< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Uit de stukken is niet op te maken dat eiser zijn eigen bijdrage op enigerlei wijze heeft betaald aan de gastouder. In het bijzonder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn betaling van de eigen bijdrage aan zijn gastouder maandelijks is verrekend met de schenking van een gelijk bedrag door de gastouder aan eiser. De enkele overlegging van de overeenkomst van eiser en zijn gastouder met het gastouderbureau, waarin eiser en zijn gastouder dit overeenkomen, is daartoe onvoldoende. Eisers kennelijke beroep op bewijsnood slaagt niet, nu nader bewijs mogelijk is door overlegging van aanslagen van de belastingdienst waarin betaling en schenking zijn verdisconteerd.

Uitspraak



RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 11/804

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

in het geding tussen

[naam eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: M. ten Hagen, werkzaam bij het Steunpunt Kinderopvangtoeslag,

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder,

gemachtigde: mr. F.L.M. Schütz, werkzaam bij verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 2 oktober 2010 eisers voorschot kinderopvangtoeslag voor het berekeningsjaar 2009 herzien en vastgesteld op nihil.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 9 november 2010 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 30 juni 2011 heeft verweerder eisers bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 4 juli 2011 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij brief van 6 juli 2011 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat het beroep versneld zal worden behandeld.

De zaak is op 22 september 2011 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen bij gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef onder h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, verstaan onder: tegemoetkoming: een financiële bijdrage van het Rijk op grond van een inkomensafhankelijke regeling.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wet kinderopvan g (hierna: Wko), zoals deze destijds luidde, wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen verstaan onder kinderopvang: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen en opvoeden van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint;

Ingevolge artikel 5, eerste lid van de Wko , zoals deze destijds luidde, heeft een ouder aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum of gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wko , zoals deze destijds luidde, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1° het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2° de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3° de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Besluit tegemoetkoming kosten kinderopvang (hierna: besluit Wko), zoals dat destijds luidde, wordt de kinderopvangtoeslag uitgedrukt in een percentage van de kosten van kinderopvang.

2.2. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit strekt tot handhaving van het primaire besluit. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit artikel 1.5, eerste lid van de Wet kinderopvan g en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (voorheen artikel 5, eerste lid, van de Wko), artikel 1.1 van de Wko (voorheen artikel 1, eerste lid, van de Wko) en artikel 2, eerste lid, onder h, van de Awir kan worden afgeleid dat er kosten voor kinderopvang moeten worden gemaakt, waarna onder voorwaarden aanspraak kan worden gemaakt op een bijdrage van het Rijk als tegemoetkoming in die kosten. Ouders moeten volgens verweerder een eigen bijdrage leveren. Dit blijkt volgens verweerder ook uit de tabellen bij het Besluit Wko. Voorts stelt verweerder dat degene die kinderopvangtoeslag ontvangt, moet kunnen aantonen dat hij kosten heeft moeten maken voor kinderopvang. Eiser heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt. Uit de bankafschriften blijkt slechts dat het bedrag aan kinderopvangtoeslag dat het gastouderbureau ontvangt, wordt doorgestort door eiser naar de gastouder. Daarnaast kunnen de bureaukosten volgens verweerder niet als kosten voor kinderopvang worden aangemerkt. De bureaukosten en het bedrag dat de gastouder ontvangt zijn samen gelijk aan het oorspronkelijk door verweerder vastgestelde voorschot van € 794,-. Voorts stelt verweerder dat uit de overeenkomst ook niet blijkt van gemaakte kosten voor kinderopvang, maar juist dat er een vrij te bestreden bedrag van € 6.772,- wordt overgehouden. Tot slot stelt verweerder dat eiser op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat er uitvoering is gegeven aan het bepaalde in de overeenkomst.

2.3. Gronden van beroep

Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en voert daartoe het volgende aan. Eiser stelt dat een contract was afgesloten met een geregistreerd gastouderbureau en dat de moeder van eiser daarin als gastouder is opgenomen. Door verweerder werd maandelijks de kinderopvangtoeslag overgemaakt naar het gastouderbureau. Het gastouderbureau hield daar € 0,833 per uur aan bemiddelingskosten af en stortte de rest van de toeslag door aan eiser. Eiser maakte de betalingen over aan zijn gastouder. Blijkens de jaaropgave van het gastouderbureau waren de werkelijke opvangkosten in 2009 € 10.741,-. Door verweerder is een bedrag van € 8.743,- aan eiser uitbetaald. Een bedrag van € 7.276,- is door eiser overgemaakt aan de gastouder en een bedrag van € 1.466,- is ingehouden door het gastouderbureau. Gelet op de kosten voor opvang en de ontvangen kinderopvangtoeslag bedroeg de eigen bijdrage volgens eiser € 182,- per maand (€ 976,- - € 795,-). Eiser stelt dat de gastouder en hij in 2009 gebruik hebben gemaakt van het schenkingsrecht. Deze schenking is maandelijks verrekend met de door eiser te betalen eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang. In de overeenkomst is de schenking vastgelegd onder 'schenking krachtens leveringsvoorwaarden van oppas aan ouder'. Dat dit bedrag maandelijks is verrekend doet volgens eiser niet ter zake. Het volgens verweerder vrij te besteden bedrag van € 6.772,- is onjuist. Dit is het besteedbare bedrag na aftrek van de verschuldigde inkomstenbelasting en schenking aan eiser. Eiser stelt dat hij voldeed aan alle eisen om in aanmerking te komen voor kinderopvangtoeslag.

2.4. Oordeel van de rechtbank

In geschil is of verweerder op goede gronden het voorschot kinderopvangtoeslag voor het berekeningsjaar 2009 naar nihil heeft gewijzigd.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit artikel 18 van de Awir , gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko , dat degene die kinderopvangtoeslag ontvangt moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte is van deze kosten.

Uit de zich in het dossier bevindende overeenkomst ten behoeve van gastouderopvang blijkt dat een overeenkomst is getroffen voor 160 uren opvang per maand met een uurtarief van € 6,10 per uur. Blijkens de jaaropgave van het gastouderbureau bedroegen de kosten voor gastouderopvang voor het jaar 2009 € 10.741,-. Door verweerder is een bedrag van € 8.743,- aan eiser uitbetaald. Gelet op deze bedragen moest door eiser een bedrag van € 1.997,- (€ 182,- per maand) zelf worden bekostigd. Deze bedragen zijn tussen partijen niet in geschil.

Uit de door eiser overgelegde bankafschriften blijkt dat maandelijks door gastouderbureau De Appelbloesem een bedrag aan eiser is overgemaakt. Tevens blijkt dat een gelijk bedrag per maand door eiser werd gestort aan zijn gastouder. Uit de stukken is niet op te maken dat eiser ook zijn eigen bijdrage op enigerlei wijze heeft betaald aan de gastouder. In het bijzonder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn betaling van de eigen bijdrage aan zijn gastouder maandelijks is verrekend met de schenking van een gelijk bedrag door de gastouder aan eiser. De enkele overlegging van de overeenkomst van eiser en zijn gastouder met het gastouderbureau, waarin eiser en zijn gastouder dit overeenkomen, is daartoe onvoldoende. Het kennelijke beroep van eiser op bewijsnood slaagt niet, omdat de daadwerkelijke uitvoering bijvoorbeeld aannemelijk kan worden gemaakt door de overlegging van aanslagen van de belastingdienst waarin voormelde betalingen en schenkingen zijn verdisconteerd.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij enig bedrag aan de gastouder heeft betaald en kosten voor kinderopvang heeft gemaakt.

Verweerder heeft gelet hierop het voorschot kinderopvangtoeslag terecht herzien tot nihil.

Gelet op het vorenstaande komt het beroep voor ongegrondverklaring in aanmerking.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de toetsing van de mate van verwijtbaarheid van eiser aan de orde komt bij de toetsing van het besluit tot terugvordering van de toeslag.

2.5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht .

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzitter, en mrs. T. Damsteegt en M.C. Woudstra, leden, en door de voorzitter en mr. N.M. Zandbergen, griffier, ondertekend.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature