Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Besluit waarbij verweerder verzoek van appellant om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ten aanzien van een biochemisch bedrijf heeft afgewezen.

Met verwijzing naar de uitspraak van dezelfde datum, in zaak nr. 201112427/1/A4 (LJN: BW5909), overweegt de Afdeling dat ten tijde van het nemen van de beslissing op het verzoek om handhaving, het college van gs van Gelderland bevoegd was vergunning te verlenen voor onderhavige inrichting. Uit art. 18.2, lid 1, aanhef en onder a, van de Wm volgt dat op dat moment ook de bevoegdheid tot handhaving bij het college van gs van Gelderland berustte. Het primaire besluit is derhalve onbevoegd genomen en had bij het besluit op bezwaar moeten worden herroepen. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. De beslissing op bezwaar dient te worden vernietigd wegens strijd met art. 18.2, lid 1, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, in samenhang met art. 8.2, lid 1 en lid 2, van die wet en art. 3.1 van en bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

De Afdeling ziet aanleiding te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven, nu uit het onder 2.1 weergegeven overgangsrecht volgt dat na herroeping van het besluit van 3 maart 2010 op het verzoek om handhaving moet worden beslist door het bestuursorgaan dat daartoe op grond van de Wabo bevoegd is.

De Afdeling stelt vast dat de inrichting geen inrichting is als bedoeld in categorie 8, onderdeel 8.3, onder j en k, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht. Nu deze ook niet behoort tot een andere categorie ten aanzien waarvan gs het aangewezen bevoegde gezag zijn, is het college van gs van Gelderland niet bevoegd om op een onder de Wabo ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning van vergunninghouder te beslissen en evenmin op een onder de Wabo ingediend verzoek om handhaving van voorschriften die voor haar inrichting gelden. Onder de Wabo is het college van b&w hiertoe bevoegd. Dit betekent dat het college na herroeping van het primaire besluit, opnieuw op het handhavingsverzoek van appellant zou moeten beslissen.

Niet in geschil is dat vergunninghouder in strijd handelt met de eerder in 1994 verleende vergunning, zodat het college ter zake handhavend kan optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. (…) De Afdeling overweegt dat voor het bestaan van concreet zicht op legalisatie in de regel voldoende is dat een vergunning is aangevraagd die strekt tot legalisatie van de desbetreffende niet vergunde activiteiten of situatie. Gegeven de aanvraag, die onder meer strekt tot legalisering van de huidige activiteiten binnen de inrichting, en de terinzagelegging van de ontwerpbestemmingsplannen, stelt het college zich terecht op het standpunt dat thans concreet zicht op legalisatie bestaat. Voor handhavend optreden bestaat dan ook geen aanleiding meer.

Nu het college na herroeping van het primaire besluit wederom op het handhavingsverzoek zou moeten beslissen en het daarbij opnieuw en op goede gronden tot afwijzing zou komen, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van art. 8:72, lid 3 Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Uitspraak



201100109/1/A4.

Datum uitspraak: 16 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Loenen, gemeente Apeldoorn,

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2010 heeft het college het verzoek van [appellant] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ten aanzien van het biochemische bedrijf van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sonac Loenen B.V. (hierna: Sonac Loenen) aan het Kieveen 20 te Loenen, afgewezen.

Bij besluit van 26 november 2010 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2011, beroep ingesteld. [appellant] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 27 januari 2011.

Bij brief van 15 april 2011 heeft het college meegedeeld dat het zijn besluit van 26 november 2010 intrekt en het door [appellant] tegen het besluit van 3 maart 2010 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaak nr. 201112427/1/A4 ter zitting behandeld op 5 april 2012, waar [appellante B] in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. L. Beckers, J.M. Pieterse en O. Toeset, allen werkzaam bij de gemeente Apeldoorn, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Sonac Loenen, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ozinga, advocaat te Den Haag, vergezeld van ING. W.A.J.M. Dekkers en H.B.J. Roodink, als partij gehoord.

Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.6, eerste lid, van de Invoeringswet Wabo , volgt dat wanneer v óór 1 oktober 2010 met betrekking tot een activiteit als bedoeld in de Wabo een beschikking tot toepassing van handhavingsmiddelen is gegeven, of een daartoe strekkende aanvraag is afgewezen, op de verdere besluitvorming en de bezwaar- en beroepsprocedures het recht zoals dat vóór 1 oktober 2010 luidde van toepassing blijft. Dit brengt mee dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat het besluit van 3 maart 2010 vóór de inwerkingtreding van de Wabo is genomen.

2.2. Bij besluit van 9 november 1994 heeft het college aan Sonac Loenen een revisievergunning verleend voor een biochemisch bedrijf, gevestigd op het perceel Kieveen 20 te Loenen. [appellant] heeft het college verzocht handhavend op te treden tegen overschrijding van de daarbij vergunde hoeveelheid te verwerken bloed, alsmede tegen de niet vergunde voertuigbewegingen in de avond- en nachtperiode. In geding is de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van dit verzoek.

2.3. Ingevolge artikel 18.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer , voor zover hier van belang, heeft het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 voor een inrichting te verlenen, tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de voorschriften die gelden voor degene die de inrichting drijft.

2.4. Met verwijzing naar de uitspraak van heden, in zaak nr. 201112427/1/A4, overweegt de Afdeling dat ten tijde van het nemen van de beslissing op het verzoek om handhaving, het college van gedeputeerde staten van Gelderland bevoegd was vergunning voor de inrichting van Sonac Loenen te verlenen. Uit artikel 18.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer volgt dat op dat moment ook de bevoegdheid tot handhaving bij het college van gedeputeerde staten van Gelderland berustte. Het besluit van 3 maart 2010 is derhalve onbevoegd genomen en had bij het besluit op bezwaar moeten worden herroepen.

2.5. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. Het besluit van 26 november 2010 dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 18.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer , in samenhang met artikel 8.2, eerste en tweede lid, van die wet en artikel 3.1 van en bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

2.6. De Afdeling ziet aanleiding te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven, nu uit het onder 2.1 weergegeven overgangsrecht volgt dat na herroeping van het besluit van 3 maart 2010 op het verzoek om handhaving moet worden beslist door het bestuursorgaan dat daartoe op grond van de Wabo bevoegd is.

2.6.1. Ingevolge artikel 1.1 van de Wabo wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder bevoegd gezag verstaan: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.

Ingevolge artikel 2.4, eerste lid, beslissen burgemeester en wethouders van de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd op de aanvraag om een omgevingsvergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid.

Ingevolge het tweede lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat gedeputeerde staten van de provincie waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, op de aanvraag beslissen ten aanzien van projecten die behoren tot een bij de maatregel aangewezen categorie projecten die van provinciaal belang zijn. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts geldt in de daarbij aangewezen categorieën gevallen.

Ingevolge artikel 5.2, eerste lid, aanhef en onder a, heeft het bevoegd gezag tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de op grond van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten voor degene die het betrokken project uitvoert, geldende voorschriften.

Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht zijn gedeputeerde staten van de provincie waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, bevoegd te beslissen op een aanvraag die betrekking heeft op activiteiten met betrekking tot een inrichting die behoort tot een categorie ten aanzien waarvan dat in bijlage I, onderdeel C, is bepaald. De eerste volzin geldt slechts voor activiteiten met betrekking tot een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort of waarop het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing is.

In categorie 8, onderdeel 8.1, onder d en e, van bijlage I, onderdeel C, van het Besluit omgevingsrecht worden vermeld inrichtingen voor:

d. het bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van producten die bij het slachten van dieren vrijkomen;

e. het verrichten van activiteiten als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de EG-verordening dierlijke bijproducten.

Ingevolge categorie 8, onderdeel 8.2, aanhef en onder b, voor zover hier van belang, zijn gedeputeerde staten bevoegd te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning ten aanzien van inrichtingen behorend tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen als bedoeld in onderdeel 8.3, onder j en k.

In categorie 8, onderdeel 8.3, onder j en k worden vermeld inrichtingen voor:

j. de verwerking van dierlijke bijproducten, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder a, van de EG-verordening dierlijke bijproducten, voor zover het betreft categorie 1- en categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 8 respectievelijk artikel 9 van die verordening;

k. de verwijdering van dierlijke bijproducten en afgeleide producten, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder b en c, van de EG-verordening dierlijke bijproducten.

2.6.2. De Afdeling stelt vast dat de inrichting van Sonac Loenen geen inrichting is als bedoeld in categorie 8, onderdeel 8.3, onder j en k, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht. Nu deze ook niet behoort tot een andere categorie ten aanzien waarvan gedeputeerde staten het aangewezen bevoegde gezag zijn, is het college van gedeputeerde staten van Gelderland niet bevoegd om op een onder de Wabo ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning van Sonac Loenen te beslissen en evenmin op een onder de Wabo ingediend verzoek om handhaving van voorschriften die voor haar inrichting gelden. Onder de Wabo is het college van burgemeester en wethouders hiertoe bevoegd. Dit betekent dat het college na herroeping van het besluit van 3 maart 2010, opnieuw op het handhavingsverzoek van [appellant] zou moeten beslissen.

2.6.3. Niet in geschil is dat Sonac Loenen handelt in strijd met de op 9 november 1994 verleende vergunning, zodat het college ter zake handhavend kan optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6.4. In het besluit op bezwaar van 26 november 2010 heeft het college overwogen dat de door Sonac Loenen op 26 februari 2010 gevraagde vergunning niet kan worden verleend, omdat de aangevraagde geluidruimte in cumulatie met de geluidemissie van de overige bedrijven op het industrieterrein Kieveen/Lona meer bedraagt dan 50 dB(A) op de geluidzone. Op dat moment bestond volgens het college derhalve geen concreet zicht op legalisatie. Het was evenwel van oordeel dat handhavend optreden zodanig onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het van handhaving afzag.

Bij brief van 15 april 2011 heeft het college de motivering van zijn besluit van 26 november 2010 gewijzigd. Het heeft daarin vermeld dat op 13 april 2011 het ontwerpbestemmingsplan "Stuwwalrand Parkzone Zuid -herziening 3" en het ontwerpbestemmingsplan "Geluidzone Kieveen" ter visie zijn gelegd. Deze ontwerpbestemmingsplannen houden een verruiming van de geluidzone rond het industrieterrein Kieveen in. Deze voorgenomen verruiming van de geluidzone maakt gewenste uitbreidingen van bedrijven die al op het industrieterrein zijn gevestigd, waaronder de inrichting van Sonac Loenen, weer mogelijk, aldus het college. Dit houdt volgens het college in dat thans positief op de vergunningaanvraag van 26 februari 2010 kan worden beslist en dat aldus concreet zicht op legalisatie bestaat.

2.6.5. De Afdeling overweegt dat voor het bestaan van concreet zicht op legalisatie in de regel voldoende is dat een vergunning is aangevraagd die strekt tot legalisatie van de desbetreffende niet vergunde activiteiten of situatie. Gegeven de aanvraag van Sonac Loenen, die onder meer strekt tot legalisering van de huidige activiteiten binnen de inrichting, en de terinzagelegging van de onder 2.6.4 vermelde ontwerpbestemmingsplannen, stelt het college zich terecht op het standpunt dat thans concreet zicht op legalisatie bestaat. Voor handhavend optreden bestaat dan ook geen aanleiding meer.

2.6.6. Nu het college na herroeping van het besluit van 3 maart 2010 wederom op het handhavingsverzoek zou moeten beslissen en het daarbij opnieuw en op goede gronden tot afwijzing zou komen, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn van 26 november 2010, kenmerk PD/JAV/JT 2010-078381;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellante B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn aan [appellant A] en [appellante B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Visser

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2012

148.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature