< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank oordeelt dat ten aanzien van een alimentatie-uitkering die reeds in 2005 is vastgesteld, maar die pas in 2006 is genoten (omdat de eerste betaling pas in 2006 heeft plaatsgevonden, en de uitkering in 2005 ook niet vorderbaar en inbaar was) het nul-tarief genoemd in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel c, van de Regeling zorgverzekering niet van toepassing is.

Uitspraak



RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 11/4169

Uitspraakdatum: 27 februari 2012

Uitspraak in het geding tussen

X te Z, eiseres,

gemachtigde: A

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Noord, kantoor Alkmaar, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 13 mei 2011 voor het jaar 2008 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 6.298.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 juli 2011 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Op 4 november 2011 heeft de rechtbank een conclusie van repliek van eiseres ontvangen. Een kopie hiervan is doorgezonden naar verweerder.

1.5. De rechtbank heeft op 30 november 2011 een conclusie van dupliek van verweerder ontvangen. Een afschrift daarvan is naar eiseres verzonden.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2012.

Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door A. Namens verweerder is verschenen B.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres is gehuwd geweest met C. Het echtscheidingsvonnis van de rechtbank Alkmaar dateert van 20 oktober 2005. Hierin is eiseres een alimentatie toegekend ten bedrage van € 500 per maand. De eerste betaling heeft in 2006 plaatsgevonden.

2.2. Eiseres heeft in haar aangifte 2008 een bijdrage-inkomen voor de Zvw aangegeven van

€ 6.298, bestaande uit ontvangen alimentatie van C.

2.3. Verweerder heeft de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw 2008 conform de aangifte vastgesteld. Na verrekening met de voorlopige aanslag Zvw 2008 resulteerde deze aanslag in een te betalen bedrag van nihil.

2.4. Eiseres heeft in bezwaar verzocht om toepassing van het nul-tarief in verband met de door haar ontvangen alimentatie.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is of voor de vaststelling van de aanslag Inkomensafhankelijke bijdrage Zvw het nul-tarief van toepassing is in verband met de door eiseres ontvangen alimentatie.

3.2. Eiseres voert aan dat het echtscheidingsconvenant in 2005 is opgesteld en de rechterlijke beschikking, waarin de alimentatieplicht en de hoogte van de betaling is vastgelegd, dateert van 20 oktober 2005. Nu de alimentatie reeds in 2005 is vastgesteld, is artikel 5.2, tweede lid, onderdeel c, van de Regeling zorgverzekering van toepassing zodat over de ontvangen alimentatie geen inkomensafhankelijke bijdrage Zvw is verschuldigd, aldus eiseres. Eiseres wijst daartoe op de parlementaire behandeling van voornoemd artikel en leidt daaruit af dat deze overgangsbepaling is ingevoerd omdat in 2005 bij het vaststellen van de alimentatie nog geen rekening werd gehouden met de per 1 januari 2006 ingevoerde bijdrage Zvw. Naar de mening van eiseres is het fiscale genietingstijdstip van de uitkering voor de toepassing van het nul-tarief niet relevant.

Subsidiair stelt eiseres dat de alimentatie-uitkering reeds in 2005 vorderbaar en inbaar was.

3.3. Verweerder neemt het standpunt in dat het genietingstijdstip, dat beslissend is voor de toepassing van artikel 5.2, tweede lid, onderdeel c, van de Regeling zorgverzekering , ligt in 2006 nu de eerste betaling van de alimentatie pas in 2006 heeft plaatsgevonden en de alimentatie in 2005 weliswaar vorderbaar was, maar niet inbaar.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1.1. Op 1 januari 2006 is de Zvw in werking getreden.

Op grond van artikel 41 van de Zvw is de verzekeringsplichtige een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd. Artikel 42 van de Zvw bepaalt dat deze wordt geheven over het bijdrage-inkomen van dat jaar.

4.1.2. Artikel 43 van de Zvw luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. Het bijdrage-inkomen van een jaar is het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de verzekeringsplichtige in dat jaar is genoten aan:

a. belastbaar loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting, verminderd met de ingevolge artikel 46 genoten vergoeding en met uitzondering van loon als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964 waarover de belasting op grond van artikel 27a, eerste lid, van die wet is verschuldigd door de inhoudingsplichtige en het hierdoor voor de werknemer in de zin van die wet ontstane voordeel, en vermeerderd met loon, bepaald volgens de regels van artikel 3.82 van de Wet inkomstenbelasting 2001 ;

(...)

d. belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen, bepaald volgens de regels van afdeling 3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001."

4.1.3. Artikel 45 van de Zvw luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. De inkomensafhankelijke bijdrage bedraagt een percentage van het bijdrage-inkomen.

2. Het in het eerste lid bedoelde bijdragepercentage wordt bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onze Minister van Financiën, vastgesteld.

3. Voor daarbij aan te geven bestanddelen van het bijdrage-inkomen kan een afwijkend bijdragepercentage worden vastgesteld.

(…)”

4.1.4. Artikel 49 van de Zvw luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. Voor zover het bijdrage-inkomen bestaat uit loon als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel a, dat van een inhoudingsplichtige wordt genoten, wordt de inkomensafhankelijke bijdrage bij wijze van inhouding geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels.

2. Voor zover het bijdrage-inkomen bestaat uit andere dan de in het eerste lid bedoelde bestanddelen, wordt de inkomensafhankelijke bijdrage bij wege van aanslag geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regels, met uitzondering van artikel 3.154 van de Wet inkomstenbelasting 2001 .

(…)”

4.2. Artikel 45, tweede lid, van de Zvw is nader uitgewerkt in artikel 5.2 van de Regeling zorgverzekering welke bepaling - voor zover hier van belang - als volgt luidt (tekst 2008):

“1. Het percentage, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet wordt vastgesteld op 7,20.

2. In afwijking van het eerste lid bedraagt het bijdragepercentage:

(…)

c. over belastbare periodieke uitkeringen of verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 , tenzij artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 toepassing vindt, indien deze periodieke uitkering of verstrekking ook in 2005 is genoten, nihil.

3. (…)”

4.3. In casu houdt partijen verdeeld de vraag of het nul-tarief genoemd in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel c, van de Regeling zorgverzekering van toepassing is. Daarbij is tussen partijen niet in geschil dat de eerste uitbetaling pas in 2006 heeft plaatsgevonden.

De rechtbank overweegt dat blijkens deze bepaling beslissend is of de uitkering in 2005 in fiscale zin is genoten en overweegt daartoe het volgende.

4.4. Uit de tekst van de hierboven aangehaalde artikelen uit de Zvw volgt dat de Zvw voor wat betreft de bepaling van de aard en omvang van de inkomensbestanddelen alsmede ten aanzien van de heffingssystematiek en het begrippenkader aansluit bij de bepalingen van de loonbelasting respectievelijk de inkomstenbelasting. In het bijzonder wijst de rechtbank op artikel 49, tweede lid, van de Zvw , inhoudende dat voor zover het bijdrage-inkomen bestaat uit andere bestanddelen dan loon, de inkomensafhankelijke bijdrage bij wege van aanslag wordt geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regels.

Aangezien de Regeling zorgverzekering is gebaseerd op de Zvw dient voor de toepassing van deze regeling van hetzelfde begrippenkader te worden uitgegaan.

Het voorgaande betekent dat voor de betekenis van de term ‘genoten’, aansluiting moet worden gezocht bij de invulling van dit begrip in de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) en de Wet IB 2001. Aangezien het in casu niet om de heffing van loonbelasting gaat maar om een bij wege van aanslag geheven inkomensafhankelijke bijdrage Zvw, is artikel 3.146 van de Wet IB 2001 van belang, welk artikel, voor zover hier relevan t, als volgt luidt:

“1. Loon, aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen, (…) worden - voorzover niet anders is bepaald - geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn:

a. ontvangen;

b. verrekend;

c. ter beschikking gesteld;

d. rentedragend geworden of

e. vorderbaar en inbaar geworden.

(…)”

4.5. Vaststaat dat de uitkering in 2005 niet voldeed aan het onder a tot en met d gestelde. Verder is tussen partijen niet in geschil dat de uitkering reeds in 2005 vorderbaar was. Beoordeeld dient derhalve te worden of de alimentatie toen ook al inbaar was. Daarbij spelen de mogelijkheden en de wil van de schuldenaar tot betaling een belangrijke rol. Ter zitting is komen vast te staan dat eiseres richting haar ex-echtgenoot meerdere pogingen heeft ondernomen om de betaling van de uitkering reeds in 2005 aan te laten vangen, doch dat deze niet bereidwillig was hieraan mee te werken en dat uiteindelijk pas in 2006 aan de verplichtingen werd voldaan door de huidige partner van de ex-echtgenoot. Een eerste betaling van de maandelijkse alimentatie heeft aldus pas in 2006 plaatsgevonden. Bij die stand van zaken kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de alimentatie-uitkering reeds in 2005 inbaar was. Dit oordeel brengt met zich dat de alimentatie niet voldoet aan het gestelde in artikel 5.2, eerste lid, onderdeel c van de Regeling zorgverzekering . Het nul-tarief is op de door eiseres ontvangen alimentatie-uitkering daarom niet van toepassing.

4.6. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt nog gewezen op de parlementaire behandeling van artikel 5.2 van de Regeling zorgverzekering waaruit kan worden afgeleid dat niet het genietingsmoment bepalend is voor de toepassing van het nul-tarief, maar het moment van vaststelling van de alimentatie.

In een brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de Voorziter van de Tweede Kamer (Kamerstukken II, nr. 29 689, nr. 6 pag. 2) is in dit verband - voor zover van belang - het volgende is opgenomen:

“(…) Bij de bepaling van het bijdrage-inkomen wordt geen rekening gehouden met de uitgaven voor inkomensvoorzieningen, zoals de betaalde lijfrentepremies, en de zogenoemde persoonsgebonden aftrekposten, zoals de betaalde alimentatie. Dit betekent dat dergelijke uitgaven onderdeel zijn van het (bijdrage-)inkomen van de betaler van alimentatie waarover de inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is. Mensen die al voor de inwerkingtreding van de Zvw alimentatie ontvingen, zijn overigens geen inkmensafhankelijke bijdrage verschuldigd over de ontvangen alimentatie omdat voor deze groep het nultarief van toepassing is. Voor nieuwe gevallen, die wel inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd zijn, geldt dat de betaler en ontvanger van alimentatie samen bij de vaststelling van de hoogte van de alimentatie rekening kunnen houden met de belasting- en premiedruk, waaronder de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw.(…)”

Zoals de rechtbank onder 4.4 heeft overwogen is in de tekst van de Zorgverzekeringswet, waar de Regeling zorgverzekering op is gebaseerd, expliciet bepaald dat de inkomensafhankelijke bijdrage wordt geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting c.q. inkomstenbelasting geldende regels. Nu de wetgever in artikel 5.2, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling zorgverzekering heeft gekozen voor de term ‘genieten’, en dit begrip in de Wet IB 2001 en de Wet LB 1964 helder wordt gedefinieerd, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de wetgever feitelijk zou hebben bedoeld dat het tijdstip van vaststelling van de alimentatie doorslaggevend moet zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt deze bedoeling overigens ook niet uit de parlementaire behandeling, waarin is opgemerkt dat ten aanzien van diegenen die reeds voor de inwerkingtreding van de Zvw alimentatie ontvingen, het nul-tarief van toepassing is, en dat zulks niet geldt voor de nieuwe gevallen omdat bij hen bij de vaststelling van de hoogte van de alimentatie reeds rekening kon worden gehouden met de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw.

De rechtbank acht het voorts ook begrijpelijk dat in de overgangsbepaling is uitgegaan van een genietingstijdstip in 2005. Indien de alimentatie immers reeds in 2005 werd ontvangen of anderszins genoten, kon (in veel gevallen) bij de daaraan voorafgaande vaststelling van de alimentatie nog geen rekening worden gehouden met de gevolgen van de invoering van de Zvw per 1 januari 2006. Dat is anders in het geval van eiseres, aangezien de alimentatie aan eiseres is toegekend bij vonnis van 20 oktober 2005. Op dat moment was de invoering van de Zvw en daarmee ook het feit dat de alimentatie deel uit maakt van de grondslag voor de inkomensafhankelijke bijdrage, reeds lang bekend zodat met deze toekomstige premiedruk bij de vaststelling van de hoogte van de ten aanzien van eiseres vastgestelde alimentatie rekening had kunnen worden gehouden. Dat zulks – naar de rechtbank aanneemt – in casu niet is gebeurd, is geen grond om de wettelijke regeling buiten toepassing te laten.

4.7. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature