< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 26 januari 2010, kenmerk 09rb000283, heeft de raad het bestemmingsplan "De Nieuwe Rietgraaf e.o." (hierna: het plan) vastgesteld.

Uitspraak



201003801/1/R2.

Datum uitspraak: 29 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Overbetuwe,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Overbetuwe,

3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], wonend te [woonplaats], gemeente Overbetuwe,

4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], wonend te [woonplaats], gemeente Overbetuwe,

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats], gemeente Overbetuwe,

6. de vereniging Vereniging Leefbaar Reeth (hierna: de vereniging), gevestigd te Elst, gemeente Overbetuwe,

7. [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], wonend te [woonplaats], gemeente Overbetuwe, mede namens bewonersgroep Bezorgd Oosterhout,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Overbetuwe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2010, kenmerk 09rb000283, heeft de raad het bestemmingsplan "De Nieuwe Rietgraaf e.o." (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 april 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2010, [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2010, [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2010, [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2010, de vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2010, en [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] mede namens bewonersgroep Bezorgd Oosterhout bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2010, beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 1 juni 2010. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 1 juni 2010. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 1 juni 2010. [appellant sub 5] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 3 juni 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 december 2011, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. L.J. van Pelt, [appellant sub 2], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], allen vertegenwoordigd door mr. H.U. van der Zee, [appellant sub 5], vertegenwoordigd door mr. E.F.J.A.M. de Wit, de vereniging, vertegenwoordigd door mr. F.F. Scheffer, advocaat te Deventer, [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.J. Tunissen, advocaat te Arnhem, en [gemachtigden], zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord Park15, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de aanleg van een bedrijventerrein en vier windturbines. Het gebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Rijksweg A15 (hierna: de A15), aan de oostzijde door het bedrijventerrein De Grift en aan de zuidzijde door het dorp Oosterhout. Het plangebied heeft een maximaal uitgeefbaar oppervlak van 85 ha.

Ontvankelijkheid

2.2. De raad stelt zich op het standpunt dat de vereniging niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit omdat, kort samengevat, het plangebied geen deel uitmaakt van haar werkgebied.

2.2.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.2.2. De vereniging heeft blijkens artikel 2 van haar statuten als doel het behouden en bevorderen van de leefbaarheid van de buurtschap Reeth als kleine kern en het behoud en bescherming van archeologische vindplaatsen in de kern van Reeth. De feitelijke werkzaamheden van de vereniging bestaan uit het inwinnen van informatie omtrent de gevolgen voor buurt en bewoners van de aanleg van de Betuweroute, CUP (Centraal Uitwisselpunt) en MTC (Multimodaal Transport Centrum), optreden naar overheden in die gevallen waar de belangen van de buurtschap in het geding zijn, zowel gezamenlijk als individueel en het organiseren en informeren van alle leden over relevante zaken die betrekking hebben op artikel 2.

Het plangebied ligt ten zuiden van de buurtschap Reeth en wordt doorkruist door de Betuwelijn en de A15. Direct langs de noordelijke grens van het plangebied zijn vier windturbines geprojecteerd. Gezien de hoogte en de ruimtelijke uitstraling van deze windturbines acht de Afdeling niet uitgesloten dat het plan gevolgen kan hebben voor de leefbaarheid van de buurtschap Reeth als kleine kern. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de vereniging door het bestreden besluit rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij gezien de statutaire doelstelling en de feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigt, zodat de vereniging als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.

2.3. Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], voor zover mede namens de bewonersgroep Bezorgd Oosterhout ingediend, wordt als volgt overwogen. Vast staat dat de bewonersgroep geen bij notariële akte opgerichte rechtspersoon is en niet over statuten beschikt. De bewonersgroep kan evenmin worden aangemerkt als een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, ook wel informele vereniging genoemd, in de zin van artikel 2:26 van het Burgerlijk Wetboek . Daartoe wordt in aanmerking genomen dat blijkens de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting de bewonersgroep niet beschikt over een ledenadministratie en geen contributie heft. De bewonersgroep voldoet derhalve niet aan de in de uitspraak van 12 maart 2008, zaak nr. 200704378/1, genoemde cumulatieve vereisten waaraan moet zijn voldaan om te concluderen dat sprake is van een informele vereniging. Gelet hierop kan de bewonersgroep niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt en stond voor de bewonersgroep ingevolge artikel 8.2, eerste lid, onder c, van de Wro , niet de mogelijkheid open om beroep in te stellen tegen het plan.

Evenmin kunnen de door de bewonersgroep genoemde individuele personen ontvankelijk worden geacht. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad. De door de bewonersgroep genoemde individuele personen hebben geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad, zoals ter zitting door [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] is bevestigd. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro en artikel 6:13 van de Awb , kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], voor zover dit mede namens de bewonersgroep Bezorgd Oosterhout is ingediend, niet-ontvankelijk is.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.4. [appellant sub 1], exploiteert een fruitteeltbedrijf aan de Van Balverenlaan 16 te Oosterhout. Hij stelt dat nu voor zijn bedrijf nog geen alternatieve locatie is gevonden, het bedrijf ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Volgens hem staat hierdoor niet vast dat het bedrijf binnen de planperiode zal worden beëindigd.

2.4.1. De raad stelt dat het huidige gebruik als fruitteeltbedrijf niet als zodanig is bestemd omdat dit niet past binnen de beoogde invulling van het gebied als bedrijventerrein. De raad verwacht dat het bedrijf binnen de planperiode ter plaatse zal worden beëindigd. Eerst zal verder worden bezien of een alternatieve locatie voor het fruitteeltbedrijf kan worden gevonden, indien dit niet mogelijk is en niet in minnelijk overleg tot overeenstemming over de aankoop van de gronden kan worden gekomen, zal tot onteigening van de gronden worden overgegaan, aldus de raad.

2.4.2. De Afdeling overweegt dat aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Bestaand legaal gebruik dient uit een oogpunt van rechtszekerheid in het algemeen dienovereenkomstig te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden, indien het als zodanig bestemmen van bestaand legaal gebruik op basis van nieuwe inzichten niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet met het oog op de gevestigde rechten en belangen aannemelijk zijn dat de beoogde bestemming binnen de planperiode wordt verwezenlijkt en dat het bestaande gebruik binnen de planperiode wordt beëindigd.

2.4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat het bedrijf van [appellant sub 1] ten gevolge van het plan uitgeplaatst dient te worden. De Afdeling overweegt dat de Wro het gemeentebestuur niet de verplichting oplegt reeds in het kader van de bestemmingsplanprocedure over de mogelijkheden tot herplaatsing van bedrijven, die vanwege een bestemmingswijziging niet kunnen worden gehandhaafd, volledige duidelijkheid te verschaffen. De in dit kader uit te voeren belangenafweging vereist dat de gemeenteraad bij het vaststellen van het plan heeft onderzocht of het belang van het binnen het plangebied gevestigde bedrijf van [appellant sub 1] bij de ongehinderde voortzetting binnen dat gebied moet wijken voor de belangen die gemoeid zijn met de bestemmingswijziging. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de raad deze belangenafweging verricht. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein ter plaatse dan aan de belangen van [appellant sub 1]. Overigens is dit belang door [appellant sub 1] op zichzelf ook niet betwist. Van belang is voorts dat de raad heeft gesteld dat indien in het minnelijk overleg geen overeenstemming kan worden bereikt over een geschikte alternatieve locatie dan wel aankoop, het middel van onteigening zal worden ingezet. Hiermee staat genoegzaam vast dat het bedrijf van [appellant sub 1] binnen de planperiode ter plaatse zal worden beëindigd. De bezwaren die [appellant sub 1] aanvoert omtrent de spuitzone en de aan te houden afstand vanwege de bedrijfswoning behoeven, nu de bedrijfswoning niet als zodanig is bestemd, geen bespreking.

2.5. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B]

2.6. [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], voor zover ontvankelijk, voeren als procedurele punten aan dat bij de vaststelling van het plan ten onrechte reeds een overeenkomst met de projectontwikkelaar was gesloten. Volgens hen kon de raad vervolgens niet anders dan het plan vaststellen. Daarnaast zijn nagenoeg alle relevante onderzoeken uitgevoerd in opdracht van Betuws Bedrijvenpark B.V. zodat ook in dit kader aan de objectiviteit van de raad kan worden getwijfeld. In ieder geval is van een regierol van de gemeente geen sprake, aldus [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B].

2.6.1. De raad wijst op een passage in de samenwerkingsovereenkomst waarin is opgenomen dat de gemeente ter zake van de procedures en besluitvorming inzake het plan haar volledige publiekrechtelijke verantwoordelijkheid behoudt. In de reactie op het beroepschrift stelt de raad voorts dat alle onderzoeken zijn getoetst door de gemeentelijke beleidsambtenaren zodat geen aanleiding bestaat aan de objectiviteit van deze onderzoeken te twijfelen.

2.6.2. Op 15 september 2009 is tussen de gemeente, Betuws Bedrijvenpark B.V. en Kanog C.V. een samenwerkingsovereenkomst gesloten ten behoeve van de ontwikkeling van het bedrijventerrein. In artikel 7, lid 7.5, onder 7.5.1. van de ze overeenkomst is opgenomen: 'De gemeente behoudt ter zake van de procedures en besluitvorming als genoemd in deze overeenkomst haar volledige publiekrechtelijke verantwoordelijkheid. De in deze overeenkomst genoemde verplichtingen van de Gemeente hebben daarmee het karakter van een inspanningsverplichting. Dit houdt in dat geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming of verzuim indien de Gemeente - op basis van aan de besluitvorming van de Gemeente voorafgaand in het Strategisch Overleg bereikte consensus- handelingen verricht of nalaat die niet in het voordeel zijn van de aard en strekking van deze overeenkomst, maar waar de publiekrechtelijke verantwoordelijkheid eist dat zij die verricht'.

De Afdeling ziet gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan vanwege de samenwerkingsovereenkomst geen eigen afweging van de betrokken belangen heeft gemaakt. Dat de raad, zoals [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] stellen, vanwege financiële consequenties bij niet nakoming van de overeenkomst feitelijk niet anders kon dan het plan vast te stellen, hebben zij niet aannemelijk gemaakt. Bij dit oordeel wordt betrokken dat de overeenkomst slechts een inspanningsverplichting op de gemeente legt en dat in de overeenkomst is opgenomen dat geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming of verzuim indien de gemeente handelingen verricht of nalaat die niet in het voordeel zijn van de aard en strekking van deze overeenkomst.

In het door het college van burgemeester en wethouders op 18 november 2009 aan de raad verzonden voorstel tot vaststelling van het plan staat dat alle onderzoeken die ten grondslag liggen aan het bestemmingsplan, het exploitatieplan en het beeldkwaliteitsplan zijn beoordeeld en akkoord bevonden door de vakspecialisten. In hetgeen [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de objectiviteit van de onderzoeken te twijfelen. Voorts ziet de Afdeling in de enkele stelling ter zitting van [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] dat de bij de gemeente werkzame vakspecialisten onvoldoende gekwalificeerd zouden zijn om deze onderzoeken te beoordelen geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de onderzoeken niet in redelijkheid aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen.

2.7. [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] voeren verder aan dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar het nut en de noodzaak van het bedrijventerrein in groter verband. De door Stec Groep B.V. uitgevoerde "Actualisatie Markttoets Betuws Bedrijvenpark 2003" van maart 2009 (hierna: de actualisatie markttoets) kan niet als zodanig worden aangemerkt nu dit uitsluitend een inventarisatie van het marktpotentieel betreft. Daarbij komt dat in de actualisatie markttoets de vraag is berekend vanaf 2006 terwijl de startdatum voor het bedrijventerrein 2010 of 2011 zou zijn. Volgens [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] bestaat er gelet op de studie "Gelderland in vier bedrijven" van december 2006 van de provincie Gelderland op basis van het Transatlantic Market-scenario in de stadsregio Arnhem-Nijmegen in de periode 2011-2025 een behoefte aan ongeveer 180 ha bedrijventerrein. Nu uit de website van de provincie Gelderland blijkt dat het (toekomstig) aanbod in de stadsregio reeds 287 ha betreft, bestaat geen noodzaak tot de aanleg van het bedrijventerrein, zo stellen zij. Indien wordt uitgegaan van het volgens hen toepasselijker Strong Europe scenario betreft de behoefte aan bedrijventerrein zelfs 85 ha, hetgeen thans al direct uitgeefbaar is.

Voorts wordt volgens [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] in de actualisatie markttoets ten onrechte de behoefte aan bedrijventerrein gemotiveerd door uit te gaan van de zogenoemde vervangingsvraag en extra bovenregionale vraag. Uit de studie "Verhuizingen van bedrijven en groei van werkgelegenheid" van het Centraal Planbureau van 2007 blijkt evenwel dat zowel de vervangingsvraag als de bovenregionale vraag betrekkelijk zijn. De raad is volgens hen ten onrechte aan dit onderzoek voorbij gegaan.

[appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] stellen verder dat het onduidelijk is of het plan aan de zogenoemde SER-ladder is getoetst. Indien het plan, zoals de raad stelt, hieraan in 2003 is getoetst, is dit volgens hen te lang geleden om ter onderbouwing van het plan te kunnen dienen.

2.7.1. De raad stelt dat de marktbehoefte is onderbouwd in de actualisatie markttoets. In de actualisatie markttoets is de lijn van de provincie en het rijk gevolgd, die hebben gekozen voor een wisseling van het zogenoemde Global Economy scenario naar het Trans Atlantic scenario. Voorts stelt de raad dat niet alleen de totale vraag maar ook het totale aanbod van bedrijfsruimte in de regio is bezien over de periode 2006 tot en met 2025. Volgens de raad is aangetoond dat voldoende behoefte bestaat aan bedrijfsruimte om het bedrijventerrein te realiseren. Voorts is de vervangingsvraag volgens de daarvoor geldende normen geraamd en is de extra bovenregionale vraag niet overschat. De SER-ladder is reeds in een eerder stadium van het plan toegepast, aldus de raad. Dit heeft geresulteerd in een reductie van het netto bedrijventerrein met 33%.

2.7.2. In de actualisatie markttoets is een vraag- aanbodanalyse opgesteld ten einde in kaart te brengen of thans voldoende marktruimte aanwezig is voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein. Anders dan [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] betogen ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek geen betrekking heeft op het nut en de noodzaak van het bedrijventerrein. De vraag of er marktruimte (lees: behoefte) bestaat aan de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein hangt immers direct samen met de vraag naar het nut en de noodzaak. [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] hebben niet aangegeven welke aspecten in het kader van het nut en de noodzaak naar het bedrijventerrein overigens dienen te worden onderzocht.

2.7.3. Ter onderbouwing van de behoefte aan het bedrijventerrein hebben verschillende onderzoeken gediend, waaronder het streekplan Gelderland 2005, het Regionaal Plan 2005-2020 van de stadsregio Arnhem-Nijmegen en de actualisatie markttoets. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich op basis van deze onderzoeken in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat behoefte bestaat aan het bedrijventerrein. Dat, zoals [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] stellen, de huidige economische ontwikkelingen een afname in de vraag aan bedrijventerreinen laat zien, leidt niet tot een ander oordeel. Het plan kent immers een looptijd van tien jaar terwijl het bedrijventerrein voorts gefaseerd zal worden uitgevoerd. Daarnaast heeft de raad ter zitting gesteld dat het een regionaal bedrijventerrein betreft dat zich wat betreft het bereik derhalve onderscheidt van een lokaal bedrijventerrein, terwijl voorts de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen regelmatig wordt bekeken.

2.7.4. In de actualisatie markttoets is opgenomen dat de SER (Sociaal Economische Raad) in 2007 de herstructureringsplannen van gemeenten in Nederland heeft geïnventariseerd. Voor alle gemeenten in de stadsregio Arnhem-Nijmegen als totaal wordt de vervangingsvraag tot en met 2025 geraamd op 45 ha netto. Dit komt neer op 2,5 ha gemiddeld per jaar, aldus de actualisatie markttoets. Evenwel dient volgens de actualisatie markttoets ook de specifieke gemeentelijke beleidsopgaven te worden bezien, in dit geval van de gemeente Nijmegen. Omdat de komende jaren een aantal grote transformatieopgaven staan gepland in Nijmegen-West is het volgens de actualisatie markttoets reëel om aan te nemen dat een deel van de uitgeplaatste bedrijven in dat gebied zich gaat vestigen op het onderhavige bedrijventerrein. Daarbij wordt uitgegaan van een mogelijke extra vraag van tussen de 10 en 20 ha, zo staat in de actualisatie markttoets. Ten aanzien van de extra bovenregionale vraag is opgenomen dat, hoewel uit de studie van het CPB (Centraal Planbureau) "Verhuizingen van bedrijven en groei van werkgelegenheid" blijkt dat de impact van de bovenregionale vraag beperkt is, voor het bedrijventerrein de verwachting bestaat dat de bovenregionale vraag hoger is dan gemiddeld. Volgens de actualisatie markttoets is hierbij van belang de verbetering van de verbinding tussen Rotterdam en Duitsland vanwege het doortrekken van de A15 tot aan de A12 bij Zevenaar, de komst van een Rail Opstappunt (ROP) nabij het bedrijventerrein en erkenning van de stadsregio Arnhem-Nijmegen als logistieke hotspot.

De Afdeling ziet gelet op het voorgaande in hetgeen [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad aan voornoemde studie van het CPB is voorbijgegaan. De raad heeft daarbij in redelijkheid mogen uitgaan van de gehanteerde geschatte vervangingsvraag en extra bovenregionale vraag. Bij dit oordeel wordt betrokken dat in de studie van het CPB niet wordt ingegaan op de regiospecifieke omstandigheden als voornoemd. [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] hebben niet bestreden dat deze omstandigheden zich hier voordoen.

2.7.5. De SER-ladder betreft een zogenoemd denkmodel voor het inpassen van de ruimtebehoeften voor de functies wonen, bedrijvigheid en infrastructuur. Door te toetsen aan een aantal criteria kunnen alle mogelijkheden op bestaande bedrijventerreinen worden benut voordat er een nieuw terrein mag worden aangelegd. In de actualisatie markttoets staat dat in 2003 de SER-ladder is toegepast op de regionale plannen voor bedrijventerreinen aan de A12-, A15- en A73-zone. Hieruit bleek dat een reductie van 33% op de totale behoefte van bedrijventerreinen mogelijk was en dat voor het onderhavige bedrijventerrein een marktruimte van 85 ha netto aanwezig is. Gezien het vorenstaande kan de Afdeling de stelling van [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] dat onduidelijk is of het plan aan de SER-ladder is getoetst niet volgen. Voor zover zij bedoelen te betogen dat een later toetsmoment diende te worden aangehouden, wordt overwogen dat [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] geen redenen hebben aangedragen op basis waarvan moet worden geoordeeld dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet kon baseren op de uitkomsten van de toepassing van de SER-ladder in 2003. Bij dit oordeel wordt betrokken dat de raad ter zitting heeft gesteld dat niet alleen voorafgaand aan de vaststelling van het plan is getoetst aan de SER-ladder, maar dat ook bij de verdere uitwerking van het plan de principes van zorgvuldig ruimtegebruik zoals vervat in de SER-ladder worden toegepast, waarbij de raad heeft gewezen op de aanleg van de groene bufferzone. [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] hebben dit niet bestreden.

2.8. Voorts voeren [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] aan dat aan het uitgevoerde verkeersonderzoek gebreken kleven. Zij stellen dat in de berekening ten aanzien van de verkeersafwikkeling de drie ontsluitingskruispunten ten onrechte niet aan elkaar zijn gekoppeld. Ook betwisten zij dat uit de gehanteerde Vissim-simulatie kan worden afgeleid dat sprake is van een vlotte verkeersafwikkeling omdat deze methode niet voorziet in de mogelijkheid om met gekoppelde kruispunten te rekenen. Volgens hen leidt het plan tot grote problemen in de verkeersafwikkeling. Zij vrezen dat, indien dit zal leiden tot terugslag op de A15, Rijkswaterstaat de afrit (tijdelijk) zal afsluiten.

Ook wordt in het verkeersonderzoek ten onrechte gesteld dat het plan weliswaar zal leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen in het dorp Oosterhout, maar dat het effect verwaarloosbaar klein zal zijn. In dat verband voeren [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], kort samengevat, aan dat onduidelijk is waar de geschatte verkeerstoename op is gebaseerd en dat het aantal verkeersbewegingen richting Oosterhout verkeerd is berekend.

[appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] voeren verder aan dat in het verkeersonderzoek het aandeel vrachtverkeer sterk wordt onderschat nu wordt uitgegaan van een bezettingsgraad van 15% ten behoeve van de logistieke sector. Daartoe wijzen zij op de beantwoording van de zienswijze waarin de raad heeft aangegeven bij voorkeur distributiebedrijven op het bedrijventerrein te willen vestigen.

2.8.1. De raad stelt dat in het verkeersonderzoek een koppeling tussen de kruispunten is aangebracht. Voorts zijn de nieuwe kruispunten zodanig vormgegeven dat in de toekomstige spitsperiodes het verkeer op voldoende vlotte wijze kan worden verwerkt. Van een terugslag op de rijksweg zal volgens de raad geen sprake zijn.

2.8.2. Ten behoeve van het plan is onderzoek verricht naar de verkeerskundige aspecten. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Verkeersaspecten Betuws Bedrijvenpark" van 15 mei 2008 en het aanvullende rapport "Fasering aanleg verkeersontsluiting Betuws Bedrijvenpark" van 23 maart 2009, beide opgesteld door Goudappel Coffeng.

In het rapport van 15 mei 2008 zijn verschillende modellen beschreven voor de toekomstige verkeersontsluiting van het bedrijventerrein. Uit de verschillende voorgestelde modellen is naar voren gekomen dat naar het model 'één viaduct' de voorkeur uitgaat. Omdat het realiseren van de ontsluiting op basis van dit model niet direct bij aanvang nodig zal zijn is in het onderzoek van 23 maart 2009 onderzocht in welke infrastructurele stappen (fasering) de hoofdontsluiting van het bedrijventerrein kan worden aangelegd. Bij elke fase is de verkeerstoename, de verkeerstoename op iedere kruispuntstroom en het totaal aantal verkeersbewegingen op de kruispuntstromen per tak van de kruising per richting en per periode van de dag onderzocht. Ter zitting is van de zijde van de raad toegelicht dat in de ontwerpfase van het plan werd gewerkt met prognoses en dat zelfstandige berekeningen zijn uitgevoerd voor de solitaire kruisingen, waarbij deze vervolgens in onderlinge samenhang zijn bezien met behulp van het programma Vissim. Daartoe zijn de mogelijkheden in het programma verruimd en zijn op de concrete situatie toegespitste gegevens ingevoerd, aldus de raad ter zitting. Zo is het verkeerssimulatiemodel dat voor de stadsregio Arnhem wordt gebruikt ingevoerd, waarbij rekening is gehouden met de invulling van het bedrijventerrein met bedrijven in de logistieke branche. Voorts reikt de prognose, aldus de raad ter zitting, verder dan 2020 en is de verdere verdichting tot 2028 meegenomen als worstcasescenario. Vervolgens is de maatgevende belasting van de kruispunten berekend in de avondspits, waarbij de aantallen nog met 10% zijn verhoogd. Ook zijn de verkeersbewegingen vanwege het aangrenzende bedrijventerrein De Grift in de berekening meegenomen, aldus de raad ter zitting.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de voorziene kruispunten bij de berekeningen niet zijn gekoppeld. Voorts wordt gelet op de toelichting van de raad ter zitting geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat als gevolg van het plan geen onaanvaardbare verkeerssituatie ter plaatse zal ontstaan.

2.9. [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] stellen verder dat het plan ten onrechte voorziet in bouwhoogten van 35 m en 12 m voor de voorziene bebouwing die grenst aan het bestaand bebouwd gebied. Dit leidt volgens hen tot een onaanvaardbare aantasting van het open landschap ter plaatse terwijl de raad voorts had toegezegd dat de inwoners van Oosterhout het bedrijventerrein niet zouden zien.

2.9.1. De raad stelt in de reactie op het beroepschrift dat de toegestane bouwhoogten naar aanleiding van een amendement zijn aangepast waarmee volgens hem aan de bezwaren met betrekking tot de bouwhoogten is tegemoet gekomen.

2.9.2. In het plangebied zijn blijkens de verbeelding verschillende bouwhoogten opgenomen, variërend van 12 m tot 28 m. Daarnaast is het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 5, lid 5.5., onder h en i, van de planregels bevoegd om op twee specifieke locaties en onder voorwaarden ontheffing te verlenen van de bouwhoogte van 20 m tot 25 m en van 25 m tot 30 m. In de plantoelichting staat dat de bouwhoogten binnen het plangebied van zuid naar noord oplopen. Om zoveel mogelijk een evenwichtige overgang te kunnen realiseren tussen bestaande, aangrenzende bebouwing en het bedrijvenpark zijn de laagste gebouwen gesitueerd aan de zuidzijde, grenzend aan de groene bufferzone, aldus de toelichting. Vervolgens lopen de bouwhoogtes op tot het gebied ten noorden van de Rietgraaf. Vanaf hier neemt de bouwhoogte weer iets af richting het middengebied langs de A15. In het meest westelijke en in het meest oostelijke gebied zijn de gebouwen vervolgens lager dan in het middengebied om ook daar een geleidelijker overgang te creëren, zo staat in de plantoelichting. In het aan het plan ten grondslag gelegde "Definitief Ontwerp Stedenbouw Betuws Bedrijvenpark" van 25 maart 2009 is opgenomen dat de groene bufferzone wordt vormgegeven door middel van elzenhagen en dijkjes met daarop beplanting, ten einde het bedrijvenpark zoveel mogelijk aan het zicht te onttrekken.

2.9.3. Niet in geschil is dat het ter plaatse aanwezige open landschap in het gebied zal verdwijnen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.9.2. is opgenomen omtrent de verschillende bouwhoogten en de aanleg van een groene bufferzone, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling evenwel in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan de ontwikkeling van het bedrijventerrein dan aan het behoud van het vrije uitzicht van [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B].

2.10. Ook laat het plan volgens [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] ten onrechte de vestiging van bedrijven in milieucategorie 3 en 4 toe. Volgens hen is dit in strijd met het door de raad aangenomen amendement op 25 januari 2005 waarin is bepaald dat bedrijven met milieucategorie 1 en 2 zijn toegestaan en dat bedrijven met milieucategorie 3 en 4 slechts toelaatbaar zijn na instemming van de raad op een concreet voorliggend verzoek. Volgens [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] is dit laatste ten onrechte niet in de 17 geformuleerde randvoorwaarden van het plan opgenomen.

2.10.1. De raad stelt dat het toelaten van milieucategorieën 3 en 4 niet in strijd is met de in het plan geformuleerde randvoorwaarden.

2.10.2. Daargelaten dat de raad de bevoegdheid heeft om bij de vaststelling van een bestemmingsplan in afwijking van een eerder aangenomen amendement te besluiten, ziet het desbetreffende amendement er, anders dan [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] kennelijk menen, op dat de raad nader onderzoek wenste over de toelaatbaarheid van milieucategorie 3 en 4 op het bedrijventerrein door middel van een concreet voorstel. Niet is met het amendement beoogd dat per concreet individueel geval door de raad dient te worden bezien of dit in het plan toelaatbaar is. Het betoog dat het plan in strijd is met het door de raad aangenomen amendement op 25 januari 2005 faalt derhalve.

2.11. [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] stellen voorts dat het plan leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op de veiligheid van hun leefomgeving. In dat verband wijzen zij op de opmerkingen en aanbevelingen in het rapport "Een veilig Betuws Bedrijvenpark, aanbevelingen veiligheid" (hierna: de VER), van januari 2009. Zij achten het onjuist dat de raad deze aandachtspunten in het plan slechts heeft gekopieerd en verder verwijst naar het later op te stellen verkeerskundig ontwerp.

2.11.1. De raad stelt dat de aandachtspunten in de VER als kader voor de verdere uitwerking van bijvoorbeeld het verkeerskundig ontwerp dienen.

2.11.2. In de VER zijn aanbevelingen gegeven voor het beheer en de inrichting van het bedrijventerrein. Deze aanbevelingen zien onder meer op de externe veiligheid, de bereikbaarheid, bluswatervoorziening, waarschuwing- en alarmeringsstelsel en preventie tegen inbraak en vernieling. Daargelaten dat de raad bij de vaststelling van het plan niet was gebonden aan de aanbevelingen, is in het plan onder meer voorzien in een calamiteitenroute en zijn profielen op de rijbanen opgenomen waaruit blijkt dat sprake zal zijn van gescheiden rijbanen en gedeeltelijk vrij liggende fietspaden. Het betoog van [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] dat de raad bij de vaststelling van het plan de aanbevelingen van de VER uitsluitend heeft gekopieerd in de plantoelichting faalt derhalve.

2.12. In hetgeen [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] is ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], [appellant sub 5] en de vereniging

De bezwaren gericht tegen het bedrijventerrein

2.13. [appellant sub 2] en [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] stellen dat het plan een onaanvaardbare inbreuk maakt op het open coulisselandschap waardoor hun woongenot sterk vermindert.

2.13.1. Blijkens de plantoelichting is het plangebied een nog relatief open tot half open coulisselandschap. Er is sprake van enkele bospercelen en boomgaarden, maar het overgrote deel is in gebruik als akkerbouwland en weiland. Niet in geschil is dat het ter plaatse aanwezige open landschap in het gebied zal verdwijnen. Zoals hiervoor onder 2.9.2. is overwogen heeft de raad wat betreft de bouwhoogte rekening gehouden met de omgeving en is voorts tussen de bestaande bebouwing van Oosterhout en het bedrijventerrein een groenstrook voorzien, die zodanig zal worden ingericht dat het zicht op het bedrijventerrein zal worden beperkt. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid meer gewicht heeft mogen toekennen aan de ontwikkeling van het bedrijventerrein dan aan het behoud van het vrije uitzicht van [appellant sub 2] en [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B].

2.14. [appellant sub 2] en [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] betwijfelen voorts of het plan financieel haalbaar is. In dit verband voeren zij aan dat de behoefte aan het bedrijventerrein slechts is gebaseerd op prognoses. Uit de plantoelichting blijkt ook dat onduidelijk is welke bedrijven zich ter plaatse zullen vestigen en dat het plan om die reden in drie fasen zal worden gerealiseerd. [appellant sub 2] en [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] vrezen dat het bedrijventerrein er uiteindelijk anders uit zal komen te zien dan thans in het plan is voorzien.

2.14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de haalbaarheid van het bedrijventerrein uitvoerig is onderzocht. Uit deze onderzoeken is naar voren gekomen dat nog steeds behoefte is aan de aanleg van het bedrijventerrein. De gefaseerde aanleg komt voort uit de belangen van alle betrokken partijen. De inrichting van het bedrijventerrein moet voldoen aan de regels en de verbeelding van het plan, aldus de raad.

2.14.2. Ten aanzien van de financiële uitvoerbaarheid heeft de raad erop gewezen dat bij bestemmingsplanprocedures in zijn algemeenheid voor diverse onderzoeken gebruik wordt gemaakt van modelmatige berekeningen voor het in kaart brengen van de consequenties en dat de onderzoeksrapporten tot stand zijn gekomen op basis van zorgvuldig en gedegen onderzoek. [appellant sub 2] en [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] hebben de uitkomsten van het onderzoek naar de behoefte aan het bedrijventerrein niet op inhoudelijke gronden bestreden. Dat, zoals [appellant sub 2] en [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] stellen, onzeker is wat de economische situatie over een paar jaar zal zijn, laat onverlet dat de raad zich in redelijkheid op de thans aanwezige prognoses heeft mogen baseren. Dat uit de omstandigheid dat het plan gefaseerd zal worden uitgevoerd dient te worden afgeleid dat twijfels bestaan aan de financiële haalbaarheid van het plan acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt. Voor zover zij vrezen dat het plan uiteindelijk een andere invulling zal krijgen dan is beoogd, wordt overwogen dat dit op grond van de verbeelding in samenhang met de planregels niet mogelijk is.

2.14.3. In hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] in zoverre hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] zijn in zoverre ongegrond.

De bezwaren gericht tegen de windturbines

2.15. [appellant sub 2], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] en [appellant sub 5] stellen dat in een afzonderlijk milieueffectrapport had moeten worden ingegaan op de milieueffecten van de windturbines in het thans voorliggende plan in samenhang met de voorziene windturbines op het naastgelegen bedrijventerrein De Grift van de gemeente Nijmegen, nu sprake is van één project. De afzonderlijke notitie waarin de effecten van de voorziene windturbines in dit plan zijn bezien achten [appellant sub 2], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] en [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] onvoldoende. Ook stellen zij dat aan het milieueffectrapport "MER Betuws Bedrijvenpark" van april 2009 (hierna: het MER) inhoudelijke gebreken kleven en hebben zij bezwaren tegen plaatsing van de windturbines op de voorziene locatie langs de A15.

De vereniging voert, kort samengevat, aan dat aan de "Notitie m.e.r.- beoordeling windturbines langs de A15" van 9 september 2009 (hierna: de m.e.r.-beoordeling) verschillende inhoudelijke gebreken kleven.

2.15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat alle milieueffecten zijn onderzocht. Voor de vijf windturbines die op het bedrijventerrein De Grift zijn voorzien is door de gemeente Nijmegen een aparte MER opgesteld. Wel heeft intensief overleg plaatsgevonden en zijn diverse onderzoeken gezamenlijk uitgevoerd. In de m.e.r.-beoordeling zijn de effecten van de windturbines in samenhang bezien, aldus de raad.

2.15.2. In het kader van het MER is onderzoek verricht naar de milieugevolgen van het plan, waarbij de gevolgen van de vier in het plan geprojecteerde windturbines zijn betrokken. Omdat op het naastgelegen bedrijventerrein De Grift van de gemeente Nijmegen het voornemen bestaat om vijf windturbines op te richten, is in aansluiting op het MER de m.e.r.-beoordeling opgesteld, waarin de milieugevolgen van de in totaal negen voorziene windturbines zijn bezien. In de m.e.r.-beoordeling staat dat, omdat er sprake is van in totaal negen windturbines in een lijnopstelling met een gezamenlijk vermogen van ongeveer 18 Megawatt, er in het kader van de m.e.r.-regelgeving sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht.

2.15.3. Met ingang van 28 september 2006 wordt in de Wet milieubeheer en het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit) onderscheid gemaakt tussen een milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) voor plannen en een m.e.r. voor besluiten.

Ingevolge artikel 7.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, derde lid, van het Besluit, ten tijde van belang, moet een m.e.r. voor plannen worden uitgevoerd voor de categorieën van plannen die zijn omschreven in kolom 3 van onderdeel C, onderscheidenlijk onderdeel D van de bijlage bij het Besluit, voor zover die plannen een kader vormen voor een besluit als omschreven in artikel 2, vierde lid, van het Besluit (kolom 4) en voor zover die plannen niet zijn aangewezen als categorieën van besluiten als bedoeld in dat lid.

Ingevolge artikel 7.26c, eerste lid, van de Wet milieubeheer stelt het bevoegd gezag een plan niet vast dan nadat het toepassing heeft gegeven aan paragraaf 7.4a van de Wet milieubeheer, die ziet op de voorbereiding van een milieueffectrapport dat betrekking heeft op een plan.

2.15.4. In categorie 22.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit is als activiteit aangewezen de oprichting, wijziging of uitbreiding van een of meer met elkaar samenhangende installaties voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een gezamenlijk vermogen van 15 megawatt (elektrisch) of meer, of 10 molens of meer.

2.15.5. De Afdeling ziet zich vooreerst voor de vraag gesteld of de in het plan voorziene windturbines en de voorziene windturbines op het aangrenzende bedrijventerrein De Grift als één activiteit als bedoeld in het Besluit dient te worden aangemerkt. Blijkens de beantwoording van de zienswijze heeft tussen de gemeente Overbetuwe en de gemeente Nijmegen intensief overleg en afstemming plaatsgevonden en zijn diverse onderzoeken gezamenlijk uitgevoerd voor alle negen windturbines. Voorts is blijkens de onderzoeken de hoogte van de windturbines op elkaar afgestemd en is het uitgangspunt om voor de negen windturbines te kiezen voor hetzelfde type windturbine. Daarnaast worden de windturbines in een lijnopstelling opgericht, waarbij tussen de windturbines sprake is van een regelmatige onderlinge afstand. Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de in het plan voorziene windturbines en de voorziene windturbines op het aangrenzende bedrijventerrein De Grift als één activiteit als bedoeld in het Besluit zijn aan te merken.

Nu niet in geschil is dat voornoemde windturbines tezamen een gezamenlijk vermogen van meer dan 15 megawatt genereren, wordt daarmee voldaan aan de in categorie 22.2. van onderdeel D van de bijlage van het Besluit genoemde drempelwaarde. Derhalve is sprake van een plan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wro en diende, gelet op artikel 7.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, derde lid, van het Besluit, een m.e.r. voor plannen te worden uitgevoerd. Hieruit volgt dat niet kan worden volstaan met een m.e.r.-beoordeling voor de voorziene negen windturbines. Deze procedure is immers met minder procedurele waarborgen omkleed terwijl voorts aan een m.e.r. voor plannen andere inhoudelijke eisen worden gesteld dan aan een m.e.r.-beoordeling. Dat, zoals de raad stelt, ten tijde van het opstellen van het MER nog niet bekend was dat op het naastgelegen bedrijventerrein De Grift vijf windturbines waren voorzien, kan de Afdeling niet volgen, nu in het MER reeds is gewezen op de bouw van de vijf windturbines aldaar.

2.15.6. In hetgeen [appellant sub 2], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 7.26c, eerste lid, van de Wet milieubeheer . De beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] en [appellant sub 5] zijn gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover het betreft de aanduiding 'windturbines' dient te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige gronden van [appellant sub 2], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] en [appellant sub 5] geen bespreking meer.

Omdat de vernietiging ziet op een fundamenteel onderdeel van het besluit en de gronden van de vereniging zich richten tegen het MER, bestaat aanleiding om ook het beroep van de vereniging gegrond te verklaren. Gelet op de vernietiging behoeven de gronden van de vereniging thans geen bespreking.

2.15.7. Met betrekking tot het verzoek van de raad ter zitting om dit gebrek te laten herstellen door toepassing te geven aan artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State (bestuurlijke lus), overweegt de Afdeling dat zij hiertoe geen aanleiding ziet gelet op de aard van het gebrek, in het bijzonder gelet op het stadium van de planprocedure waarop het MER aanwezig dient te zijn in verband met de afweging die met gebruikmaking van de uitkomsten van het MER in de planprocedure dient te worden gemaakt.

Proceskosten

2.16. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 2], [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], [appellant sub 5] en de vereniging op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] niet-ontvankelijk voor zover het beroep mede namens de bewonersgroep Bezorgd Oosterhout is ingesteld;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] gedeeltelijk, en de beroepen van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], [appellant sub 5] en de vereniging Vereniging Leefbaar Reeth geheel, gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Overbetuwe van 26 januari 2010, kenmerk 09rb000283, voor zover het betreft de aanduiding 'windturbines';

IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] voor het overige, en de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], voor zover ontvankelijk, ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Overbetuwe tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 694,00 (zegge: zeshonderdvierennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Overbetuwe tot vergoeding van bij [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 694,00 (zegge: zeshonderdvierennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt de raad van de gemeente Overbetuwe tot vergoeding van bij [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 694,00 (zegge: zeshonderdvierennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt de raad van de gemeente Overbetuwe tot vergoeding van bij [appellant sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 763,48 (zegge: zevenhonderddrieënzestig euro en achtenveertig cent), waarvan € 694,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Overbetuwe tot vergoeding van bij de vereniging Vereniging Leefbaar Reeth in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 694,00 (zegge: zeshonderdvierennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Overbetuwe aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 2], € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 5] en € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) voor de vereniging Vereniging Leefbaar Reeth vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.G.C. Wiebenga, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Wiebenga w.g. Langeveld-Mak

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2012

317-608.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature