< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verzoeken om voorlopige voorziening inzake weigering exploitatievergunning en sluiting koffie-en theehuis afgewezen.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat er sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen verzoeker 1 en 2.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder het ernstige vermoeden dat verzoeker 2 de genoemde strafbare feiten heeft gepleegd niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Verweerder heeft de gevraagde vergunning in redelijkheid kunnen weigeren. Vaststaat dat verzoeker 1 een inrichting exploiteert zonder te beschikken over de vereiste exploitatievergunning. Naar voorlopig oordeel ontbreekt in dit geval een concreet zicht op legalisatie en kan niet gezegd worden dat de met de handhaving te dienen belangen niet opwegen tegen de belangen van verzoeker 1. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder het besluit over de sluiting op goede gronden genomen.

Uitspraak



RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummers: AWB 12/40, 12/86 & 12/102

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

1. [naam1], verzoeker 1,

gemachtigde: [naam2],

2. [naam2], verzoeker 2,

beiden wonende te [woonplaats], tezamen verzoekers,

tegen

de burgemeester van de gemeente Dordrecht, verweerder,

gemachtigde: mr. R.W. Veldhuis, advocaat te 's-Gravenhage.

1. Ontstaan en loop van het geding

Op 1 april 2011 heeft verzoeker 1 een exploitatievergunning aangevraagd voor [naamx] Koffie- en theehuis (hierna: [naamx]) aan de [adres].

Bij besluit van 16 mei 2011 heeft verweerder verzoeker 1 onder dreiging van bestuursdwang gelast [naamx] per 20 mei 2011 om 12.00 uur te sluiten.

Tegen dit besluit heeft verzoeker 1 bij faxbericht van 18 mei 2011 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij uitspraak van 20 mei 2011 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het ingediende verzoek om voorlopige voorziening (geregistreerd onder procedurenummer AWB 11/617) toegewezen en het besluit van 16 mei 2011 geschorst totdat verweerder een besluit heeft genomen op verzoekers aanvraag om exploitatievergunning.

Verweerder heeft bij besluit van 22 december 2011 (hierna: bestreden besluit 1) de door verzoeker 1 aangevraagde exploitatievergunning ten behoeve van [naamx] geweigerd op grond van artikel 3, eerste lid, onder a en b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: de Wet bibob).

Bij besluit van 23 december 2011 (hierna: bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van 18 mei 2011 van verzoeker 1 ongegrond verklaard en verzoeker 1 onder dreiging van bestuursdwang gelast [naamx] alsnog uiterlijk te sluiten op 2 februari 2012 om 12:00 uur.

Tegen bestreden besluit 2 heeft verzoeker 1 bij faxbericht van 18 januari 2012 bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij faxbericht van 9 januari 2012 heeft verzoeker 2 tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Tegen bestreden besluit 1 heeft verzoeker 1 bij faxbericht van 18 januari 2012 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht. Dit beroep is geregistreerd onder procedurenummer AWB 12/92.

Bij faxbericht van 18 januari 2012 (verzoeker 1) en van 9 januari 2012 (verzoeker 2) hebben verzoekers in de procedure betreffende de weigering van de gevraagde exploitatievergunning een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht. Het verzoek van verzoeker 1 is geregistreerd onder procedurenummer

AWB 12/86 en het verzoek van verzoeker 2 onder procedurenummer AWB 12/40.

Bij brief van 23 januari 2012 heeft verzoeker 1 in de procedure gericht tegen de sluiting een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is geregistreerd onder procedurenummer AWB 12/102.

Bij faxbericht van 26 januari 2012 heeft verweerder te kennen gegeven niet tot effectuering van het sluitingsbevel over te gaan totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op de verzoeken om voorlopige voorziening.

Ter zitting heeft verweerder dit besluit verlengd tot twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Verweerder heeft het advies van het Bureau Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: het Bureau Bibob) van 6 september 2011 overgelegd, met de mededeling dat uitsluitend de rechter daarvan kennis zal mogen nemen.

Bij beslissing van 25 januari 2012 heeft de voorzieningenrechter, een andere dan de onderhavige, met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist dat de beperkte kennisneming van het advies gerechtvaardigd is. Verzoekers hebben de rechter toestemming verleend om mede op grondslag van het hiervoor genoemde advies uitspraak te doen.

De verzoeken om voorlopige voorziening zijn op 9 februari 2012 ter zitting behandeld.

Verzoekers zijn ter zitting verschenen.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Tevens was mr. E. Mulder, werkzaam bij het Juridisch Kenniscentrum Drechtsteden, aanwezig.

Voorts is ter zitting verschenen en als getuige gehoord [naam3].

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.2. Op grond van artikel 2:28, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Dordrecht (hierna: APV) is het verboden een inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

2.1.3. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

2.1.4. Artikel 3, eerste lid, van de van de de Wet bibob bepaalt dat bestuursorganen, voorzover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, zij een aangevraagde beschikking kunnen weigeren te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

In het derde lid van dat artikel is bepaald dat voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

In het vierde lid van dat artikel is bepaald dat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten staat als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

Ingevolge het vijfde lid van dat artikel vindt de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

Ingevolge het zesde lid van dat artikel hebben bestuursorganen eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.

Ingevolge het zevende lid van dat artikel kan het bestuursorgaan, voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet bibob kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester, voorzover het een krachtens het tweede lid aangewezen inrichting of bedrijf betreft, worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

2.1.5. Ingevolge artikel 1 van het Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het Protocol) heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat de Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

2.2. De bestreden besluiten

2.2.1. Het bestreden besluit 1

Aan zijn besluit tot weigering van de exploitatievergunning voor [naamx] heeft verweerder, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder meent op grond van het advies van het Bureau Bibob van 6 september 2011 dat ernstig gevaar bestaat dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of strafbare feiten te plegen. Verweerder is van opvatting dat er een zakelijk samenwerkingsverband bestaat tussen verzoeker 1 en verzoeker 2. Gelet op het bepaalde in artikel 3, vierde lid, van de Wet bibob vloeit hieruit voort dat verzoeker 1 in relatie staat tot de vermoedelijk door verzoeker 2 gepleegde strafbare feiten.

Op grond van het advies heeft verweerder het ernstige vermoeden dat ten aanzien van verzoeker 2 sprake is (geweest) van handelen in strijd met de Wet op de kansspelen, de Opiumwet en de Algemene wet inzake Rijksbelastingen.

In het kader van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob heeft verweerder naast de reeds genoemde ernstige vermoedens tevens het ernstige vermoeden dat verzoeker 2 in verband kan worden gebracht van het (mede)plegen van geweldsdelicten, bedreigingen en de verbreking van een zegel van een gesloten pand. De samenhang tussen de activiteiten waarbij de vermoedelijke geweldsdelicten zijn gepleegd en de activiteiten waarvoor de vergunning is aangevraagd is er volgens verweerder in gelegen dat de horecabranche zeer kwetsbaar is voor risico's die voortkomen uit delicten die gepaard gaan met geweld en intimidatie. De vermoedelijke strafbare feiten in strijd met de Wet op de kansspelen en belastingwetgeving zijn gepleegd tijdens de exploitatie van een horecaonderneming, terwijl nu ook een vergunning wordt aangevraagd voor een dergelijke onderneming. In het kader van het vermoedelijk handelen in strijd met de Opiumwet heeft verweerder onder meer overwogen dat de exploitatie van een horecagelegenheid, mede vanwege de laagdrempeligheid, een goede mogelijkheid biedt om in verdovende middelen te handelen. Tevens kunnen de opbrengsten, die met handel in verdovende middelen zijn verkregen, door middel van de onderneming worden witgewassen.

2.2.2. Het bestreden besluit 2

Verweerder heeft, onder overneming van het advies van 11 juli 2011 van de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Dordrecht, (opnieuw) de sluiting van [naamx] gelast, omdat verzoeker 1 het theehuis exploiteert zonder geldige vergunning. Bij controles is tot drie maal toe geconstateerd dat de overtreding niet is beëindigd door verzoeker 1 en de exploitatie van de inrichting niet is gestaakt. Verweerder was dan ook bevoegd handhavend op te treden. Van bijzondere omstandigheden om van de handhaving af te zien is volgens verweerder geen sprake. Volgens verweerder is er geen concreet zicht op legalisatie, gelet op het Bibob-advies van 6 september 20011 dat aan de weigering van de exploitatievergunning ten grondslag ligt.

2.3. De gronden van de verzoeken

2.3.1. De gronden betreffende bestreden besluit 1

Verzoekers hebben om een voorlopige voorziening verzocht, omdat zij zich niet kunnen verenigen met dit bestreden besluit. Voor het spoedeisende belang hebben zij verwezen naar het voornemen van verweerder om de zaak op 2 februari 2012 te willen sluiten. Verzoeker 2 meent belanghebbende te zijn, omdat hij valselijk wordt beschuldigd, waardoor hij schade bij zijn huurders en de Turkse gemeenschap ondervindt.

Verzoekers stellen zich op het standpunt dat er geen sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband, slechts van een huurrelatie. Verzoeker 2 heeft verzoeker 1 slechts geholpen, omdat hij zelf de Nederlandse taal niet machtig is. Hij heeft hem geholpen op meerdere vlakken, waaronder het indienen van een aanvraag om verblijfsvergunning, de inkoop van artikelen en vervoer per auto. Verzoeker 1 stelt dat hij geen criminele antecedenten heeft en dat hij geen stroman of katvanger is en wijst er op dat alle andere huurders van verzoeker 2 wel een exploitatievergunning hebben verkregen en deze niet zijn ingetrokken. Met betrekking tot de geuite twijfels over zijn voorziening in levensbehoefte heeft hij de resultaatomzetten over 2011 overgelegd. [naam3], h.o.d.n[naam4], is door verzoekers opgeroepen als getuige om de lening van € 3000,- toe te lichten. Voorts heeft verzoeker 1 een verklaring van 31 januari 2012 van de Belastingdienst Rijnmond overgelegd, waarin staat dat hij alle verschuldigde belasting en premies heeft betaald.

Ten aanzien van de aan verzoeker 2 geuite beschuldigingen is volgens verzoekers geen enkel bewijs. Verzoeker 2 ontkent elke beschuldiging. De beschuldigingen staan in de ogen van verzoekers niet in verhouding met de gevolgen. Onder overlegging van een uitreksel uit het Justitieel Documentatiesysteem heeft verzoeker 2 zich op het standpunt gesteld dat hij nimmer is veroordeeld voor hetgeen verweerder hem ten laste heeft gelegd. De betrouwbaarheid van de politiemutaties en anonieme getuigen zijn volgens verzoekers niet voldoende om te beoordelen of er ernstig gevaar zou kunnen bestaan en dat de gevraagde vergunning gebruikt zou worden om criminele activiteiten te plegen. Ook met de telefoontaps zijn volgens verzoeker 2 de beschuldigingen niet onderbouwd.

Onder overlegging van een aantal kopieën van aan verzoeker 2 verleende vergunningen stellen verzoekers dat verweerder kennelijk daarbij geen aanleiding zag voor Bibob onderzoek. Bovendien is volgens verzoekers sprake van een ongelijke behandeling dat niet elke ondernemer wordt getoetst aan de Wet bibob. Zo heeft heeft [naam5] van cafe [naam6] op 28 oktober 2011 nog wel een vergunning verkregen zonder Bibob toetsing. Voorts doen verzoekers een beroep op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling)van 27 februari 2008. Verder achten verzoekers het besluit in strijd met artikel 1 van het Protocol. Verzoeker 1 lijdt door de besluiten financi ële schade. Hij kan geen inkomsten generen, nu hij gezien zijn Bulgaarse nationaliteit niet vrij mag werken in Nederland. De doorbetaling van zijn vaste lasten, waaronder huur, gas en water zullen tot zijn persoonlijk faillissement leiden. Verzoeker 2 stelt dat verzoeker 1 hem aansprakelijk wil stellen voor de eventuele gemiste omzet en inkomsten die voortvloeien uit voornoemde weigering.

Ter zitting heeft verzoeker 1 verzocht om de situatie in [naamx] te gedogen, nu [naamx] al een jaar zonder problemen door hem wordt geëxploiteerd. Bovendien was het mogelijk geweest om aanvullende voorschriften aan de exploitatievergunning te verlenen. Tevens heeft verzoeker 1 naar voren gebracht dat verweerder de wettelijke termijnen niet in acht heeft genomen bij het beslissen op de aanvraag van de exploitatievergunning.

Verzoeker 2 heeft ter zitting nog naar voren gebracht dat ten onrechte advies is gevraagd aan Bureau Bibob.

2.3.2. De gronden betreffende bestreden besluit 2

In aanvulling op de gronden die verzoeker 1 tegen bestreden besluit 1 naar voren heeft gebracht, voert hij het volgende aan. Legalisatie is wel degelijk mogelijk, nu hij een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de weigering hem een exploitatievergunning te verlenen en het niet zeker is dat dat besluit in stand zal blijven.

2.4. De beoordeling door de voorzieningenrechter

2.4.1. Spoedeisend belang

Tussen partijen bestaat geen verschil van mening over de vraag of verzoeker 1 spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening te treffen naar aanleiding van het sluitingsbevel. Wel heeft verweerder het spoedeisend belang van verzoekers ter discussie gesteld met betrekking tot de verzoeken inzake de weigering van de exploitatievergunning.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het besluit tot sluiting van [naamx] in zodanig verband staat met de weigering van de exploitatievergunning dat het procedureel niet wenselijk is alleen het verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker 1 betreffende het besluit tot sluiting inhoudelijk te behandelen. Indien de voorzieningenrechter immers tot het oordeel zou komen dat het besluit tot weigering van de exploitatievergunning naar verwachting in de bezwarenprocedure niet in stand zou kunnen blijven, dan kan dit - in het kader van een mogelijk concreet zich op legalisatie - eveneens gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van het besluit tot sluiting. Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker 1 tegen de weigering van de exploitatievergunning neemt de voorzieningenrechter dan ook een spoedeisend belang aan.

Ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker 2 ligt dat anders. Hoewel de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker 2 terecht betoogt dat het besluit tot weigering van de exploitatievergunning ten behoeve van [naamx] hem ook rechtstreeks in zijn belang raakt, levert dat geen spoedeisend belang op. De omstandigheid, zoals ter zitting gesteld, dat hij pachtinkomsten misloopt is daartoe onvoldoende. Evenmin als zijn betoog dat hij schade oploopt bij zijn andere huurders en bij de Turkse gemeenschap. Zijn bezwaren tegen bestreden besluit 1 kunnen in de bezwaarprocedure aan de orde komen.

Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker 2 wegens ontbreken van spoedeisend belang moet worden afgewezen.

2.4.2. Beoordeling van bestreden besluit 1 (weigering exploitatievergunning)

De vraag die voorligt ten aanzien van bestreden besluit 1 is of naar het oordeel van de voorzieningenrechter het besluit na heroverweging in bezwaar naar verwachting in stand kan worden gelaten. Hierbij zal de voorzieningenrechter zich uitsluitend baseren op hetgeen door verzoeker 1 naar voren is gebracht. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft daarbij een voorlopig karakter en bindt verweerder bij het nemen van een beslissing in de bezwaarprocedure niet. Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van het advies van het Bureau Bibob laat de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de onderhavige vergunning te weigeren zich als volgt beantwoorden.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat er sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen verzoeker 1 en 2. Verweerder heeft in het bestreden besluit 1 een opsomming gegeven van verschillende omstandigheden, waaronder onder meer de precaire financiële situatie van verzoeker 1, de niet transparante financiering van [naamx] en de vraag op welke wijze verzoeker 1 in zijn levensonderhoud kan voorzien, de pachtovereenkomst tussen verzoekers, de omstandigheid dat verzoeker 2 tevens eigenaar is van de woning van verzoeker 1, dat verzoeker 2 onder meer optreedt als tolk, vertegenwoordiger en het faxverkeer regelt voor verzoeker 1, de Bibob-formulieren zijn door verzoeker 2 ingevuld en de niet gebruikelijke omstandigheid dat de verhuurder - verzoeker 2 - ook zelf actief (mogelijke) beheerders voor [naamx] heeft geworven. De in het bestreden besluit 1 genoemde feiten en omstandigheden duiden op een nauwe verbondenheid en een veel verder gaande relatie dan dat slechts sprake zou zijn van een huurrelatie en het helpen van verzoeker 1 zoals is gesteld. Op grond van het voorgaande heeft verweerder aannemelijk kunnen achten dat verzoeker 2 een grote(re) rol vervult dan wel zeggenschap heeft in de feitelijke exploitatie van [naamx]. De enkele stelling van verzoeker 1 dat hij geen stroman of katvanger is kan daaraan niet afdoen. Voornoemde omstandigheden bieden - in samenhang bezien - voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat er sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen verzoekers.

Voor de beoordeling of verweerder zich in redelijkheid heeft kunnen baseren op de bevindingen en conclusies van het Bibob-advies is van belang dat het Bureau adviseur is in de zin van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2007 in zaak nr. 200606025/1, LJN BA9799) mag een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het Bureau Bibob, in beginsel van het advies van het Bureau uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is. In hetgeen verzoeker 1 heeft aangevoerd heeft de voorzieningenrechter geen gronden aangetroffen voor het oordeel dat verweerder zich niet op het advies heeft mogen baseren.

In onderhavig geval is de informatie in het advies afkomstig van verschillende bronnen. Naast de CIE-informatie, zijn er verschillende documenten van de politie benoemd en van de Belastingdienst. Er is een veelheid aan verklaringen opgenomen, de informatie is vrij specifiek en de bronnen zijn als betrouwbaar geoordeeld.

Zo is in het kader van de Wet op de kansspelen tegengeworpen dat in de inrichting [naam7] Sportcentrum, waarvan verzoeker 2 destijds de eigenaar was, illegaal wordt gegokt. Dit komt onder meer naar voren uit informatie van de politie Zuid-Holland-Zuid, door wie op 11 december 2008 in samenwerking met de Belastingdienst een controle is geweest waarbij een wedstrijdticket, wedstrijdformulieren en een internetzuil zijn aangetroffen. Ook hebben zij een getuige-verklaring van het illegale gokken. Ook uit een proces-verbaal van de RIEC Zuid-Holland-Zuid komt naar voren dat verschillende informanten hebben verklaard dat in de inrichting [naam7] illegaal wordt gegokt op voetbalwedstrijden voor grote bedragen. Deze CIE-informatie is als betrouwbaar aangemerkt.

In het kader van de Opiumwet is tegengeworpen dat in drie panden die in eigendom zijn van verzoeker 2, te weten de [adresX], [adresY] en de [adresZ] hennepplantages zijn aangetroffen. Uit een proces-verbaal van verhoor van 17 juni 2011 van de politie Zuid-Holland-Zuid komt naar voren dat de bewoner van de [adresZ] heeft verklaard dat verzoeker 2 op de hoogte was van de hennepplantage en ook een deel van de opbrengst zou krijgen. Uit een onderzoek telecommunicatie in het kader van een rechercheonderzoek [naam onderzoek] is voorts naar voren gekomen dat verzoeker 2 vermoedelijk met een bedrijfsleider van een growshop heeft gesproken over hennepstekken. Uit het proces-verbaal van 5 juli 2011 van de RIEC, die als betrouwbaar is aangemerkt, blijkt dat in de periode april 2011 tot juli 2011 via meerdere informanten informatie is verkregen waaruit is af te leiden dat verzoeker 2 zich vermoedelijk schuldig maakt aan het overtreden van de Opiumwet. Verzoeker 2 is als verdachte gehoord. Het Openbaar Ministerie moet nog een vervolgingsbeslissing nemen. Het is een feit van algemene bekendheid dat met opiumdelicten grote winsten kunnen worden behaald.

Ten aanzien van het handelen in strijd met de Algemene wet inzake Rijksbelastingen is een boekenonderzoek uitgevoerd waarin diverse feitelijke onregelmatigheden zijn geconstateerd. Over de jaren 2002 tot en met 2005 zijn in navolging daarvan aan verzoeker 2 naheffingsaanslagen opgelegd, evenals drie vergrijpboetes. Daarnaast is er ten aanzien van de loon- en omzetbelasting sprake van het opzettelijk te weinig betalen van belasting. Uit gegevens van de Belastingdienst blijkt dat in 2008 een uiteindelijk bedrag van € [bedrag] oninbaar is gebleken. Hier is sprake van een groot verkregen voordeel, nu het correcte bedrag aan belasting nooit is betaald.

Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit een groot aantal feiten en omstandigheden opgenomen waaruit het vermoeden blijkt van door verzoeker 2 (mede)gepleegde bedreigingen en geweldsdelicten.

Anders dan verzoeker 1 stelt heeft verweerder er van mogen uitgaan dat de beschikbare informatie voldoende betrouwbaar is.

Anders dan door verzoeker 1 is gesteld is voor een redelijk vermoeden als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet bibob niet vereist dat een veroordeling door de strafrechter is gevolgd. Zoals de Afdeling heeft overwogen in een uitspraak van 20 juli 2011 (LJN BR2279) zal, indien het opsporingsonderzoek naar een strafbaar feit nog niet is afgerond, bij gebreke van een oordeel van de strafrechter, in het advies van het Bureau Bibob geconcretiseerd moeten worden uiteengezet dat aannemelijk is dat een strafbaar feit is gepleegd en dat de tegen de vermoedelijke dader bestaande verdenking zo ernstig is dat aannemelijk is dat deze het strafbare feit heeft begaan. In zoverre rust op het bestuursorgaan een zwaardere last om zich ervan te vergewissen dat de desbetreffende feiten de conclusie van het advies kunnen dragen.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder het ernstige vermoeden dat verzoeker 2 deze strafbare feiten heeft gepleegd niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. De enkele ontkenning van verzoeker 1 dat verzoeker 2 betrokken is geweest bij voornoemde strafbare feiten is daartoe onvoldoende.

Nu tussen verzoekers het bestaan van een zakelijk samenwerkingsverband mocht worden aangenomen, kon verzoeker 1 ook in verband worden gebracht met strafbare feiten die, al dan niet vermoedelijk, door verzoeker 2 zijn gepleegd.

De vermelde vermoedelijke feiten houden verband met illegaal gokken, de handel in hennep en het ontduiken van belastingen, en zijn derhalve naar hun aard gericht op het behalen van op geld waardeerbare voordelen. Gelet hierop, kunnen de in het advies vermelde bevindingen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de conclusie dragen dat ernstig gevaar bestaat dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten voortvloeiende voordelen te benutten. Nu de vermoedelijke strafbare feiten deels tevens zijn gepleegd tijdens de exploitatie van een andere horecaonderneming van verzoeker 2, kunnen de bevindingen in samenhang met de vermoedelijke bedreigingen en geweldsdelicten eveneens de conclusie dragen dat ernstig gevaar bestaat dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

Het overleggen van de eerder aan verzoeker 2 afgegeven exploitatievergunning voor de andere horeca-inrichting [naam7] Sportcentrum kan niet tot een ander oordeel leiden. Nog afgezien van de omstandigheid dat de laatste vergunning op 19 oktober 2010 is afgegeven en, nu de exploitatie van deze inrichting inmiddels is overgenomen, van rechtswege is vervallen, zijn de indicaties om nader onderzoek te laten uitvoeren en advies te vragen aan het Bureau Bibob kennelijk pas na het verlenen van deze vergunning opgekomen. Schending van het gelijkheidsbeginsel is dan ook niet aannemelijk gemaakt. Ook kan dit niet worden afgeleid uit de verlening van vergunningen aan andere ondernemingen van huurders van verzoeker 2, omdat een Bibob advies enkel wordt aangevraagd indien daartoe aanleiding bestaat.

Verzoekers beroep op de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2008 (LJN BC 5259) kan evenmin slagen, nu de feiten en omstandigheden die aan die uitspraak ten grondslag liggen niet op één lijn met onderhavige zaak kunnen worden gezet.

Onder verwijzing naar uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2009 (LJN BJ1892) oordeelt de voorzieningenrechter dat van strijd met artikel 1 van het Protocol in dit geval geen sprake is.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen was verweerder bevoegd de gevraagde vergunning te weigeren. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder van zijn bevoegdheid in dit geval geen gebruik heeft mogen maken. Ook ziet de voorzieningenrechter niet in dat verweerder aanleiding had moeten zien om de situatie te gedogen. Verweerder heeft de gevraagde vergunning dan ook in redelijkheid kunnen weigeren.

Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het besluit tot weigering van de gevraagde exploitatievergunning naar verwachting in de bezwarenprocedure in stand kan blijven. Dit verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker 1 dient te worden afgewezen.

2.4.3. Beoordeling van bestreden besluit 2 (sluiting van [naamx])

Met betrekking tot het bevel - onder aanzegging van bestuursdwang - tot sluiting van verzoekers inrichting [naamx], wordt het volgende overwogen.

Nu vaststaat dat verzoeker 1 een inrichting exploiteert zonder te beschikken over de vereiste exploitatievergunning is verweerder in beginsel, gelet op het bepaalde in artikel 2:28, eerste lid, van de APV, bevoegd handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Naar voorlopig oordeel ontbreekt in dit geval een concreet zicht op legalisatie en kan niet gezegd worden dat de met de handhaving te dienen belangen niet opwegen tegen de belangen van verzoeker 1. De voorzieningenrechter merkt op dat aan een sluiting van een inrichting inherent is dat de betrokken ondernemer daarvan nadelige gevolgen ondervindt. Het - financiële - belang van verzoeker 1 bij een ongehinderde voortzetting van de exploitatie weegt echter, gelet op alle feiten en omstandigheden zoals deze thans voorliggen, niet op tegen de belangen die zijn gemoeid met de handhaving van de wettelijke voorschriften.

Verweerder heeft voorts gehandeld overeenkomstig het "Handhavingsbeleid horeca gemeente Dordrecht", zoals vastgesteld op 22 april 2009, door tot sluiting over te gaan, nu driemaal is geconstateerd dat verzoeker 1 de overtreding niet heeft beëindigd en de exploitatie van [naamx] niet heeft beëindigd.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder bestreden besluit 2 op goede gronden genomen.

De voorzieningenrechter ziet evenwel geen aanleiding, nu deze zaak nauw samenhangt met het besluit tot weigering van de exploitatievergunning die zich thans nog in de bezwarenfase bevindt, om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb ook op het beroep te beslissen.

De voorzieningenrechter concludeert tot afwijzing van dit verzoek van verzoeker sub 1.

2.5 De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht,

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, en door deze en E. Naaijen-van Kleunen, griffier, ondertekend.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature