< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Betalingsonmacht in geval van een schadevergoedingsmaatregel vormt geen grond om af te zien van vervangende hechtenis. Dat in dit geval sprake is van een schrijnende situatie in de zin van de Aanwijzing executie is niet aannemelijk geworden. De gestelde betalingsonmacht is daartoe op zichzelf genomen onvoldoende. Bijkomende bijzondere omstandigheden zijn in dit verband niet gebleken.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 411124 / KG ZA 12-50

Vonnis in kort geding van 7 februari 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. A.T. Tilburg te Spijkenisse,

tegen:

de Staat der Nederlanden,

(Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. W.M. Limborgh te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als '[eiser]' en 'de Staat'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 31 januari 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. De rechtbank Rotterdam heeft [eiser] bij vonnis van 7 september 2006 onder meer veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uur, alsmede tot een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren wegens het verduisteren van geldbedragen. Verder heeft de rechtbank Rotterdam in dit vonnis aan [eiser] in het kader van twee schadevergoedingsmaatregelen, ten behoeve van twee benadeelde partijen, de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 8.500,--, te vervangen door maximaal vijftien dagen hechtenis, en tot betaling van een bedrag van € 13.572,--, eveneens te vervangen door maximaal vijftien dagen hechtenis.

1.2. Het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: het CJIB) heeft op 17 januari 2008 een door [eiser] ingevuld "formulier verzoek betalingsregeling" ontvangen. In dit verzoek heeft [eiser] verklaard bereid te zijn om maandelijks een bedrag van € 40,-- te betalen tot voldoening van de aan hem opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. Het CJIB heeft hierop bij brief van 18 januari 2008 aan [eiser] bericht met zijn voorstel niet akkoord te gaan. In deze brief heeft het CJIB voorts meegedeeld dat [eiser], om het openstaande bedrag binnen 27 maanden te voldoen, maandelijks minimaal € 981,64 moet betalen.

1.3. Het CJIB heeft aan de deurwaarder op enig moment opdracht gegeven op de uitkering van [eiser] derdenbeslag te leggen.

1.4. Bij faxbrief van 11 augustus 2010 heeft de raadsman van [eiser] aan het CJIB meegedeeld, dat [eiser] niet kan voldoen aan het bericht van het CJIB, dat hij een hoger bedrag per maand moet aflossen ter voorkoming van tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis.

1.5. Het CJIB heeft de onder 1.4 bedoelde faxbrief beantwoord bij brief van 30 september 2010. In deze brief heeft het CJIB de door hem te hanteren regels en het beleid met betrekking tot betalingsregelingen uiteengezet en aangegeven dat de betalingsonmacht of onvermogendheid van [eiser] aan de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis niet in de weg staat.

1.6. De raadsman van [eiser] heeft het CJIB bij faxbrief van 1 december 2011 bericht, dat [eiser] aanbiedt om op vrijwillige basis € 80,10 per maand aan het CJIB te betalen.

1.7. In antwoord op de onder 1.6 bedoelde brief heeft het CJIB bij brief van 6 december 2011 laten weten, dat een maandelijkse aflossing van € 80,10 niet in verhouding staat tot het nog openstaande bedrag, zodat hiermee niet akkoord wordt gegaan.

1.8. Bij faxbrief van 27 december 2011 heeft de raadsman van [eiser] aan het CJIB bericht, dat [eiser] gelet op zijn WWB-uitkering niet meer dan € 80,10 per maand kan betalen.

1.9. Het CJIB heeft in antwoord op de onder 1.8 bedoelde faxbrief bij brief van 3 januari 2012 laten weten dat het voorstel van [eiser] niet wordt geaccepteerd.

1.10. Bij brief van 4 januari 2012 is door het CJIB een "Waarschuwing tenuitvoerlegging vervangende hechtenis" aan [eiser] toegezonden.

1.11. De opgelegde schadevergoedingsmaatregel van in totaal € 22.072,00 is wegens het uitblijven van betaling tweemaal van rechtswege verhoogd tot een bedrag van in totaal € 26.504,40. [eiser] heeft in totaal een bedrag van € 3.068,95 ter voldoening van de schadevergoedingsmaatregelen aan het CJIB betaald, zodat thans een bedrag € 23.435,45 ter zake deze maatregelen resteert.

2. Het geschil

2.1. [eiser] vordert - zakelijk weergegeven - dat een ordemaatregel wordt uitgevaardigd dat de Staat niet tot de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis mag overgaan, zolang de financiële positie van [eiser] niet wijzigt en hij € 80,10 per maand aan de Staat afdraagt, onder de verplichting van [eiser] om iedere wijziging in zijn inkomen en/of vermogen direct aan de Staat door te geven waarna een nieuw bedrag kan worden vastgesteld.

2.2. Daartoe stelt [eiser] het volgende. [eiser] heeft genoegzaam aangetoond dat hij niet meer kan betalen dan hij tot nu toe heeft gedaan. Door de deurwaarder zijn alle verhaalsmogelijkheden onderzocht en deze heeft ook moeten volstaan met het beslag op de uitkering van [eiser]. Het is voor [eiser], gelet op zijn uitkeringssituatie, niet mogelijk om een lening aan te gaan bij de bank of familie of vrienden om de schadevergoedingsmaatregelen te betalen. Nadat [eiser] de vervangende hechtenis heeft ondergaan, zal hij niet meer kunnen betalen dan hij nu doet. Bovendien zal de gemeente zijn uitkering stopzetten op het moment dat hij in detentie wordt genomen. Dan zal [eiser] zijn huis en bezittingen kwijtraken, omdat hij de huur niet kan meer voldoen. Gelet op deze omstandigheden dient het executeren van de vervangende hechtenis in dit geval geen enkel redelijk doel. Bovendien heeft de Staat het vertrouwen gewekt dat hij akkoord was met de maandelijkse betaling van € 90,93 aangezien dit bedrag twee jaar lang door de deurwaarder is geïncasseerd en vervolgens nog een jaar lang door [eiser] zelf € 80,10 per maand is betaald. Ten slotte moet meewegen dat [eiser], doordat hij de aan hem in het vonnis van 7 september 2006 opgelegde taakstraf niet kon volbrengen, drie maanden gevangenisstraf heeft ondergaan. Dat is hem bijzonder zwaar gevallen en hij hoopt dat nooit meer mee te hoeven maken. [eiser] zal dan ook zwaar worden getroffen als hij de vervangende hechtenis moet ondergaan.

2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de Staat jegens hem onrechtmatig handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - tot kennisneming van de vordering gegeven.

3.2. Vooropgesteld wordt dat in het wettelijke stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. In opdracht van het openbaar ministerie is het CJIB belast met de executie van onder meer schadevergoedingsmaatregelen.

3.3. Artikel 561 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat een strafvonnis zo spoedig mogelijk wordt geëxecuteerd. Dat uitgangspunt geldt ook voor de tenuitvoerlegging van opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. In artikel 561 lid 3 Sv is bepaald dat het openbaar ministerie uitstel van betaling kan verlenen of betaling in termijnen kan toestaan. In opdracht van het openbaar ministerie is het CJIB belast met de executie van onder meer schadevergoedingsmaatregelen.

3.4. De voorzieningenrechter overweegt dat de wijze waarop het CJIB een schadevergoedingsmaatregel ten uitvoer legt, (thans) is neergelegd in de 'Aanwijzing executie' (Staatscourant 21 december 2010, 20473, met rectificatie op 11 januari 2011). Daarin is, net als in de voordien geldende 'Aanwijzing executie (vervangende) vrijheidsstraffen, taakstraffen van meerderjarigen, geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen, Europese geldelijke sancties en toepassing voorwaardelijke invrijheidstelling', ten aanzien van betalingsregelingen opgenomen dat de verantwoordelijkheid voor het aangaan daarvan exclusief is voorbehouden aan het CJIB, alsmede dat het CJIB in beginsel geen afbetalingsregeling treft, tenzij een daartoe strekkend verzoek op grond van bijzondere omstandigheden kan worden gehonoreerd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat uitzicht moet bestaan op volledige voldoening van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel binnen een redelijke termijn die is gesteld op 12 of maximaal 36 maanden. Verder bepaalt de Aanwijzing executie dat een arrestatiebevel wordt uitgevaardigd indien de inning en/of het verhaal met/zonder dwangbevel niet succesvol kan worden afgesloten. Het CJIB heeft dienaangaande een ruime beleidsvrijheid, wat meebrengt dat de voorzieningenrechter in kort geding de bedoelde beslissingen van het CJIB in beginsel slechts marginaal kan toetsen.

3.5. Niet in geschil is de hoogte van de openstaande vordering (zie onder 1.11). Vaststaat voorts dat [eiser] deze vordering niet binnen de in de Aanwijzing executie gegeven marges en termijnen zal kunnen voldoen indien hij € 80,10 per maand blijft betalen. De Staat heeft terecht als verweer aangevoerd dat de laatst voorgestelde termijnbetalingsregeling, van maximaal € 80,10 per maand, niet in verhouding staat tot de hoogte van de openstaande vordering, die - inclusief wettelijke verhogingen - thans € 23.435,45 bedraagt. Een en ander leidt tot een zeer langdurige afbetalingsregeling van meer dan 24 jaar en verhoudt zich mitsdien in het geheel niet tot het beleid van het CJIB zoals neergelegd in voornoemde Aanwijzing. Dit is ook door de Staat bij brieven van 30 september 2010 en 6 december 2011, zie onder 1.5 en 1.7, expliciet aan [eiser] meegedeeld. Dat door [eiser] niet meer opgebracht kan worden, omdat hij thans alleen een uitkering geniet, komt voor zijn eigen rekening en risico. Dat binnen afzienbare termijn deze financiële situatie zal veranderen ligt niet in de lijn der verwachting. [eiser] heeft ter zitting immers desgevraagd verklaard dat hij er niet vanuit gaat dat hij op korte termijn zodanige inkomsten of vermogen zal genereren dat hij de schadevergoedingsmaatregelen binnen de in voornoemde Aanwijzing opgenomen termijn kan betalen.

3.6. De tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in geval van betalingsonmacht kan op grond van vaste jurisprudentie niet als onrechtmatig worden aangemerkt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 juni 2000 (NJ 2000, 634) geoordeeld dat uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat door de wetgever onder ogen is gezien dat de bij de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel te bepalen vervangende hechtenis ook ten uitvoer kan worden gelegd in gevallen waarin de veroordeelde de schadevergoedingsmaatregel niet kan voldoen. Zoals de Staat terecht heeft aangevoerd, vormt betalingsonmacht in geval van een schadevergoedingsmaatregel geen grond om af te zien van vervangende hechtenis.

3.7. Dat hier sprake is van een schrijnende situatie in de zin van de Aanwijzing executie is niet aannemelijk geworden. De gestelde betalingsonmacht is daartoe op zichzelf genomen onvoldoende. Bijkomende bijzondere omstandigheden zijn in dit verband niet gebleken. Dat een gevangenisstraf zwaar zal drukken op [eiser], zoals door hem is gesteld, kan, zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, niet tot de conclusie leiden dat sprake is van een schrijnende situatie. Een gevangenisstraf is naar zijn aard immers een ingrijpende maatregel, die voor een ieder die hem moet ondergaan een zware last zal betekenen.

3.8. Naar voorlopig oordeel gaat de stelling van [eiser] dat hij erop mocht vertrouwen dat de Staat de vervangende hechtenis niet meer zou executeren, omdat door hem circa drie jaar betalingen zijn verricht ter aflossing van de schadevergoedingsmaatregelen, niet op. Bij brief van 8 januari 2008 is door de Staat reeds aangegeven dat de aflossingsbedragen minimaal € 981,64 zouden moeten bedragen (zie onder 1.2). Ook in de daarop volgende jaren is door de Staat reeds schriftelijk en ondubbelzinnig aangegeven dat de door [eiser] voorgestelde maandelijkse termijnen niet akkoord waren en moesten worden verhoogd (zie onder 1.5 en 1.7 en 1.9). Gelet hierop kon [eiser] er niet vertrouwen dat de Staat akkoord was gegaan met betaling van een maandelijks bedrag van € 90,93, respectievelijk € 80,10 tot aflossing van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.

3.9. Op grond van het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Staat niet onrechtmatig handelt jegens [eiser] door geen betalingsregeling overeen te komen en, indien [eiser] geen verhaal biedt, de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen.

3.10. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.391,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 575,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2012.

evdt


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature