< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Veroordeling voor poging tot doodslag, diefstal en poging tot afpersing van hetzelfde slachtoffer. Voorwaardelijk opzet op het doden van het slachtoffer bewezen. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 30 maanden.

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711912-11; 16/600082-11 (vordering tenuitvoerlegging) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 februari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1971] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

gedetineerd in PI Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein

raadsvrouw mr. A. Çimen, advocaat te Haarlem.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 26 januari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] van het leven te beroven dan wel heeft geprobeerd om aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

Feit 2: een fiets, een pakje shag en vloei van [slachtoffer 1] heeft gestolen;

Feit 3: door geweld en/of bedreiging met geweld heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] te dwingen geld aan hem te geven.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 (poging tot doodslag), 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie heeft zich daarbij met name gebaseerd op de aangifte, de medische verklaring met betrekking tot het door aangever opgelopen letsel, de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], de 112-melding, het afgeluisterde telefoongesprek van 27 oktober 2011 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot doodslag. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat het hanteren van een mes door verdachte, welk mes per ongeluk in de pols van aangever terechtkomt, niet de bewuste aanvaarding van een dermate aanmerkelijke kans op de dood oplevert dat gezegd kan worden dat verdachte de opzet heeft gehad op het doden van aangever.

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 2 en feit 3 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 (poging tot doodslag), 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Ten aanzien van feit 1 en feit 3:

Aangever [slachtoffer 1] verklaarde bij de politie dat op 26 oktober 2010 verdachte voor de deur van zijn woning aan de [adres] in [woonplaats] stond. Toen aangever de deur opendeed kreeg hij direct een stomp in zijn gezicht en in de hal kreeg aangever meerdere klappen. Verdachte zei “geld, ik moet geld hebben. Ik moet 100,00 euro hebben, ik moet 200,00 euro hebben”. Aangever zag dat verdachte een mes in zijn linkerhand vasthield. Met zijn rechtervuist sloeg verdachte hem in het gezicht. Verdachte pakte aangever bij zijn haren en hij sleepte aangever de woonkamer in. In de woonkamer gooide verdachte hem op de bank. Aangever zag dat verdachte weer begon te slaan. Verdachte sloeg met zijn vuist in het gezicht van aangever. Ook had verdachte aangever op zijn benen, scheenbenen, kruis en borstkas geschopt. Aangever moest van verdachte zijn moeder bellen om geld te vragen. Verdachte schreeuwde tegen hem en zei “ik maak je dood, ik moet 100,00 euro hebben, ik moet 200,00 euro hebben”. Verdachte hield het mes ondertussen op de keel van aangever en hij prikte met dat mes in zijn keel. Op een gegeven moment bracht verdachte zijn hand omhoog en maakte een steek/snijbeweging naar de linkerpols van aangever. Aangever voelde dat verdachte hem in zijn pols sneed. Het bloed spoot eruit. Verdachte bleef stompen. Aangever was met het mes ook nog op zijn keel en borstkas gedrukt. Verdachte heeft nog een paar keer gezegd “ik maak je dood”.

De rechtbank heeft kennis genomen van de foto’s in het dossier waarop het door verdachte gebruikte mes staat afgebeeld.

Uit de in het dossier opgenomen medische informatie maakt de rechtbank op dat bij het slachtoffer het volgende letsel is geconstateerd: rode plekken op hoofd en aangezicht, een zichtbare striem achterop de nek, deviatie van de neus naar rechts, gebied zygoma rechts flink gezwollen, hematoom aldaar, bovenlip gezwollen, over de schouders multipele, hematomen en rode striemen zichtbaar, beide schouders onder de rode en blauwe plekken, oppervlakkige wond rechts op de borst, 4 centimeter lang, verschillende langwerpige excoriaties op beide armen en schaafwonden en grijpplekken over de armen. Verder aan de ventrale zijde van de pols distaal een wond van 2 centimeter diep met pulserende bloeding.

Aangever verklaarde dat toen hij van verdachte zijn moeder moest bellen hij het alarmnummer 112 heeft gebeld, de telefoon open heeft laten staan en de telefoon op de bank heeft gegooid, zodat ze bij 112 konden meeluisteren. De opname van deze melding bij de alarmlijn 112 is door de politie afgeluisterd. Op de opnamen zijn twee mannen te horen die een conflict hebben. Er wordt onder andere geschreeuwd “ik steek je dood, ik wil 200 euro nu”. Man 1 is duidelijk opgefokt en zeer bedreigend en man 2 klinkt angstig en onderdanig.

Verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij naar de woning van [slachtoffer 1] was gegaan, omdat hij geld van hem wilde hebben. Hij wilde € 700,00 van [slachtoffer 1] hebben. Verdachte verklaarde dat toen [slachtoffer 1] de deur opendeed hij volledig was los gegaan en dat hij [slachtoffer 1] had geslagen en geschopt. Verdachte verklaarde dat hij tijdens het gevecht met [slachtoffer 1] in de woonkamer een mes in zijn handen had gehad.

Bewijsoverweging

Verdachte heeft ter zitting meerdere malen verklaard niet meer precies te weten wat er was gebeurd in de woning van aangever, omdat hij die avond teveel alcohol had gedronken en drugs had gebruikt. De verklaring van aangever wordt ondersteund door het bij hem geconstateerde letsel en door de 112-melding. Met uitzondering van het moment waarop verdachte het mes in zijn handen zou hebben gekregen en met uitzondering van het steken met het mes, wordt de verklaring van aangever door verdachte niet betwist. De rechtbank heeft dan ook geen reden om aan de verklaring van aangever te twijfelen en zal voor het vaststellen van wat er in de woning is gebeurd van deze verklaring uitgaan.

Op basis van de verklaring van aangever stelt de rechtbank vast dat verdachte die avond aangever heeft aangevallen, dat verdachte aangever over zijn hele lichaam heeft gestompt, geslagen en geschopt en aan zijn haren naar de woonkamer heeft gesleept en dat verdachte tijdens dat gevecht een mes in zijn hand heeft gehad. Verdachte heeft met dat mes in de keel van aangever geprikt en met dat mes tegen de keel van aangever geduwd. Op enig moment heeft verdachte met het mes gericht in de pols van aangever gestoken. Gedurende de aanval heeft verdachte geprobeerd om geld van aangever te krijgen. Verdachte heeft aangever daarbij gedreigd te doden als hij het geld niet zou geven.

De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 3 ten laste gelegde poging tot afpersing.

De rechtbank overweegt dat de pols een zeer kwetsbaar deel van het lichaam is. Het is een feit van algemene bekendheid dat in de pols de belangrijke slagader zit. Uit de medische verklaring en uit de foto’s in het dossier blijkt dat sprake is geweest van aanzienlijk bloedverlies bij aangever. De rechtbank is van oordeel dat door het gericht met een mes in de pols van aangever te steken niet anders kan worden geoordeeld dan dat het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op de dood van aangever opleverde. Verdachte heeft met zijn handelen willen en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever door de daardoor opgelopen verwonding zou komen te overlijden. De rechtbank acht aldus bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot doodslag.

Ten aanzien van feit 2:

Aangever [slachtoffer 1] verklaarde bij de politie dat, nadat hij door verdachte met het mes was gestoken, verdachte wegging en dat zijn fiets toen door verdachte werd meegenomen uit zijn woning aan de [adres] in [woonplaats]. Verdachte had ook een pakje shag Duin met groene Mascotte vloei uit zijn woning meegenomen.

Verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij de fiets die in de woning van aangever stond had meegenomen. Verdachte verklaarde zich niet meer goed te herinneren of hij ook een pakje shag en vloei uit de woning had meegenomen, maar dat hij dat best gedaan kon hebben.

De rechtbank acht op grond van de aangifte en de verklaring van verdachte ter zitting bewezen dat verdachte de fiets, het pakje shag en de vloei van [slachtoffer 1] heeft weggenomen en acht daarmee het onder feit 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 26 oktober 2011 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet

- meermalen met kracht en met gebalde vuist in het gezicht van die [slachtoffer 1] heeft gestompt en geslagen en

- die [slachtoffer 1] bij de haren heeft gepakt en vervolgens naar de woonkamer heeft gesleept en

- meermalen, althans eenmaal met kracht tegen de benen en/of de scheenbenen en/of het kruis en/of de borstkas van de [slachtoffer 1] heeft geschopt en

- met een mes in de keel van die [slachtoffer 1] heeft geprikt en met een mes tegen de keel heeft geduwd en

- vervolgens met dat mes in de linkerpols van die [slachtoffer 1] heeft gestoken,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2.

op 26 oktober 2011 te Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets en een pakje shag (merk: Duin) en vloei (merk: Mascotte), toebehorende aan [slachtoffer 1].

3.

op 26 oktober 2011 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van geld, toebehorende aan [slachtoffer 1], bestaande dat geweld en bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte:

- meermalen met kracht en met gebalde vuist in het gezicht van die [slachtoffer 1] heeft gestompt en geslagen en

- die [slachtoffer 1] bij de haren heeft gepakt en vervolgens naar de woonkamer heeft gesleept en

- meermalen, althans eenmaal met kracht tegen de benen en/of de scheenbenen en/of het kruis en/of de borstkas van die [slachtoffer 1] heeft geschopt en

- met een mes in de keel van die [slachtoffer 1] heeft geprikt en met een mes tegen de keel van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en

- vervolgens met dat mes in de linkerpols van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en

- die [slachtoffer 1] dreigend de woorden heeft toegevoegd “Ik maak je dood, ik moet 100,-- Euro hebben” en “ik maak je dood”,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

Poging tot doodslag.

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal.

Ten aanzien van feit 3:

Poging tot afpersing.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd het in beslag genomen mes verbeurd te verklaren, de in beslag genomen jassen, schoenen en bivakmuts terug te geven aan verdachte en de in beslag genomen servetten te vernietigen.

De officier van justitie heeft tot slot gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging geheel toe te wijzen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich voor wat betreft de op te leggen straf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging heeft naar voren gebracht dat de rechtbank rekening dient te houden met een meerdaadse samenloop en van het gegeven dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Op het strafblad van verdachte staat weliswaar een veroordeling voor een in vereniging gepleegde diefstal met geweld, echter uit de opgelegde relatief lage straf blijkt dat de rol van verdachte daarbij anders is geweest dan het gebruik van geweld, aldus de verdediging.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Verdachte kende het slachtoffer. Hij is naar de woning van het slachtoffer gegaan, omdat hij geld van het slachtoffer wilde hebben. Verdachte heeft het slachtoffer vervolgens in zijn eigen woning letterlijk afgetuigd door hem meerdere malen te schoppen, te stompen en te slaan. Uiteindelijk heeft verdachte het slachtoffer tijdens dat gevecht met een mes in zijn pols gestoken. Dat dit niet tot veel ernstigere gevolgen voor het slachtoffer heeft geleid is niet aan het optreden van verdachte te danken. Verdachte heeft na het steken de woning van het slachtoffer verlaten en hij heeft het slachtoffer alleen achtergelaten.

Verdachte heeft geen enkel respect getoond voor het leven van het slachtoffer. Bovendien heeft verdachte op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevolgen van zijn daden voor het slachtoffer. Het is bekend dat slachtoffers van een dergelijk ingrijpende gebeurtenis dit als zeer traumatisch ervaren en dat zij nog lange tijd last kunnen hebben van gevoelens van angst en onveiligheid.

Bij het verlaten van de woning heeft verdachte ook nog een aantal spullen van het slachtoffer meegenomen.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting de houding van verdachte ter terechtzitting betrokken. Verdachte heeft ter zitting jegens het slachtoffer geen spijt en berouw getoond.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte dd. 19 december 2011 volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor betrokkenheid bij een in vereniging gepleegde diefstal met geweld en dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van bedreigingen. Verdachte was na de voor de diefstal met geweld opgelegde gevangenisstraf te hebben uitgezeten vrijgekomen op 21 oktober 2011.

Verdachte was dus net vijf dagen uit detentie toen hij de onderhavige strafbare feiten op

26 oktober 2011 pleegde. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.

De rechtbank maakt uit een brief van Reclassering Nederland dd. 28 december 2011 op dat verdachte niet wilde meewerken aan een reclasseringsrapport en een reclasseringsadvies, omdat verdachte vond dat hij geen problemen had.

Ook ter zitting heeft verdachte aangegeven geen hulp en begeleiding van de reclassering te willen hebben. Verdachte heeft daarbij aangegeven het allemaal zelf wel te kunnen redden.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten ertoe leiden dat in beginsel alleen een langdurige gevangenisstraf in aanmerking komt. De rechtbank ziet er geen toegevoegde waarde in om een deel van die gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, nu verdachte zelf duidelijk heeft gemaakt niet aan hulp van de reclassering te willen en zullen meewerken. De rechtbank is, rekening houdend met hetgeen hiervoor is overwogen en rekening houdend met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf een passende sanctie is.

De rechtbank zal verdachte dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7 Het beslag

7.1 De verbeurdverklaring

Het in beslag genomen mes is vatbaar voor verbeurdverklaring. Gebleken is dat dit mes

aan verdachte toebehoort en de onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten begaan zijn met behulp van dit voorwerp.

7.2 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen jassen, schoenen en muts aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

7.3 De teruggave aan de rechthebbende

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen servetten aan

[A], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt en de door de officier van justitie gevorderde vernietiging van deze in beslag genomen servetten een beslissing is die de rechtbank volgens het systeem van de wet niet kan nemen.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer van 2 mei 2011 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank heeft in het verhandelde ter zitting geen aanleiding gezien om hiervan af te wijken.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14g, 33, 33a, 45, 57, 287, 310 en 317 van het Wetboek van Strafrecht , zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Poging tot doodslag;

feit 2: Diefstal;

feit 3: Poging tot afpersing;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd het in beslag genomen voorwerp, te weten het mes;

- gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- 1 leren jas, kleur zwart;

- 1 trainingsjas, kleur blauw;

- 1 paar schoenen;

- 1 muts, bivakmuts, kleur zwart, wol;

- gelast de teruggave aan de rechthebbende [A] van de in beslag genomen voorwerpen, te weten twee servetten;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 2 mei 2011 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/600082-11 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter, mr. H.A. Brouwer en

mr. A.M. Crouwel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 februari 2012.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature