< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 4 maart 2010 heeft het college aan de provincie Zuid-Holland vrijstelling verleend voor de herinrichting onderscheidenlijk verbreding van de provinciale weg N496 en de aanleg van twee rotondes op de kruisingen met de Lodderlandsedijk en Molendijk te Rockanje.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



201107528/1/A1.

Datum uitspraak: 29 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te [woonplaats], gemeente Westvoorne (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 mei 2011 in zaak nr. 10/985 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2010 heeft het college aan de provincie Zuid-Holland vrijstelling verleend voor de herinrichting onderscheidenlijk verbreding van de provinciale weg N496 en de aanleg van twee rotondes op de kruisingen met de Lodderlandsedijk en Molendijk te Rockanje.

Bij uitspraak van 26 mei 2011, verzonden op 27 mei 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2011, hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 januari 2012, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. N.J.H.M. Slaats, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, vertegenwoordigd door E.R.P. Rutten, werkzaam bij de provincie, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het project betreft het traject tussen de N218 en de N57 (Westvoorneweg-Oudedijk-Zwartedijk) alsmede de aanleg van twee rotondes ter vervanging van de kruisingen van de Westvoorneweg met de Lodderlandsedijk en de Westvoorneweg met de Molendijk (Rockanje).

Het eerste gedeelte van de N496 (Zwartedijk-Oudedijk) wordt verbreed van 6.4 m naar 7 m en het tweede gedeelte (Westvoorneweg) wordt verbreed van 5.8 m naar 7.5 m.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied Westvoorne" rust op de N496 de bestemming "Verkeersdoeleinden". Verder rusten op de gronden waar de verbreding en de rotondes zijn voorzien de bestemmingen "Water", "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden", "Landschapselement", "Woondoeleinden" en "Groenvoorzieningen".

2.3. Het project is in strijd met het bestemmingsplan. Om het project niettemin te kunnen realiseren heeft het college krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend.

2.4. [appellant] betoogt dat het te realiseren project gedeeltelijk is gesitueerd op gronden die bij hem in eigendom zijn, zodat er een privaatrechtelijke belemmering is die in de weg staat aan het verlenen van vrijstelling. In dit verband betoogt [appellant] dat de provincie hem geen redelijk bedrag heeft geboden voor het aankopen van zijn grond.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 april 2010 in zaak nr. 200906091/1) is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.

2.4.2. Het college was ten tijde van het nemen van het vrijstellingsbesluit met [appellant] in onderhandeling om de gronden van zijn perceel langs minnelijke weg te verwerven. Daarnaast heeft het college ter zitting verklaard dat, indien het minnelijk overleg niet tot het gewenste resultaat leidt, een procedure ter onteigening ten algemene nutte als bedoeld in artikel 77 van de Ontgrondingenwet , zoals dat luidde ten tijde van belang, in gang zal worden gezet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 juni 2010, in zaak nr. 200907477/1/H1), staat onder deze specifieke omstandigheden het feit dat een gedeelte van de gronden waarop het project is voorzien in eigendom is van [appellant], niet aan het verlenen van vrijstelling in de weg.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de ruimtelijke onderbouwing die ten grondslag ligt aan het besluit tot verlening van vrijstelling ondeugdelijk is. Daartoe voert hij aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de verbreding van de weg nodig is en is volgens hem ten onrechte aangenomen dat het aanbrengen van dubbele doorgetrokken asmarkering de verkeersveiligheid zal verbeteren en een positieve invloed zal hebben op het rijgedrag. Volgens [appellant] heeft de rechtbank niet onderkend dat de ongevallencijfers over de jaren 2000-2007, die ten grondslag liggen aan het vrijstellingsbesluit, geen betrekking hebben op de actuele verkeerssituatie, omdat het aantal ongevallen reeds gedaald is door de aanleg van snelheidsdrempels en de verlaging van de maximumsnelheid naar 50 km/uur. Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de N496 ten onrechte niet als een "erftoegangsweg type I" heeft aangemerkt. In dit kader betoogt hij dat het college ongemotiveerd is afgeweken van de "Richtlijn Essentiële herkenbaarheidskenmerken van weginfrastructuur", die het als uitgangspunt heeft genomen bij de beoordeling van de wegtypering.

2.5.1. Het college heeft aan het besluit tot verlening van vrijstelling de ruimtelijke onderbouwing "Verbreding provinciale weg N496" van 7 september 2009 van Royal Haskoning (hierna: de ruimtelijke onderbouwing) ten grondslag gelegd. Hierin is vermeld dat de N496 wordt verbreed in het kader van het beleid Duurzaam Veilig, waarvan het uitgangspunt is dat een gebied wordt ontsloten met een gebiedsontsluitingsweg van 80 km/uur. De huidige N496 is daarvoor te smal. Verder is er uit oogpunt van verkeersveiligheid en onder verwijzing naar ongevallencijfers uit de periode 2000-2007 voor gekozen om de kruisingen te vervangen door enkelstrooksrotondes met een ontwerpsnelheid van 30 km/uur, waarbij fietsers geen voorrang hebben. Hiermee wordt een ongevallenreductie van 70-80% bereikt, aldus het college.

2.5.2. Ter zitting heeft het college aangegeven dat de provinciale weg N496 omstreeks 1997 is getypeerd als gebiedsontsluitingsweg. [appellant] heeft dit niet bestreden. Het vrijstellingsbesluit heeft uitsluitend ten doel om de weg in overeenstemming te brengen met de uitgangspunten van het beleid Duurzaam Veilig. Het karakter van de weg als gebiedsontsluitingsweg verandert hierdoor niet en ook de toegestane maximumsnelheid van 80 km/uur blijft ongewijzigd. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de weg moet worden aangemerkt als een erftoegangsweg. In dit verband is van belang dat de N496 een belangrijke ontsluitingsweg is voor het westelijke gebied van Voorne-Putten met een daarbij passende maximumsnelheid van 80 km/uur en dat, anders dan op erftoegangswegen, het snelverkeer niet is gemengd met kwetsbare verkeersdeelnemers zoals fietsers.

De omstandigheid dat het aantal ongevallen recentelijk zou zijn gedaald door het aanleggen van verkeersdrempels en het verlagen van de maximumsnelheid leidt niet tot het oordeel dat het college in het kader van de beoordeling van de verkeersveiligheid de ongevallencijfers uit de periode 2000-2007 niet aan het besluit tot verlening van vrijstelling ten grondslag kon leggen. Hiertoe heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat de aanvraag voor het project in juni 2008 is ingediend. Aldus heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat deze cijfers ten tijde van belang voldoende actueel waren en dat ze voldoende grondslag bieden voor het treffen van de voorziene ontwikkeling.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de ruimtelijke onderbouwing van het project toereikend is.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling van het bestemmingsplan heeft kunnen verlenen. Hiertoe voert hij aan dat zijn woon- en leefklimaat onevenredig zal worden aangetast door de toename van geluidsoverlast vanwege optrekkend en afremmend verkeer bij de rotondes. Daarnaast betoogt hij dat van een te lage verkeersintensiteit is uitgegaan en dat bij het berekenen van de verkeersintensiteit ten onrechte de aanwezigheid van motoren buiten beschouwing is gelaten. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onvoldoende heeft onderzocht of er schade aan zijn woning door trilling zal optreden vanwege de uitvoering van de werkzaamheden en vanwege het toekomstige verkeer, temeer nu zijn woning een trillingsgevoelige fundering heeft. In dit verband betoogt hij dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het verkeer door de aanleg van de rotonde niet 8 m maar 13,5 m dichter bij woningen zal passeren dan in de huidige situatie. Voorts zal volgens [appellant] niet worden voldaan aan de SBR-A Richtlijn. Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de nadelige gevolgen van het project, zoals verzakking, schade aan de muren en de fundering, waardevermindering en aantasting van de gezondheid door de toename van fijnstof, onvoldoende heeft onderzocht.

2.6.1. In het akoestisch rapport van Royal Haskoning van 4 september 2009, dat is gevoegd bij de ruimtelijke onderbouwing, is vermeld dat voor de Lodderlandsedijk, waaraan de woning van [appellant] is gelegen, geen sprake is van een toename van de geluidbelasting van 2 dB of meer. Ter plaatse van de woning van [appellant] wordt dan ook voldaan aan de voorkeursgrenswaarde die op grond van de Wet geluidhinder geldt. Voorts zijn in de periode 2000 - 2007 reële tellingen verricht ter bepaling van de verkeersintensiteit. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gehanteerde verkeersintensiteit te laag is. Het college heeft ter zitting toegelicht dat motoren wel zijn betrokken bij het bepalen van de verkeersintensiteit; ze vallen onder de motorvoertuigen en zijn daarom niet afzonderlijk in het rapport vermeld. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de geluidhinder ter plaatse van de woning van [appellant] zodanig zal zijn dat daardoor ter plaatse een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ontstaat en dat het college om die reden geen vrijstelling van het bestemmingsplan mocht verlenen.

Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat niet aannemelijk is dat de schade door trilling als gevolg van de aanleg van de rotonde zodanig zal zijn dat het college in redelijkheid geen vrijstelling kon verlenen van het bestemmingsplan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de afstand tussen de voorziene rotonde en de woning van [appellant] circa 30 m bedraagt. Daarnaast is van belang dat ter plaatse van de woning van [appellant] een nulmeting is uitgevoerd, bestaande uit een visuele beoordeling van de huidige bouwkundige staat van de woning. Het uitvoeren van een nulmeting is op grond van de SBR-A Richtlijn niet verplicht. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de uitgevoerde nulmeting onvolledig of onjuist zou zijn. Voorts heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de rotonde zodanige trilling zullen voortbrengen, dat gevreesd moet worden voor schade aan zijn woning. De stelling dat ter plaatse van de naburige woning aan de [locatie] schade is ontstaan door de aanleg van de Strypse Wetering in 2009 is daarvoor onvoldoende.

Naar aanleiding van het betoog van [appellant] dat na de aanleg van de rotonde de trillinghinder zal toenemen ten opzichte van de huidige situatie heeft het college ter zitting toegelicht dat de trillinghinder na de realisering van het project juist zal verminderen. In dit verband heeft het college aangegeven dat de maximumsnelheid ter plaatse van de rotonde slechts 30 km/uur bedraagt en dat de verkeersremmende drempels die op de weg aanwezig zijn en die trillingen veroorzaken, zullen worden verwijderd. Gelet op het vorenstaande acht de Afdeling voldoende aannemelijk gemaakt dat als gevolg van de aanleg van de rotonde geen onaanvaardbare trillinghinder zal optreden.

Ten aanzien van de nadelige gevolgen van het project, waaronder verzakking en waardevermindering van de woning, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat deze nadelige gevolgen voor [appellant] zodanig groot zullen zijn dat het college bij afweging van de betrokken belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan het belang van de verkeersveiligheid. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat het gemotoriseerde verkeer weliswaar dichter bij de woning van [appellant] zal passeren, maar dat het stuk grond dat thans in eigendom is van [appellant] zal worden gebruikt voor de aanleg van een fietspad. Tevens heeft de rechtbank terecht overwogen dat het belang van verkeersveiligheid zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij het behoud van het bij hem in eigendom zijnde stuk grond van 98m2.

Het betoog faalt.

2.7. Voor zover [appellant] betoogt dat hij financiële schade lijdt als gevolg van het realiseren van het project, bestaat geen grond voor de verwachting dat die schade zodanig zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het project aan de orde zijn. Daarnaast staat het [appellant] vrij om bij het college een aanvraag om tegemoetkoming in de planschade in te dienen.

Het betoog faalt.

2.8. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de locatiekeuze voor de rotondes onvoldoende is gemotiveerd. Hij voert aan dat niet is onderzocht of met plaatsing van de rotondes op de kruispunten Rietdijk en Valweg/Molendijk een aanzienlijk beter resultaat kan worden bereikt.

2.8.1. Met betrekking tot de locatie van de rotondes heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college dient te beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling aan het project, zoals daarvoor vrijstelling is aangevraagd. Indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat met de door hem voorgestelde alternatieve locaties voor de rotondes een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Derhalve faalt het betoog.

2.9. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van détournement de pouvoir heeft geschonden. Volgens [appellant] mocht hij op grond van het bepaalde in het streekplan Voorne verwachten dat de N496 als interlokale weg van minder belang zou blijven, omdat daarin is aangegeven dat de hoofdwegenstructuur van Voorne bestaat uit de N57 en de N218. Door dit project zal het verkeer op de N496 echter toenemen, aldus [appellant]. Voorts heeft de provincie Zuid-Holland economisch belang bij het stimuleren van containervervoer via de N496.

2.9.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel geen sprake is. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat het karakter van de weg als gebiedsontsluitingsweg ongewijzigd blijft. De omstandigheid dat in het streekplan Voorne is vermeld dat de hoofdwegenstructuur van Voorne bestaat uit de N57 en de N218, heeft niet tot gevolg dat [appellant] ervan uit mocht gaan dat het college geen vrijstelling zou verlenen voor de wegverbreding en de aanleg van de rotondes. Voorts is in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over het economisch belang van de provincie Zuid-Holland bij het stimuleren van containerverkeer geen grond gelegen voor het oordeel dat het verbod van détournement de pouvoir zou zijn geschonden. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

De betogen falen.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Fransen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2012

407-651.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature