Merwede Monumenten BV in de periode van 1 september 2002 tot en met 1 juni 2004 te Maarssen,

telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting voor september 2002 (D156) en december 2002 (D157) en februari 2003 (D158) en maart 2003 D159) en april 2003 (D160) en mei 2003 (D161) en juni 2003 (D162) en juli 2003 (D163) en augustus 2003 (D164) en oktober 2003 (D165) en november 2003 (D166) en april 2004 (D167), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft Merwede Monumenten BV opzettelijk op die door de inspecteur der belastingen te Utrecht uitgereikte en bij deze ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting telkens de omzetbelasting van facturen betreffende een verbouwing van een woonpand [pand 4] te Den Bosch als voorbelasting geclaimd ten behoeve van voornoemd bedrijf,

en

([pand 5], Amstelveen)

Akragon Real Estate BV en Merwede Real Estate BV en M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein BV in de periode van 1 oktober 2000 tot en met 16 juli 2007, te Maarssen en/of elders in Nederland,

als degenen die ingevolge artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen verplicht waren tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar hebben gesteld,

immers hebben Akragon Real Estate BV en Merwede Real Estate BV en M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein BV opzettelijk een of meer facturen en de administratie waarin een of meerfacturen zijn verwerkt aan controleambtena(a)r(en) van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D32a, D34a, D35a, D36a, D37a, D38a, D39a, D44a) in welke facturen en administratie waarin een of meer facturen zijn verwerkt in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze zien op een verbouwing van een bedrijfspand van voornoemde bedrijven terwijl dit een verbouwing van een woonpand, te weten [pand 5] te Amstelveen betrof,

en

Akragon Real Estate BV en MIE. Ridderhofstad Bolenstein BV in de periode van 1 oktober 2000 tot en met 1 oktober 2002 te Maarssen,

telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting voor het vierde kwartaal 2000 (D172) en tweede kwartaal 2001 (D172) en derde kwartaal 2001 (D146) en vierde kwartaal 2001 (D147) en eerste kwartaal 2002 (D148) en augustus 2001 (D170) en juli 2002 (D172), onjuist en/of onvolledig hebben gedaan,

immers hebben Akragon Real Estate BV en Merwede Real Estate BV en M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein BV, opzettelijk op die door de inspecteur der belastingen te Utrecht uitgereikte en bij deze ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting telkens de omzetbelasting van een factu(u)r(en) betreffende een verbouwing van een woonpand [pand 5] te Amstelveen als voorbelasting geclaimd ten behoeve van voornoemde bedrijven

en

([pand 6], Londen)

M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein BV in de periode van 1 januari 2002 tot en met 16 juli 2007 te Maarssen,

als degene die ingevolge artikel 47 Algemene Wet inzake rijksbelastingen verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft gesteld,

immers heeft M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein BV opzettelijk een factuur en de administratie waarin die factuur is verwerkt aan controleambtena(a)r(en) van de Belastingdienst beschikbaar gesteld (D124) in welke factuur en administratie waarin de factuur is verwerkt in strijd met de werkelijkheid de indruk wordt gewekt dat deze ziet op een verbouwing van en/of onderhoudskosten aan een bedrijfspand van voornoemd bedrijf terwijl dit een verbouwing van en/of onderhoudskosten aan een woonpand in Londen betrof,

en

M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein BV in de periode van 1 januari 2002 tot en met 1 oktober 2003 te Maarssen,

telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting voor januari 2002 (D172) en juni 2003 (D171), onjuist heeft gedaan,

immers heeft M.I.E. Ridderhofstad Bolenstein BV opzettelijk op die door de inspecteur der belastingen uitgereikte en bij deze ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting telkens de omzetbelasting van een factuur betreffende een verbouwing van en/of onderhoudskosten aan een woonpand in Londen als voorbelasting geclaimd ten behoeve van voornoemde bedrijf,

terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting werd geheven,

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven.

Ten aanzien van feit 6

Cantor Holding BV op 2 oktober 2001 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, te weten [medeverdachte S], in een notariële akte, zijnde een authentieke akte, op genoemde datum te Amsterdam verleden voor [notaris J] als waarnemer van [notaris D], beiden notaris ter standplaats Amsterdam, valselijk heeft doen opnemen dat,

- de koopsom van de aandelen van de besloten vennootschap Tout Frais BV NLG 546.500,- (vijfhonderdzesenveertigduizendvijfhonderd gulden) bedroeg,

van de waarheid van welk feit die akte moest doen blijken, terwijl Cantor Holding BV en [medeverdachte S] wisten dat

- de waarde van de aandelen van de besloten vennootschap Tout Frais BV niet NLG 546.500,- (vijfhonderdzesenveertigduizendvijfhonderd gulden) bedroeg, althans dat de in de notariële akte opgegeven koopsom van de aandelen van de besloten vennootschap Tout Frais BV te weten NLG 546.500,-- onjuist was, en

- het bedrag van NLG 546.500,-- (vijfhonderdzesenveertigduizendvijfhonderd gulden) als koopsom van de aandelen van die besloten vennootschap Tout Frais BV in die notariële akte was opgenomen om het bedrag van een aanslag inkomstenbelasting voor [medeverdachte S] te verlagen,

terwijl Cantor Holding BV en [medeverdachte S] wisten dat de koopsom/waarde van die aandelen in werkelijkheid een bedrag groter dan die NLG 546.500,- (vijfhonderdzesenveertigduizend vijfhonderd gulden) bedroeg, zulks met het oogmerk om die akte of een afschrift daarvan te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware die opgave in overeenstemming met de waarheid, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan, aan welke verboden gedraging verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van gewoontewitwassen.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van valsheid in geschrift.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

oplichting.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

witwassen.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk een bij de Belastingdienst voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven en terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

en

ingevolge de Belastingwet verplicht voor raadpleging beschikbaar te stellen boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, voor dit doel in valse of vervalste vorm beschikbaar stellen, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft, voor het geval het hof tot een veroordeling van de verdachte zou komen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, een beroep gedaan op psychische overmacht. Dit beroep doen de raadslieden in het kader van de aanname dat [W.H.] op de verdachte druk zou hebben uitgeoefend om mee te werken aan de betalingen aan hem door [W.E.]. Nu de verdachte het bestaan van deze druk steeds heeft ontkend en - gelet ook op zijn uitvoerig gemotiveerde standpunt ten aanzien van de aard van de betalingen aan hem van [W.E.] ook gedurende de gehele behandeling van zijn strafzaak is blijven ontkennen - kan het hof met het subsidiair ingenomen standpunt bezwaarlijk rekening houden.

Verder geldt dat door en namens de verdachte geen concrete feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht, noch zijn deze als zodanig uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep af te leiden, op grond waarvan tot het bestaan van psychische overmacht bij de verdachte moet worden geconcludeerd.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest.

Tegen dit vonnis heeft de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het openbaar ministerie heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Het hof sluit zich - zoals in het navolgende zal blijken - in belangrijke mate aan bij de motivering van de op te leggen straf door de rechtbank.

De verdachte heeft zich vanaf 1999 gedurende een periode van ruim 5 jaren schuldig gemaakt aan diverse misdrijven. Ten laste van verdachte zijn zes feiten bewezen verklaard, waaronder het witwassen van zeer grote geldbedragen, oplichting, valsheid in geschrift en belastingfraude.

Allereerst heeft de verdachte zich, samen met een ander, schuldig gemaakt aan het witwassen van een tiental omvangrijke, van afpersing van [W.E.] afkomstige, geldbedragen ter hoogte van in totaal € 17.068.165,-. De verdachte wist dat deze bedragen van misdrijf afkomstig waren, maar heeft desondanks de bedragen verworven en voorhanden gehad. Daarmee heeft hij de criminele herkomst van het geld onttrokken aan het zicht van justitie. De door zijn mededader op grove en voor [W.E.] en diens naasten zeer bedreigende wijze afgedwongen betalingen zijn door de verdachte op een buitenlandse coderekening en twee bankrekeningen van aan hem gelieerde rechtspersonen ontvangen, waarbij de aard van de betalingen is verhuld door daaraan valse betalingstitels te geven en bij de overboeking nietszeggende omschrijvingen te gebruiken. Er is naar constructies gezocht om de werkelijke redenen van de tien betalingen door [W.E.] blijvend onzichtbaar te maken en de betalingen de schijn van legitimiteit mee te geven. Door de verdachte zijn zodoende ook anderen betrokken bij zijn criminele daden. De verdachte heeft zich actief bezig gehouden met het bijhouden en controleren van deze betalingen en het binnen enkele dagen doorboeken van de ontvangen gelden. Door aldus te handelen heeft de verdachte de afpersing van [W.E.] gefaciliteerd. Het hof neemt in aanmerking dat politie en justitie deze witwasconstructie slechts hebben kunnen traceren ten gevolge van de gewelddadige dood van [W.E.]. Pas toen zijn diens nagelaten stukken en de achterbankgesprekken boven tafel gekomen en kon naar aanleiding daarvan een strafrechtelijk onderzoek worden ingesteld.

Daarnaast heeft de verdachte aandelen in een vennootschap ('t Gooier Hoofd) voorhanden gehad, welke aandelen zijn verworven met geld van criminele herkomst. De verdachte heeft dit geld, bedragen van 8,5 en 3 miljoen gulden, over diverse bankrekeningen laten lopen en vervolgens gebruikt om daarmee de aandelen te kopen. Deze aandelen zijn op grond daarvan aan te merken als middelijk van misdrijf afkomstig.

Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het vertrouwen in zakelijke transacties en de boekhoudkundige verslaggeving daarvan wordt door dergelijke feiten ernstig geschaad. Ook heeft de verdachte door zijn handelen anderen financiële schade berokkend. De verdachte heeft tenslotte indirect het plegen van misdrijven bevorderd, want zonder personen als de verdachte die aan criminele gelden een (schijnbaar) legale herkomst verschaffen, is het genereren van illegale winsten aanmerkelijk minder winstgevend. Door witwassen wordt aan de Belastingdienst bovendien het zicht ontnomen op vermogens en inkomsten.

Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat hij bij het begaan van deze feiten zijn netwerk van nationale en buitenlandse vennootschappen heeft ingezet.

Naast bovengenoemde feiten heeft de verdachte meegewerkt aan het samen met een ander opstellen van een vals document, te weten een escrow agreement. De verdachte heeft dit document vervolgens gebruikt om voor zijn vennootschappen een lening bij de SNS-bank te verkrijgen, waarin hij ook is geslaagd. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en oplichting. De verdachte en zijn vennootschappen hebben in financieel en zakelijk opzicht geprofiteerd van deze handelwijze, nu de kredietfaciliteit daadwerkelijk is verstrekt en daaruit geld is opgenomen om cash flow problemen binnen de vennootschappen te verhelpen. Dat de lening uiteindelijk tijdig is terugbetaald, doet daaraan niet af. Door gebruikmaking van dergelijke valse documenten wordt het vertrouwen in documenten met een bewijsbestemming ernstig geschaad. De integriteit van het financiële en economische verkeer valt of staat met het vertrouwen dat gesteld wordt en gesteld moet kunnen worden in financiële stukken zoals het escrow agreement in kwestie. Dit vertrouwen is door het handelen van verdachte in ernstige mate aangetast. Het hof zal bij de bepaling van de strafmaat evenwel rekening houden met de omstandigheid dat de bank in kwestie uiteindelijk geen financieel nadeel is berokkend.

Voorts hebben diverse vennootschappen van de verdachte zich schuldig gemaakt aan belastingfraude. De verdachte gaf feitelijk leiding aan (de strafbare gedragingen van) deze vennootschappen. Door deze vennootschappen is de in verband met verbouwingskosten aan privépanden verschuldigde omzetbelasting ten onrechte in aftrek gebracht. Te dien einde zijn door deze vennootschappen valse facturen en - door opname van deze facturen in de administratie - valse administraties aan controleambtenaren van de Belastingdienst ter beschikking gesteld. Bovendien zijn onjuiste aangiften gedaan. Door deze feiten is de Belastingdienst voor een aanzienlijk bedrag benadeeld. De verdachte moet zelf van deze handelwijze profijt hebben gehad nu het ging om verbouwingen in de privésfeer die hij in ieder geval gedeeltelijk bekostigd heeft en waarop geen aftrek van de BTW mocht plaatsvinden.

Ten slotte heeft de verdachte feitelijk leiding gegeven aan het doen van een onjuiste opgave in een authentieke akte, ook in dit geval met het motief - zij het in het belang van een ander - om minder belasting te hoeven betalen dan anders het geval zou zijn. Dergelijk frauduleus handelen kan het vertrouwen dat derden in authentieke aktes moeten kunnen hebben in ernstig mate schaden, terwijl door het gebruik van dergelijke aktes ook nadeel kan ontstaan, zoals in dit geval door de Belastingdienst.

De ten laste van de verdachte bewezen verklaarde feiten zijn zeer ernstig door de langdurige periode waarbinnen en de geraffineerde wijze en de schaal waarop de delicten hebben plaatsgevonden. Het hof betrekt daarin in het bijzonder de ernst van de afpersing die ten grondslag ligt aan het onder 1 tenlastegelegde.

Deze aspecten worden in het nadeel van verdachte meegewogen bij het bepalen van de strafmaat. Daar komt bij dat gelet op de omstandigheid dat de verdachte - op de valsheid van het escrow agreement na - alle feiten ontkent. Hij lijkt het kwalijke van zijn handelen niet in te zien. Dat de verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie niet eerder met justitie en politie in aanraking is geweest, kan naar het oordeel van het hof nauwelijks te zijnen voordele strekken nu zijn strafbaar handelen zich uitstrekt over een reeks van jaren en de feiten - als was het een gewoonte - elkaar in de tijd hebben opgevolgd en gedeeltelijk overlapt.

Op grond van het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat in beginsel alleen een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf recht kan doen aan de ernst van de feiten.

Het hof overweegt dat er sinds het openen van het gerechtelijk vooronderzoek in juni 2004, bijna acht jaren zijn verstreken voordat de rechtszaak bij het hof tot een arrest leidt. Desondanks is er geen sprake van schending van de redelijke termijn. Het gaat om een complexe zaak en een zeer omvangrijk dossier. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep zijn diverse rechtshulpverzoeken uitgegaan en vele getuigen door opsporingsambtenaren en rechters gehoord. Daar komt bij dat verdachte, op diens uitdrukkelijk verzoek, niet gelijktijdig met medeverdachte [W.H.] berecht wenste te worden. Ten slotte heeft de behandeling van de zaak vertraging opgelopen door de herhaalde wisseling van de verdediging. Het hof ziet in de hiervoor genoemde omstandigheden geen reden om in de straftoemeting rekening te houden met het lange tijdsverloop van de zaak.

Het door de verdediging ingebrachte rapport omtrent de psychologische gesteldheid van de verdachte geeft het hof geen aanleiding tot strafverhoging of matiging.

Het hof heeft zich afgevraagd of de belangstelling van de media voor deze zaak en de omstandigheid dat de verdachte zowel in zijn persoonlijk leven als in zakelijk opzicht (daardoor) beschadigd is geraakt, moet meewegen in de strafmaat. De verdachte is immers willens en wetens in een reeks van strafbare feiten gestapt waarvan hij had kunnen weten dat deze - als zij zouden uitkomen - ernstige repercussies zouden hebben op het leven dat hij leidde.

Nu het zich laat aanzien dat de uit het strafrechtelijk onderzoek en dit strafproces voortvloeiende negatieve publiciteit ook in de toekomst zijn weerslag hebben op verdachtes functioneren en het voortbestaan van zijn ondernemingen zal het hof dit aspect meewegen bij de bepaling van de straf.

Alles afwegende komt het hof tot het oordeel dat een gevangenisstraf als door het openbaar ministerie gevorderd passend en geboden is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 51, 57, 225, 227, 326, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de elfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.L. Mastboom, mr. P.C. Kortenhorst en mr. J.L. Bruinsma, in tegenwoordigheid van mr. M. Goedhart, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 mei 2012.

1 Proces-verbaal van relaas, Matterhorn, p. 4 e.v.

2 Bijlage bij een brief van het openbaar ministerie van 19 oktober 2011.

3 Enclave, p. 9 5.

4 Brief van het openbaar ministerie van 18 juli 2011, map correspondentie.

5 Matterhorn, p. 120.

6 proces-verbaal van relaas, opzet, inrichting en verloop onderzoek Enclave Financieel van 3 maart 2009, 4e aanvulling p 2220

7 Brief van de advocaten-generaal aan het hof van 13 mei 2011 en proces-verbaal regiezitting hoger beroep 25 mei en 10 juni 2011.

8 O.a. proces-verbaal van verhoor van 25 oktober 2005, Enclave 4 226, proces-verbaal van verhoor van 22 april 2005, Kolbak G1-47 1

9 14 en 29 november 2006 (Kolbak G1-47 86 en Kolbak G1-47 36), 19 december 2006 (Kolbak G1-47 98) en 18 januari 2007 (Kolbak G1-47 53).

10 Enclave 4 287 e.v.

11 Proces-verbaal van bevindingen, Enclave 4 303 e.v.

12 Proces-verbaal van uitwerking, Enclave 2 615

13 5 en 10 juli 2007, Enclave, 4e nazending, p 2 e.v. en p 954 e.v.

14 9 april 2010, proces-verbaal van de terechtzitting.

15 Processen-verbaal van verhoor [A.M.] op 25 mei en 11 juni 2004 Enclave 4 275 e.v., rechter-commissaris 6 maart 2009, Enclave

16 Enclave, 4e nazending 1654 ev.

17 Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep van 5,7 en 8 september 2011, p. 5 ev.

18 Proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 6 april 2010, p. 1 en bijlage II bij dat proces-verbaal.

19 Schema ontleend aan Enclave 2 0034.

20 Een schriftelijk stuk, zijnde een betalingsopdracht van [W.E.] d.d. 30 december 2002 (Enclave 2 1728).

21 Een schriftelijk stuk, zijnde een betalingsopdracht van [W.E.] d.d. 9 januari 2003 (Enclave 2 1730).

22 Een schriftelijk stuk, zijnde een betalingsopdracht van [W.E.] d.d. 28 februari 2003 (Enclave 2 1733).

23 Een schriftelijk stuk, zijnde een betalingsopdracht van [W.E.] d.d. 12 maart 2003 (Kolbak AF-12 0245).

24 Een schriftelijk stuk, zijnde een betalingsopdracht van [W.E.] d.d. 2 april 2003 (Enclave 2 1735).

25 Een schriftelijk stuk, zijnde een betalingsopdracht van [W.E.] d.d. 18 april 2003 (Enclave 2 1737).

26 Een schriftelijk stuk, zijnde een betalingsopdracht van [W.E.] d.d. 26 mei 2003 (Enclave 2 2074).

27 Een schriftelijk stuk, zijnde een betalingsopdracht van [W.E.] d.d. 24 juni 2003 (Enclave 2 1739).

28 Een schriftelijk stuk, zijnde een betalingsopdracht van [W.E.] d.d. 18 juli 2003 (Enclave 2 1741).

29 Een schriftelijk stuk, zijnde een betalingsopdracht van [J.H.] d.d. 24 december 2003 (Enclave 2 1743).

30 www. oanda.com, historical exchange rates

31 Een proces-verbaal van bevindingen van 25 januari 2006 (Kolbak D4-1).

32 Een schriftelijk stuk, te weten de uitwerking van het 1e gesprek op 20 maart 2003, Kolbak D4-2 e.v.

33 Een schriftelijk stuk, te weten de uitwerking van het 2e gesprek op 4 (het hof begrijpt op grond van de mededeling ter terechtzitting van de rechtbank van 1 april 2010 de officier van justitie: 3) april 2003 (Kolbak D4-7 e.v.)

34 Een schriftelijk stuk, te weten de uitwerking van het 4e achterbankgesprek van [W.E.] met de CIE op 16 april 2003 (Kolbak D4-45 e.v.., zoals ter terechtzitting van 1 april 2010, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, aangepast door de rechtbank naar aanleiding van het beluisteren van dat gesprek.

35 Een schriftelijk stuk, de verbatim-uitwerking van het 5e achterbankgesprek van [W.E.] met de CIE op 15 mei 2003 (Kolbak D4-60 e.v.)

36 Een schriftelijk stuk, de verbatim-uitwerking van het 7e achterbankgesprek van [W.E.] met de CIE op 24 juni 2003 (Kolbak D4-125 e.v).

37 Een schriftelijk stuk, uitwerking van het 10e achterbankgesprek van [W.E.] met de CIE op 27 augustus 2003 (Kolbak D4-205 e.v.)

38 Een schriftelijk stuk, de schriftelijke samenvatting van het 11e achterbankgesprek van [W.E.] met de CIE op 20 oktober 2003 (Kolbak D4-233 II e.v.).

39 Een schriftelijk stuk, de samenvatting van het 12e achterbankgesprek van [W.E.] met de CIE op 11 november 2003 (Kolbak D4-236 e.v.)

40 Een proces-verbaal van bevindingen van 25 juli 2003, Kolbak D3-12 e.v.

41 Een proces-verbaal van bevindingen van 19 mei 2004 (Enclave 2 233-34) en een proces-verbaal "overhandigde stukken door [notaris L] (het hof begrijpt: [notaris L]), Kolbak H-267, waarbij zijn gevoegd kopieën van stukken, pagina's H-268-284.

42 Kolbak H-268.

43 Het proces-verbaal van verhoor van [notaris L] d.d. 8 november 2007 ten overstaan van de rechter-commissaris (Enclave 4e Nazending 30 e.v.).

44 Een kopie van een proces-verbaal van verhoor van [notaris L] op 27 mei 2004, Kolbak AE-21-46 e.v. en Enclave 4 764 e.v.

45 Een kopie van een schriftelijk stuk, zijnde een door notaris mr. [notaris L] met de hand geschreven en door [W.E.] ondertekende verklaring van 10 april 2003 (Enclave 2 35-37).

46 Enclave 1 1 (proces-verbaal van relaas van 31 oktober 2006)

47 Enclave 4 0202 e.v.

48 Een proces-verbaal van 19 mei 2004 (Enclave 4 267-69, respectievelijk Kolbak H 262)

49 Een kopie van een schriftelijk stuk, zijnde een handgeschreven brief van [W.E.] aan mr. [advocaat B] d.d. 2 december 2003 (Enclave 4 270).

50 Enclave 4 1414 en 1415

51 Kolbak H-272 e.v

52 Proces-verbaal van verhoor [A.T.] 10 juni 1002, Enclave 3 592

53 Kolbak H-275 en 276

54 Het hiervoor genoemde geschrift met opschrift Verpanding, Kolbak H-272

55 Kolbak H-277 e.v

56 Kolbak H-275 en 276

57 Kolbak H-279 e.v.

58 Kopieën van de aantekeningen, Enclave 2 704-718; proces-verbaal van uitwerking van 11 januari 2006, Enclave 2 615-633

59 Verhoor als getuige door de rechter-commissaris 9 september 2008, Enclave 4e aanvulling, p. 1114 e.v.

60 Enclave 4 303 e.v.

61 p. 36 e.v.

62 Enclave 3 574 e.v.

63 Enclave 3.607 e.v.

64 Kolbak AE-17-31

65 Enclave 4e nazending, p. 1540 e.v.

66 Enclave 4e nazending, p. 1611 e.v.

67 Enclave 3 961

68 p. 38 van het desbetreffende proces-verbaal

69 p. 5 e.v. van het desbetreffende proces-verbaal

70 p. 4 e.v.

71 p. 17 e.v.

72 p. 5 e.v.

73 Vonnis rechtbank Haarlem van 8 juni 2010, p. 11 e.v.

74 Proces-verbaal van verhoor als getuige op 24 oktober 2011 door de raadsheer-commissaris.

75 Proces-verbaal uitwerking papieren, Kolbak D5-1 e.v.

76 Vonnis rechtbank 8 juni 2010, p. 34 en 35.

77 Enclave 2 1739

78 Pleidooi in hoger beroep, p. 125, nr. 596

79 Dupliek in hoger beroep, p. 13 nr. 57

80 Verklaring verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 april 2010, als bewijsmiddel aangehaald

81 Enclave 2 3762, 2 3890 en 2 3891

82 Verklaring van 14 september 2011.

83 Proces-verbaal van verhoor verdachte, Enclave 3 938.

84 Pleidooi, nrs. 470 en 480

85 Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep van 25 en 27 oktober 2011, p.7.

86 schriftelijke stukken, te weten uittreksels uit het handelsregister mbt Merwede Group BV en Merwede Monumenten B.V. (enclave 2 4478 en Aga, bijlage bij V 0.5) en de verklaring van [J.E.] als getuige bij de raadsheer-commissaris (proces-verbaal 13-1-2011, p 1)

87 Een schriftelijk stuk, Toelichting op het jaarverslag over 1997 van Armario NV,Enclave 2 4453 .

88 Een schriftelijk stuk, Blocking Certificate van 5 februari 1998, Enclave.2 4431

89 Schriftelijke stukken, te weten uittreksels uit het handelsregister, e.v. en overzicht structuren Merwede, september 2001 Enclave 2 3390 .

90 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 18 januari 2007, Matterhorn, p. 53.

91 Proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 25 en 27 oktober 2011, p. 21.

92 Een schriftelijk stuk 'Beslag lokatie Bolenstein' (D-S-K-1), Enclave 8 2629 e.v. en proces-verbaal van relaas, Enclave 2 5196 e.v.;

93 Een schriftelijk stuk, te weten een Escrow Agreement gedateerd 6 april 2000 (Enclave 2 5264-68, map 16).

94 Een schriftelijk stuk, te weten een Basic document for Account (Enclave 2 5406-13, map 16).

95 Een schriftelijk stuk, te weten een brief van [naam] aan [verdachte] van 13 december 2002 (Enclave 2 5232, map 16).

96 Een schriftelijk stuk, te weten een faxbericht van verdachte aan [naam] van 3 december 2003 (Enclave 2 5270-71, map 16).

97 Een schriftelijk stuk, te weten een brief van SNS-Bank aan Merwede Group BV van 12 december 2003 (Enclave 2 5362-64, map 16).

98 Een schriftelijk stuk, te weten een uitdraai van brief van SNS Bank aan Merwede Group e.a. van 25 maart 2004 (Enclave 2 5366, map 16)

99 Proces-verbaal van verhoor van getuige [F.K.] van 17 oktober 2005 (Enclave 2 5389-92, map 16).

100 Proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 12 april 2010, p. 4..

101 Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep van 5,7 en 8 september 2011, p.21.

102 Idem p.23.

103 Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep van 25 en 27 oktober 2011, p.7.

104 Een schriftelijk stuk, te weten een Publicatierapport 1997 van 't Gooier Hoofd BV, Enclave 2 4501 e.v.

105 Proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 en 20 april 2010, p. 2 e.v.

106 Een kopie van een authentieke akte, Enclave 2 4508 e.v.

107 Een schriftelijk stuk, toelichting op de geconsolideerde balans van Merwede Beheer BV, Enclave 2 4513.

108 Een schriftelijk stuk, te weten een uittreksel uit het Handelsregiser mbt Merwede Beheer BV, Enclave 2 4478, en de verklaring van [J.E.] als getuige bij de raadsheer-commissaris, proces-verbaal van 13 januari 2011, p. 1.

109 Een schriftelijk stuk, toelichting op het jaarverslag over 1997 van Armario NV, Enclave, 2 4453.

110 Een schriftelijk stuk, "Blocking Certificate", van 5 februari 1998, Enclave 2 4431.

111 Een schriftelijk stuk, "Deposit", van de American Express Bank te Luxemburg gedateerd 29/05/98 en voorzien van de handgeschreven vermelding 'Bayline International Ltd' waarop is vermeld dat het gedeponeerde bedrag - na aftrek van kosten - is geboekt op rekeningnummer [rekeningnummer 530] (Enclave 2 4754).

112 Schriftelijke stukken, te weten een bewijs van ontvangst van de American Express Bank te Luxemburg, gedateerd 29 mei 1998 en een bankafschrift van rekeningnummer [rekeningnummer 530] van 30 juni 1998, Enclave, 2 4627 en 2 4623, alsmede de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg (19 en 20 april 2010, p 5).

113 Het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 en 20 april 2010, p. 5.

114 Een schriftelijk stuk, transactieoverzicht van rekeningnummer [rekeningnummer 530] van 29 mei t/m 30 september 1998, Enclave 2 4623-4625.

115 Het hof rondt de bedragen in die zin af dat het geen rekening houdt met kennelijk ten behoeve van kosten in verband met de overboekingen afgeschreven bedragen.

116 Een schriftelijk stuk, transactieoverzicht van rekeningnummer [rekeningnummer 530] van 29 mei t/m 30 september 1998, Enclave 2 4623-4625.

117 Schriftelijke stukken, te weten bankafschriften van Kauri Holdings BV van 30 juni, 14 juli en 17 juli 1998, dossier Enclave, p. 2 4629-4631.

118 Het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 en 20 april 2010, p. 12.

119 Een schriftelijk stuk, bankafschrift van Royal Credit Trust Reg. d.d. 28 juli 1998, dossier Enclave, p. 2 4657.

120 Proces-verbaal van 31 juli 2006, Enclave p. 2 4492.

121 Idem, Enclave p. 2 4493.

122 Een schriftelijk stuk, duplicaat bankafschrift van Ballados Investment NV van 28 juli 1998, Enclave p. 2 4661.

123 Idem.

124 Een schriftelijk stuk, bankafschrift van Kauri Holdings NV d.d. 29 juli 1998, dossier Enclave, p. 2 4661.

125 Het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 12 april 2012, p. 2.

126 Een schriftelijk stuk, bankafschrift van Mediamax Buitenreclame BV d.d. 4 augustus 1998, dossier Enclave, p. 2 4671.

127 Idem.

128 Een schriftelijk stuk, bankafschrift van Mediamax Group BV tav de heer [verdachte] d.d. 4 augustus 1998, dossier Enclave, p. 2 4673.

129 Presentatie door de verdachte, bijlage V bij het proces-verbaal van de zittin g in eerste aanleg van 6,8 en 9 april 2010 en proces-verbaal van verhoor als getuige van [F.K.], 17 oktober 2005, Enclave map 16, p 2 5389-92

130 Een schriftelijk stuk, transactieoverzicht van rekeningnummer [rekeningnummer 571] d.d. 13-08-1998, dossier Enclave, p. 2 4613.

131 Proces-verbaal ter terechtzitting in 1e aanleg van 19 en 20 april 2010, p. 3.

132 Een schriftelijk stuk, grootboekkaart van Mediamax Buitenreclame, dossier Enclave, p. 2 4617.

133 Een schriftelijk stuk, grootboekkaart van Merwede Group BV, dossier Enclave, p. 2 4621.

134 Het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 en 20 april 2010, p. 10.

135 Het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 12 april 2012, p. 4.

136 Het proces-verbaal van verhoor van [B.F.] van 5 maart 2012 bij de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof, p. 7.

137 Blijkens de website www. oanda.com, historical exchange rates was medio 1998 de tegenwaarde van 3 miljoen IEP ongeveer 8,5 miljoen gulden.

138 Het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 12 april 2012, p. 4.

139 Het proces-verbaal van verhoor van [B.F.] van 5 maart 2012 bij de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof, p. 4 e.v.

140 Idem, pagina's 4 en 9.

141 Een schriftelijk stuk, e-mailbericht van 3 april 2012 van de advocaat-generaal Posthumus, correspondentiemap hof.

142 Idem.

143 Een schriftelijk stuk, bankafschrift van Kauri Holdings NV d.d. 29 juli 1998, Enclave, p. 2 4661.

144 Een schriftelijk stuk, vermogensopstelling d.d. 24 februari 2000, Enclave, p. 2 4385.

145 Een schriftelijk stuk, brief van Deloitte & Touche d.d. 29 februari 2000, Enclave, p. 2 4382 e.v.

146 Het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 12 april 2012, p. 3.

147 Volkskrant 26-11-1994, (bijlage bij het proces-verbaal van de terechtzitting van 12, 13 en 15 april 2010) en voorts artikelen in die krant van 14 en 15 februari en 29 maart 1995 alsmede berichten uit andere kranten (bijlage bij de brief van 18 juli 2011 van de advocaten-generaal aan het hof)

148 Proces-verbaal van verhoor als getuige van 1 juli 2008, Enclave, 4e nazending, p 632 e.v, p 10

149 Proces-verbaal van de terechtzitting op 29 en 30 maart en 1 april 2010, p 5.

150 Een schriftelijk stuk, bankafschrift van Ballados Investment NV, dossier Enclave, p. 2 4659.

151 Het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 en 20 april, p. 2 e.v.

152 Proces-verbaal van verhoor getuige [F.J.], p. 6.

153 Idem.

154 Proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 en 20 april 2010, p. 9.

155 Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte op 10 april 2009 ten overstaan van de rechter-commissaris, dossier Enclave, 4e aanvulling, p. 1730.

156 Proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 april 2010, p. 22.

157 Het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 12 april 2012, p. 5.

158 Een schriftelijk stuk, bankafschrift van Mediamax Group BV t.a.v. de heer [verdachte] d.d. 4 augustus 1998, dossier Enclave, p. 2 4673.

159 Een schriftelijk stuk, bankafschrift van Mediamax Group BV t.a.v. de heer [verdachte] van 13 augustus 1998, dossier Enclave, p. 2 4612.

160 Rechtsoverweging 3.2 van HR 9 december 2008, NJ 2009, 147.

161 Een notariële akte van levering van aandelen op naam van 13 augustus 1998, dossier Enclave, p. 2 4508 e.v..

162 Het proces-verbaal ter terechtzitting van 19 en 20 april 2010, p. 8.

163 Voor zover niet anders aangeduid bevinden zich in de tekst en de voetnoten bij de bespreking van feit 5 genoemde stukken alle in het zogenaamde AGA-dossier.

164 Proces-verbaal van verhoor van [J.E.] als getuige, G16-01, p 3.

165 Enclave 2 4513 Toelichting op de geconsolideerde balans van Merwede Beheer BV.

166 Enclave 2 4453 Toelichting op het jaarverslag over 1997 van Armario NV.

167 Enclave 2 4431 Blocking Certificate van 5 februari 1998.

168 Enclave 2 3390 en enclave 2 4478.e.v. : schriftelijke stukken, te weten uittreksels uit het handelsregister, alsmede overzicht structuren Merwede, september 2001.

169 Verklaring verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 april 2010, p 15.

170 Uittreksel Kamer van Koophandel van 5 januari 2009, in het algemeen deel van de rubriek Verdachten in

map 2 van het AGA-dossier).

171 G16-01: Proces-verbaal verhoor [J.E.] als getuige op 17 december 2007 en G17-01: Proces-verbaal verhoor [J.B.] als getuige op 2 juli 2008, p. 2 en 4.

172 Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2011, p.11.

173 Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2011, p.11.

174 Verklaringen van [J.E.] en [J.B.] tegenover de raadsheer commissaris op 13 januari 2012.

175 AH 1 en AH 44.

176 AH 32.

177 AH 12.

178 Proces verbaal terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2011, p.10.

179 D172.

180 Proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 19 en 20 april 2010, p. 17, inhoudende - voor zover van belang - de verklaring van verdachte.

181 D13. Een schriftelijk stuk, zijnde een brief van [J.R.] van H&O Timmerbedrijf d.d. 20 april 2006.

182 Proces verbaal terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2012, p.10.

183 G02-01, proces-verbaal van verhoor [L.E.] als getuige op 19 mei 2008.

184 D47a, 48a, 49a, 50a, 51a, 52a, 54a en 55a.

185 D47a.

186 G 18-02, proces-verbaal van verhoor [A.V.] als getuige op 15 juli 2008, p. 7 en 8.

187 V09-02, proces-verbaal van verhoor als verdachte van [J.E.] op 8 februari 2008.

188 D146

189 D172

190 Proces-verbaal verhoor van [J.E.], V-09-02

191 V08-01, proces-verbaal van verhoor [D.B.] als verdachte van 22 november 2007.

192 Verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris van 10 april 2009.

193 G13-01, proces-verbaal verhoor van [K.K.] als getuige op 22 oktober 2007.

.

195 Één schriftelijk stuk, genummerd D146, zijnde een aangifte Omzetbelasting Akragon BV, alsmede een ambtsedige verklaring, genummerd D172, van de Belastingdienst inzake de ontbrekende aangiften Omzetbelasting.

196 V09-02. Proces-verbaal van verhoor van [J.E.] als verdachte, V-09-02.

197 V08-02. Proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 19 en 20 april 2010, p. 21, inhoudende - voor zover van belang - de verklaring van verdachte, en G17-01, proces-verbaal van verhoor van [J.B.] als getuige op 2 juli 2008. ).

198 Proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 19 en 20 april 2010, p. 21-22.

199 Proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 19 en 20 april 2010, p. 21.

200 G07-01 Proces-verbaal van verhoor van [A.T.] als getuige van 31 augustus 2007.

201 D56b t/m D 74b. Facturen van Van den Bouwhuijsen Bouwbedrijf BV gericht aan Merwede Monumenten BV .

202 D56c Factuur d.d. 26.9.2002 van Van den Bouwhuijsen BV aan Merwede Monumenten BV.

203 D57c Factuur d.d. 12.12.2002 van Van den Bouwhuijsen BV aan Merwede Monumenten BV.

204 D58c Factuur d.d. 12.12.2002 van Van den Bouwhuijsen BV aan Merwede Monumenten BV.

205 D60c Factuur d.d. 11.2.2003 van Van den Bouwhuijsen BV aan Merwede Monumenten BV.

206 D62c d.d. 21.2.2003, D63c d.d. 11.3.2003, D64c d.d. 11.3.2003 en D65c d.d. 18.3.2003. Facturen van Van den Bouwhuijsen BV aan Merwede Monumenten BV.

207 D66c d.d. 18.3.2003.Factuur van Van den Bouwhuijsen BV aan Merwede Monumenten BV.

208 D67 d.d. 18.3.2003Factuur van Van den Bouwhuijsen BV aan Merwede Monumenten BV.

209 D68c d.d. 9.4.2003. Factuur van Van den Bouwhuijsen BV aan Merwede Monumenten BV.

210 D69c d.d. 1.5.2003.Factuur van Van den Bouwhuijsen BV aan Merwede Monumenten BV.

211 D70c d.d. 1.5.2003.Factuur van Van den Bouwhuijsen BV aan Merwede Monumenten BV.

212 D71b d.d.3.6.2003.Factuur van Van den Bouwhuijsen BV aan Merwede Monumenten BV.

213 D72b d.d. 2.7.2003. Factuur van Van den Bouwhuijsen BV aan Merwede Monumenten BV.

214 D75 1/11 t/m D75 11/11. Rekeningafschriften Rekening Courant Van Den Bouwhuijsen rekeningnummer 067.45.65.967. over de periode van 20 november 2002 tot 1 mei 2004.

215 Proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 19 en 20 april 2010, p. 22.

216 D156 t/m D 167 Aangiften Omzetbelasting Merwede Monumenten BV.

217 G01-01. Proces-verbaal van verhoor van [T.V.] als getuige op 23 juli 2007.

218 Idem.

219 G04-01. Proces-verbaal van verhoor van [N.K.] als geuige van 11 september 2007.

220 D 32a d.d. 30.11.2000, D 34a d.d. 20.4.2001, D35a d.d. 2.7.2001, D36a d.d.9.10.2001, D37a d.d. 8.2.2002, D38a d.d. 3.12.2002, D 39a d.d. 31.12.2002 en D44a d.d. 6.7.2001: facturen van [V.M.] BV aan Merwede Monumenten BV en Akragon BV.

221 V09-02 Proces-verbaal van verhoor van [J.E.] als verdachte op 8 februari 2008, p. 5.

222 G18-02. Proces-verbaal van verhoor van [A.V.] als getuige op 14 juli 2008, p. 4 en 5.

223 D 146 t/m D 148, D 170 en D 172. Aangiften Omzetbelasting Akragon Real Estate BV en Maatschappij tot Instandhouding en Exploitatie van de Ridderhofstad Bolenstein BV, alsmede een ambtsedige verklaring van de Belastingdienst inzake de ontbrekende aangiften Omzetbelasting..

224 Proces-verbaal van verhoor van [J.E.], V-09-02

225 Proces-verbaal van verhoor J.H.[J.B.] als getuige, G17-01

226 G08-01, 09-01,10-01 en 11-01. Processen verbaal van verhoor van [J.B.] van 21 februari 2008 (G10-01), [B] van 21 februari 2008 (G11-01), [W.W.] van 21 februari 2008 (G08-01) en [L.L.] van 21 februari 2008 (G09-01).

227 D 124. Factuur van Woodham & Packard aan Maatschappij tot Instandhouding en Exploitatie van de Ridderhofstad Bolenstein BV.

228 Proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg van 19- 20 april 2010, p. 24-25.

229 G 18-02. Verklaring van [A.V.] als getuige, p.15.

230 G17-01. Proces-verbaal van verhoor van getuige [J.B.] van 2 juli 200..

231 Een schriftelijk stuk, kopie van een aangifte omzetbelasting over juni 2003, D171

232 D172. Ambtsedige verklaring van de Belastingdienst inzake de ontbrekende aangiften Omzetbelasting .

233 G17-01. Proces-verbaal van verhoor als getuige.

234 Een schriftelijk stuk, D 180 1-4.

235 Dossier Kolbak Bijlage 22, proces-verbaal RN 09.23. Verhoor door de verbalisanten RN03-155 en RN03-156 opgemaakt op ambtsbelofte op 30 juli 2010.

236 G16-01. Proces verbaal van verhoor [J.E.] als getuige op 17 december 2007, p.2,3 en 4.

237 Proces verbaal verhoor raadsheer commissaris van 13 januari 2012.

238 G17-01. Proces verbaal [J.B.] als getuige op 2 juli 2008, p. 2 en 4.

239 Proces verbaal verhoor raadsheer commissaris van 13 januari 2012.

240 Verklaring verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg 20 april 2010, p 24.

241 G004-01. Verhoor [N.K.] als getuige op 11 september 2007, p.2, hiervoor aangehaald onder [pand 5], Amstelveen.

242 Een schriftelijk stuk, Matterhorn, p. 188 e.v.

243 Een schriftelijk stuk, Matterhorn, p.189.

244 Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 27 april 2010, Matterhorn p. 11.

245 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 18 januari 2007, Matterhorn, p. 53.

246 Proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 25 en 27 oktober 2011, p. 21.

247 Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van een authentieke akte van verkoop en levering van aandelen d.d. 2 oktober 2001, Matterhorn, Matterhorn, p. 288.

248 Idem.

249 Een schriftelijk stuk, faxbericht van [medeverdachte S] aan [verdachte] van 02 oktober 2001, Matterhorn, p. 253.

250 Het proces-verbaal van verhoor van [P.G.] van 5 maart 2007, Matterhorn, p. 72 en 73.

251 Een schriftelijk stuk, overzicht 'Schuld positie Vijverhof ([medeverdachte S])', Matterhorn, p. 161.

252 Idem, p. 162.

253 Een schriftelijk stuk, notitie leningen [medeverdachte S] - [verdachte], Matterhorn, p. 132

254 Bijlage XVI bij het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 11 mei 2010.

255 Matterhorn, p. 161.

256 Het proces-verbaal van ambtshandeling van verbalisant [verbalisant K] van 18 mei 2010, los opgenomen, p. 4.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature