< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

De verdachte heeft zich met een ander schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis. Daarnaast wordt de schadevergoeding aan de benadeelde partijd toegewezen.

Uitspraak



Rolnummer: 22-005804-10

Parketnummer: 09-560648-09

Datum uitspraak: 15 februari 2012

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 17 november 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1989,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 1 februari 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van tachtig uren, met aftrek van voorarrest, subsidiair veertig dagen hechtenis. Voorts is een beslissing gegeven omtrent de vordering van de benadeelde partijen en de toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, zoals in het beroepen vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 05 april 2009 te 's-Gravenhage met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Gevers Deynootweg, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], welk geweld bestond uit

- het (meermalen) slaan/stompen in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd van die [benadeelde partij 1] en/of

- het (bij de kleding) beetpakken van die [benadeelde partij 1] en/of

- het (tegen (de motorkap van) een auto) duwen van die [benadeelde partij 1] en/of

- het slaan/stompen in/tegen het gezicht van die [benadeelde partij 2];

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 05 april 2009 te 's-Gravenhage met een ander , op of aan de openbare weg, de Gevers Deynootweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 1], welk geweld bestond uit

- het slaan/stompen in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd van die [benadeelde partij 1]

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een beroep op noodweer gedaan. De verdachte heeft aangevoerd dat hij de aangever [benadeelde partij 1] weliswaar heeft geslagen, maar dat hij daarbij uit zelfverdediging heeft gehandeld.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken.

De verdachte en de medeverdachte Janszen bevonden zich op 5 april 2009 te 's-Gravenhage, op of aan de openbare weg, de Gevers Deynootweg. De aangever [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat hij toen en daar door een onbekende jongen en mogelijk ook een ander persoon werd geslagen.

De getuige [benadeelde partij 2] heeft blijkens diens verklaring toen en daar waargenomen dat de jongen die iets wits droeg (zoals hierna zal blijken: [medeverdachte]) met zijn vuisten naar het gezicht van [benadeelde partij 1] sloeg, nadat [benadeelde partij 1] een onbekende jongen (namelijk [medeverdachte 2]) had gehinderd bij het doorgeven van een telefoonnummer. [benadeelde partij 2] heeft [medeverdachte] bij een spiegelconfrontatie herkend als degene die [benadeelde partij 1] in zijn gezicht sloeg.

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [benadeelde partij 1] een telefoonnummer riep toen het telefoonnummer werd doorgeven. Daarna zag zij twee agressieve jongens; één van hen droeg een wit t-shirt. De jongen in het witte shirt liep op [benadeelde partij 1] af en sloeg hem met zijn vuist in zijn gezicht, waarop geduw en getrek ontstond. De andere jongen ([verdachte]) liep naar [benadeelde partij 1] toe. Beide jongens sloegen [benadeelde partij 1] op zijn hoofd.

De getuige [getuige 1] heeft de verdachte [medeverdachte] blijkens de gehouden spiegelconfrontatie voor 100% herkend als de jongen met het witte shirt die [benadeelde partij 1] in zijn gezicht heeft geslagen.

De getuige [getuige 2] heeft blijkens zijn politie-verklaring waargenomen dat de jongen met het witte shirt en de andere jongen naar Leroy zijn gelopen. De jongen met het witte shirt heeft [benadeelde partij 1] geslagen en de andere jongen [verdachte] heeft met zijn vuisten op het hoofd van [benadeelde partij 1] geslagen.

De medeverdachte [medeverdachte 1], die blijkens zijn ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring een witte blouse of een wit hemd droeg, heeft tegenover de politie verklaard dat het zo kan zijn dat hij de eerste klap heeft uitgedeeld.

Gelet voorts op de politieverklaring van de verdachte dat hij de eerste klap heeft uitgedeeld en op de (gelijkluidende) verklaring van de medeverdachte, in samenhang bezien met de andere hiervoor aangehaalde (getuigen)verklaringen, kent het hof, voor zover hier relevant, geen betekenis toe aan de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] ter terechtzitting in eerste aanleg dat de verdachte werd aangevallen, te minder nu deze beweerdelijke aanval niet verder wordt onderbouwd en deze getuigen, anders dan over getrek en geduw, niets verklaren over het daarbij gebruikte geweld zoals het slaan van de aangever door de verdachte en zijn mededader.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte de hem verweten gedragingen heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging als bedoeld in artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof betrekt hierbij tevens de politieverklaring van de verdachte dat hij (eveneens) de eerste klap heeft uitgedeeld.

Het hof gaat er op voormelde gronden van uit dat het de verdachte is geweest die zonder noemenswaardige aanleiding tezamen met de medeverdachte - in de zin van "in vereniging" als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht - geweld heeft gepleegd tegen aangever [benadeelde partij 1] .

Mitsdien verwerpt het hof dit verweer.

Ook overigens zijn er geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert op:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met aanvulling van bewijsmiddelen, zoals verwoord in zijn overgelegde aantekeningen.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich met een ander schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Het slachtoffer heeft hierbij enig lichamelijk letsel opgelopen. De verdachte heeft er aldus blijk van gegeven geen respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van anderen. Tevens heeft de verdachte door zijn handelwijze de openbare orde verstoord. Door zo een verstoring plegen gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving te worden teweeggebracht en versterkt.

Het hof heeft ten nadele van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 januari 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van misdrijven.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ten bedrage van EUR 414,00 ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade, geleden als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, bestaande uit EUR 155,00 met betrekking tot niet-vergoed eigen risico en

EUR 259,00 ter zake van schade aan een horloge. Daarnaast heeft de benadeelde partij vergoeding van immateriële schade gevorderd, zonder deze schadepost te kwantificeren.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij de vordering ter zake van geleden materiële schade gehandhaafd tot een bedrag van EUR 155,00. Daarnaast heeft hij een vergoeding van EUR 227,00 gevorderd ter zake van geleden immateriële schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van EUR 155,00, met oplegging van de schadevergoedings-maatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij evenwel genoegzaam aangetoond dat tot een bedrag van

EUR 155,00 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

De benadeelde partij zal voor zover het betreft de vordering tot vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de benadeelde partij zich ingevolge het bepaalde in artikel 421, derde lid Sv . in hoger beroep slechts binnen de grenzen van zijn eerste vordering mag voegen. Het is hem niet toegestaan zijn vordering in hoger beroep te vermeerderen.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van EUR 155,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht , zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] terzake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 155,00 (honderdvijfenvijftig euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij in zoverre zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , een bedrag te betalen van EUR 155,00 (honderdvijfenvijftig euro) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. R.A.TH.M. Dekkers,

mr. H.M.A. de Groot en mr. T.E. van der Spoel, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 februari 2012.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature