< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Afwijzing aanvraag voor toelating tot de maatschappelijke opvang ingevolge de Wmo op de grond dat zij geen geldige verblijfstitel heeft.

Het beroep artikel 8 van het EVRM kan niet slagen omdat betrokkene steeds toegang heeft gehad en betrokken werd bij de zorg en opvoeding van haar dochter. Er is daarom geen grond voor het toekennen van een schadevergoeding.

Uitspraak



11/788 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2010, 10/4394 en 10/3955 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met het onderzoek in de gedingen 11/787 en 11/4466 WWB, plaatsgevonden op 27 juli 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J. Klaas, kantoorgenoot van mr. Cerezo-Weijsenfeld. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Ahmed en mr. F.G. Veldstra. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren [in] 1988, is afkomstig uit het voormalig Joegoslavië. Zij verblijft sinds geruime tijd in Nederland zonder verblijfstitel. Ze heeft op verschillende adressen verbleven.

1.2. Op 23 december 2009 is onder meer namens appellante een aanvraag gedaan voor toelating tot de maatschappelijke opvang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo).

1.3. Op 21 januari 2010 heeft de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd het nog ongeboren kind van appellante onder toezicht te stellen en om een machtiging uithuisplaatsing gevraagd. Op 26 januari 2010 is de dochter van appellante (verder: [E.]) geboren, waarna zij na ontslag uit het ziekenhuis uit huis is geplaatst en bij een gezin in crisisopvang is ondergebracht.

1.4. Bij besluit van 23 februari 2010 is de aanvraag om opvang van appellante afgewezen op de grond dat zij geen geldige verblijfstitel heeft. Het College heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat een beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) niet slaagt omdat appellante steeds toegang heeft gehad tot [E.] en zij betrokken werd bij zorg en opvoeding van [E.].

1.5. Bij besluit van 13 juli 2010 zijn - voor zover van belang in dit geding- de bezwaren van appellante tegen het besluit van 23 februari 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 juli 2010 - voor zover thans van belang - ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat geen sprake is van een ongerechtvaardigde schending van artikel 8 van het EVRM . Omdat appellante en [E.] met ingang van 2 juni 2010 bij [C.] verblijven, is het belang van het beroep niet langer gelegen in het in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang, maar in vergoeding van proceskosten en schadevergoeding.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij is aangevoerd dat sprake is van schending van de artikelen 3 en 8 van het EVRM .

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat het hoger beroep van appellante gericht is op de vraag of door de rechtbank terecht is geoordeeld dat geen sprake is geweest van schending van internationaalrechtelijke bepalingen zodat geen aanleiding bestond voor het toekennen van schadevergoeding dan wel de bepaling dat het College de door appellante gemaakte kosten van het bezwaar dient te vergoeden.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad is van oordeel, dat in het onderhavige geval sprake is van een verzoek om maatschappelijke opvang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wmo . Onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 4.3 en 4.4 van de uitspraak van de Raad van 19 april 2010, LJN BM0956, stelt de Raad in het onderhavige geval vast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam bevoegd is een beslissing te nemen over de toelating tot maatschappelijke opvang in de vorm van daklozenopvang, welke beslissing dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.3. De Raad stelt vervolgens, eveneens onder verwijzing naar zijn voornoemde uitspraak van 19 april 2010, rechtsoverweging 4.6.3, vast dat de door appellante gevraagde voorziening geen individuele voorziening als bedoeld in de artikelen 5 en 8 van de Wmo is. Dit betekent dat voor de vraag of appellante aanspraak heeft op toelating tot de gevraagde opvang, de artikelen 10 en 11 van de Vreemdelingenwet 2000 het in aanmerking te nemen beoordelingskader vormen.

4.4. Vaststaat dat appellante ten tijde in geding geen rechtmatig verblijf had in Nederland, zodat zij ingevolge artikel 11, eerste lid en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 geen aanspraak kon maken op toelating tot de maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo in de gemeente Amsterdam. Het betekent voorts dat het standpunt van het College dat de aanvraag van appellante van 23 december 2009 op die grond niet kan worden gehonoreerd, door de Raad wordt onderschreven.

4.5. De Raad dient in het kader van het verzoek van appellante om schadevergoeding de vraag te beantwoorden of de weigering van het College appellante toe te laten tot de maatschappelijke opvang een schending van artikel 8 van het EVRM oplevert. Met betrekking tot het beroep op artikel 8 van het EVRM stelt de Raad voorop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) als the ‘very essence’ van het EVRM aanmerkt, respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het priv éleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Het artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privéleven. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevan t is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime ‘margin of appreciation’ toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkene. De Raad wijst in verband met dit laatste onder meer op het arrest van het EHRM van 27 mei 2008, in de zaak N. vs het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05 (EHRC 2008, 91).

4.6. De Raad acht primair van belang dat appellante een vreemdeling is die ten tijde in geding niet rechtmatig in Nederland verbleef. De Raad stelt vast dat appellante in de periode in geding vanaf 23 december 2009 tot in ieder geval 7 april 2010 vanwege haar zwangerschap en de bevalling van haar dochter [E.] behoort tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht heeft op bescherming van het privé- en gezinsleven. De Raad sluit bij de berekening van voornoemde periode aan bij de Wet arbeid en zorg, waarin in artikel 3:1, derde lid, is neergelegd dat het bevallingsverlof in ieder geval tien aaneengesloten weken na de dag van bevalling bedraagt. Ter zitting van de Raad is bevestigd dat appellante in de periode in geding feitelijk is opgevangen door vrienden en bekenden zodat zij steeds onderdak heeft gehad. De Raad is van oordeel dat onder die omstandigheden niet gezegd kan worden dat de weigering van de toelating tot de maatschappelijke opvang geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van appellante om wel toegelaten te worden.

4.7. Uit hetgeen overwogen in 4.5 en 4.6 volgt dat het beroep op artikel 8 van het EVRM niet slaagt. Gelet hierop behoeft het beroep op artikel 3 van het EVRM , dat een veel zwaardere norm stelt, verder geen bespreking. De overige door appellante aangevoerde gronden leiden niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat er onder de gegeven omstandigheden geen aanleiding bestaat voor het toekennen van schadevergoeding.

4.8. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Er is daarom geen grond voor het toekennen van een schadevergoeding.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het beroep onder registratienummer 10/3955 Wmo;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2012.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. van Dam.

HD


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature