< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

De verdachte heeft in haar woning een aanzienlijke voorraad hasjiesj aanwezig gehad in strijd met het Opiumwet.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 (honderd) dagen.

Uitspraak



Rolnummer: 22-003072-11

Parketnummer: 10-730053-11

Datum uitspraak: 14 februari 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 juni 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortejaar] 1973,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 31 januari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 85 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts is met betrekking tot het in beslag genomen geldbedrag beslist als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van feit 2.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 21 februari 2011 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 70 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij op 21 februari 2011 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 70 kilogram, hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Gevoerde verweren

Vormverzuim

De raadsvrouw heeft namens de verdachte bepleit - zoals vervat in haar aan het hof overgelegde pleitnotities en hier in de kern weergegeven - dat bij het ontbreken van voldoende grondslag voor een verdenking van overtreding van de Wet wapens en munitie onrechtmatig in verdachtes woning is binnengetreden, hetgeen zou moeten leiden tot uitsluiting van het aangetroffen bewijs en daarmee tot vrijspraak van de verdachte.

Het hof overweegt naar aanleiding van dit verweer het volgende. Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 februari 2011 van brigadier de Koning, de machtiging tot het binnentreden in een woning d.d. 21 februari 2011 en het proces-verbaal binnentreden woning d.d. 21 februari 2011, blijkt dat in de woning van de verdachte is binnengetreden op grond van verdenking van handelen in strijd met de Wet Wapens en Munitie. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 februari 2011 heeft in de woning een doorzoeking plaatsgevonden op basis van artikel 49 van de Wet Wapens en Munitie . Hierbij werden in de slaapkamer twee tassen aangetroffen met bruine blokken, waarvan de politie het vermoeden had dat het verdovende middelen waren. Ook de raadsvrouw stelt zich blijkens haar pleidooi op het standpunt dat een en ander heeft plaatsgevonden op basis van de Wet Wapens en Munitie. Nu het door de raadsvrouw gestelde vormverzuim niet heeft plaatsgevonden in het kader van het voorbereidend onderzoek van het in deze zaak ten laste gelegde misdrijf op grond van de Opiumwet, kan het niet als vormverzuim in de zin van artikel 359a van wetboek van Strafvordering worden aangemerkt (HR 22 augustus 2006 LJN: AX6277). Of er daadwerkelijk sprake was van een vormverzuim behoeft dan ook geen bespreking nu het verweer van de raadsvrouw gezien het vorenstaande slechts verworpen kan worden. Het hof verwerpt het verweer.

Opzet

Daarnaast is door en namens de verdachte aangevoerd dat zij de tassen met daarin de hasjiesj eerst bij haar aanhouding in de woning heeft gezien en dat dientengevolge opzet op het haar ten laste gelegde feit ontbreekt. Nu de op 22 februari en 4 maart 2011 ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen zijn afgelegd zonder bijstand van een tolk, terwijl verdachte hierom wel had verzocht, mogen die verklaringen, daar de verdachte het Nederlands onvoldoende machtig is, niet voor het bewijs worden gebezigd, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt vast dat de verdachte blijkens de processen-verbaal d.d. 22 februari en 4 maart 2011, voorafgaand aan welke verhoren de verdachte een advocaat had geconsulteerd, niet heeft verzocht om bijstand van een tolk in de Arabische taal. Uit de voornoemde processen-verbaal blijkt voorts dat de verklaring na afloop van het verhoor aan de verdachte is voorgelezen, waarna de verdachte bij die verklaring heeft volhard en deze heeft ondertekend. Ook haar advocaat die, zoals gezegd voorafgaand aan het eerste verhoor met de verdachte heeft gesproken- heeft bij de politie niet verzocht om bijstand door een tolk. Blijkens het proces verbaal van verhoor d.d. 23 februari 2011 heeft de verdachte verklaard dat zij begreep wat de verbalisanten tegen haar zeiden.

Voorts is de verdachte ook bij de rechter-commissaris op 16 mei 2011 in aanwezigheid van haar advocaat, gehoord zonder tolk. Ook voorafgaand aan en tijdens dit verhoor is noch door de verdachte noch door haar advocaat verzocht om bijstand door een tolk. Tenslotte constateert het hof dat het onderzoek in eerste aanleg blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 7 juni 2011 weliswaar heeft plaatsgevonden met bijstand van een tolk, doch dat toen met de verdachte -in aanwezigheid van haar advocaat- is besproken dat de tolk slechts zou vertalen wanneer de verdachte iets onvoldoende verstond of wanneer de verdachte zich in haar beleving onvoldoende duidelijk kon uitdrukken, nu zij beschikte over een basiskennis van de Nederlandse taal.

Gelet op het vorenvermelde is naar het oordeel van het hof niet gebleken dat de verdachte de desbetreffende verhorende verbalisanten ten tijde van haar verklaringen d.d. 22 februari en 4 maart 2011 niet heeft begrepen.

Het hof acht - nu ook overigens niet is gebleken van enige onregelmatigheid in de politieverhoren - de tegenover de politie afgelegde verklaringen van verdachte zonder voorbehoud bruikbaar voor het bewijs.

Nu verdachte op 22 februari 2011 heeft verklaard dat zij de tassen met daarin de hasjiesj bij haar thuiskomst om ongeveer 15.00 uur, dus vóór het aantreffen van de verdovende middelen door de politie omstreeks 18.55 uur, had zien staan in de gemeenschappelijke slaapkamer, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de verdovende middelen opzettelijk in de woning aanwezig heeft gehad.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In haar woning heeft de verdachte een aanzienlijke voorraad hasjiesj aanwezig gehad.

Een dergelijk delict draagt bij aan de instandhouding en groei van de markt voor verdovende middelen, waardoor de volksgezondheid ernstig wordt bedreigd en waardoor ook onder gebruikers het plegen van vermogensdelicten wordt bevorderd, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen.

Namens en door de verdachte is ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat zij de zorg draagt voor een zwaar gehandicapte dochter en dat de verdachte daarvan de nodige spanningen ondervindt, hetgeen het hof bij de op te leggen straf zal betrekken.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Nu de verdachte blijkens de door haar ondertekende afstandsverklaring d.d. 4 maart 2011 reeds afstand heeft gedaan van hetgeen in haar woning in beslag is genomen, zal het hof hieromtrent geen beslissing meer nemen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 (honderd) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 85 (vijfentachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Knobbout,

mr. M.J.J. van den Honert en mr. J.J.H. Suyver, in bijzijn van de griffier mr. M.C. Bongaerts.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 februari 2012.

Mr. J.J.H. Suyver is buiten staat dit arrest te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature