< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Paspoortwet. Weigering verstrekking nieuw vreemdelingenpaspoort.

De intrekking van het primaire besluit was niet bevoegd gedaan. Door bekrachtiging is het gebrek hersteld.

Uit het proces-verbaal heeft verweerder een gegrond vermoeden kunnen afleiden dat eiseres handelingen heeft verricht dan wel heeft laten verrichten met of met betrekking tot haar vreemdelingenpaspoort die het vertrouwen in reisdocumenten hebben geschaad.

Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet onevenredig wordt benadeeld door de weigering. Aanleiding daartoe kan niet worden gevonden in de stelling dat zij naar Irak wenst te kunnen reizen. Op grond van artikel 16, vierde lid, aanhef en onder b, van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 is een vreemdelingenpaspoort immers geldig voor alle landen, met uitzondering van het land waarvan de houder de nationaliteit bezit, in dit geval Irak.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid het vreemdelingenpaspoort aan eiseres kunnen weigeren.

Uitspraak



RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 11/270

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

in het geding tussen

[naam eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. A. de Raad, advocaat te Dordrecht,

en

de burgemeester van Dordrecht, verweerder,

gemachtigden: drs. G.A. Mulder en R. Janssen, werkzaam bij het Juridisch Kenniscentrum van het Servicecentrum Drechtsteden.

1. Ontstaan en loop van het geding

Het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht (hierna: het college) heeft bij besluit van 20 september 2010 geweigerd eiseres een nieuw vreemdelingenpaspoort te verstrekken.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij faxbericht van 5 oktober 2010 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 21 januari 2011 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij faxbericht van 4 maart 2011 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

Bij besluit van 4 mei 2011 heeft verweerder het besluit van 21 januari 2011 van het college ingetrokken en het bezwaar van 5 oktober 2010 ongegrond verklaard.

De zaak is op 20 oktober 2011 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder is ter zitting verschenen bij gemachtigden.

Voorts is ter zitting verschenen M.A. Budak, tolk.

De rechtbank heeft op grond van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het onderzoek ter zitting geschorst, om verweerder in de gelegenheid te stellen de intrekking van de beslissing op bezwaar van 21 januari 2011 door het college te laten bekrachtigen en eiseres in de gelegenheid te stellen een nieuwe aanvraag voor een paspoort te doen.

Bij brief van 25 oktober 2011 heeft het college het besluit van 4 mei 2011 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de beslissing op bezwaar van 21 januari 2011 bekrachtigd.

Bij brief van 30 november 2011 heeft eiseres verzocht alsnog uitspraak te doen op het beroep.

Na afloop van het hervatte vooronderzoek heeft de rechtbank - mede gelet op de daarvoor door partijen gegeven toestemming - aanleiding gezien te bepalen dat de nadere zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Het wettelijk kader

Ingevolge artikel 24, aanhef en onder b, van de Paspoortwet kan weigering of vervallenverklaring geschieden op verzoek van de minister die het aangaat, onderscheidenlijk een met de uitvoering van deze wet belaste autoriteit die het aangaat, indien het gegronde vermoeden bestaat dat de betrokken persoon handelingen heeft verricht of zal verrichten met of met betrekking tot reisdocumenten die het vertrouwen in reisdocumenten hebben geschaad of zullen schaden dan wel opzettelijk een ander in de gelegenheid heeft gesteld of zal stellen om zulke handelingen te verrichten met of met betrekking tot een aan de betrokken persoon verstrekt reisdocument.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Paspoortwet , voor zover hier van belang, richten de autoriteiten, bedoeld in de artikelen 18 tot en met 24, het verzoek tot weigering onderscheidenlijk vervallenverklaring onder vermelding van de bezwaren die tegen een persoon bestaan en de gronden die hebben geleid tot het vermoeden, bedoeld in artikel 18 en de artikelen 20 tot en met 24, aan de minister.

Ingevolge het tweede lid, eerste volzin, voor zover hier van belang, geeft de autoriteit die een verzoek als bedoeld in het eerste lid heeft gedaan de minister, indien deze gronden zijn vervallen, daarvan onverwijld kennis.

Ingevolge het derde lid, eerste volzin, voor zover hier van belang, vermeldt de minister, indien een verzoek als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de voorwaarden van een van de artikelen 18 tot en met 24, de persoon op wie het verzoek betrekking heeft dan wel de persoon ten aanzien van wie bij hem gronden tot weigering of vervallenverklaring bestaan, in een door de Minister bij te houden register.

Ingevolge het vierde lid, eerste volzin, voor zover hier van belang, deelt de minister de autoriteiten die bevoegd zijn een reisdocument te verstrekken dan wel in te houden, mede, aan welke personen die ingevolge het bepaalde in het derde lid in het register zijn vermeld, een reisdocument kan worden geweigerd, dan wel van wie het reisdocument moet worden ingehouden.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover hier van belang, verwijdert de Minister onverwijld een vermelding als bedoeld in het derde lid uit het register, indien hij een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid heeft ontvangen of indien twee jaar nadat een verzoek als bedoeld in het eerste lid is gedaan een zodanige kennisgeving niet is ontvangen, dan wel zodra de gronden ten aanzien van de betrokken personen bij de Minister niet meer bestaan. Hij geeft daarvan terstond kennis aan de autoriteiten aan wie hij de mededeling als bedoeld in het vierde lid heeft gedaan. Deze autoriteiten verwijderen terstond nadat zij een kennisgeving als bedoeld in de vorige volzin hebben ontvangen de vermelding uit de administratie, bedoeld in het vierde lid.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Paspoortwet , voor zover hier van belang, is in het Europese deel van Nederland de burgemeester bevoegd tot het verstrekken van reisdocumenten voor vreemdelingen, voor zover het personen betreft die als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens van zijn gemeente zijn ingeschreven.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Paspoortwet verstrekken de krachtens artikel 40 bevoegde autoriteiten het aangevraagde reisdocument zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na de dag van de aanvraag, tenzij de aanvraag een persoon betreft op wie een mededeling als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van toepassing is.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Paspoortwet zijn bevoegd tot weigering of vervallenverklaring van reisdocumenten op de gronden genoemd in hoofdstuk III in Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten de autoriteiten die ingevolge artikel 40 bevoegd zijn tot verstrekking daarvan en in het buitenland de Minister van Buitenlandse Zaken.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, overtuigt een tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit zich ervan, zodra hij een aanvraag in behandeling neemt betreffende een persoon ten aanzien van wie een mededeling als bedoeld in artikel 25, vierde lid, is gedaan, of de gronden tot weigering of vervallenverklaring ten aanzien van betrokkene nog bestaan.

Ingevolge het vierde lid deelt de tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit, indien de gronden tot weigering of vervallenverklaring nog blijken te bestaan, de aanvrager respectievelijk de houder terstond doch in ieder geval binnen vier weken na de aanvraag onderscheidenlijk de inhouding mede dat hij voornemens is de verstrekking van het aangevraagde reisdocument te weigeren dan wel het ingehouden reisdocument vervallen te verklaren, tenzij de aanvrager respectievelijk de houder hem binnen twee weken verzoekt de beslissing gedurende acht weken aan te houden, ten einde met de autoriteit bij wie de gronden bestaan een zodanige overeenstemming te bereiken dat tot verstrekking van het aangevraagde reisdocument of teruggave van het ingehouden reisdocument dan wel verstrekking van een reisdocument, waarvan de geldigheidsduur onderscheidenlijk de territoriale geldigheid beperkter is dan de bij of krachtens de wet vastgestelde, kan worden overgegaan.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Paspoortwet , wordt, indien binnen de periode van acht weken, bedoeld in artikel 44, vierde lid, door de autoriteit bij wie de gronden tot weigering of vervallenverklaring bestaan aan de tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit wordt medegedeeld, dat overeenstemming is bereikt met de aanvrager respectievelijk de houder, dan wel indien de gronden bij de tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit zelf bestaan, door deze een dergelijke overeenstemming is bereikt, wordt zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken overeenkomstig de bereikte overeenstemming het aangevraagde reisdocument verstrekt of het ingehouden reisdocument teruggegeven dan wel het reisdocument, waarvan de geldigheidsduur onderscheidenlijk de territoriale geldigheid beperkter is dan de bij of krachtens de wet vastgestelde, verstrekt.

Ingevolge het tweede lid, gaat, indien binnen de periode van acht weken, bedoeld in artikel 44, vierde lid, geen mededeling wordt gedaan als bedoeld in het eerste lid, dan wel de aanvrager respectievelijk de houder geen verzoek doet als bedoeld in artikel 44, vierde lid, de tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit tot weigering of vervallenverklaring over, tenzij hij van oordeel is dat de aanvrager respectievelijk de houder door deze beslissing onevenredig zou worden benadeeld. In dat geval verstrekt de tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit na overleg met de autoriteit bij wie de gronden tot weigering of vervallenverklaring bestaan het aangevraagde reisdocument of geeft hij het ingehouden reisdocument terug dan wel verstrekt hij een reisdocument, waarvan de geldigheidsduur onderscheidenlijk de territoriale geldigheid beperkter is dan de bij of krachtens de wet vastgesteld.

Ingevolge artikel 16, vierde lid, onder b, van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 is een reisdocument voor vreemdelingen, verstrekt aan een persoon die beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 , dan wel als bedoeld in de Wet toelating en uitzetting BES, geldig voor alle landen, met uitzondering van het land waarvan de houder de nationaliteit bezit.

2.2. De bestreden besluiten

Bij het bestreden besluit van 21 januari 2011 heeft het college de weigering een nieuw vreemdelingenpaspoort aan eiseres te verstrekken gehandhaafd.

Bij besluit van 4 mei 2011 heeft verweerder het besluit van 21 januari 2011 ingetrokken en het bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat op 1 juli 2010 het oude vreemdelingenpaspoort van eiseres in beslag is genomen, omdat het vermoeden bestond dat er veranderingen in zijn aangebracht. Een deskundige van de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid, unit Vreemdelingenpolitie, heeft onderzoek daarnaar gedaan en de resultaten van dit onderzoek neergelegd in een proces-verbaal van 7 juli 2010. Uit het onderzoek komt naar voren dat het paspoort is beschadigd en dat is geprobeerd door middel van mechanisch raderen, waarschijnlijk in combinatie met vocht, Turkse visa en in- en uitreisstempels van een reis van/naar Irak in 2008 te verwijderen dan wel onleesbaar te maken. De politie heeft geconcludeerd dat de aangebrachte beschadigingen gericht zijn aangebracht en niet, zoals eiseres heeft verklaard, zijn veroorzaakt door het meewassen van het paspoort. Het paspoort van eiseres was geldig voor alle landen, uitgezonderd Irak. Geconcludeerd is dat eiseres bewust heeft geprobeerd de (verboden) reis naar Irak te verhullen door te proberen de visa en in- en uitreisstempels te verwijderen. Verweerder is van mening dat de personalia van eiseres op zijn verzoek terecht door de minister van Binnenlandse Zaken zijn opgenomen in het register Paspoortsignaleringen en dat deze gronden nog steeds bestaan. Verweerder meent dat eiseres door de weigering niet onevenredig wordt benadeeld.

2.3. De gronden van beroep

Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij is van mening dat verweerder haar belangen onvoldoende heeft meegewogen. Het is voor eiseres niet mogelijk een paspoort van haar land van herkomst te verkrijgen, omdat zij daarvoor naar Irak moet reizen. Zoals ook naar voren komt uit de notitie van het Landelijk Bureau Vluchtelingenwerk van 7 februari 2011, geeft de Irakese ambassade momenteel geen paspoorten af. Daarnaast begrijpt eiseres niet waarop verweerder baseert dat het vertrouwen in reisdocumenten is geschaad, nu het ingeleverde paspoort een verlopen reisdocument betreft. Voor eiseres is evenmin duidelijk hoe lang de termijn is waarop zij een nieuwe aanvraag kan indienen, waarbij de reden voor weigering haar niet langer wordt tegengeworpen.

Kort voor de zitting heeft eiseres een brief van 1 juni 2011 van verweerder overgelegd, waarin een verzoek van de echtgenoot van eiseres om coulance te betonen in het afgeven van een paspoort aan eiseres voor een vakantie naar het buitenland is afgewezen. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of de mogelijkheid bestond haar een tijdelijk of territoriaal beperkt document te verschaffen. Tevens heeft zij een uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 27 april 2004 (LJN AO8920) overgelegd ter ondersteuning van haar stelling dat het horen in bezwaar niet gelijk gesteld kan worden met het overleg op grond van artikel 44, vierde lid, van de Paspoortwet . Ter zitting heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat zij haar paspoort niet opzettelijk heeft beschadigd en onduidelijk blijft welk belang zij bij het verhullen van een reis naar Irak zou hebben. Voorts heeft zij gesteld dat het door verweerder aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 12 april 2005 (LJN AS5866) niet van toepassing is in het kader van de Paspoortwet. Ten slotte heeft eiseres vermeld dat zij haar inburgeringexamen heeft gehaald en voornemens is een aanvraag in te dienen om het Nederlanderschap te verkrijgen. Dit voornemen wordt echter doorkruist door onderhavige weigering.

2.4. De beoordeling door de rechtbank

2.4.1. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, wordt het beroep van eiseres van 22 juli 2010 geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 4 mei 2011.

Zoals door de rechtbank in de schorsingsbeslissing van 20 oktober 2011 al is geconstateerd, heeft verweerder bij besluit van 4 mei 2011 tevens getracht de beslissing op bezwaar van 21 januari 2011 in te trekken. Nu laatstgenoemd besluit is genomen door een ander bestuursorgaan dan verweerder, namelijk door het college, was verweerder niet tot deze intrekking bevoegd. Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld bij voornoemde schorsingsbeslissing heeft het college bij brief van 25 oktober 2011 het besluit van 4 mei 2011 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de beslissing op bezwaar bekrachtigd. Door deze bekrachtiging is het gebrek hersteld en kan de rechtbank tot een inhoudelijke beoordeling van de beslissing op bezwaar van 4 mei 2011 komen.

2.4.2. Voor zover het beroep van eiseres mede gericht is tegen het besluit van 21 januari 2011 overweegt de rechtbank het volgende. Bij besluit van 4 mei 2011 is dit besluit ingetrokken. Weliswaar was deze intrekking niet gedaan door het bevoegde bestuursorgaan het college, maar inmiddels heeft dit college de intrekking wel bekrachtigd. Nu gesteld noch gebleken is dat eiseres nog belang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van dit ingetrokken besluit, ziet de rechtbank aanleiding om het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 21 januari 2011 niet-ontvankelijk te verklaren.

2.4.3. De kort voor de zitting overgelegde stukken zijn, nu verweerder daartegen geen bezwaar heeft, deel uit gaan maken van het dossier.

2.4.4. Gelet op het bovenstaande staat derhalve uitsluitend het besluit van 4 mei 2011 ter beoordeling.

Voor zover de stelling van eiseres ter zitting dat zij haar paspoort niet opzettelijk heeft beschadigd in haar beroepsgronden kan worden gelezen, leidt deze stelling niet tot het daarmee gewenste doel. In het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van 7 juli 2010, dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, is immers geconcludeerd dat in het vreemdelingenpaspoort op pagina 5 een Turks visum en op pagina 6 twee stempelafdrukken kennelijk opzettelijk zijn verwijderd en onleesbaar zijn gemaakt door mechanisch radaren al dan niet in combinatie met vocht. De aanwezige beschadigingen kunnen volgens het proces-verbaal niet worden verklaard doordat het paspoort in een broek is meegewassen met de wasmachine, omdat de beschadigingen zich dan niet alleen hadden beperkt tot de randen van het visum en gedeelten van de teksten van de stempels op pagina 5 en 6. In dat geval zouden volgens de verbalisant op zijn minst nog enige restanten 'verkleefd' tussen de bladzijden moeten zijn aangetroffen, hetgeen niet het geval was.

Uit de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna de Afdeling), onder meer de uitspraak van 7 oktober 2009 (LJN BJ9521), volgt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat het bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de inhoud van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dit sluit betwisting in rechte niet uit, maar daarbij is de maatstaf of iemand voldoende tegenbewijs heeft geleverd dat noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. De enkele herhaalde stelling van eiseres dat de beschadiging is ontstaan door het meewassen van het paspoort in een broek in de wasmachine kan niet als voldoende tegenbewijs gelden.

Uit het proces-verbaal heeft verweerder dan ook een gegrond vermoeden kunnen afleiden dat eiseres handelingen heeft verricht dan wel heeft laten verrichten met of met betrekking tot haar vreemdelingenpaspoort die het vertrouwen in reisdocumenten hebben geschaad. Dat eiseres, naar zij stelt, bij het verhullen van een reis naar Irak geen belang zou hebben, is bij de beoordeling op grond van artikel 24, aanhef en onder b, van de Paspoortwet niet relevant. Verweerder heeft zich eveneens op het standpunt kunnen stellen dat niet van belang is of het paspoort nog geldig was, omdat op het moment dat de beschadigingen werden geconstateerd het paspoort nog niet definitief aan het verkeer onttrokken was. Eiseres kan gevolgd worden in haar stelling dat het door verweerder in zijn verweerschrift aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 12 april 2005 ziet op een strafrechtelijke bepaling. Echter, ook in de tekst van artikel 24, aanhef en onder b, van de Paspoortwet en in de geschiedenis van die bepaling heeft de rechtbank geen steun kunnen vinden voor de opvatting dat de omstandigheid dat de geldigheidsduur van een reisdocument is verstreken meebrengt dat dit document niet meer als reisdocument in de zin van die bepaling kan worden aangemerkt.

Voor de stelling dat verweerder de belangen van eiseres onvoldoende heeft meegewogen acht de rechtbank geen grond aanwezig. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet onevenredig wordt benadeeld door de weigering. Aanleiding daartoe kan niet worden gevonden in de stelling dat zij naar Irak wenst te kunnen reizen. Op grond van artikel 16, vierde lid, aanhef en onder b, van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 is een vreemdelingenpaspoort immers geldig voor alle landen, met uitzondering van het land waarvan de houder de nationaliteit bezit, in dit geval Irak. Ook een eventueel in de toekomst te verstrekken vreemdelingenpaspoort zal deze clausule bevatten. Naar Irak reizen met behulp van een vreemdelingenpaspoort is dus niet toegestaan. De omstandigheid dat door de Irakese ambassade momenteel geen paspoorten worden afgegeven kan hier geen verandering in brengen.

Voor zover eiseres zich op het standpunt heeft gesteld dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of de mogelijkheid bestond haar een tijdelijk of territoriaal beperkt document te verschaffen, heeft verweerder ter zitting er op gewezen dat het eiseres vrij staat een nieuwe aanvraag in te dienen. Een dergelijk verzoek valt buiten het kader van onderhavige aanvraag.

Het beroep van eiseres op de uitspraak van 27 april 2004 van de rechtbank 's-Hertogenbosch slaagt niet. Verweerder heeft in onderhavige zaak immers wel anders dan in evengenoemde uitspraak, conform het bepaalde in artikel 44, vierde lid, van de Paspoortwet , aan eiseres het voornemen tot weigering meegedeeld en eiseres in de gelegenheid gesteld om in overleg te treden over de weigering met de daartoe bevoegde autoriteit. Uit het besluit van 14 september 2010 van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties blijkt dat niet tot overeenstemming is gekomen.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid het vreemdelingenpaspoort aan eiseres kunnen weigeren.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat verweerder ter voorlichting aan eiseres in zijn verweerschrift heeft toegelicht dat uit artikel 25, vijfde lid, van de Paspoortwet volgt dat een signalering in het Register Paspoortsignaleringen na twee jaar automatisch uit het register wordt verwijderd indien niet uitdrukkelijk om handhaving daarvan is verzocht. Verweerder heeft aangegeven geen reden te zien om te verzoeken de signalering na twee jaar te handhaven, maar gelet op de ernst van de handelingen geen reden te zien om de signalering eerder te laten eindigen. Ter zitting heeft verweerder gezegd dat de registratie begin augustus 2012 zal vervallen.

Het beroep is ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb .

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht,

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 21 januari 2011

niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 4 mei 2011 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.G.L. de Vette, rechter, en door deze en E. Naaijen-van Kleunen, griffier, ondertekend.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature