< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

De staatssecretaris van Financiën heeft op verzoek van de Spaanse autoriteiten gegevens van eiseres aan Spanje verstrekt. In geschil is of het besluit tot verstrekking onterecht is genomen. Rechtbank Den Haag verklaart het beroep van eiseres niet ontvankelijk vanwege het ontbreken van een belang. Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zij tengevolge van het besluit enige schade heeft geleden of zal lijden.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/6812

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 februari 2012 in de zaak tussen

de besloten vennootschap [A] B.V. gevestigd te [B], eiseres

(gemachtigde: mr. I. Leenders),

en

de staatssecretaris van Financiën, verweerder.

(gemachtigde: mr. N.C. Troost)

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2010 heeft verweerder eiseres in kennis gesteld van zijn besluit om aan de bevoegde autoriteiten van Spanje gegevens over eiseres te verstrekken.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 25 februari 2010 bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak van 13 april 2010 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat sprake is van gewichtige redenen die de beperking van de kennisneming van het inlichtingenverzoek van de Spaanse fiscale autoriteiten rechtvaardigen.

Verweerder heeft op 4 mei 2010 het bezwaar van eiseres in zoverre gegrond verklaard, dat hij de informatie die hij voornemens was te verstekken, heeft aangepast. De grieven die zien op de rechtmatigheid van de verstrekking van inlichtingen heeft verweerder afgewezen.

Tegen de uitspraak van 4 mei 2010 heeft eiseres bij brief van 10 juni 2010 beroep ingesteld. Bij brief van 4 augustus 2010 heeft zij haar beroep nader gemotiveerd.

Bij brief van 28 juli 2010 heeft verweerder 18 gedingstukken ingediend en bij brief van

21 september 2010 een verweerschrift.

Rechtbank Amsterdam heeft in haar uitspraak met nr. 10/3268, verzonden op 26 augustus 2010, geoordeeld dat sprake is van gewichtige redenen die de beperking van de kennisneming van het inlichtingenverzoek rechtvaardigen.

Eiseres heeft bij brief van 2 november 2010 aangegeven dat verweerder het rechtshulpverzoek uit Spanje niet volledig ter inzage heeft gegeven en dat een brief met bijlagen bij de stukken van verweerder ontbreekt.

Verweerder heeft bij brief van 18 januari 2011 hierop gereageerd en daarbij stukken overgelegd. Gemachtigde reageert bij brief van 6 april 2011. Verweerder reageert hierop bij brief van 17 mei 2011.

Bij beslissing van 9 september 2011 heeft de geheimhoudingskamer van deze rechtbank geoordeeld dat:

- zij geen beslissing neemt over het verzoek van eiseres om inzage in het gehele ongeschoonde Spaanse inlichtingenverzoek, omdat de geheimhoudingskamer van de rechtbank Amsterdam reeds bij uitspraak van 13 april 2010 hierover een beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, Awb heeft genomen;

- eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat meer correspondentie bestaat tussen Nederland en Spanje over de uitvoering van het inlichtingenverzoek dan verweerder heeft overgelegd;

- de brief van de minister van Financiën aan Spanje met daarin het resultaat van het inlichtingenverzoek geen op de zaak betrekking hebbend stuk is.

Eiseres heeft een brief met dagtekening 23 september 2011 ingediend.

Bij brief van 1 november 2011, inclusief stukken, heeft eiseres de rechtbank toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, Awb, om mede op grondslag van het Spaanse inlichtingenverzoek uitspraak te doen. Een afschrift van deze stukken is aan verweerder gezonden.

Eiseres heeft bij brief van 11 november 2011 nadere stukken bij de rechtbank ingediend. Verweerder heeft bij fax van 14 november 2011 een pleitnota ingediend. Van deze stukken is steeds aan de wederpartij een afschrift verzonden. Eiseres heeft ter zitting een pleitnota aan de rechtbank en aan verweerder overgelegd en heeft deze voorgedragen.

Het beroep is behandeld ter zitting van 5 januari 2012. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde mr. I. Leenders. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door

mr. N.C. Troost, werkzaam bij de Belastingdienst [te C].

Overwegingen

Feiten

1. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2. Bij brief van 21 oktober 2009 heeft een medewerkster van 'Agencia Tributaria, Oficina Nacional de Investigación del Fraude, Equipo Central de Información' aan een medewerkster van Belastingdienst/Oost/CLO Almelo om informatie over eiseres verzocht. In deze brief staat onder meer:

"Request for information under the terms of Article 28 of our Double Taxation Convention and the EC Mutual Assistance Directive 77/799.

[Eiseres]

(...)

Dear ...,

This request for information is made under the terms of Article 28 of our Double

Taxation Convention and the EC Mutual Assistance Directive 771799 and I confirm that use and disclosure of any information provided will be governed according the mentioned provisions. I also confirm that I am prepared and able to obtain and provide you with information in similar cases.(...)"

3. Ten behoeve van het verstrekken van inlichtingen aan Spanje is op de voet van artikel 8, eerste lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIBB) een boekenonderzoek bij eiseres ingesteld. In de bevestigingsbrief van de daartoe gemaakte afspraak staat onder meer vermeld:

"Het onderzoek betreft een derdenonderzoek en is gericht op het verzamelen van informatie ten behoeve van de belastingheffing van derden naar aanleiding van een, op grond van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, uit het buitenland ontvangen verzoek om inlichtingen."

Het boekenonderzoek heeft op 15 januari 2010 plaatsgevonden.

4. In de beschikking van 18 februari 2010 (hierna: het besluit) heeft verweerder eiseres in kennis gesteld van het verzoek en van zijn besluit om naar aanleiding daarvan de volgende gegevens aan de Spaanse autoriteiten te verstrekken:

- De vennootschap is op 01-07-1998 opgericht naar Nederlands recht en gevestigd op het adres

[a-straat 1] te [B];

- De vennootschap heeft een maatschappelijk kapitaal van € 90.756,04 en een geplaatst kapitaal van € 18.151,21 verdeeld in 40 aandelen met een nominale waarde van € 453,78 per aandeel;

- Enig aandeelhouder is [D] NV gevestigd [E] z/n Landhuis [F] op Curaçao, Nederlandse Antillen;

- De activiteiten van [eiseres] bestaan uit het publiceren en verspreiden van teksten en het beschikken over auteurs- en aanverwante rechten. Daarnaast houdt zij deelnemingen en verstrekt zij financieringen aan dochtermaatschappijen;

- Bestuurder van de vennootschap [G] BV gevestigd op het adres [a-straat 1] te [B];

- [Eiseres] wordt vertegenwoordigd door de bestuurders van [G] BV, [H] en [I];

- [G] BV verricht administratieve diensten en belastingadviestaken ten behoeve van [eiseres]

Daarbij zal verweerder de volgende stukken verstrekken:

- Annual report [A] BV 2002

- Annual report [A] BV 2003

- Annual report [A] BV 2004

- Annual report [A] BV 2005

- Annual report [A] BV 2006

- Annual report [A] BV 2007

- Oprichtingsakte [A] BV

- Grootboekrekeningen Royalties received 2002, 2003, 2004, 2006 en 2007

- Facturen (nummer 6003 van 28 augustus 2006 en nummer 7001 van 14 februari 2007) en

- rekeningafschriften ( ING bankrekening [rekeningnummer]: afschriften nummer 9 en 34 uit 2006 en

- nummer 5 en 41 uit 2007).

- Service agreement effective as of 1 december 1998 met [D] NV.

5. Verweerder heeft deze informatie omstreeks half april 2010 aan Spanje verstrekt. Verweerder heeft daarbij naar aanleiding van het bezwaar van eiseres de algemene informatie over [G] BV aangepast.

Geschil

6.1. In geschil is:

a) of eiseres belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van het beroep, en zo ja;

b) of verweerder terecht het besluit heeft genomen de gegevens aan Spanje te verstrekken.

6.2. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van het besluit. Voorts verzoekt eiseres op de voet van artikel 8:72, vijfde en zesde lid, van de Awb verweerder een termijn te stellen waarbinnen hij de rechtsgevolgen van het besluit ongedaan moet maken, zijnde het ongedaan maken van de informatie-uitwisseling met Spanje en de teruggave aan eiseres van de (gemaakte kopieën van de) administratie van eiseres. Eiseres verzoekt de rechtbank daaraan een dwangsom te verbinden voor iedere dag dat verweerder in gebreke is om aan de uitspraak van de rechtbank te voldoen.

6.3. Verweerder heeft in zijn pleitnota van 14 november 2011 het standpunt ingenomen dat eiseres in haar beroep niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat eiseres de mogelijkheid dat ten gevolge van het besluit schade wordt geleden niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en subsidiair tot ongegrondverklaring van het beroep.

6.4. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

7. Nu verweerder de (aangepaste) inlichtingen met toepassing van artikel 1, eerste lid, van de Richtlijn van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen en heffingen op verzekeringspremies en artikel 5, eerste en tweede lid, van de WIBB inmiddels heeft verstrekt, is het besluit uitgewerkt. Bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep kan belang bestaan, indien wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming (vgl. ABRvS 16 juni 2010, nr. 200903189/1/H3, LJN: BM7769 en ABRvS 5 juni 2002, nr. 200106139/1, LJN: AE3664). Daartoe is in dit geval vereist dat de mogelijkheid dat ten gevolge van het besluit schade wordt geleden, door eiseres tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van het besluit mogelijk schade heeft geleden of zal lijden die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen, zodat zij geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking.

9. Met de enkele stelling van eiseres dat zij zich kan voorstellen dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld, heeft zij niet aannemelijk gemaakt, dat zij als gevolg van het besluit mogelijk schade heeft geleden. Met de stelling dat eiseres mogelijk in Spanje als verdachte wordt aangemerkt maakt zij dit evenmin aannemelijk. Met de stelling dat de persoon in verband waarmee de inlichtingen bij eiseres zijn opgevraagd een schadeclaim bij eiseres zou kunnen indienen, maakt zij dit ook niet aannemelijk. Naar het oordeel van de rechtbank is dit laatste niet een direct gevolg van het bestreden besluit maar van het verstrekken van informatie door eiseres aan de Belastingdienst [te C]. De eventueel door eiseres te lijden schade in het geval zij geen royalties meer ontvangt, omdat de persoon in verband waarmee de inlichtingen bij eiseres zijn opgevraagd geen zaken met eiseres meer wil doen, is naar het oordeel van de rechtbank evenmin een rechtstreeks en onmiddellijk gevolg van het besluit, maar van de keuze die eiseres heeft gemaakt om de informatie aan verweerder te verstrekken.

10. Volgens de Toelichtingen bij het EU Handvest (gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 14 december 2007, C 303/02), die ingevolge artikel 6, eerste lid, derde alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en overeenkomstig artikel 52, zevende lid, van het EU Handvest voor de uitlegging daarvan in acht moeten worden genomen, is het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, neergelegd in artikel 47, eerste alinea, van het EU Handvest, gebaseerd op het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, verwoord in artikel 13 van het EVRM . Uit de Toelichtingen bij het EU Handvest is af te leiden dat de ruimere bescherming van artikel 47, eerste alinea, van het EU Handvest zich beperkt tot het waarborgen van een rechterlijke voorziening. De Toelichtingen bij het EU Handvest geven derhalve geen aanleiding aan te nemen dat artikel 47, eerste alinea, van het EU Handvest in de weg staat aan het stellen van procedureregels in het nationale recht. Dit artikel laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat moet worden voldaan aan de in het nationale recht neergelegde procedureregels, waaronder dat sprake moet zijn van een belang van degene die beroep instelt, en dat slechts onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten of omstandigheden aanleiding kan bestaan deze regels niet tegen te werpen (vgl. ABRvS 15 juli 2011,

nr. 201101530/1/V2, LJN: BR3850). Nu eiseres geen bijzondere feiten of omstandigheden, als vorenbedoeld, heeft aangetoond, faalt het beroep op artikel 47, eerste alinea, van het EU Handvest.

11. De bevoegde ambtenaar zal tien dagen, gerekend vanaf de dagtekening van de kennisgeving, wachten met de verstrekking van inlichtingen aan het buitenland. Indien er reden is om de informatieverstrekking aan het buitenland te voorkomen, zal binnen tien dagen actie moeten worden ondernomen door de belanghebbende. De systematiek van de Awb als met name omschreven in titel 8.3 van de Awb (voorlopige voorziening) blijft onverkort van toepassing. Gelet hierop volgt de rechtbank eiseres niet in haar stelling zij in haar beroep dient te worden ontvangen, omdat verweerder anders haar recht om het besluit aan een rechter voor te leggen illusoir kan maken door de inlichtingen snel aan de buitenlandse staat te verstrekken. Eiseres heeft immers het recht om een verzoek om een voorlopige voorziening bij een rechter in te dienen, van welk recht zij ook gebruik heeft gemaakt.

12. Gelet op hierop dient het beroep niet ontvankelijk te worden verklaard.

Proceskosten

13. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Schadevergoeding

14. Voor zover eiseres verzoekt om vergoeding voor immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in de arresten van de Hoger Raad van 10 juni 2011, nrs. 09/02639, LJN: BO5046; 09/05112, LJN: BO5080 en 09/05113, LJN: BO5087, oordeelt de rechtbank als volgt. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dit is 2 maart 2010. Nu de rechtbank op 16 februari 2012 uitspraak doet, is er geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. van Rij, voorzitter, mr. J.W.H.B. Sentrop en

mr. K.M. Braun, leden, in aanwezigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.- het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a.de naam en het adres van de indiener;

b.een dagtekening;

c.een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d.de gronden van het hoger beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature