< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Het Hof acht het vermoeden gerechtvaardigd dat in de taxi een KTO is ingebouwd. Kilometeradministratie niet betrouwbaar.

Op verzoek gepubliceerd (zie Hoge Raad 09/01347 inzake MRB).

Uitspraak



GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 07/00170, 07/00171 en 07/00172

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op de hogere beroepen van

- X,

wonende te Z,

belanghebbende,

gemachtigde mr. J.B. Frie

tegen de uitspraken in de zaken met respectievelijk de kenmerknummers 06/3300, 06/3303 en 06/3301 van de rechtbank Haarlem van 22 februari 2007 in het geding tussen

belanghebbende

en

- de inspecteur van de Belastingdienst/Amsterdam,

de inspecteur;

- de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie Apeldoorn,

de inspecteur MRB.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met betrekking tot de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (07/00170)

De inspecteur heeft met dagtekening 20 februari 2004 aan belanghebbende over het tijdvak 24 juni 1998 tot en met 27 juni 2001 (verder ook: het BPM-naheffingstijdvak) een naheffingsaanslag betreffende de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (verder ook BPM) opgelegd van € 18.114. Ook is een boete vastgesteld van 50% van het bedrag van de aanslag, zijnde (50% x € 18.114=) € 9.057 (de BPM-boete).

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 17 februari 2006, de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot 25%, derhalve tot € 4.528.

Bij uitspraak van 22 februari 2007 (AWB 06/3300), verzonden op 28 februari 2007, heeft de rechtbank het tegen de uitspraak op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de boete, de uitspraak op bezwaar in zoverre vernietigd, de boete verminderd tot 20% van het nageheven bedrag en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

1.2. Met betrekking tot de motorrijtuigenbelasting (07/00171)

De inspecteur MRB heeft met dagtekening 2 april 2004 aan belanghebbende een naheffingsaanslag betreffende de motorrijtuigenbelasting (verder ook MRB) opgelegd over het tijdvak 23 september 2000 tot en met 19 augustus 2001 (verder ook de naheffingsaanslag MRB-2). De naheffingsaanslag bedroeg € 1.087. Ook is een boete vastgesteld van 100% van het bedrag van de aanslag (de MRB-2 boete).

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur MRB bij uitspraak, gedagtekend 24 april 2006 de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot 50%, derhalve tot (50% x € 1.087 =) € 543.

Bij uitspraak van 22 februari 2007 (AWB 06/3303), verzonden op 28 februari 2007, heeft de rechtbank het tegen de uitspraak op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroep voor zover het de boete betrof gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar in zoverre vernietigd en de boete verminderd tot 40% van het nageheven bedrag.

1.3. Met betrekking tot de motorrijtuigenbelasting (07/00172)

De inspecteur MRB heeft met dagtekening 2 april 2004 aan belanghebbende een MRB-naheffingsaanslag opgelegd over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 22 september 1999 (de naheffingsaanslag MRB-1). De naheffingsaanslag bedroeg € 869. Ook is een boete vastgesteld van 100% van het bedrag van de aanslag (de MRB-1 boete).

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur MRB bij uitspraak, gedagtekend 24 april 2006 de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot 50%, derhalve tot (50% x € 869 =) € 434.

Bij uitspraak van 22 februari 2007 (AWB 06/3301), verzonden op 28 februari 2007, heeft de rechtbank het tegen de uitspraak op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroep voor zover het de boete betrof gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar in zoverre vernietigd en de boete verminderd tot 40% van het nageheven bedrag,

1.4. Met betrekking tot het hoger beroep

Tegen bovenstaande uitspraken van de rechtbank heeft de gemachtigde van belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 3 april 2007, bij het Hof ingekomen op 3 april 2007, en aangevuld bij brief van 30 april 2007.

De inspecteur en de inspecteur MRB hebben verweerschriften ingediend.

Op 5 januari 2009 zijn van belanghebbende nadere stukken ingekomen. De inspecteur en de inspecteur MRB hebben voorafgaand aan na te noemen zitting een pleitnota ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2009. Ter zitting zijn gelijktijdig behandeld: de zaken 07/00170 (BPM), 07/00171 (MRB) en 07/00172 (MRB).

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

Het onderzoek ter zitting is – na heropening – geschorst tot 27 januari 2009 te 15.30 uur teneinde de gemachtigde in de gelegenheid te stellen A op te roepen teneinde hem op voormeld tijdstip te doen horen als getuige.

Op 22 januari 2009 is een brief van de gemachtigde ingekomen.

Op 27 januari 2009 te 15.30 heeft het Hof in aanwezigheid van de gemachtigde en de inspecteur/de inspecteur MRB vastgesteld dat de gemachtigde niet erin is geslaagd A op te roepen teneinde hem te doen horen als getuige, waarna het Hof het onderzoek ter zitting heeft gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Feiten

Het Hof stelt de feiten vast zoals hierna opgenomen.

2.1.1. Belanghebbende is werkzaam als taxichauffeur in de regio P. In de jaren dan wel de tijdvakken waarop de onderhavige belastingaanslagen betrekking hebben exploiteerde hij in de vorm van een eenmanszaak een taxibedrijf. Voor zijn werkzaamheden maakte belanghebbende gebruik van een Mercedes-Benz […] met het kenteken 00-00-00 (hierna: de taxi). De taxi werd afwisselend gebruikt door belanghebbende, B en C. Ook B en C dreven in de vorm van een eenmanszaak een taxibedrijf. Via de v.o.f. Firma D 000, aan welke v.o.f. het taxinummer 000 was toegekend, deelden zij een taxivergunning. Het kenteken van de taxi stond in de onderhavige periode op naam van belanghebbende.

2.1.2. Door belanghebbende althans door B is met E Taxi Installateur (Inbouwbedrijf E) een afspraak gemaakt voor het verrichten van werkzaamheden aan de taxi.

2.1.3. Inbouwbedrijf E hanteerde een werkplaatsagenda. Tot de gedingstukken behoren afschriften van vele pagina’s uit de jaren 1997, 1998 en 1999. Hiertoe behoort ook een afschrift van de bladzijde uit die agenda betreffende 25 juni 1998. Op die pagina is - voor zover hier van belang – vermeld:

“inb meter

stinger

div

Taxi 000

06 00 00 00 00

[…]”

Het telefoonnummer 06 00000000 staat op naam van B.

2.1.4. A en F hebben ten behoeve van Inbouwbedrijf E gewerkt; de eerste in loondienst, de tweede als freelancer.

2.1.5. Inbouwbedrijf E, waarvan E tot 1 mei 1999 eigenaar was, is met ingang van die datum aan G en H verkocht. G en H hebben het bedrijf in de vorm van een vennootschap onder firma voortgezet. A en F bleven ook na de overname voor de onderneming werkzaam.

2.1.6. Een kilometertelleronderbreker (KTO) is een in een auto aangebracht schakelmechanisme waarmee de kilometerteller langs elektronische weg kan worden uitgeschakeld, zodat deze tijdens het rijden niet doortelt, dan wel waarmee de kilometerteller, die tijdens het rijden normaal blijft functioneren, na een of meer ritten kan worden teruggezet op de stand die op de teller stond vóór aanvang van die rit(ten). Het was (in ieder geval vanaf 1997) mogelijk een KTO van een afstandsbediening te voorzien.

2.1.7. Aan belanghebbende zijn teruggaven BPM verleend. Deze teruggaven hebben achtereenvolgens bedragen:

- voor de periode 28 juni 1998 tot en met 27 juni 1999: f. 13.307 (€ 6.038)

- voor de periode 28 juni 1999 tot en met 27 juni 2000: f. 13.307 (€ 6.038)

- voor de periode 28 juni 2000 tot en met 27 juni 2001: f. 13.307 (€ 6.038).

2.1.8. Op verzoek van belanghebbende heeft de inspecteur MRB voor de taxi vrijstelling van MRB verleend.

2.1.9. De inspecteur heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. De resultaten van dit onderzoek zijn aan de inspecteur MRB gerenseigneerd.

2.1.10. De inspecteur heeft naar aanleiding van het boekenonderzoek de onder ‘Ontstaan en loop van het geding’ opgenomen naheffingsaanslag BPM en boete opgelegd. De inspecteur MRB heeft op basis van hetzelfde onderzoek de aldaar vermelde naheffingsaanslagen en boeten opgelegd.

2.2. Het geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil:

- of de taxi in het BPM-naheffingstijdvak geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer;

- of de taxi in de MRB-naheffingstijdvakken geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer;

- of belanghebbende zich terecht op het gelijkheidsbeginsel beroept;

- of de inspecteur terecht en voor het juiste bedrag boeten heeft opgelegd.

2.3. Overwegingen van het Hof; plan van behandeling

Het Hof zal in 2.4. ingaan op de heffing van BPM. In 2.5. komt de heffing van MRB aan de orde. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel zal in 2.6. worden behandeld. In 2.7. komen vervolgens de boeten aan de orde. In 2.8. wordt de slotsom betreffende het hoger beroep geformuleerd. Tot slot komt in 2.9. de proceskostenveroordeling aan de orde.

2.4. De heffing van BPM

2.4.1. Artikel 16, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto ’s en motorrijwielen 1992 (de Wet BPM) houdt – voor zover hier van belang – in dat een teruggaaf van belasting op aanvraag wordt verleend voor personenauto's die zijn bestemd om taxivervoer te verrichten. Ingevolge artikel 16, vijfde lid, van de Wet BPM bedraagt de teruggaaf nihil indien de personenauto niet geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer.

2.4.2. De inspecteur heeft de aan belanghebbende op diens verzoek teruggegeven BPM nageheven, waartoe hij, kort gezegd, aanvoert dat belanghebbende niet heeft bewezen dat de taxi geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer. De kilometeradministratie is ondeugdelijk en onbetrouwbaar, aldus de inspecteur, en met een dergelijke kilometeradministratie kan niet het vereiste bewijs worden geleverd.

2.4.3. De stellingen van belanghebbende komen erop neer dat hij met zijn kilometeradministratie, en met name de vastlegging op de rittenkaarten, aannemelijk heeft gemaakt dat de taxi voor ten minste 90% voor personenvervoer werd gebruikt.

2.4.4. Het Hof oordeelt dat op een belastingplichtige die zich op een vrijstelling beroept – zoals in casu belanghebbende – de last rust te bewijzen dat hij aan de voorwaarden voldoet.

2.4.5. In de vaststellingen van de rechtbank, die in zoverre in hoger beroep niet zijn betwist en die ook het Hof tot feitelijk uitgangspunt zal nemen, ligt besloten dat de kilometeradministratie van belanghebbende bestaat uit rittenstaten die door hem worden opgesteld aan de hand van de per dienst door hem ingevulde rittenkaarten en dat de rittenkaarten door belanghebbende zijn ingevuld aan de hand van de standen van de taxameter die steeds na afloop van een dienst handmatig op nul werd gezet.

2.4.6. Daargelaten wat er overigens zij van de kilometeradministratie van belanghebbende, is voor de beoordeling van de betrouwbaarheid daarvan van primordiaal belang of de inspecteur geslaagd moet worden geacht in het – op hem rustende – bewijs van de aanwezigheid van een KTO in de taxi van belanghebbende.

2.4.7. Op grond van de door de inspecteur aangevoerde bewijsmiddelen acht het Hof aannemelijk dat vanaf omstreeks maart 1997 bij Inbouwbedrijf E op betrekkelijk grote schaal KTO’s werden ingebouwd in taxi’s. Belanghebbende heeft overigens ook niet betwist dat bij Inbouwbedrijf E KTO’s werden ingebouwd.

2.4.8. Voorts acht het Hof op grond van de door de inspecteur aangevoerde bewijsmiddelen minst genomen het vermoeden gerechtvaardigd dat de aanduiding ‘Div.’ dan wel ‘Diversen’ in de werkplaatsagenda van Inbouwbedrijf E betekende dat in de auto (taxi) van de desbetreffende klant een KTO moest worden ingebouwd. Belanghebbende heeft dit vermoeden naar ’s Hofs oordeel niet ontzenuwd. In dit verband oordeelt het Hof dat niet aannemelijk is dat een monteur zonder nadere specificatie uit de aanduiding ‘div’ kan opmaken wat hem te doen zou staan. Om deze reden verwerpt het Hof ook de verklaring van E van 19 december 2003 “Deze agenda betrof alle telefonisch gemaakte afspraken, als een klant meerdere reparaties had, dan vermeldde ik dat als diversen” als ongeloofwaardig.

2.4.9. Het Hof neemt derhalve tot uitgangspunt dat ‘Div’ in de werkplaatsagenda van InbouwbedrijfE betekende dat in de auto (taxi) van de desbetreffende klant een KTO moest worden ingebouwd. Dit uitgangspunt acht het Hof in ieder concreet geval voor tegenbewijs vatbaar.

2.4.10. Naar blijkt uit de in 2.1.2. en 2.1.3. vermelde feiten, heeft belanghebbende door Inbouwbedrijf E werkzaamheden aan de taxi laten verrichten en is bij de desbetreffende afspraak onder meer de aanduiding ‘div’ aangetekend.

2.4.11. Nu ervan moet worden uitgegaan dat ‘Div(ersen)’ in het algemeen betekent dat in de taxi waar die term in de werkplaatsagenda aan is te relateren, een KTO is ingebouwd en die term ook in relatie tot de taxi van belanghebbende is gebruikt, acht het Hof het vermoeden gerechtvaardigd dat ook in die taxi een KTO is ingebouwd. Met zijn enkele ontkenning daarvan, en ook overigens, heeft belanghebbende dit vermoeden niet weerlegd. In dit verband oordeelt het Hof nader als volgt.

2.4.12. Namens belanghebbende is aangevoerd dat er op 25 juni 1998 naast de Stinger die in de agenda stond vermeld tevens een Birdview-navigatiesysteem en een RIDAS-systeem in de taxi zijn ingebouwd, dat de aantekening ‘div’ duidt op ‘diverse te verrichten werkzaamheden’ en dat E en A in de werkplaats van Inbouwbedrijf E zo dicht op elkaar werkten dat snel kon worden doorgegeven wat er met ‘div’ in de werkplaatsagenda werd bedoeld, in casu dus de inbouw van het navigatiesysteem en het RIDAS-systeem. Dat de desbetreffende (extra) inbouwwerkzaamheden niet op enige factuur zijn vermeld, heeft ermee te maken dat voor deze werkzaamheden ‘zwart’ is betaald.

Het Hof acht deze verklaring niet aannemelijk nu de gestelde inbouw van een navigatiesysteem en een RIDAS-systeem niet met enig concreet bewijsmiddel wordt gestaafd en door de inspecteur gemotiveerd is betwist. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat het niet aannemelijk is dat in een werkplaatsagenda – ook al betreft het een kleine garage – een aantal te verrichten werkzaamheden ongespecificeerd met ‘div(ersen)’ wordt aangeduid, en dat in het onderhavige geval ook daarom niet aannemelijk is dat ‘div’ zou slaan op de inbouw van een navigatiesysteem en een RIDAS-systeem nu de werkplaatsagenda wel specifiek melding maakt van de (in te bouwen) Stinger.

Het Hof acht alles bijeengenomen aannemelijk dat ook in het onderhavige geval met de aantekening ‘div’ is gedoeld op de inbouw van een KTO.

2.4.13. Door de aanwezigheid van een KTO in de taxi is de kilometeradministratie manipuleerbaar; het Hof verwijst nader naar hetgeen is overwogen onder 2.4.10.1 en 2.4.10.2 in zijn uitspraak van 19 november 2008, kenmerk nr. 07/00048, 07/00049, 07/00053, 07/00054 en 07/00055, op www.rechtspraak.nl gepubliceerd onder kenmerk LJN BG 5439 (hierna: de uitspraak van 19 november 2008).

De kilometeradministratie is daarmee niet geschikt om het door artikel 16, (eerste en) vijfde lid, van de Wet BPM vereiste bewijs te leveren. Voor het vereiste bewijs is naar ’s Hofs oordeel ook onvoldoende dat belanghebbende de taxi gezamenlijk met B en C bereed, en dat hij – naar het Hof op zichzelf aannemelijk acht – ook in privé over een auto beschikte. Ook voor het overige heeft belanghebbende geen bewijsmiddelen bijgebracht waarmee hij aannemelijk heeft gemaakt dat de taxi geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer. Evenals de rechtbank komt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende (naar de wettelijke maatstaven) niet is geslaagd in het van hem vereiste bewijs.

2.4.14. Het voorgaande geldt onverkort voor de teruggaven die betrekking hebben op de perioden 28 juni 1998 tot en met 27 juni 1999 (eerste jaartranche) en 28 juni 1999 tot en met 27 juni 2000 (tweede jaartranche). Voor zover betrekking hebbende op deze teruggaven, is de naheffingsaanslag BPM terecht opgelegd.

2.4.15. Wat de periode 28 juni 2000 tot en met 27 juni 2001 betreft, geldt het volgende. Ter zitting is door de inspecteur desgevraagd uitdrukkelijk bevestigd dat hij zich niet verweert tegen de vaststelling van de rechtbank dat de KTO op 6 september 2000 is uitgebouwd. De inspecteur heeft zich uitdrukkelijk verenigd met de vaststelling van het Hof dat alsdan – als tussen partijen niet in geschil – ervan dient te worden uitgegaan dat tussen voormelde datum en 27 juni 2001 geen KTO in de auto aanwezig was. Naar ’s Hofs oordeel laat dit evenwel onverlet dat ook voor de periode 28 juni 2000 tot en met 27 juni 2001 het vereiste bewijs niet is geleverd. Immers ook in deze periode is sprake van een substantieel tijdsverloop (te weten: tussen 28 juni en 6 september 2000) waarin het gebruik van de KTO de rittenadministratie volstrekt onbetrouwbaar maakt, terwijl ook niet kan worden gezegd dat gedurende dat tijdsverloop (van ruim twee maanden) in redelijkheid geen mogelijkheid heeft bestaan om (op jaarbasis bezien) de 10%-marge voor ander dan (toegestaan) taxivervoer te overschrijden.

2.5. De heffing van MRB

2.5.1. Artikel 72, eerste lid, onderdeel n, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (verder Wet MRB) houdt – samengevat – in dat vrijstelling van belasting, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, wordt verleend voor motorrijtuigen die bestemd zijn om daarmee als personenauto taxivervoer te verrichten en daarvoor geheel of nagenoeg geheel worden gebruikt. De hiervoor genoemde voorwaarden en beperkingen zijn gesteld in het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: het Besluit MRB).

In artikel 23, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Besluit MRB is – voor zover hier van belang - bepaald dat vrijstelling van belasting wordt verleend indien een verklaring wordt overgelegd van de exploitant van het motorrijtuig dat het motorrijtuig geheel of nagenoeg geheel wordt gebruikt voor het verrichten van taxivervoer.

2.5.2. Op verzoek is belanghebbende bij beschikking vrijstelling van MRB verleend. De inspecteur MRB heeft bij de in geschil zijnde naheffingsaanslagen MRB nageheven omdat belanghebbende in de desbetreffende tijdvakken geen juiste en controleerbare kilometeradministratie heeft bijgehouden en ook met de overigens aanwezige administratie niet overtuigend heeft aangetoond dat de taxi geheel of nagenoeg geheel als zodanig werd gebruikt. Voor de onderbouwing van deze naheffingsaanslagen verwijst de inspecteur MRB verder naar het verweerschrift betreffende de BPM.

2.5.3. Met betrekking tot de op partijen rustende bewijslast geldt voor de MRB hetzelfde als voor de BPM. Ook met betrekking tot de MRB concludeert het Hof dat op belanghebbende de last rust aannemelijk te maken dat de taxi geheel of nagenoeg geheel als zodanig is gebruikt.

2.5.4. Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen omtrent de BPM concludeert het Hof in dit verband dat belanghebbendes kilometeradministratie als gevolg van de aanwezigheid van een KTO manipuleerbaar en dus niet betrouwbaar was en dat met een dergelijke kilometeradministratie niet aannemelijk gemaakt kan worden dat de taxi geheel of nagenoeg geheel als zodanig is gebruikt. Ook voor het overige heeft belanghebbende geen bewijsmiddelen bijgebracht waarmee hij het verlangde bewijs heeft geleverd.

2.5.5. Het voorgaande geldt onverkort voor de naheffingsaanslag MRB-1 over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 22 september 1999. In die gehele periode was een KTO in de auto aanwezig. Met betrekking tot de naheffingsaanslag MRB-2, die is opgelegd over het tijdvak 23 september 2000 tot en met 19 augustus 2001, heeft echter te gelden dat in die gehele periode geen KTO in de auto aanwezig was. De vraag of belanghebbende voor die periode met zijn kilometeradministratie naar wettelijke maatstaven heeft voldaan aan het op hem rustende bewijs laat het Hof in het midden nu, zoals hierna in 2.6. zal worden uiteengezet, de desbetreffende naheffingsaanslag wegens strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet in stand kan blijven.

2.5.6. Belanghebbende heeft nog betoogd dat de naheffingsaanslagen MRB moeten worden vernietigd althans verminderd omdat op grond van artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB de periode waarover kan worden nageheven beperkt is tot de twaalf maanden voorafgaande aan de datum waarop de Belastingdienst heeft geconstateerd dat belanghebbende niet meer aan de voorwaarden voor de MRB-vrijstelling voldeed. Het Hof verwerpt dit – nog slechts voor de naheffingsaanslag MRB-1 relevante – betoog onder verwijzing naar hetgeen onder 2.6.10. tot en met 2.6.13. is overwogen in zijn uitspraak van 19 november 2008.

2.6. Het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel

2.6.1. Belanghebbende heeft voor het geval geen KTO is ingebouwd gemotiveerd betoogd dat het gelijkheidsbeginsel aan naheffing in de weg staat. Ter zitting heeft de gemachtigde daaraan toegevoegd zich voor dat geval tevens te beroepen op het vertrouwensbeginsel.

2.6.2. Nu het Hof aannemelijk gemaakt acht dat in de taxi tussen 25 juni 1998 en 6 september 2000 een KTO was ingebouwd behoeft het beroep op het gelijkheidbeginsel en het vertrouwensbeginsel niet te worden behandeld voor zover het de naheffingsaanslag MRB-1 betreft.

2.6.3. Op overeenkomstige gronden als vermeld in 2.4.4.2., 2.4.4.3. en 2.4.4.4. van de uitspraak van dit Hof van 11 februari 2009 met kenmerk 07/00157 e.v. – gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder nummer LJN BH 2786

is het Hof van oordeel dat de omstreden naheffingsaanslag MRB-2 niet in stand kan blijven wegens strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In het tijdvak waarop die naheffingsaanslag betrekking heeft was immers geen KTO in de auto aanwezig.

Bij dit oordeel neemt het Hof in aanmerking dat de inspecteur in de rittenadministratie van belanghebbende over de desbetreffende periode geen zodanige gebreken aannemelijk heeft gemaakt dat geoordeeld zou moeten worden dat het geval van belanghebbende niet op één lijn kan worden gesteld met de in evenvermelde uitspraak genoemde gevallen waarin op gebreken in de rittenadministratie slechts met een waarschuwing is gereageerd.

Het Hof neemt voorts in aanmerking dat de voormelde uitspraak van 11 februari 2009 weliswaar betrekking had op door de inspecteur opgelegde navorderingsaanslagen IB en BPM die wegens strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur niet in stand kunnen blijven, maar het desbetreffende oordeel heeft ook te gelden voor de naheffingsaanslag MRB-2 nu het dossier (waarin de inspecteur MRB voor de onderbouwing van zijn standpunt in wezen verwijst naar en aansluiting zoekt bij het standpunt van de inspecteur) het Hof geen enkele aanleiding geeft te veronderstellen dat de handelwijze van de Belastingdienst bij gebreken in de kilometeradministratie van taxichauffeurs ten aanzien van de MRB anders is (geweest) dan die bij andere belastingmiddelen.

2.6.4. Voor zover belanghebbende ook met betrekking tot de naheffingsaanslag BPM een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, verwerpt het Hof dat beroep omdat gedurende het geheel, respectievelijk een geenszins verwaarloosbaar deel van de in de naheffingsaanslag betrokken teruggaafperioden een KTO in de auto was ingebouwd, hetgeen het geval van belanghebbende op een wezenlijk punt anders maakt dan voormelde gevallen waarin is volstaan met het geven van een waarschuwing.

2.7. Boeten

2.7.1. De boete inzake de naheffingsaanslag MRB-2 dient te vervallen nu aan die naheffingsaanslag de grondslag ontbreekt.

2.7.2. De boete voor de BPM is een vergrijpboete die de inspecteur heeft opgelegd op basis van artikel 67f van de Awr . Volgens de inspecteur betekent de inbouw en het gebruik van een KTO dat belanghebbende zijn kilometeradministratie oncontroleerbaar heeft gemaakt en dat hij daarmee het oogmerk heeft gehad te weinig BPM te betalen. De inspecteur heeft - met inachtneming van § 25 en § 28 van het BBBB 1998 - een boete opgelegd van 50% van de nageheven bedragen.

De MRB-boete inzake de naheffingsaanslag MRB-1 (hierna: de MRB-boete) is een verzuimboete die de inspecteur MRB op basis van artikel 67c van de AWR heeft opgelegd. De inspecteur MRB heeft – met inachtneming van § 34, onderdeel 2, van het BBBB 1998 - een boete opgelegd van 100% van het nageheven bedrag. Voor wat betreft de onderbouwing van de boete verwijst de inspecteur MRB naar het verweerschrift inzake de BPM.

2.7.3. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de BPM-boete gematigd tot 25% van het nageheven bedrag.

De inspecteur MRB heeft de MRB-boete verminderd tot 50%.

2.7.4. Belanghebbende heeft de boeten betwist.

2.7.5. Met betrekking tot de boete in de BPM acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende bij het vragen om teruggaaf de bedoeling heeft gehad om, wetende dat zijn kilometeradministratie onbetrouwbaar was en dat deze niet kon dienen als het door artikel 16, eerste en vijfde lid, van de Wet BPM vereiste bewijs, te doen voorkomen dat met deze kilometeradministratie aannemelijk werd gemaakt dat de taxi voor ten minste 90% werd gebezigd voor taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer. Door desondanks om teruggaaf te verzoeken, heeft belanghebbende willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. Dit betekent dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet.

De beschikbaarheid van een tweede (privé) auto en de – volgens belanghebbende – gebrekkige informatieverstrekking door de belastingdienst aan ondernemers doen aan het oordeel van het Hof niet af. Tot slot oordeelt het Hof dat gelet op de ingebouwde KTO van een pleitbaar standpunt met betrekking tot de kilometeradministratie geen sprake kan zijn nu de inbouw van een KTO enkel de functie heeft het kunnen manipuleren van de reguliere vastlegging van de kilometerstand.

2.7.6. De onderhavige boete zoals deze door de inspecteur bij de uitspraak op bezwaar is verminderd tot 25% van de nageheven BPM gaat naar ’s Hofs oordeel in ieder geval niet boven hetgeen passend en geboden is gelet op de ernst van het feit (het verzoeken om een teruggaaf van betaalde BPM, wetende dat de kilometeradministratie als gevolg van de inbouw en het gebruik van de KTO onbetrouwbaar was en dus niet als onderbouwing voor deze verzoeken kon en mocht dienen).

2.7.7. De omstandigheid dat de naheffing niet kan worden gebaseerd op artikel 76 van de Wet MRB, maar (slechts) op artikel 20 AWR doet er niet aan af dat de MRB-boete een verzuimboete is die is opgelegd op basis van artikel 67c AWR . De omstandigheid dat de inspecteur ten onrechte artikel 76 van de Wet MRB aan de naheffing ten grondslag heeft gelegd brengt dan ook niet mee dat de boete moet worden vernietigd. Op vergelijkbare gronden als vermeld onder 2.10.9. van de uitspraak van 19 november 2008, past dan een verzuimboete tot 10%. Niet kan worden geoordeeld – voor zover belanghebbende dit al heeft betoogd – dat sprake is van afwezigheid van alle schuld.

2.7.8. Op overeenkomstige gronden als vermeld in 2.10.12 tot en met 2.10.16. van de uitspraak van 19 november 2008, oordeelt het Hof dat geen sprake is van een cumulatie van verschillende boeten voor hetzelfde feit.

2.7.9. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is in dezen niet later aangevangen dan op 4 december 2003, de datum van het controlerapport. Nu de rechtbank eerst uitspraak heeft gedaan op 22 februari 2007 heeft zij de boete BPM op grond van het tijdsverloop terecht gematigd. De door de rechtbank toegepaste vermindering van vijf procentpunt acht het Hof in ieder geval toereikend. Noch het tijdsverloop na het instellen van hoger beroep, noch de totale behandelingsduur van de zaak tot de uitspraak van het Hof geven aanleiding tot verdere vermindering van deze boete.

De MRB-1 boete is uit anderen hoofde (zie 2.7.7.) reeds tot een zodanig laag bedrag verminderd dat het Hof in de overschrijding van de redelijke termijn geen aanleiding vindt tot een verdere vermindering. De geconstateerde verdragsschending is in zoverre voldoende gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, lid 1, van het EVRM .

2.8. De slotsom is dat het in de onderhavige zaken ingestelde hoger beroep in zoverre gegrond is dat de uitspraken van de rechtbank dienen te worden vernietigd voor zover het betreft:

- de naheffingsaanslag MRB-2 en de bijbehorende boetebeschikking;

- de (verdere vermindering van de) boetebeschikking bij de naheffingsaanslag MRB-1.

2.10. Belanghebbende heeft recht op vergoeding van het aan het Hof betaalde griffierecht en op vergoeding van de op het hoger beroep betrekking hebbende proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot:

- de naheffingsaanslag MRB-2 en de daarbij behorende boetebeschikking;

- de boetebeschikking bij de naheffingsaanslag MRB-1

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt aan belanghebbende een vergoeding verleend van € 644.

Toelichting: De proceskostenvergoeding van belanghebbende heeft in hoger beroep betrekking op de vernietiging van de naheffingsaanslag MRB-2 en de MRB-2 boete, alsmede de vermindering van de MRB-1 boete. Dit betreft drie samenhangende zaken (factor wegens samenhang 1). Er zijn twee in aanmerking te nemen proceshandelingen verricht, te weten het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting. De factor voor proceshandelingen komt daarmee op 2. Voor het gewicht van deze zaken hanteert het Hof de factor 1. De te vergoeden proceskosten in hoger beroep komen daarmee uit op € 644.

Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn niet gesteld of gebleken.

3. Beslissingen

Naheffingsaanslag BPM (07/00170)

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Naheffingsaanslag MRB-2 (07/00171)

- verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank en van de inspecteur;

- vernietigt de naheffingsaanslag en de boetebeschikking.

Naheffingsaanslag MRB-1 (07/00172)

- verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank en van de inspecteur voor zover het de boete betreft;

- vermindert de boete tot € 87;

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige.

Proceskosten en griffierecht:

Het Hof:

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 644 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze voor de behandeling van het hoger beroep inzake de MRB betaalde griffierecht van € 428.

Aldus vastgesteld door mrs. J. den Boer, voorzitter, F.J.P.M. Haas en J.P.A. Boersma, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Brands, als griffier. De beslissing is op 17 februari 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature