< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verzoeker was douaneambtenaar. Hij is op 16 mei 2011 staande gehouden wegens rijden onder invloed. Ook lag er namaakkleding in verzoekers auto. Verzoeker is vervolgens ontslagen wegens ongeschiktheid voor het vervullen van zijn ambt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker terecht is ontslagen, mede omdat hij niet open en eerlijk heeft verklaard over de aangetroffen kleding. Ook acht de voorzieningenrechter het terecht dat aan verzoeker geen verbeterkans is geboden. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak



RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 - 390 AW

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 februari 2012

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. J. Choufour-van der Wel, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen:

de staatssecretaris van Financiën,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2011 heeft verweerder verzoeker met ingang van 11 januari 2012 op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het

Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) eervol ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door verzoeker beklede ambt, anders dan op grond van lichaams- of zielsgebreken.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 10 januari 2012 bezwaar gemaakt. Bij brief van 26 januari 2012 heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 14 februari 2012, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.K. Eisma, werkzaam bij het ministerie van Financiën en mr. [naam], werkzaam bij Douane Kantoor Schiphol Passagiers.

2. Overwegingen

2.1 Verzoeker is op 2 september 2002 door verweerder aangesteld als medewerker groepsfunctie C bij de Belastingdienst/Douane, kantoor Schiphol Passagiers (hierna: DSP).

2.2 Op 16 mei 2011 is verzoeker in Purmerend door de politie Zaanstreek-Waterland aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (rijden onder invloed van alcohol). Voorts heeft de politie op die datum in verzoekers auto een hoeveelheid kleding aangetroffen, waarvan werd vermoed dat het om namaakkleding ging. Nadien is gebleken dat het inderdaad namaakkleding betrof. Verzoeker is op 20 september 2011 door de politierechter te Haarlem wegens rijden onder invloed veroordeeld tot een geldboete van € 1.100,-- en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van acht maanden. Deze veroordeling is onherroepelijk.

2.3 De politie Zaanstreek-Waterland heeft verweerder op 16 mei 2011 over de aanhouding ingelicht. Vervolgens hebben medewerkers van DSP op diezelfde dag met verzoeker een gesprek gevoerd. Kort na dit gesprek heeft verzoeker (onder meer) een op 20 mei 2011 gedateerde verklaring van [naam], een vriend van verzoeker, aan verweerder overgelegd. Op 6 juni 2011 heeft verweerder, met toestemming van de politie Zaanstreek-Waterland, inzage gekregen in het proces-verbaal van bevindingen dat is opgemaakt naar aanleiding van het voorval op 16 mei 2011. Naar aanleiding hiervan heeft op 7 juni 2011 (opnieuw) een gesprek met verzoeker plaatsgevonden. Verweerder heeft vervolgens besloten een disciplinair onderzoek in te stellen naar (mogelijk) laakbaar gedrag van verzoeker.

2.4 Bij brief van 7 juni 2011 heeft verweerder aan verzoeker een tenlastelegging gestuurd. Voorts heeft verweerder bij besluit van 7 juni 2011 bij wijze van ordemaatregel aan verzoeker de toegang tot de dienstgebouwen en het werk ontzegd. Bij besluit van 29 juli 2011 zijn aan verzoeker tijdelijk andere werkzaamheden opgedragen. Bij brief van 30 juni 2011 heeft verzoeker naar aanleiding van de tenlastelegging een schriftelijke verantwoording gestuurd. Op 3 augustus 2011 heeft verzoeker deze schriftelijke verantwoording mondeling toegelicht. Bij besluit van 11 oktober 2011 heeft verweerder verzoeker buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging voor de duur van twee maanden. Bij besluit van 3 oktober 2011 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie de aan verzoeker verleende bijzondere opsporingsbevoegdheid ingetrokken. Bij brief van 11 oktober 2011 heeft verweerder aan verzoeker het voornemen bekendgemaakt om hem op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, ARAR, eervol ontslag te verlenen wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door verzoeker beklede ambt, anders dan op grond van lichaams- of zielsgebreken. Bij brief van 20 oktober 2011 heeft verzoeker hierop zijn zienswijze gegeven. Op 8 november 2011 heeft verzoeker zijn zienswijze mondeling toegelicht. Verweerder heeft vervolgens op 20 december 2011 het bestreden ontslagbesluit genomen.

2.5 Verweerder stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat verzoeker de eigenschappen mist die vereist zijn voor een goede vervulling van zijn ambt bij de Douane. Volgens verweerder heeft verzoeker een grondhouding die zich niet verhoudt tot een functie bij de Belastingdienst. Verweerder verwijt verzoeker niet-integer handelen: verzoeker heeft zich in privétijd schuldig gemaakt aan rijden onder invloed. Dit heeft gevolgen gehad voor zijn buitengewone opsporingsbevoegdheid. Tevens is in zijn voertuig een grote hoeveelheid namaakgoederen aangetroffen. De controle op namaakgoederen is een kerntaak van de Douane. Daarnaast heeft verzoeker tegenstrijdige of onjuiste verklaringen afgelegd en een ongeloofwaardige verklaring van een derde ([naam]) overgelegd. Volgens verweerder is in het geval van verzoeker een verbeterkans niet aan de orde, omdat verzoeker de opleiding tot opsporingsbevoegd ambtenaar heeft gevolgd, terwijl hij desondanks voormeld gedrag heeft vertoond. Volgens verweerder weegt zijn belang bij ontslag van verzoeker zwaarder dan verzoekers belang bij behoud van zijn dienstverband. In dit verband wijst verweerder erop dat integriteit de kern van het ambtenaarschap raakt. Verweerder heeft ter zitting zijn standpunt nader toegelicht.

2.6 Verzoeker kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Volgens hem zijn zijn gedragingen niet van dien aard, dat deze kunnen dienen als grondslag voor een ongeschiktheidsontslag. Bovendien blijkt uit de in het bestreden besluit opgenomen passage uit het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst (RPVB) dat de ongeschiktheid moet zijn gebleken in een langere periode. Hiervan is bij verzoeker geen sprake, omdat het ontslag van verzoeker is gebaseerd op één incident en de gevolgen daarvan. Het feit dat verzoeker onder invloed van alcohol heeft gereden, maakt hem niet ongeschikt voor zijn functie. Bovendien kan verzoeker zijn functie ook vervullen zonder in het bezit te zijn van een opsporingsbevoegdheid. De geldigheid van verzoekers opsporingsbevoegdheid is nog verlengd, nadat hij in het verleden twee keer wegens rijden onder invloed met de politie in aanraking kwam. Hierdoor hoefde verzoeker zich niet als een gewaarschuwd man te beschouwen. Verzoeker heeft het voorval op 16 mei 2011 niet onmiddellijk bij zijn leidinggevende gemeld, omdat hij een en ander eerst voor zichzelf op een rijtje moest zetten. Wat de namaakkleding betreft, bestrijdt verzoeker dat hij zou hebben gezegd dat deze voor doorverkoop aan zijn familie bestemd was. Ten onrechte hecht verweerder veel belang aan de verklaring die verzoeker bij de politie zou hebben afgelegd. Verzoeker wist niet dat zijn vriend [naam] kleding in zijn auto had gelegd en dat deze zich met namaakkleding bezig hield. Ook wijst verzoeker erop dat hij hiervoor niet door het Openbaar Ministerie is vervolgd. Verzoeker wijst er ook op dat hij tegen de intrekking van zijn opsporingsbevoegdheid bezwaar heeft gemaakt. Hij ontkent voorts tegenstrijdige verklaringen te hebben afgelegd. Tot slot wijst verzoeker erop dat verweerder hem ten onrechte geen verbeterkans heeft gegeven. Dat verweerder die verbeterkans moet geven, staat ook in het RPVB. Daarnaast wijst verzoeker op vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Ter zitting heeft verzoeker zijn standpunt nader toegelicht.

2.7 De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.8 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.9 Ingevolge artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR kan een ambtenaar eervol ontslag worden verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

2.10 Hoofdstuk 17, onderdeel 13.3.14 van het RPVB luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

‘2. Als tot ongeschiktheid wordt geconcludeerd op basis van gedragingen van de ambtenaar in de privésfeer zal duidelijk sprake moeten zijn van een zodanig optreden dat daardoor de betrokken ambtenaar niet langer in zijn functie gehandhaafd kan worden.

3. De ongeschiktheid – zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn – moet worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. In het algemeen kan de ongeschiktheid niet blijken uit een enkel incident en zal de ongeschiktheid moeten zijn gebleken in een langere periode. (…)

5. In het algemeen zal van een ongeschiktheidsontslag niet eerder sprake kunnen zijn dan nadat de ambtenaar op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren.’

2.11 In dit geval is de inhoud van het op 16 mei 2011 gedateerde proces-verbaal van bevindingen van de politie Zaanstreek-Waterland van essentieel belang. Dit proces-verbaal bevat onder meer de volgende passages, waarin verzoeker wordt aangeduid als: [verzoeker]:

‘Ik, verbalisant [naam], deelde [verzoeker] mede dat hij niet tot antwoorden verplicht was. Ik vroeg [verzoeker] of de in zijn Volkswagen aangetroffen kleding van hem was. Wij, verbalisanten, hoorden [verzoeker] zeggen: ‘ “ja, dat is van mij. Voor de handel he. Inkoop en doorverkoop voor familie” ’ en:

‘Ik, verbalisant [naam], gaf [verzoeker] zijn waardevolle goederen terug (…) Ik deelde [verzoeker] mede dat wij hem een bewijs van ontvangst van de in beslag genomen kleding na zouden zenden. Ik hoorde [verzoeker] zeggen: “Die kleding is allemaal nep man, het is voor mijn familie” ’

2.12 Verzoeker heeft ter zitting ten stelligste ontkend dat hij deze verklaringen tegenover de verbalisanten heeft afgelegd. Desgevraagd heeft verzoeker ter zitting verklaard dat de beide verbalisanten hem niet over de aangetroffen kleding hebben aangesproken. Ook heeft verzoeker verklaard dat een van de verbalisanten, terwijl hij zijn hoofd om de deur van de ophoudkamer stak, hem de volgende vraag stelde: ‘Zijn de spullen in de auto van jou?’ Deze vraag heeft verzoeker met ‘ja’ beantwoord.

2.13 Voorts heeft verzoeker ter zitting verklaard dat zijn vriend ([naam]) de auto van verzoeker al vanaf zaterdag 14 mei 2011 had geleend. Het kwam wel meer voor dat [naam] de auto van verzoeker langdurig leende. Kort na zijn heenzending op 16 mei 2011 heeft verzoeker zijn vriend [naam] vluchtig gesproken. Die zei toen dat hij wat kleding in verzoekers auto had gezet. Pas na het gesprek dat verzoeker op 16 mei 2011 met zijn teamleider en met [naam] voerde, hoorde verzoeker van zijn vriend dat het ging om kleding waarvan [naam] niet zeker wist of deze echte of namaakkleding was. Verzoeker heeft verder verklaard dat hij ook eigen kleding in zijn auto had liggen, omdat hij op 16 mei 2011 nog niet met zijn vriendin samenwoonde en regelmatig heen en weer reisde. Verder lag er in de kofferbak een geschenkdoos met kleding die verzoeker had gekregen op een kledingbeurs.

2.14 De voorzieningenrechter constateert dat het proces-verbaal van 16 mei 2011 van de politie Zaanstreek-Waterland op ambtsbelofte is opgemaakt door twee verbalisanten. Hoewel aan verzoeker kan worden toegegeven dat hij dit proces-verbaal niet heeft ondertekend, is de enkele ontkenning van verzoeker dat hij de verklaringen zoals hiervoor opgenomen onder 2.11 op deze wijze tegenover de verbalisanten heeft afgelegd, onvoldoende om tot de conclusie te komen dat verzoekers verklaringen in voormeld proces-verbaal onjuist zijn weergegeven. Verweerder mag verzoeker dan ook houden aan zijn in het proces-verbaal opgenomen verklaringen. De verklaring van verzoeker ter zitting dat de verbalisanten niet met hem hebben gesproken over de kleding in zijn kofferbak, is overigens in tegenspraak met de eigen verklaring van verzoeker van 17 mei 2011, waarin hij schrijft: “dat de dienstdoende agent een vraag stelde over wat kleding wat in mijn auto lag”. Verweerder heeft uit dit proces-verbaal van bevindingen de conclusie kunnen trekken dat verzoeker, toen hij werd aangehouden, ervan op de hoogte was dat in de kofferbak van zijn auto namaakkleding lag. Daarvan uitgaande heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker in het gesprek op 16 mei 2011 toen hem daarnaar werd gevraagd, niet open en eerlijk heeft verklaard over wat in de kofferbak van zijn auto was aangetroffen. Daarnaast heeft verzoeker getracht zijn verklaringen te ondersteunen met een verklaring van zijn vriend [naam]. [naam] heeft verklaard dat hij spullen in de auto van verzoeker heeft gelegd zonder toestemming en medeweten van verzoeker en zonder dat verzoeker dit heeft gezien. In het licht van de verklaringen van verzoeker die zijn opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat deze verklaring ongeloofwaardig is.

2.15 Van een (douane)ambtenaar als verzoeker mag worden verwacht dat hij tegenover zijn leidinggevenden volstrekt open en betrouwbaar is. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat hiervan bij verzoeker geen sprake is geweest. Verzoeker heeft in het gesprek op 16 mei 2011 geen open kaart gespeeld over de inhoud van de kofferbak van zijn auto. Verder heeft verzoeker met een ongeloofwaardige verklaring proberen te onderbouwen dat hij niet wist dat namaakkleding van zijn vriend in zijn kofferbak lag. Dit terwijl uit de verklaringen van verzoeker die zijn opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen juist blijkt dat verzoeker er wel van op de hoogte was dat er namaakkleding in zijn auto lag. Niet in geschil is dat het bestrijden van de handel in namaakgoederen een (kern)taak is van de Douane. Dat verzoeker, zoals hij stelt, niet wordt vervolgd in verband met de namaakkleding in zijn kofferbak, is niet van belang. Met het overgelegde proces-verbaal van determinatie heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat er 60 stuks nagemaakte goederen in de kofferbak van verzoekers auto zijn aangetroffen.

2.16 Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat verzoeker met zijn handelwijze op en na 16 mei 2011 de grens van het toelaatbare heeft overschreden. Allereerst door een motorvoertuig te besturen onder invloed van alcohol waardoor zijn opsporingsbevoegdheid is ingetrokken. Ten tweede door namaakkleding in de kofferbak van zijn auto aanwezig te hebben. Voorts door niet volstrekt open en betrouwbaar te verklaren over de goederen die op 16 mei 2011 in de kofferbak van zijn auto zijn aangetroffen. Onder deze omstandigheden heeft verweerder een verbeterkans achterwege mogen laten. Ingevolge vaste jurisprudentie van de CRvB is een ontslag op grond van ongeschiktheid – zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn – in het algemeen niet toelaatbaar als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. Uitzondering op dit uitgangspunt bestaat in gevallen waarin de ambtenaar dusdanig blijk heeft gegeven niet over de vereiste eigenschappen, mentaliteit en instelling te beschikken, dat het bevoegd gezag zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bieden van een verbeterkans niet zinvol is. Van dit laatste is bij verzoeker sprake, aangezien integriteit en vertrouwen de kern van het functioneren als douanemedewerker vormen. Verzoeker heeft door zijn handelen dit vertrouwen ernstig geschaad.

2.17 Dat het RPVB eist, zoals verzoeker heeft aangegeven, dat ongeschiktheid moet zijn gebleken in een langere periode en dat een verbeterkans moet worden geboden, maakt niet dat verweerder niet tot ontslag wegens ongeschiktheid kan overgaan. Volgens de betreffende bepaling in het RPVB kan “in het algemeen” ongeschiktheid niet blijken uit een enkel incident en zal dit moeten zijn gebleken in een langere periode. Ook bepaalt het RPVB dat “in het algemeen” een gelegenheid tot verbeteren moet worden gegeven. De ernst van het incident met verzoeker levert voldoende grondslag op voor verweerder om op deze algemene regel een uitzondering te maken. Het ontslag van verzoeker is dan ook niet in strijd met het RPVB.

2.18 Verzoeker heeft gesteld dat hij ook zonder opsporingsbevoegdheid zijn functie nog kan vervullen. Verweerder mag van verzoeker verlangen dat hij zich ook in zijn privéleven zodanig integer gedraagt dat dit geen gevolgen heeft voor de hem verleende opsporingsbevoegdheid. Doordat verzoeker, niet voor het eerst, heeft gereden onder invloed heeft hij het vertrouwen van verweerder geschaad.

2.19 Verzoeker heeft verder aangegeven dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen de intrekking van zijn opsporingsbevoegdheid. Zolang de intrekking van de opsporingsbevoegdheid niet is herroepen, mag verweerder echter van deze intrekking uitgaan.

2.20 De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat verzoeker ongeschikt is voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Er bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.

2.21 Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2012.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature