< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 29 september 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van drie woningen op het perceel [locatie] te [plaats].

Uitspraak



201108081/1/T1/A1.

Datum uitspraak: 16 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op het hoger beroep van:

1. [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1])

2. [appellant sub 2],

3. [appellant sub 3],

allen wonend te [woonplaats], gemeente 's-Hertogenbosch,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 juni 2011 in zaken nrs. 09/5960, 09/5968 en 10/23 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

[appellant sub 2],

[appellant sub 3],

en

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van drie woningen op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 17 november 2009 heeft het college de door [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en het besluit van 29 september 2008 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 10 juni 2011, verzonden op 16 juni 2011, heeft de rechtbank de door [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 17 november 2009 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2011, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2011, en [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2011, hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 15 augustus 2011.

Bij besluit van 27 september 2011 heeft het college de door [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] gemaakte bezwaren tegen het besluit van 29 september 2008 opnieuw ongegrond verklaard en dat besluit met verbetering van de motivering in stand gelaten.

Bij brief van 18 oktober 2011 heeft [appellant sub 3] te kennen gegeven zich niet te kunnen verenigen met het besluit van 27 september 2011.

[appellant sub 1], [appellant sub 3] en het college hebben nog nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2012, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. L.M.A. Schrieder en [verkeerskundige], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. drs. J.G.M. van Mierlo, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. M.J.M.G. van Gerwen, advocaat te 's-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.B.A.M. Gerritse, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.2. Het bouwplan, dat is gesitueerd op een terrein tussen de Schoolstraat en de Rodenborchweg, voorziet in de bouw van drie woningen. De woningen zijn identiek van vormgeving en bereikbaar via de Rodenborchweg middels het historische pad Kerkehoek. Aan de aan de Kerkehoek gelegen voorzijde van het perceel zal één woning worden gerealiseerd en op het achterterrein zullen twee woningen worden gebouwd. De thans op het perceel aanwezige woning zal ten behoeve van het bouwplan worden gesloopt.

2.3. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), voor zover thans van belang, kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Ingevolge het tweede lid kan het college vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant heeft bij besluit van 16 mei 2006 de regeling "Categorieën van gevallen ex artikel 19, tweede lid, WRO Provincie Noord-Brabant 2006 " vastgesteld (hierna: de regeling). De regeling bepaalt dat het college zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar vrijstelling kan verlenen van het bestemmingsplan voor projecten die voorkomen in deze regeling, mits wordt voldaan aan de daarbij gestelde voorwaarden.

Ingevolge categorie III "Stedelijk gebied" van de regeling, mag op gronden in de bebouwde kom, niet behorend tot een bedrijventerrein, met een bestemming gericht op intensieve bebouwing zoals woondoeleinden (inclusief tuin/erf), centrumdoeleinden, detailhandelsdoeleinden, horecadoeleinden, kantoordoeleinden, maatschappelijke doeleinden, bedrijfsdoeleinden en zakelijke dienstverleningsdoeleinden en met een bestemming verkeersdoeleinden of een bestemming groenvoorzieningen, voor zover niet structuurbepalend, in afwijking van die bestemmingen en/of bijbehorende voorschriften met toepassing van artikel 19, tweede lid, WRO vrijstelling worden verleend voor de volgende projecten, mits deze naar aard en omvang passen binnen de ruimtelijke (stedenbouwkundig en functioneel) uitgangspunten van het bestemmingsplan en de aard, schaal en functie van de kern:

b. het realiseren van een of meerdere woningen, met inbegrip van bijgebouwen, mits passend binnen de indicatie van de toename van de woningvoorraad per gemeente, die periodiek door de provincie wordt vastgesteld op basis van een actualisering van haar bevolkings- en woningbehoefteprognose, en passend binnen de afspraken die hierover zijn gemaakt in de uitwerkingsplannen voor de stedelijke en landelijke regio's (Streekplan 2002).

2.4. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Centrum 1994" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden A". Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan omdat op het perceel geen zelfstandige hoofdbebouwing kan worden opgericht, alsmede vanwege de oriëntatie van de hoofdgebouwen, de situering van de voorgevels, de bouwdiepten en de goothoogten. Om het bouwplan toch mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

Vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO

2.5. [appellant sub 3] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet valt onder categorie III van de regeling en het college derhalve niet bevoegd was om vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO te verlenen. Hij voert daartoe aan dat het bestemmingsplan oprichting van de hoofdgebouwen niet toestaat en het bouwplan qua aard en omvang niet in het gebied past.

2.5.1. De rechtbank heeft in hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het bouwplan niet een project betreft als bedoeld in categorie III van de regeling. De rechtbank heeft terecht in aanmerking genomen dat op de gronden waarop het bouwplan is voorzien een bestemming rust die is gericht op intensieve bebouwing, te weten woondoeleinden. Voorts heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat het perceel is gelegen in de bebouwde kom, in de nabijheid van het centrum van Rosmalen tussen de woonbebouwing langs de Rodenborchweg en het woongebouw aan de Lambertusterp en dat in de directe omgeving ervan een diversiteit aan woonbebouwing is gelegen. Nu in de aan het vrijstellingsbesluit ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing gemotiveerd is ingegaan op de stedenbouwkundige inpasbaarheid van het bouwplan, bestaat geen grond voor het oordeel dat het bouwplan qua aard en omvang niet in het gebied past. Aan de omstandigheid dat het college zich wat betreft de stedenbouwkundige inpassing bij eerdere aanvragen om bouwvergunning op een ander standpunt heeft gesteld, kan niet het gewicht worden toegekend dat [appellant sub 3] hieraan toekent, reeds omdat deze aanvragen zagen op andere bouwplannen. Evenmin leidt de verwijzing naar de toelichting bij categorie III in de regeling tot een ander oordeel, nu met onderhavig bouwplan geen hoogbouw zal worden gerealiseerd.

Verkeersbewegingen

2.6. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het realiseren van het bouwplan een toename van verkeersbewegingen met zich zal brengen waardoor de reeds bestaande verkeersonveilige situatie zodanig verder verslechtert dat realisering van het bouwplan onverantwoord is. Hiertoe voeren zij aan dat de Kerkehoek een smal pad is dat uitkomt in een onoverzichtelijke bocht van de Rodenborchweg waarbij het aanwezige trottoir en fietspad eerst moet worden overgestoken. Zij wijzen er op dat een automobilist onvoldoende opstelruimte heeft om voldoende zicht te hebben op naderend verkeer op de Rodenborchweg. De door het college aangekondigde verkeersmaatregelen volstaan niet, aldus [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3].

2.6.1. Het college stelt zich in zijn besluit tot verlening van vrijstelling op het standpunt dat de aansluiting van de Kerkehoek op de Rodenborchweg uit een oogpunt van verkeersveiligheid niet optimaal is, maar dat door het treffen van enkele verkeerskundige voorzieningen ter plaatse na realisering van het bouwplan geen verkeersonveilige situatie zal ontstaan. De verkeersmaatregelen bestaan uit verbreden van de Kerkehoek, aanbrengen van een verkeersspiegel aan een lichtmast, snoeien van een gedeelte van de lage haag langs de Rodenborchweg tussen het fietspad en de rijbaan, een gedeelte van het fietspad ter hoogte van de Kerkehoek voorzien van rode asfaltering en inrichten van een betere plak voor de plaatsing van huisvuilcontainers.

De rechtbank acht het niet aannemelijk geworden dat met het bouwplan uit een oogpunt van verkeersveiligheid een onaanvaardbare situatie zal ontstaan. Zij heeft daarbij in aanmerking genomen dat er in de directe omgeving min of meer vergelijkbare uitwegen zijn, het bouwplan voorziet in een toename van twee woningen en het college aanvullende verkeersmaatregelen heeft aangekondigd.

2.6.2. [appellant sub 1] heeft in hoger beroep een verkeerskundig rapport van Verkeersadvies Zuid-Nederland van 26 januari 2012 overgelegd. In dit rapport, dat ter zitting is toegelicht door de opsteller ervan, Vermeeren, is vermeld dat zich naar verwachting bij het inrijden van de Rodenborchweg naar de Kerkehoek nauwelijks problemen zullen voordoen. Voorts is in het rapport vermeld dat bij het verlaten van de Kerkehoek het verkeer op de Rodenborchweg in noordelijke richting (verkeer van links) goed waarneembaar is, maar dat het oprijzicht in zuidelijke richting (verkeer van rechts) onvoldoende is door onder meer de tussen het voetpad en het woonblok aanwezige haag langs de Kerkehoek die doorloopt langs het naastgelegen perceel, een grote struik met een diameter van ongeveer 1,5 meter en het aanwezige woonblok. In het rapport wordt verder gemotiveerd uiteengezet dat van de door het college aangekondigde verkeersmaatregelen uitsluitend het snoeien van de haag naast de uitweg tot een hoogte van maximaal 60 cm zinvol is, omdat dat een positief effect heeft op het uitzicht vanuit de Kerkehoek op naderend verkeer, maar dat het uitzicht ook dan nog altijd niet optimaal is. Volgens het rapport is het niet zo dat er in de directe omgeving vergelijkbare verkeerssituaties zijn die niet tot problemen hebben geleid.

2.6.3. Uit voormeld verkeerskundig rapport en het verhandelde ter zitting is duidelijk geworden dat de door het college bedoelde andere uitwegen in de directe omgeving uit verkeerskundig oogpunt niet vergelijkbaar zijn met de uitweg van de Kerkehoek, die andere uitwegen geven een beter zicht op naderend verkeer. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte aan haar oordeel mede ten grondslag gelegd dat de bedoelde uitwegen vergelijkbaar zijn met de uitweg van de Kerkehoek.

2.6.4. Vast staat dat de bestaande situatie bij de thans nauwelijks gebruikte uitweg van de Kerkehoek reeds problematisch is en dat realisering van het bouwplan gevolgen zal hebben voor de verkeerssituatie ter plaatse, omdat de uitweg intensiever zal worden gebruikt. Gelet op de conclusies in het door [appellant sub 1] overgelegde verkeerskundig rapport spitst de beoordeling of realisering van het bouwplan uit een oogpunt van verkeersveiligheid aanvaardbaar is, zich toe op de vraag of de door het college aangekondigde maatregelen waarborgen dat automobilisten vanaf de uitweg voldoende zicht zullen hebben op het naderend verkeer vanuit zuidelijke richting.

2.6.5. Het college heeft zich in reactie op voormeld rapport op het standpunt gesteld dat vanuit zuidelijke richting naderende auto's door de desbetreffende haag niet volledig aan het zicht worden onttrokken en dat de rijbaan van de Rodenborchweg over voldoende lengte is te zien. Het verwijst hiervoor naar de door hem overgelegde foto van de situatie ter plaatse. Nu deze foto is gemaakt met een boven op een auto bevestigde dakcamera en bij de bepaling van het zicht vanaf de uitweg dient te worden uitgegaan van de ooghoogte van personen in de auto, kan aan de foto echter niet de betekenis worden toegekend die het college hieraan gehecht wil zien en biedt het beroep op die foto onvoldoende grond voor het oordeel dat automobilisten vanaf de uitweg voldoende zicht hebben op het naderend verkeer.

Het college heeft zich in hoger beroep voorts op het standpunt gesteld dat de aanwezige haag tussen het voetpad en het woonblok 30 tot 40 cm kan worden verlaagd, waardoor het zicht in zuidelijke richting kan worden verbeterd. Ter zitting hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] echter gemotiveerd betwist dat de betreffende haag eigendom van de gemeente is. Zij stellen dat de gronden, waarop de haag en struik staan, eigendom van de woningbouwvereniging zijn. Nu het college ter zitting niet met zekerheid kan verklaren dat deze gronden in eigendom van de gemeente zijn, is ontoereikend gemotiveerd dat gewaarborgd is dat de haag tussen het voetpad en het woonblok verlaagd kan worden en kan blijven.

Voorts is het college niet ingegaan op de mate waarin de grote struik en het woonblok het uitzicht kan belemmeren, zoals vermeld in het rapport.

2.6.6. Gelet op het in 2.6.5 overwogene is in het licht van het in hoger beroep overgelegde verkeerskundig rapport onvoldoende duidelijk geworden dat automobilisten vanaf de uitweg van de Kerkehoek voldoende zicht hebben op het vanuit zuidelijke richting naderende verkeer en dat de door het college aangekondigde verkeersmaatregelen afdoende zijn om te voorwaarborgen dat ter plaatse een vanuit oogpunt van verkeersveiligheid aanvaardbare situatie zal blijven bestaan.

Het betoog slaagt.

2.7. De conclusie is dat het besluit van 17 november 2009 is genomen in strijd met 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De door [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] aangevoerde in 2.6 vermelde grond is in zoverre terecht voorgedragen en leidt tot de hierna onder 2.7.1 vermelde opdracht aan het college.

2.7.1. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen de gebreken in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

Het college dient hiertoe met inachtneming van overweging 2.6.6 alsnog toereikend te motiveren dat het zicht op vanuit zuidelijke richting naderend verkeer vanaf de uitweg van de Kerkehoek na de realisering van het bouwplan voldoende zal zijn of met daartoe door hem te nemen verkeersmaatregelen blijvend voldoende kan worden gewaarborgd en dat het bouwplan derhalve niet zal leiden tot een verkeersonveilige situatie. Zo nodig dient het college het bestreden besluit te wijzigen dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen. In dat geval dient het nieuwe besluit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.

Besluit van 27 september 2011

2.8. Bij besluit van 27 september 2011 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op de door [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] gemaakte bezwaren. Dit besluit wordt ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb , gelezen in samenhang met artikel 6:24, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van het geding. Dit wil zeggen dat van de zijde van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] van rechtswege een beroep tegen dit besluit is ontstaan, nu daarbij aan hun bezwaren niet is tegemoetgekomen.

Met het oog op de mogelijkheid dat het college gelet op de in 2.7.1 bedoelde opdracht het besluit van 17 november 2009 alsnog in zoverre toereikend motiveert, acht de Afdeling het van belang in het kader van definitieve beslechting van het geschil thans tevens het beroep tegen het besluit van 27 september 2011 te beoordelen.

2.9. [appellant sub 3] betoogt dat het college het advies van de welstandscommissie van 14 maart 2008, zoals dat is aangevuld met het welstandsadvies van 21 juni 2011, niet aan zijn oordeel omtrent welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Hiertoe voert hij aan dat uit de door hem overgelegde stukken blijkt dat het college ten onrechte aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd dat de koerswijziging van de welstandscommissie het gevolg is van de in het bouwplan aangebrachte wijzigingen, in die zin dat de aanvankelijke negatieve adviezen betrekking hadden op een bouwplan waarbij de drie woningen naast elkaar waren voorzien, waarvan in het huidige bouwplan geen sprake meer is. Voorts voert hij aan dat de welstandscommissie niet onafhankelijk, althans niet onbevooroordeeld, haar adviezen heeft uitgebracht.

2.9.1. De rechtbank heeft overwogen dat het college gelet op de eerder uitgebrachte negatieve welstandsadviezen van 30 september 2005 en 20 april 2006 voor zijn oordeel omtrent welstand niet heeft kunnen volstaan met verwijzing naar het niet gemotiveerde positieve welstandsadvies van 14 maart 2008.

2.9.2. Het aan het besluit van 27 september 2011 ten grondslag liggende aanvullende advies van de welstandscommissie van 21 juni 2011 vermeldt dat de welstandscommissie vanaf 2005 bij de ontwikkeling van het bouwplan is betrokken. Voorts vermeldt dit advies dat het bouwplan zich heeft ontwikkeld, waarbij in eerste instantie drie woningen aaneen waren voorgesteld, tot het bouwplan waarbij twee van de drie woningen naar achteren zijn geschoven en op het achtererf zodanig zijn herschikt dat de nu voorgestelde situering voldoende aansluit bij de bestaande mate van open- en geslotenheid in dit gebied. Tevens is de welstandscommissie van mening dat de nu voorgestelde architectuur, met een zadeldak meer dan het eerder voorgestelde lessenaarsdak, past is bij de te handhaven bebouwing in de omgeving.

2.9.3. Hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat dit advies naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college deze niet- of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van het college dat de gemotiveerde negatieve welstandsadviezen van 30 september 2005 en 20 april 2006 betrekking hebben op het bouwplan waarbij de drie beoogde woningen naast elkaar waren voorzien en niet op het thans voorliggende plan. De stelling van [appellant sub 3] heeft gesteld dat het negatieve welstandsadvies van 12 juni 2006 ziet op een wat situering betreft identiek bouwplan doet hieraan niet af, nu uit dit ongemotiveerde advies niet blijkt of dit negatief is vanwege de situering van de woningen. Gelet hierop bestaat geen grond om te twijfelen aan de in het advies van 21 juni 2011 weergegeven ontwikkeling in de advisering van de welstandscommissie.

De omstandigheid dat naar aanleiding van adviezen van de welstandscommissie wijzigingen in het bouwplan zijn aangebracht, wat uiteindelijk heeft geleid tot een voor de welstandscommissie acceptabel bouwplan, geeft geen grond voor het oordeel dat de welstandscommissie haar adviezen niet op onafhankelijke wijze heeft uitgebracht.

Het betoog faalt.

2.10. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch op om binnen 4 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van rechtsoverweging 2.7.1:

1. het besluit van 17 november 2009, kenmerk SO/JUR 13899 p.v.: 80299, te herstellen door alsnog toereikend te motiveren dat het zicht op vanuit zuidelijke richting naderend verkeer vanaf de uitweg van de Kerkehoek voldoende is of met daartoe door hem te nemen verkeersmaatregelen blijvend voldoende kan worden gewaarborgd en dat het bouwplan derhalve niet zal leiden tot een verkeersonveilige situatie. Het college dient zo nodig het bestreden besluit te wijzigen dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen;

2. de Afdeling de uitkomst mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Deen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2012

604.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature