< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Gedaagde is niet ontvankelijk in zijn vordering tot overplaatsing naar een andere penitentiaire inrichting. Zijn vordering tot beëindiging van het cameratoezicht, alsmede de daarbij aanwezige continue lichtbron, alsmede zijn vordering, indien en voor zover cameratoezicht noodzakelijk blijkt te zijn, enkel gebruik te maken van een infraroodcamera, zodat het gebruik van een continue lichtbron kan worden beëindigd, zijn in kort geding onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 409365 / KG ZA 11-1477

Vonnis in kort geding van 23 december 2011

in de zaak van

[eiser],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting [Y.], locatie [Z.],

eiser,

advocaat mr. M.L. Plas te Utrecht,

tegen:

de Staat der Nederlanden

(Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. J. Dijkgraaf te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als '[eiser]' en 'de Staat'.

1. Procesverloop

[Eiser] heeft de Staat op 19 december 2011 doen dagvaarden om op 22 december 2011 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld en er is op 23 december 2011 door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 22 december wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Het gerechtshof 's-Gravenhage heeft [eiser] bij arrest van 23 juni 2010 schuldig bevonden aan het medeplegen van doodslag en een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van twaalf jaren. [eiser] heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.

2.2. [eiser] is op 5 oktober 2006 in detentie genomen. Hij verbleef tot en met 28 maart 2008 in de penitentiaire inrichting (hierna: PI) [A.]. Vanaf 28 maart 2008 verbleef [eiser] in de PI [B.]. Het door [eiser] tegen deze plaatsing gerichte bezwaarschrift is gegrond verklaard en [eiser] is op 3 juli 2008 overgebracht naar de PI [A.].

2.3. [eiser] is op 6 juli 2010 overgeplaatst naar de PI [C.].

2.4. Door de vestigingsdirecteur van de PI [C.] is op 1 juni 2011 een 'selectieadvies inrichting' gegeven, waarin is verzocht om [eiser] over te plaatsen naar een andere PI in verband met de onwerkzame relatie die tussen [eiser] en het personeel in deze PI was ontstaan.

2.5. De selectiefunctionaris heeft bij brief van 6 juni 2011 op het verzoek van de vestigingsdirecteur van de PI [C.] beslist en [eiser] geselecteerd voor de PI [Z.] te [Y.]. Tegen deze beslissing heeft [eiser] een bezwaarschrift ingediend, dat op 18 juli 2011 door de selectiefunctionaris ongegrond is verklaard.

2.6. [eiser] heeft op 24 juli 2011 een beroepschrift ingediend bij de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ). Dit beroep is op 18 oktober 2011 door de RSJ gegrond verklaard. In de beslissing van de RSJ van 18 oktober 2011 is het volgende - voor zover hier van belang - opgenomen:

"(...) De beslissing van de selectiefunctionaris om klager over te plaatsen kan, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. Het is echter niet duidelijk geworden of, respectievelijk waarom, bij de overplaatsing geen rekening is gehouden met klagers voorkeur voor plaatsing in de regio [F.]. De selectiefunctionaris heeft de beslissing tot overplaatsing van klager naar de p.i. [Y.] derhalve onvoldoende gemotiveerd. Daarom dient de bestreden beslissing te worden vernietigd. (...)"

2.7. De selectiefunctionaris heeft bij brief 4 november 2011, naar aanleiding van de beslissing van de RSJ van 18 oktober 2011, de beslissing om [eiser] over te plaatsen naar de PI [Z.] te [Y.] nader gemotiveerd. In deze brief heeft de selectiefunctionaris verder aangegeven dat [eiser] het recht heeft om een met redenen omkleed bezwaarschrift in te dienen tegen die beslissing.

2.8. De vestigingsdirecteur van de PI [Y.] heeft bij brief van 8 december 2011 het volgende - voor zover hier van belang - aan de raadsvrouwe van [eiser] aangegeven:

"(...)

Uw cliënt, de heer [eiser], heeft wederom te kennen gegeven in honger- en dorststaking te zijn.

Vanuit mijn zorgplicht dien ik mij dagelijks op de hoogte te (laten) stellen hoe zijn fysieke en geestelijke gesteldheid is gedurende deze periode.

Uw cliënt werkt in het geheel niet mee in het controleren van zijn gesteldheid.

(...)

Om die reden is uw cliënt in een observatiecel onder cameratoezicht geplaatst om hem permanent te kunnen blijven observeren. (...)

Het licht in de cel zal gedurende de nachtelijke uren zodanig gedimd worden dat hij in staat is om een normale nachtrust te genieten.

(...)"

2.9. Bij faxbrief van 13 december 2011 heeft de vestigingsdirecteur van de PI [Y.] het volgende - voor zover hier van belang - aan de raadsvrouwe van [eiser] meegedeeld:

"(...)

Uit navraag blijkt dat in het weekend per abuis de dag verlichting is blijven branden, waarvan uw cliënt pas na afloop van de nacht hierover reclameerde. Op het moment dat hij het verzoek doet, in de avond of nacht, om de dagverlichting over te schakelen op nachtverlichting, zal dit worden gehonoreerd. Buitenom zijn verzoek, zal het personeel eigenstandig de nachtverlichting inschakelen na einde dagprogramma, omstreeks 17:00 uur, tenzij uw cliënt de dagverlichting langer wil laten branden.

(...)"

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert:

(I) dat wordt bepaald dat de selectiefunctionaris een beslissing neemt overeenkomstig de wens van [eiser], inhoudende dat hij wordt overgeplaatst naar de PI [D.] of de PI [E.], locatie [1.];

(II) dat de Staat wordt veroordeeld om het cameratoezicht, alsmede de daarbij aanwezige continue lichtbron, te beëindigen;

(III) dat de Staat wordt veroordeeld, indien en voor zover cameratoezicht noodzakelijk blijkt te zijn, enkel gebruik te maken van een infraroodcamera, zodat het gebruik van een continue lichtbron kan worden beëindigd;

een en ander op straffe van een dwangsom.

3.2. Daartoe stelt [eiser] het volgende. [eiser] verblijft thans in de PI te [Y.], maar kan zich hiermee niet verenigen, omdat zijn familie en vrienden in de regio [F.] woonachtig zijn. De kinderen en bejaarde moeder van [eiser] kunnen hem door de lange reistijd van [F.] naar [Y.] moeilijk bezoeken. Met de auto is het tweeënhalf uur rijden, maar de moeder van [eiser] rijdt geen auto. [eiser] blijft daarnaast door zijn verblijf in de PI [Y.] verstoken van adequate rechtsbijstand, omdat zijn raadsvrouwe kantoor houdt in [F.] en ongeveer een dag moet vrijmaken om [eiser] te bezoeken. Nu aan de verzoeken om overplaatsing van [eiser] geen gehoor wordt gegeven is hij in honger- en dorststaking gegaan. Als gevolg daarvan staat [eiser] nu permanent onder (camera)bewaking en brandt de lamp in zijn cel continu. Door deze handelwijze pleegt de Staat, althans de PI [Y.], een onrechtmatige daad jegens [eiser]. Op grond van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) mag niemand immers worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Dit artikel wordt overtreden door [eiser] in een afzonderingscel met cameratoezicht en continue verlichting vast te houden.

3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde jegens hem onrechtmatig handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - tot kennisneming van de vordering gegeven.

Overplaatsing naar een andere PI

4.2. Partijen verschillen allereerst van mening over het antwoord op de vraag of [eiser] kan worden ontvangen in zijn vordering tot overplaatsing naar een andere PI. Om die vraag te kunnen beantwoorden moet worden vastgesteld of er een andere rechtsgang open staat of heeft gestaan die met voldoende waarborgen is omkleed. Als dit het geval is, is voor de beoordeling door de burgerlijke rechter immers geen plaats meer. De Staat voert aan dat [eiser] tegen de beslissing van 4 november 2011 van de selectiefunctionaris (zie onder 2.7) bezwaar heeft kunnen maken op grond van artikel 17 van de Penitentiaire beginselenwet (hierna: Pbw) en dat [eiser] tegen de beslissing van de selectiefunctionaris op het bezwaar nog beroep bij de beroepscommissie van de RSJ in had kunnen stellen op grond van artikel 72 Pbw . De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de beslissing van 4 november 2011 moet worden aangemerkt als een beslissing op bezwaar waartegen onmiddellijk beroep openstond. In zoverre bevat de brief van 4 november 2011 dus mogelijk een onjuiste rechtsmiddelenvermelding. Dit betekent echter niet dat [eiser] kan worden gevolgd in zijn stelling dat hij van de rechtsgang die de Pbw opent geheel kon afzien, ook al zou het doorlopen van deze procedure zeker een half jaar kosten. Volgens vaste jurisprudentie biedt deze procedure immers een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, zodat [eiser] in kort geding niet tegen de beslissing van 4 november 2011 op kan komen. Uit de door [eiser] gevolgde bezwaar- en beroepsprocedure tegen de beslissing van de selectiefunctionaris van 6 juni 2011 blijkt overigens dat op het door [eiser] ingestelde bezwaar en beroep aanvankelijk is beslist in circa vijf maanden tijd (zie onder 2.5 tot en met 2.7). De hongerstaking die [eiser] gebruikt om zijn eisen kracht bij te zetten, maakt niet dat het oordeel van de door de wet aangewezen beroepsinstantie niet langer kan worden afgewacht. [eiser] zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot overplaatsing naar een andere PI.

Het cameratoezicht en de continue lichtbron

4.3. Het antwoord op de vraag of [eiser] ontvankelijk is in zijn vordering tot beëindiging van het cameratoezicht en de continue lichtbron in zijn cel houdt partijen eveneens verdeeld. Evenzeer geldt in dit verband dat om die vraag te kunnen beantwoorden moet worden vastgesteld of er een andere rechtsgang open staat of heeft gestaan die met voldoende waarborgen is omkleed. De Staat heeft in dat kader aangevoerd dat [eiser] de mogelijkheid had om zijn beklag over het cameratoezicht in te dienen bij de beklagcommissie overeenkomstig artikel 61 Pbw . Hangende de uitspraak op het beklag kan de tenuitvoerlegging van de beslissing waarop het klaagschrift betrekking heeft geheel of gedeeltelijk door de voorzitter van de beroepscommissie worden geschorst (artikel 66 Pbw), aldus de Staat. Tegen uitspraken van de beklagcommissie staat op grond van artikel 69 Pbw beroep open op een door de RSJ benoemde beroepscommissie, zodat in principe een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is gegeven. Dit betekent dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, tenzij aannemelijk is dat hij niet snel genoeg een uitspraak kan krijgen van de beklagcommissie of de (voorzitter van de) beroepscommissie en hij daarbij wel een spoedeisend belang heeft. Volgens artikel 67 Pbw doet de beklagcommissie in beginsel binnen vier weken uitspraak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het belang van [eiser] - uitgaande van de juistheid van zijn stellingen - bij een uitspraak over het permanente cameratoezicht en de continue lichtbron in zijn cel, gelet op de mogelijke slaapdeprivatie en verstoring van zijn dag- en nachtritme, op een (veel) kortere termijn voldoende groot om hem in zijn daarop betrekking hebbende vorderingen te ontvangen. De Staat heeft niet aannemelijk gemaakt dat [eiser] binnen die termijn met een schorsingsverzoek het door hem gewenste resultaat kan bereiken.

4.4. Ter zitting waren partijen het erover eens dat de dagverlichting bij het vallen van de avond overgeschakeld zou moeten worden naar nachtverlichting. [eiser] stelt echter dat er continu dagverlichting in zijn cel is. De Staat heeft deze stelling gemotiveerd betwist en bevestigd dat 24 uur dagverlichting in een cel niet wenselijk is. Daar heeft de Staat aan toegevoegd, dat de directeur van de PI [Y.] desgevraagd heeft aangegeven dat de dagverlichting bij [eiser] daarom ook niet permanent brandt. Dat is één keer per abuis toch gebeurd en daarvan heeft [eiser] pas de volgende ochtend melding gemaakt. De Staat verwijst daarbij naar de brieven van de vestigingsdirecteur van de PI [Y.] aan de raadsvrouwe van [eiser] (zie onder 2.8 en 2.9). Volgens mr. Plas heeft [eiser], toen zij op 21 december 2011 met hem aan de telefoon was, aan een penitentiair inrichtingswerker gevraagd of de dagverlichting in zijn cel continu was ingeschakeld. Mr. Plas heeft de penitentiair inrichtingenwerker toen tegen [eiser] horen zeggen dat dit het geval was.

4.5. De voorzieningenrechter overweegt dat de stellingen van partijen op dit punt lijnrecht tegenover elkaar staan. [eiser] heeft zijn stellingen na de gemotiveerde en gedocumenteerde betwisting van de Staat niet nader onderbouwd met schriftelijke verklaringen of enig ander bewijsstuk. Hij heeft ook niet gesteld dat hij de medewerkers van PI (bij herhaling) heeft aangesproken over de ongewenste dagverlichting. Nu [eiser] dit heeft nagelaten, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter thans niet aannemelijk geworden dat in strijd met zijn uitdrukkelijke verzoeken de dagverlichting permanent blijft branden in de cel van [eiser]. Wat betreft het cameratoezicht heeft de Staat erop gewezen dat dit middel wordt ingezet omdat op de Staat een zorgplicht rust in verband met de door [eiser] ingezette honger- en dorststaking. De PI's zijn niet bekend met infraroodcamera's, zodat dit niet als minder ingrijpend middel kan worden ingezet, aldus de Staat. [eiser] heeft vervolgens niet aannemelijk gemaakt dat het cameratoezicht op dit moment kan worden beëindigd zonder dat het voor de Staat onmogelijk wordt zijn zorgplicht na te komen. De vorderingen onder II en III van het petitum van de dagvaarding zullen daarom worden afgewezen.

4.6. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering onder I;

- wijst het meer of anders gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.376,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 560,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2011.

evdt


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature