< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Machtiging tot uithuisplaatsing; art. 23 lid 3 Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg; toetsing indicatiebesluit aan art. 3:2 Awb leidt tot partiële vernietiginig; onduidelijkheid over de verblijfsstatus van de jeugdige behoort tot de risicosfeer van bureau jeugdzorg. Die onduidelijkheid brengt mee dat het indicatiebesluit op grond van art. 29h lid 3 Wet op de jeugdzorg wordt vernietigd voor zover de geldigheidsduur de maximale periode van een half jaar overschrijdt.

Uitspraak



RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 13 februari 2012

Zaaknummers: 166834 / OT RK 11-2073 en 168205 / OT RK 12-60

BESCHIKKING OP VERZOEK VERLENGING ONDERTOEZICHTSTELLING

EN MACHTIGING TOT UITHUISPLAATSING

IN EEN ACCOMMODATIE VOOR GESLOTEN JEUGDZORG

De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven met betrekking tot de minderjarige:

[Naam minderjarige],

geboren te [geboorteplaats] op [1995],

verder te noemen: [de minderjarige],

advocaat: mr. N.Th.G. Keulers,

kind van:

[Naam moeder],

wonende te [woonplaats], [adres],

verder te noemen: de moeder.

1. Verloop van de procedure

Op 29 november 2011 heeft de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te Roermond, verder te noemen bureau jeugdzorg, een verzoekschrift tot verlenging van de ondertoezichtstelling ingediend (zaaknummer: 166834 / OT RK 11-2073).

Op 16 januari 2012 heeft bureau jeugdzorg tevens verzocht op grond van artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van het indicatiebesluit (zaaknummer: 168205 / OT RK 12-60).

Bij brief van 8 februari 2012 heeft mr. Keulers verweer gevoerd.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 9 februari 2012.

2. Vaststaande feiten

De moeder, van [nationaliteit], oefent alleen het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit. [de minderjarige], die net als haar moeder uitsluitend de [nationaliteit] heeft, verblijft sinds 21 december 2011 bij 'Bijzonder Jeugdwerk Brabant' in het project Paljas (plus) te Deurne.

Bij beschikking van 18 februari 2011 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] uitgesproken voor de duur van een jaar, derhalve tot 18 februari 2012.

Bij beschikking van 16 december 2011 heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging verleend tot (voorlopige) uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van vier weken, die bij beschikking van 28 december 2011, is gehandhaafd, onder gelijktijdige aanhouding van de beslissing over de resterende termijn.

Bij beschikking van 5 januari 2012 heeft de kinderrechter machtiging tot plaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg verleend met ingang van 13 januari 2012 voor duur van de resterende termijn van de ondertoezichtstelling, derhalve tot 18 februari 2012.

3. Verzoek, grondslag en verweer

Bureau jeugdzorg heeft verzocht, bij twee afzonderlijke verzoekschriften, de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor een periode van een jaar en tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te verlenen conform de duur vermeld in het indicatiebesluit.

De advocaat van [de minderjarige] heeft ter zitting gesteld dat [de minderjarige] zich in beginsel niet verzet tegen de verzochte kinderbeschermingsmaatregelen. [de minderjarige] heeft evenwel uitsluitend de [nationaliteit] en er bestaan sterke vermoedens dat [de minderjarige] behoort tot de categorie vreemdelingen als bedoeld in artikel 23 lid 3 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg : "niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen". Voor het indicatiebesluit heeft dat als consequentie dat de daarin vast te leggen termijn ten hoogste een half jaar kan bedragen. De advocaat van [de minderjarige] heeft bepleit dat de machtiging tot uithuisplaatsing daarom dient te worden beperkt tot zes maanden.

4. Beoordeling

De kinderrechter is met bureau jeugdzorg en op de daartoe door bureau jeugdzorg in het verzoekschrift aangegeven en ter zitting nader toegelichte gronden, die de kinderrechter overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat [de minderjarige] zodanig opgroeit, dat haar zedelijke of geestelijke belangen of haar gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

Dat betekent dat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van een jaar zal worden toegewezen.

De kinderrechter is verder, mede in het licht van de instemmingverklaring van drs. J.M.A.J. Roebroek, gedragswetenschapper, van oordeel dat de plaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg noodzakelijk is nu zij ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen heeft, die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig bedreigen en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [de minderjarige] zich aan die zorg die zij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

Een machtiging tot uithuisplaatsing strekt tot effectuering van aanspraken die de jeugdige, in dit geval [de minderjarige], aan het bij het verzoekschrift over te leggen indicatiebesluit kan ontlenen. Ingevolge artikel 29h lid 3 Wet op de jeugdzorg bepaalt de kinderrechter de geldigheidsduur van de machtiging op ten hoogste de termijn gedurende welke de jeugdige op grond van het indicatiebesluit aanspraak heeft op het verblijf. De termijn gedurende welke de aanspraak op het verblijf ten hoogste kan gelden, is nader geregeld in artikel 23 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg . Waar die termijn ingevolge het eerste lid van dat artikel als uitgangspunt ten hoogste een jaar bedraagt n à de datum waarop de zorg waarin het indicatiebesluit voorziet is aangevangen, is die termijn voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, in het derde lid van artikel 23, beperkt tot de verwachte duur van het verblijf in Nederland en ten hoogste een half jaar.

De advocaat van [de minderjarige] heeft, onweersproken gelaten door bureau jeugdzorg, aangevoerd dat [de minderjarige] in december 2011 door de politie te Eindhoven in het kader van een OAT is aangehouden en toen enige tijd in vreemdelingenbewaring heeft doorgebracht. Bij die gelegenheid zou bovendien naar voren zijn gekomen dat [de minderjarige] geen geldige titel voor een verblijf in Nederland heeft. Bureau jeugdzorg heeft, daarnaar gevraagd tijdens de mondelinge behandeling, geen helderheid hierover kunnen verschaffen.

Het betoog van de advocaat van [de minderjarige], zou hij het gelijk aan zijn zijde hebben, komt erop neer dat de geldigheidsduur van het indicatiebesluit door bureau jeugdzorg ten onrechte en in strijd met de bij en krachtens de Wet op de jeugdzorg geldende regels op één jaar is bepaald.

Een indicatiebesluit is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat brengt mee dat bureau jeugdzorg bij de totstandkoming van het indicatiebesluit onder meer gehouden is de in afdelingen 3.2 en 3.7 van de Awb opgenomen zorgvuldigheids- en motiveringsvereisten in acht te nemen. In het bijzonder de in artikel 3:2 van de Awb neergelegde verplichting, dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen, brengt in dit verband mee dat bureau jeugdzorg in het kader van de voorbereiding van het indicatiebesluit zich ervan had behoren te vergewissen welke de verblijfsstatus was van [de minderjarige].

Naar het oordeel van de kinderrechter bestaat er geen enkele aanleiding te veronderstellen dat [de minderjarige], die al haar hele leven in Nederland woont, zou moeten vrezen op korte termijn Nederland te worden uitgezet vanwege het gemis van een verblijfstitel. Anderzijds heeft bureau jeugdzorg op geen enkele wijze duidelijk kunnen maken welke verblijfstitel [de minderjarige] heeft. Daaraan verbindt de kinderrechter de conclusie dat bureau jeugdzorg zich niet naar behoren heeft gekweten van de op haar op grond van artikel 3:2 van de Awb rustende verplichting tot het vergaren van de nodige kennis omtrent de juist in deze zaak relevante feiten. Dat hierdoor in deze procedure niet met zekerheid kan worden vastgesteld of [de minderjarige] behoort tot de groep niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen als bedoeld in artikel 23, lid 3 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg behoort in het licht van het gevoerde verweer, tot de risicosfeer van bureau jeugdzorg.

Daarom zal de kinderrechter in deze procedure ervan uitgaan dat [de minderjarige] wél tot die groep vreemdelingen behoort. Die conclusie brengt dan mee dat de voor [de minderjarige] aan het indicatiebesluit te ontlenen aanspraak op verblijf in overeenstemming met voormeld artikellid ten hoogste een half jaar kan bedragen. De kinderrechter zal het indicatiebesluit vernietigen, voor zover de geldigheidsduur de periode van een half jaar overschrijdt.

De verzochte machtiging tot uithuisplaatsing zal de kinderrechter op grond van artikel 29h lid 3 Wet op de jeugdzorg beperken tot een half jaar, onder gelijktijdige afwijzing van het meer of anders verzochte.

Daarmee is tevens gegeven dat tegen het einde van de periode van een half jaar opnieuw een beoordeling van de kinderbeschermingsmaatregel dient plaats te vinden zoals, naar de advocaat de kinderrechter heeft voorgehouden, [de minderjarige] dat ook graag zou willen.

5. Beslissing

De kinderrechter:

verlengt de termijn waarvoor voornoemde minderjarige onder toezicht is gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg met ingang van 18 februari 2012 voor één jaar;

vernietigt het indicatiebesluit van 20 januari 2012, kenmerk B-C74-BE6Z6, voor zover dit aanspraak geeft op plaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor een langere termijn dan een half jaar;

verleent machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg met ingang van 18 februari 2012 voor de termijn van en half jaar;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, kinderrechter, en in het openbaar op 13 februari 2012 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

fg

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature