< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Verschoonbare termijnoverschrijding.

Geen belanghebbende bij besluit tot subsidieverlening; niet vast komen te staan dat een belang bestaat bij de subsidieverlening

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/518 8 mei 2012

27301 Kaderwet EZ-subsidies

Besluit stimulering duurzame energieproductie (SDE)

Uitspraak in de zaak van:

[A], te [Y], appellante,

gemachtigde: [Z], appellante,

tegen

de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. J. van Essen, werkzaam bij Agentschap NL (voorheen SenterNovem),

aan welk geding voorts als partij deelneemt:

[E], te [W], (hierna: [E]),

gemachtigde: mr. H.E. Davelaar, advocaat te Zwolle.

1. De procedure

Bij besluit van 24 juli 2009 heeft verweerder aan [E] subsidie verleend op grond van de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (hierna: SDE) en het Besluit stimulering duurzame energieproductie (hierna: Besluit) voor het project biomassavergisting [X].

Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 20 april 2010 (hierna: bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellante geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Bij brief van 31 mei 2010, bij het College binnengekomen op 1 juni 2010, heeft appellante beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Bij brief van 29 juni 2010 heeft verweerder op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 7 november 2011 heeft [E] het College verzocht haar in de gelegenheid te stellen ingevolge artikel 8:26 Awb als partij aan het geding deel te nemen.

Bij brief van 16 november 2011 heeft het College het verzoek van [E] als partij aan het geding deel te nemen, ingewilligd.

Bij brief van 5 december 2011 heeft [E] een reactie ingezonden.

Op 21 februari 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. [E] is vertegenwoordigd door [I], bijgestaan door haar gemachtigde.

2. Het standpunt van verweerder

Appellante heeft volgens verweerder hooguit een afgeleid belang bij het besluit van 24 juli 2009. Subsidie kan immers alleen in het kader van de Subsidieregeling opwekken duurzame elektriciteit in vergistingsinstallaties (hierna: Subsidieregeling) óf in het kader van het Besluit worden verleend. Zolang subsidie in het kader van het Besluit is verleend, is het voor appellante niet mogelijk subsidie te krijgen in het kader van de Subsidieregeling, aldus verweerder.

De eerdere bouwvergunning voor een biomassavergistingsinstallatie te [X], waar appellante aan refereert, is volgens verweerder niet op naam van appellante afgegeven, maar op naam van [D]. Er is dus geen sprake van een (rechtstreekse) relatie tussen appellante en de bouwvergunning. Ook is niet duidelijk welke onderneming met [D] wordt bedoeld. Volgens verweerder is het dan aan appellante om informatie aan te leveren die kan leiden tot een andere conclusie. Verweerder heeft daarom appellante bij brief van 24 maart 2010 op de hoogte gesteld van het voornemen om haar bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren en haar om een reactie daarop verzocht.

Naar de mening van verweerder is er geen (rechtstreekse) relatie tussen appellante en [E]. De overeenkomst van 4 augustus 2005 met [E], waarop appellante zich beroept, is gesloten door [H] (hierna: Holding) en niet door appellante. Bovendien is de Holding bij uitspraak van 14 oktober 2008 failliet verklaard. Volgens verweerder is niet aangetoond dat appellante de in de overeenkomst genoemde partij C is. Daarnaast is niet aangetoond dat – als appellante partij C is – hierdoor een (rechtstreekse) relatie is tussen appellante en [E]. Noch in de vragenbrief van 26 april 2007 in het kader van de Subsidieregeling, noch in de antwoordbrief wordt appellante aangewezen als partij C. In de alleen door de Holding ondertekende bijlage als aanvulling op de overeenkomst van 4 augustus 2005 is slechts – zonder nadere onderbouwing – aangegeven dat [B] als partij C wordt aangewezen. Behoudens de eenzijdigheid van deze bijlage, volgt uit deze bijlage ook niet waarom tussen appellante en [E] een (rechtstreekse) relatie bestaat/bestond.

Uit de vragen die zijn gesteld in het kader van de Subsidieregeling vloeit naar de mening van verweerder evenmin voort dat hiermee in het kader van het Besluit een (rechtstreekse) relatie tussen appellante en [E] is aangetoond.

3. Het standpunt van appellante

Appellante voert aan dat [E] op slinkse wijze de bouwvergunning, die toebehoorde aan [F] (hierna: [F]), op zijn naam heeft laten zetten en met behulp van die vergunning vervolgens de onderhavige subsidie heeft aangevraagd. De aan appellante verleende subsidie op grond van de Subsidieregeling is ingetrokken vanwege de toekenning van deze aanvraag. Het bevreemdt appellante daarom dat zij niet als belanghebbende wordt aangemerkt. Op basis van artikel 3, tweede lid, Besluit is het niet mogelijk subsidie te ontvangen voor dezelfde installatie. Er is volgens appellante sprake van dezelfde installatie, maar met een andere rechthebbende op de bouwvergunning. Appellante heeft de betreffende gemeente aangeschreven om de bouwvergunning weer op haar naam over te schrijven. Het lijkt voor haar niet meer mogelijk om in een later stadium, bij het retour ontvangen van de bouwvergunning, alsnog subsidie te verkrijgen, omdat al aan een ander subsidie in het kader van het Besluit is verleend. Bovendien heeft de subsidieverlening aan [E] plaatsgevonden op 24 juli 2009, terwijl de intrekking van de subsidieverlening aan appellante op grond van de Subsidieregeling plaatsvond op 28 juli 2009. Volgens appellante is daarom niet voldaan aan het gestelde in artikel 3, tweede lid, Besluit. Voorts bestond tussen appellante en de bouwvergunning een rechtstreekse relatie, aangezien met [F] is overeengekomen dat appellante de beschikking had over de bouwvergunning. Ook na het faillissement van de Holding hebben er onderhandelingen plaatsgevonden met [F] over de overname van het project, de vergunningen en de subsidies. Dit had volgens appellante niet kunnen plaatsvinden als alles gerelateerd was aan de Holding. In de overeenkomst is verder uitdrukkelijk aangegeven dat partij B partij C zal oprichten. Dit heeft ook plaatsgevonden, aldus appellante, zodat [E] een rechtstreekse binding heeft met appellante. Naar de mening van appellante is er daarom sprake van een rechtstreeks belang.

4. Het standpunt van [E]

[E] stelt zich primair op het standpunt dat het bezwaarschrift van appellante te laat is ingediend en reeds om die reden door verweerder niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Van appellante mag redelijkerwijs worden verwacht dat zij op de hoogte was van de subsidieverlening aan [E] met betrekking tot de installatie. Daarom valt volgens [E] niet in te zien dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Subsidiair is [E] – kort samengevat – van mening dat appellante terecht niet als belanghebbende bij het besluit van 24 juli 2009 is aangemerkt. Appellante heeft immers geen enkele relatie met de installatie waarvoor in dat besluit subsidie is verleend noch met [E].

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ten aanzien van de termijnoverschrijding in bezwaar overweegt het College als volgt.

Het op 5 oktober 2009 gedateerde en op 7 oktober 2009 ontvangen bezwaarschrift tegen het besluit van 24 juli 2009 is buiten de daartoe gestelde bezwaartermijn ingediend. Het College onderschrijft het in het bestreden besluit impliciet ingenomen standpunt van verweerder dat in dit geval geen aanleiding bestond het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk te verklaren. Het College is voldoende aannemelijk geworden dat appellant pas op 1 oktober 2009, derhalve niet binnen de bezwaartermijn, na een gesprek met medewerkers van verweerder op de hoogte raakte van het feit dat door [E] een aanvraag voor subsidieverlening op grond van de SDE en het Besluit was ingediend en van een mogelijke subsidieverlening aan laatstgenoemde. Appellante heeft reeds op 5 oktober 2009, derhalve zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs van haar kon worden verwacht, bezwaar tegen het niet aan haar gerichte besluit van 24 juli 2009 ingediend. Onder deze omstandigheden kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellante bij de indiening van het bezwaar in verzuim is geweest.

5.2 Het College dient in dit geding de vraag te beantwoorden of verweerder appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar tegen het besluit van 24 juli 2009, omdat zij geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb . Daartoe overweegt het College als volgt.

5.3 De Awb luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 1: 2

1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

(…).”

5.4 Appellante stelt dat zij belanghebbende is bij het besluit houdende verlening van subsidie aan [E] op grond van de SDE, respectievelijk het Besluit, omdat het voor appellante niet mogelijk is subsidie te krijgen op grond van de Subsidieregeling, indien aan [E] subsidie op grond van het Besluit is verleend. Appellante stelt dat verweerder de aan haar verleende subsidie op grond van de Subsidieregeling voor hetzelfde project heeft ingetrokken om de subsidieaanvraag van [E] op grond van het Besluit te kunnen toekennen. Ten tijde van het nemen van voornoemde besluiten was verweerder er volgens appellante mee bekend dat [E] zich op onrechtmatige wijze de aan appellante toebehorende bouwvergunning voor de bouw van een vergistinginstallatie had toegeëigend teneinde eerdergenoemde subsidie op grond van het Besluit te kunnen aanvragen.

Het College overweegt dat, voor zover appellante onder verwijzing naar de overeenkomst van 4 augustus 2005 tussen de Holding en [E] stelt dat zij partij C is, zoals bedoeld in artikel 8 van de ze overeenkomst, zij deze stellingname niet concreet en afdoende heeft onderbouwd. Artikel 8 van die overeenkomst bepaalt dat partij B, zijnde de Holding, voor de betreffende vergistinginstallatie een nieuwe rechtspersoon, partij C, zal oprichten, die de installatie zal gaan exploiteren en tevens eigenaar is van de biogasinstallatie. De Holding is op 14 oktober 2008 gefailleerd en appellante is eerst op 1 januari 2009 opgericht, zodat het, anders dan appellante kennelijk betoogt, niet rechtens vast staat dat appellante bedoelde partij C is. Aan de eenzijdige verklaring van de Holding kan in dit verband geen betekenis worden toegekend, nu daarin uitsluitend [B] als partij C wordt aangewezen en [E] uitdrukkelijk betwist dat hij met deze rechtsvoorganger van, danwel met appellante zelf, als partij C heeft ingestemd, nog daargelaten dat betrokken partijen van mening verschillen over de gevolgen van het faillissement van de Holding voor (het voortbestaan van) de betreffende overeenkomst. Aan de niet onderbouwde stelling van appellante kan het College derhalve voorbijgaan.

Appellante stelt voorts dat de door het college van Burgemeester & Wethouders van de gemeente Dalfsen afgegeven bouwvergunning aan [D], zijnde [F] aldus appellante, en niet aan de inmiddels gefailleerde Holding is verleend. Volgens appellante kon zij derhalve via [D] over de bouwvergunning voor de vergistinginstallatie beschikken en heeft [E] daarmee ingestemd door ondertekening van de overeenkomst van 4 augustus 2005. Ook dit betoog van appellante faalt. Het College stelt vast dat de overeenkomst van 4 augustus 2005 is ondertekend door de Holding. Het College acht het niet aannemelijk dat een andere rechtspersoon dan de Holding partij is bij deze overeenkomst, zoals appellante stelt. Bovendien volgt uit de betreffende overeenkomst geenszins dat appellante kan beschikken over de bouwvergunning voor de vergistinginstallatie, laat staan dat – mede gelet op hetgeen reeds hiervoor is overwogen – [E] daarmee heeft ingestemd.

Gelet op het vorenstaande komt het College tot de conclusie dat appellante op geen enkele wijze heeft aangetoond dat zij rechtens aanspraak kan maken op de bouwvergunning voor de vergistinginstallatie. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat sprake is van enige privaatrechtelijke rechtsverhouding, direct dan wel indirect, tussen [E] en appellante ter zake van de (bouw en/of exploitatie van, respectievelijk subsidie voor de) vergistinginstallatie. Het College is dan ook van oordeel dat appellante bij gebreke van een rechtstreeks en individueel belang bij het bestreden besluit niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb . Verweerder heeft appellante terecht in haar bezwaar tegen het besluit van 24 juli 2009 niet ontvankelijk verklaard.

5.5 Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.

5.6 Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mrs. H.A.B. van Dorst-Tatomir, G.P. Kleijn en J.A.M. van den Berk, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2012.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. P.H. Broier


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature