< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Reclamebelasting: De rechtbank is van oordeel dat de gemeente voor het gebied Centrum een reclamebelasting mocht heffen. Er is een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de beperking tot dit gebied, omdat aannemelijk is gemaakt dat de opbrengst wordt besteed ten gunste van de belastingplichtigen die deze hebben opgebracht en een grote meerderheid van de ondernemers in het gebied Centrum, die profijt kunnen hebben van deze opbrengst, in de heffing wordt betrokken. Dat de gemeenteraad heeft besloten de opbrengst te bestemmen door deze aan de SOFA beschikbaar te stellen - die op haar beurt de middelen beschikbaar stelt aan de bedrijvenverenigingen ter uitvoering van de jaarprogramma’s - doet aan de verbindende kracht van de Verordening niet af. Dat volgens eiseres het draagvlak zoals dat uit de uitslag van de enquêtes naar voren komt discutabel is, kan, wat daar overigens van zij, echter niet leiden tot de conclusie dat de legitimiteit van de reclamebelasting ontbreekt. De draagvlakregeling van artikel 5, van de Experimentenwet BI-zones , is immers geen wettelijk vereiste voor toepassing van artikel 227 van de Gemeentewet , betreffende reclamebelasting. Voorts acht de rechtbank de tariefstelling voor het gebied Centrum - die gebaseerd is op de oppervlakte van de openbare aankondigingen (reclame-uitingen) - een heffingsmaatstaf die geen onredelijke en willekeurige belastingheffing oplevert.

Uitspraak



RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/3189

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2012 in de zaak tussen

[naam], te [plaa[plaatsnaam], eiseres

(gemachtigde: E. Nagtegaal),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Alkmaar, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft eiseres op 31 maart 2010 een voorlopige aanslag reclamebelasting van € 295,20 opgelegd voor reclame-uitingen aan het pand [adres] [nummer] te [plaatsnaam] voor de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010.

Bij uitspraak op bezwaar van 12 november 2010 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2011. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken AWB 10/1838 en AWB 11/10.

Eiseres is ter zitting vertegenwoordigd door haar vennoot [naam.1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.Y. Gramsbergen, [naam.2] en [naam.3]. De rechtbank heeft [naam.4], [naam.5] en [naam.6], ondernemers te Alkmaar, toegestaan het onderzoek ter zitting bij te wonen.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder in de bestreden uitspraak op bezwaar de voorlopige aanslag reclamebelasting terecht heeft gehandhaafd en gaat voor die beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is gebruikster van het pand aan de [adres] [nummer] in het centrum van [plaatsnaam], waarin zij een onderneming - een galerie voor animatiekunst - drijft.

Het “Rapport inventarisatie reclame-uitingen gemeente Alkmaar” uit 2009 vermeldt dat op het pand van eiseres als belastbare feiten “Reclameborden, hangend aan en op de gevel” en “Plakletters, plaklogo’s op ruiten” aanwezig zijn. De totale oppervlakte daarvan bedraagt 2,12 m².

De raad van de gemeente Alkmaar heeft op 14 december 2009 de Verordening reclamebelasting 2010 vastgesteld (de Verordening). Ingevolge artikel 2 van de Verordening wordt onder de naam reclamebelasting binnen nader aangewezen gebieden een directe belasting geheven ter zake van een openbare aankondiging die zichtbaar is vanaf de openbare weg.

De Verordening voorziet in het heffen van reclamebelasting binnen de gebieden Centrum (Kernwinkelgebied en aanloopstraten van het Centrum), bedrijventerrein Overdie/Laanenderweg en bedrijventerrein Beverkoog te Alkmaar. In bijlage 1 bij en deel uitmakende van de Verordening zijn de aangewezen straten en straatdelen van die gebieden gepreciseerd. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2010.

De reclamebelasting is ingesteld op verzoek van Ondernemend Alkmaar en de daarbij aangesloten bedrijvenverenigingen.

De opbrengst van de reclamebelasting zal als subsidie worden toegekend aan de Stichting Ondernemingsfonds Alkmaar, Fonds voor park- en centrummanagement (SOFA). Volgens het raadsvoorstel kan bij de financiering van parkmanagement en binnenstadsmanagement worden gedacht aan beveiliging, evenementen, promotie, inrichting, schoonmaak en bereikbaarheid et cetera.

De SOFA bestemt de gelden – na aftrek van kosten – ten gunste van het heffingsgebied waarvan de belastingplichtigen de betreffende middelen hebben opgebracht. Daartoe dienen de bedrijvenverenigingen van de desbetreffende heffingsgebieden jaarprogramma’s in. De SOFA toetst de jaarprogramma’s, waarbij onder meer wordt beoordeeld of uit het jaarprogramma voldoende blijkt dat het draagvlak voor het jaarprogramma en de financiële onderbouwing daarvan onder de belastingplichtigen is getoetst en redelijkerwijze als voldoende draagvlak kan worden aangemerkt.

Voordat tot invoering van de reclamebelasting werd overgegaan hebben de ondernemersverenigingen op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar een draagvlakonderzoek verricht onder de bijdrageplichtigen, vergelijkbaar met een onderzoek als bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de Experimentenwet Bi-zones . Nadat twee draagvlakonderzoeken in 2008 en april- mei 2009 een zeer lage respons te zien gaven van circa 10 %, heeft een onderzoek eind 2009 volgens Ondernemend Alkmaar uitgewezen dat:

- 53 % van de bedrijven in het gebied Binnenstad had gereageerd, waarvan 92 % positief;

- 54 % van de bedrijven op de Beverkoog had gereageerd, waarvan 90 % positief en

- 36 % van de bedrijven in Overdie/Laanenderweg had gereageerd, waarvan 96 % positief.

Uit de toelichting op de tarieventabel behorende bij de Verordening blijkt dat in het gebied Binnenstad (lees: Centrum) van de 974 ondernemers er 206 (21,15 %) niet in de heffing worden betrokken, omdat zij geen reclame voeren, dan wel een reclame-uiting die kleiner is dan 0,1 m². Van de 601 ondernemers op het bedrijventerrein Beverkoog worden er om die reden 288 (47,9 %) niet in de heffing betrokken en van de 221 ondernemers op het bedrijventerrein Overdie/Laanenderweg worden er 96 (43,4 %) niet in de heffing betrokken.

2. De rechtbank overweegt dat het wettelijk kader voor de bevoegdheid tot het heffen van reclamebelasting wordt gevormd door de artikelen 227 en 219, tweede lid, van de Gemeentewet .

Artikel 227 van de Gemeentewet luidt: “Ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg kan een reclamebelasting worden geheven.”

Uit vaste rechtspraak volgt dat het begrip “openbare aankondiging” niet slechts reclame in engere zin omvat, maar meer in het algemeen ziet op elke tot het publiek gerichte mededeling van commerciële dan wel ideële aard waarmee de aandacht wordt getrokken voor een dienst, een product of een boodschap.

In artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet is bepaald dat “behoudens het bepaalde in andere wetten dan deze (…) de gemeentelijke belastingen kunnen worden geheven naar in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen.”

In de Verordening is de oppervlakte van de openbare aankondiging bepaald als de maatstaf voor de heffing. Het tarief voor “Gebied Centrum” bedraagt per openbare aankondiging, per kalendermaand van het belastingtijdvak waarin het belastbaar feit zich voordoet, voor een openbare aankondiging met een oppervlakte:

a. tot 0,1m² nihil;

b. van 0,1 m² tot 5 m² € 24,60;

c. van 5 m² tot 10 m² € 39,60;

d. van 10 m² tot 30 m² € 89,60;

e. van 30 m2 of meer € 125.

3. In het arrest van de Hoge Raad van 11 november 2011 (LJN: BR 4564) is overwogen dat de reclamebelasting een algemene belasting is, wat inhoudt dat de gemeente vrij is in de besteding van de opbrengst van die belasting, en dus ook vrij is om de opbrengst te besteden aan activiteiten en voorzieningen binnen een bepaald gedeelte van haar grondgebied.

Het karakter van een algemene belasting staat er niet aan in de weg dat een gemeente de heffing van deze belasting beperkt tot een gedeelte van haar grondgebied, mits daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. De Hoge Raad geeft aan dat als een gemeente de opbrengst van de reclamebelasting besteedt aan activiteiten en voorzieningen binnen het betreffende gedeelte van het grondgebied, er sprake is van een objectieve en redelijke rechtvaardiging als de gemeente er daarbij redelijkerwijs van uit mag gaan dat degenen die profijt kunnen hebben van de opbrengst ook in de belastingheffing worden betrokken.

4. Eiseres stelt dat het een absolute voorwaarde is dat inzichtelijk wordt gemaakt waarvoor de opbrengst van de reclamebelasting wordt aangewend. Eiseres verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 7 mei 2010 (LJN: BK8611) inzake baatbelasting.

Verweerder vindt dat een eventueel ontbreken van een dergelijk inzicht niet leidt tot onverbindendheid van de Verordening. Subsidiair stelt verweerder dat de opbrengst van de reclamebelasting volgens de daarvoor geldende subsidieverordening aan de betreffende ondernemersfondsen beschikbaar wordt gesteld. De ondernemersverenigingen dienen daartoe een jaarprogramma in en het fonds legt achteraf verantwoording af. Niet alleen worden de begroting en verantwoording door de gemeente getoetst, het jaarprogramma en de verantwoording hebben ook de instemming nodig van de vergadering van deelnemers, zijnde alle belastingplichtigen.

De rechtbank is van oordeel dat de jurisprudentie waar eiseres naar verwijst niet (analoog) van toepassing is op reclamebelasting. De reclamebelasting is een algemene - inkomstenverwervende - belasting en de opbrengst mag getransformeerd worden in een bestemmingsheffing, dat wil zeggen dat de opbrengst aangewend mag worden voor een gebiedsgerichte toepassing. Daarbij komt dat het bij baatbelasting alleen om voorzieningen kan gaan en dat in dit geval de opbrengst ook wordt aangewend voor het organiseren van activiteiten. Deze beroepsgrond treft dus geen doel.

5. Voorts stelt eiseres dat de gemeente pas tot invoering van de reclamebelasting zou mogen overgaan indien er voldoende draagvlak onder de ondernemers voor de betreffende belasting aanwezig zou zijn. Volgens eiseres heeft verweerder zich gecommitteerd aan de inhoud en strekking van artikel 5 van de Experimentenwet BI-zones . Dit blijkt uit het raadsvoorstel van 14 december 2009 en het daarop gevolgde amendement. Gelet op de respons op de gehouden enquête heeft minder dan de helft van de Alkmaarse ondernemers zich (positief) uitgesproken. Het getuigt van onbehoorlijk bestuur dat er desalniettemin tot invoering van reclamebelasting is overgegaan.

Verweerder stelt dat de voorbereiding zeer zorgvuldig is geweest en dat diverse (externe) partijen hebben geadviseerd. Ondernemers die na vier gelegenheden nog niet kenbaar hebben gemaakt dat zij niet met het voornemen kunnen instemmen, hebben het vertrouwen gewekt dat zij zich niet tegen de uitvoering van het voornemen verzetten. Belastingheffing is voorts geen zaak van vrijwillige bijdragen, dus het draagvlak is een interessant achtergrondgegeven, maar niet bepalend voor de juridische aanvaardbaarheid.

De rechtbank stelt vast dat in een brief van 3 november 2009 van het college van burgemeester en wethouders aan de raad het volgende is vermeld: “Alvorens medewerking te verlenen, is het dan ook noodzakelijk dat aangetoond is dat de invoering van een reclamebelasting (en daarmee de ondernemersfondsen) op brede steun kunnen rekenen van de bijdrageplichtigen.” Uit andere stukken blijkt dat ook de raad het draagvlak een belangrijk aspect vond bij het afwegingsproces. Dat volgens eiseres het draagvlak zoals dat uit de uitslag van de enquêtes naar voren komt discutabel is, kan, wat daar overigens van zij, echter niet leiden tot de conclusie dat de legitimiteit van de reclamebelasting ontbreekt. De draagvlakregeling van artikel 5, van de Experimentenwet BI-zones , is immers geen wettelijk vereiste voor toepassing van artikel 227 van de Gemeentewet , betreffende reclamebelasting. Ook beperkt de tekst of de wetsgeschiedenis van de Experimentenwet BI-zones gemeenten niet in hun bestaande bevoegdheden tot belastingheffing die zij aan de Gemeentewet kunnen ontlenen (zie rechtsoverweging 3.6.2. van het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad).

6. Voor zover eiseres - onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 25 november 2010 inzake reclamebelasting in de gemeente Hoorn (LJN: BO5030) - onverbindendverklaring van de Verordening heeft bepleit, kan haar beroep niet slagen. Deze uitspraak is door het gerechtshof Amsterdam op 24 november 2011 (LJN: BU5998) vernietigd, waardoor van de verbindende kracht van de verordening van de gemeente Hoorn moet worden uitgegaan.

7. In lijn met het oordeel van de Hoge Raad, zoals samengevat onder 3, is de rechtbank van oordeel dat de gemeente Alkmaar voor het gebied Centrum een reclamebelasting mocht heffen. Er is een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de beperking tot dit gebied, omdat aannemelijk is gemaakt dat de opbrengst wordt besteed ten gunste van de belastingplichtigen die deze hebben opgebracht en een grote meerderheid van de ondernemers in het gebied Centrum, die profijt kunnen hebben van deze opbrengst, in de heffing wordt betrokken. Dat de gemeenteraad heeft besloten de opbrengst te bestemmen door deze aan de SOFA beschikbaar te stellen - die op haar beurt de middelen beschikbaar stelt aan de bedrijvenverenigingen ter uitvoering van de jaarprogramma’s - doet aan de verbindende kracht van de Verordening niet af. Voorts acht de rechtbank de tariefstelling voor het gebied Centrum - die gebaseerd is op de oppervlakte van de openbare aankondigingen (reclame-uitingen) - een heffingsmaatstaf die geen onredelijke en willekeurige belastingheffing oplevert.

8. De rechtbank concludeert op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dat verweerder aan eiseres een aanslag reclamebelasting van € 295,20 voor reclame-uitingen aan het pand [adres] [nummer] te [plaa[plaatsnaam] voor de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 heeft mogen opleggen en dat deze aanslag bij de bestreden uitspraak op bezwaar niet ten onrechte is gehandhaafd.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Luigjes, voorzitter, en mr. drs. C.M. van Wechem en mr. M. Kraefft, leden, in aanwezigheid van O. Bergmans, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2012.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature