< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij brief van 22 februari 2010 heeft het college [appellant] medegedeeld dat de raad van de gemeente Woudrichem heeft beslist om een parkeerstrook langs de Hoofdgraaf te Andel (hierna: de parkeerstrook) aan te leggen en daarvoor geld beschikbaar te stellen, welke beslissing volgens het college feitelijk handelen is. Bij die brief heeft het college [appellant] voorts medegedeeld dat voor het aanleggen van de parkeerstrook het bestemmingsplan niet gewijzigd hoeft te worden en dat evenmin een verkeersbesluit genomen hoeft te worden.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



201109416/1/A3.

Datum uitspraak: 15 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Woudrichem,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 juli 2011 in zaak nr. 10/2776 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Woudrichem.

1. Procesverloop

Bij brief van 22 februari 2010 heeft het college [appellant] medegedeeld dat de raad van de gemeente Woudrichem heeft beslist om een parkeerstrook langs de Hoofdgraaf te Andel (hierna: de parkeerstrook) aan te leggen en daarvoor geld beschikbaar te stellen, welke beslissing volgens het college feitelijk handelen is. Bij die brief heeft het college [appellant] voorts medegedeeld dat voor het aanleggen van de parkeerstrook het bestemmingsplan niet gewijzigd hoeft te worden en dat evenmin een verkeersbesluit genomen hoeft te worden.

Bij besluit van 25 mei 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juli 2011, verzonden op 20 juli 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 mei 2010 vernietigd, het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen de brief van 22 februari 2010 niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat is gericht tegen de mededeling dat de raad geld beschikbaar heeft gesteld voor de aanleg van de parkeerstrook en voor zover dat is gericht tegen de mededeling dat voor het gebruik van de parkeerstrook geen verkeersbesluit genomen hoeft te worden en voor het overige ongegrond verklaard. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden ervan zijn aangevuld bij brief van 23 september 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. P. Koeslag, advocaat te 's-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.W. Schoonen-Pols en P.A. Bouwman, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. De zaak is gelijktijdig behandeld met het hoger beroep in zaak nr. 201109418/1/A3.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw) geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge het tweede lid geschieden maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, worden verkeersbesluiten genomen:

a. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van het Rijk door de minister;

b. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van een provincie door gedeputeerde staten;

c. voor zover zij betreffen het verkeer op wegen onder beheer van een waterschap door het algemeen bestuur of, krachtens besluit van het algemeen bestuur, door het dagelijks bestuur;

d. voor zover zij betreffen het verkeer op andere wegen door burgemeester en wethouders, of krachtens besluit van hen, door een door hen ingestelde bestuurscommissie of het dagelijks bestuur van een deelgemeente.

2.2. Het college heeft zich in het bij de rechtbank bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het bestuurlijk oordeel over de vraag of een bepaald gebruik van gronden in strijd is met het bestemmingsplan in beginsel als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt aangemerkt, indien met dat gebruik nog geen aanvang is genomen. Nu het gebruik nog geen aanvang heeft genomen, dient het oordeel, dat voor het aanleggen van de parkeerstrook het bestemmingsplan niet hoeft te worden gewijzigd, te worden aangemerkt als een besluit. Het bestuurlijk oordeel dat geen verkeersbesluit genomen hoeft te worden is eveneens een besluit, aldus het college in het bij de rechtbank bestreden besluit.

Het college heeft de daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard, omdat de parkeerstrook valt onder het begrip "berm" en de afwijking van het bestemmingsplan door de aanleg van de parkeerstrook niet groter wordt dan die reeds is. Voorts is de parkeerstrook geen busbaan of busstrook als bedoeld in artikel 12, aanhef en onderdeel b, onder III, van het Babw en wordt evenmin een wijziging aangebracht in de categorieën weggebruikers die van de Hoofdgraaf gebruik mogen maken, zodat geen verkeersbesluit genomen hoeft te worden.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat de brief van 22 februari 2010 drie mededelingen bevat. De eerste mededeling is dat de raad heeft gekozen voor aanleg van de parkeerstrook. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een politieke keuze, waartegen geen bezwaar of beroep openstaat. De keuze van de raad heeft geleid tot het nemen van een beslissing van financiële aard, die niet op rechtsgevolg is gericht en waartegen evenmin bezwaar en beroep openstaat. Volgens de rechtbank had het college het bezwaar, voor zover dat is gericht tegen de beslissing van de raad, niet-ontvankelijk moeten verklaren. De tweede mededeling in de brief van 22 februari 2010 is dat voor het aanleggen van de parkeerstrook geen verkeersbesluit nodig is. Dit is een bestuurlijk rechtsoordeel waartegen wel bezwaar en beroep openstaat, omdat het voor [appellant] en het college onwenselijk is om te wachten tot de parkeerstrook is aangelegd eer er bezwaar en beroep mogelijk is. Het aanleggen van de parkeerstrook zelf is feitelijk handelen waarvoor geen verkeersbesluit nodig is en het in gebruik nemen van de parkeerstrook vereist evenmin een verkeersbesluit, aldus de rechtbank. Voor het beperken van de parkeerstrook tot bepaalde categorieën voertuigen is wel zo’n besluit vereist, maar nu het college zo’n besluit op 23 maart 2010 heeft genomen en [appellant] daartegen bezwaar heeft gemaakt en beroep heeft ingesteld, heeft [appellant] geen belang meer bij het antwoord op de vraag of een verkeersbesluit vereist is en had het bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. De derde mededeling in de brief van 22 februari 2010 is volgens de rechtbank het bestuurlijk rechtsoordeel dat voor het aanleggen van de parkeerstrook geen wijziging van het bestemmingsplan is vereist. Die mededeling betreft eveneens een bestuurlijk rechtsoordeel, maar het is onredelijk bezwarend dat [appellant] pas om handhavend optreden tegen de parkeerstrook zou kunnen verzoeken nadat die is aangelegd. Daarom heeft het college terecht het daartegen gerichte bezwaar ontvankelijk geacht. Omdat door de aanleg van de parkeerstrook de afwijking van het bestemmingsplan niet groter wordt dan zij reeds is, heeft het college terecht het bezwaar in zoverre ongegrond verklaard, aldus de rechtbank.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de beslissing van de raad om de parkeerstrook aan te leggen een politieke keuze is waartegen geen bezwaar of beroep open staat. Volgens hem kan het college zich bij het nemen van verkeersbesluiten niet verschuilen achter politieke keuzes van de raad en heeft het bij het nemen van verkeersbesluiten een eigen verantwoordelijkheid. [appellant] verwijst hierbij naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem.

2.4.1. Dit betoog faalt. In de brief van 22 februari 2010 is mededeling gedaan van een beslissing van de raad, welke inhoudt dat hij voor aanleg van de parkeerstrook kiest. Die mededeling houdt geen besluit in, nu daaruit geen rechtsgevolgen voortvloeien. De rechtsgevolgen ontstaan slechts indien het college een of meer verkeersbesluiten neemt. [appellant] betoogt terecht dat het college een eigen verantwoordelijkheid heeft bij het nemen van zulke besluiten.

2.4.2. De Afdeling overweegt verder ambtshalve als volgt. De oordelen of een bepaald gebruik in strijd is met het betreffende bestemmingsplan en of voor de aanleg van de parkeerstrook geen verkeersbesluit is vereist, zijn bestuurlijke rechtsoordelen en worden in de regel niet aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb . De rechtbank heeft ten onrechte niet onderkend dat in dit geval geen reden is om daar anders over te oordelen. Het is niet onredelijk bezwarend indien [appellant] een verzoek om handhaving indient betreffende de parkeerstrook. Hij kan zo’n verzoek indienen wanneer hij van oordeel is dat de aanleg of het gebruik van de parkeerstrook strijdig is met het bestemmingsplan. Met een dergelijk verzoek hoeft [appellant] niet te wachten tot de parkeerstrook is gerealiseerd. Dat het college een aanzienlijk bedrag dient te besteden voor het aanleggen van de parkeerstrook alvorens een verzoek om handhaving kan worden ingediend, zo dit gelet op het voorgaande al juist is, is evenmin onredelijk bezwarend te achten.

De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het door [appellant] gemaakte bezwaar, voor zover dat is gericht tegen de mededeling in de brief van 22 februari 2010 dat voor het aanleggen van de parkeerstrook geen wijziging van het bestemmingsplan is vereist, terecht door het college ontvankelijk is geacht. Voorts is het bestuurlijk rechtsoordeel, dat voor de aanleg van de parkeerstrook geen verkeersbesluit is vereist, geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb . Nu de rechtbank evenwel het door [appellant] gemaakte bezwaar, voor zover dat is gericht tegen het oordeel dat voor het aanleggen van de parkeerstrook geen verkeersbesluit nodig is, niet-ontvankelijk heeft verklaard, leidt dat slechts tot verbetering van de gronden van de uitspraak.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond heeft verklaard voor zover dat is gericht tegen de mededeling van het college dat voor het aanleggen van de parkeerstrook geen wijziging van het bestemmingsplan is vereist. Dat bezwaar zal alsnog in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. De aangevallen uitspraak dient voor het overige, voor zover aangevallen en met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 juli 2011 in zaak nr. 10/2776, voor zover het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard voor zover dat is gericht tegen de mededeling van het college dat voor het aanleggen van een parkeerstrook langs de Hoofdgraaf te Andel geen wijziging van het bestemmingsplan is vereist;

III. verklaart dat bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het door de rechtbank Breda vernietigde besluit;

V. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, voor het overige;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Woudrichem tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Woudrichem aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2012

176-622.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature