< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Verdachte staat terecht omdat hij ervan wordt verdacht dat hij, als teamleider van een opsporingsteam van politie, een hoeveelheid XTC-pillen uit een lopend politieonderzoek in zijn woning opzettelijk aanwezig heeft gehad. Daarvan zal verdachte worden vrijgesproken, omdat niet is komen vast te staan dat deze pillen dezelfde zijn als de in dat politieonderzoek inbeslaggenomen XTC-pillen, en evenmin uit de overige inhoud van het dossier is gebleken dat het om XTC-pillen ging. Verdachte wordt eveneens vrijgesproken van de verduistering dan wel diefstal van onder meer XTC-pillen en een buisje GHB, afkomstig uit een ander door verdachte geleid politieonderzoek, die in een verhuisdoos van verdachte in de opslagruimte voor inbeslaggenomen goederen op het politiebureau zijn aangetroffen, omdat de rechtbank niet kan uitsluiten dat verdachte niet op de hoogte was van de aanwezigheid van deze verdovende middelen in die verhuisdoos.

Verdachte wordt veroordeeld, omdat hij heeft getracht zijn collega en toenmalige partner zodanig te beïnvloeden dat zij tegenover de rijksrecherche niet naar vrijheid zou verklaren over de herkomst van deze verdovende middelen.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Sector Strafrecht

Parketnummer: 01/849312-10

Datum uitspraak: 17 februari 2012

Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1955],

wonende te [woonplaats], [adres 1].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 oktober 2011 en 3 februari 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 augustus 2011. De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 12 oktober 2011 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. Met inachtneming van deze wijziging is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 4 januari 2010, in ieder geval in of omstreeks de periode van 7 december 2009 tot en met 28 januari 2010 te Waalre en/of Reusel, in ieder geval in nederland, (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1100 pillen/tabletten bevattende MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(artikel 2 onder C juncto 10 Opiumwet );

2.

hij in of omstreeks de periode van 09 februari 2004 tot en met 26 februari 2010 te Helmond, in ieder geval in Nederland, opzettelijk een hoeveelheid MDMA, te weten ongeveer 112 pillen/tabletten, althans enige hoeveelheid en/of een buisje inhoudende ongeveer 0,5 milliliter GHB, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het Kernteam Zuid / USD, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als teamleider van een onderzoeksteam van het Kernteam Zuid / USD, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend,zulks terwijl verdachte daarbij als ambtenaar, te weten als teamleider van een opsporingsteam van politie, bij het begaan van voormeld strafbaar feit gebruik heeft gemaakt van macht en/of gelegenheid en/of middel hem door zijn ambt geschonken;

(artikel 321 juncto 44 Wetboek van Strafrecht );

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 09 februari 2004 tot en met 26 februari 2010 te Helmond, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid MDMA, te weten 112 pillen/tabletten, althans enige hoeveelheid, en/of een buisje inhoudende een hoeveelheid van ongeveer 0,5 milliliter GHB , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het Kernteam Zuid / USD, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,zulks terwijl verdachte daarbij als ambtenaar, te weten als teamleider van een opsporingsteam van politie, bij het begaan van voormeld strafbaar feit gebruik heeft gemaakt van macht en/of gelegenheid en/of middel hem door zijn ambt geschonken;

(artikel 310 juncto artikel 44 Wetboek van Strafrecht );

3.

hij op of omstreeks 17 juni 2010, in ieder geval in of omstreeks de periode van 28 januari 2010 tot en met 21 juni 2010, te Waalre en/of Eindhoven, in ieder geval in Nederland, opzettelijk mondeling en/of door gebaren en/of bij geschrift of afbeelding zich jegens een persoon, te weten [mededader], heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, immers heeft hij (kort samengevat en zakelijk weergegeven) het navolgende gedaan:

verdachte heeft

-nadat door [mededader] voornoemd bij de regiopolitie Brabant Zuid Oost (Afdeling Interne Onderzoeken) melding was gemaakt van en/of een of meer gesprek(en) was/waren gevoerd over een of meer door hem, verdachte, vermoedelijk gepleegde strafba(a)r(e) feit(en) betrekking hebbende op overtreding van de Opiumwet en toen voormelde [mededader] naar aanleiding van het daarop volgend ingestelde onderzoek door respectievelijk de regiopolitie Brabant Zuid Oost (Afdeling Interne Onderzoeken) en de rijksrecherche was uitgenodigd om daarover en/of in dat verband ten overstaan van een of meer ambtena(a)r(en) van de rijksrecherche als getuige een verklaring af te leggen- een op voorhand opgestelde verklaring, welke verklaring die [mededader] -op schrift en als zijnde haar verklaring- kort voor of bij haar verhoor als getuige aan die ambtena(a)r(en) van de rijksrecherche heeft overhandigd, (mede) opgesteld en/of gewijzigd en/of laten wijzigen en/of aangepast en/of laten aanpassen in dier voege dat uit de inhoud van dat opgestelde en/of aangepaste en/of gewijzigde geschrift naar voren kwam dat hij, verdachte, het/de hiervoor bedoelde strafba(a)r(e) feit(en) niet, althans niet op de wijze zoals in de hiervoor bedoelde melding bij en/of in het/de daarop volgende gesprek(ken) met de regiopolitie Brabant Zuid Oost (Afdeling Interne Onderzoeken) door die [mededader] was omschreven en/of was aangegeven, zou hebben gepleegd en dat derhalve het door die [mededader] aanvankelijk naar voren gebrachte verhaal niet, althans niet in zijn geheel, op waarheid berustte;

(artikel 285a Wetboek van Strafrecht ).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsbeslissing ten aanzien van feit 1 en feit 2.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft op gronden in zijn schriftelijke requisitoir verwoord, geconcludeerd dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan kort gezegd het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 1.100 pillen/tabletten bevattende MDMA (feit 1) en verduistering van MDMA, te weten ongeveer 112 pillen/tabletten, en een buisje met 0,5 milliliter GHB, terwijl verdachte als ambtenaar, te weten als teamleider van een opsporingsteam van politie, bij het begaan van het strafbare feit gebruik heeft gemaakt van macht en gelegenheid en middel hem door zijn ambt geschonken (feit 2 primair).

De verdediging heeft op gronden in haar schriftelijke pleitnota verwoord, vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 1.

Op 28 januari 2010 heeft [mededader], de toenmalige vriendin van verdachte, een gesprek gevoerd met medewerkers van de Afdeling Interne Onderzoeken van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost. In dat gesprek heeft ze onder meer kenbaar gemaakt dat verdachte een zwarte pilotenkoffer naar haar woning had gebracht en dat zij in die koffer een kartonnen doos had aangetroffen waarin zich onder meer 12 tot 15 gripzakjes bevonden met kleine, lilakleurige pilletjes, alsmede een flesje met op de dop een sticker met daarop gedrukt de letters ‘GHB’. Toen zij verdachte hiermee confronteerde, zei verdachte tegen haar dat de spullen in de doos van zijn werk waren – verdachte was werkzaam als politieambtenaar – en dat de pillen XTC-pillen betroffen. Voorts vertelde verdachte tegen haar dat GHB een grondstof was voor XTC. Volgens [mededader] hebben zij vervolgens in haar woning samen de pillen door het toilet gespoeld en de kartonnen doos in de buitenopenhaard verbrand.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 3 februari 2012 een verklaring afgelegd. Hij heeft onder meer het volgende verklaard. In december 2009 heeft hij zijn werkkoffer opgehaald in het politiebureau in Eindhoven. Hij had op dat moment een relatie met [mededader] en hij heeft zijn koffer toen naar haar woning gebracht. Toen zijn relatie met haar verbroken werd, is verdachte kort bij zijn zus gaan wonen en is hij vervolgens ingetrokken bij zijn collega [getuige], met wie verdachte op dat moment eveneens een relatie onderhield. Hij heeft zijn koffer toen naar haar woning gebracht. Op enig moment werd verdachte door [getuige] geconfronteerd met het feit dat ze in een doos in zijn koffer pillen had aangetroffen. Verdachte heeft vervolgens meteen de koffer opgehaald bij [getuige], naar eigen zeggen omdat hij wilde weten wat er in die koffer zat, en naar de woning van [mededader] gebracht. Aldaar zag hij dat in de koffer een kartonnen doos zat met daarin gripzakjes met kleine, blauwe pilletjes. Verdachte heeft verder verklaard dat [mededader], in het bijzijn van verdachte, in haar woning de pillen door het toilet heeft gespoeld en de kartonnen doos in de buitenopenhaard heeft verbrand. Verdachte heeft van begin af aan ontkend dat het XTC-pillen waren.

Aangezien er – mede naar aanleiding van een eerdere strafzaak tegen verdachte in verband met het onbevoegdelijk optreden als hulp-officier van justitie – twijfel was gerezen omtrent verdachtes loyaliteit jegens de regiopolitie Brabant Zuid-Oost heeft het Bureau Interne Onderzoeken van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost ([verbalisant 1]) een disciplinair onderzoek ten aanzien van verdachte ingesteld. Deze twijfel werd verder gevoed door de informatie die naar voren kwam naar aanleiding van voornoemd gesprek met [mededader]. Naar aanleiding van haar bevindingen is het onderzoek, in opdracht van de hoofdofficier van justitie te 's-Hertogenbosch, voortgezet door de rijksrecherche. De rijksrecherche heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de herkomst van de betreffende pillen. Uit dat onderzoek is onder meer het volgende gebleken.

Naar aanleiding van het op 14 januari 2008 aantreffen van een stoffelijk overschot in het pand [adres 2] werd een politieonderzoek opgestart met de codenaam [naam]. Bij technische en tactische zoekingen in genoemd pand werden onder meer gripzakjes met in totaal 848 blauwe pillen aangetroffen en in beslag genomen. Van genoemd aantal pillen waren er 748 voorzien van het diepdruklogo ‘ Mitsubishi Group’ en 100 van het diepdruklogo ‘Butterfly-32’. Uit onderzoek is gebleken dat deze pillen MDMA bevatten (XTC-pillen).

Verdachte was in zijn functie als teamleider bij de Divisie Recherche van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost werkzaam als teamleider van genoemd onderzoek.

De rechtbank stelt vast dat de pillen waarover verdachte heeft verklaard niet meer voorhanden zijn en dat deze hierom niet kunnen worden getest op de aanwezigheid van MDMA.

Gezien het voorgaande ligt aldus de vraag voor of op grond van de inhoud van het thans voorliggende dossier genoegzaam kan worden vastgesteld dat verdachte XTC-pillen aanwezig heeft gehad.

De eerste vraag die de rechtbank in dat kader zal beantwoorden is of kan worden vastgesteld dat de pillen die verdachte door het toilet heeft gespoeld, zoals verdachte bij de politie heeft verklaard, dezelfde pillen zijn als de in het onderzoek [naam] aangetroffen en inbeslaggenomen XTC-pillen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt hiertoe het volgende.

De rijksrecherche heeft uitvoerig onderzoek gedaan naar de gang van zaken met betrekking tot de vernietiging van de in het onderzoek [naam] aangetroffen en inbeslaggenomen XTC-pillen. Uit dit onderzoek is onder meer het volgende gebleken.

Door het arrondissementsparket te 's-Hertogenbosch werd op 26 augustus 2008 een beslissing genomen over de inbeslaggenomen 748 blauwe pillen met het Mitsubishi logo en de 100 blauwe pillen met het Butterfly logo, namelijk vernietiging na monstername op grond van artikel 117 van het Wetboek van Strafvordering. Voornoemde beslissing werd op 20 november 2008 door [verbalisant3], werkzaam als BOA, assistent tactische recherche bij de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, ingevuld en ondertekend.

Op 2 april 2009 werd door [verbalisant3] voornoemd het volgende gemuteerd:

“Beslissing ontvangen van Arrondissementsparket 's-Hertogenbosch inzake parketnummer 01-889011-08 verdachte [persoon1].

Conform opgaaf dient onder volgnummer:

1 748 pillen blauw met Mitsibishi logo en

2 100 pillen blauw met Butterfly logo

vernietigd te worden.

Dit is reeds gebeurd in februari 2008.

Originele beslissing per heden ingevuld, ondertekend en opgestuurd naar Justitie Den Bosch”.

Op 6 april 2009 werd deze originele beslissing op het arrondissementsparket te 's-Hertogenbosch administratief verwerkt.

[verbalisant3] voornoemd heeft op 18 januari 2011 tegenover de rijksrecherche verklaard dat het niet anders kan zijn dan dat reeds medio februari 2008 door het openbaar ministerie een beslissing is genomen met betrekking tot de vernietiging van de in het onderzoek [naam] inbeslaggenomen verdovende middelen. Dat moet naar haar zeggen de reden zijn geweest waarom zij heeft gemuteerd dat de verdovende middelen reeds in februari 2008 zijn vernietigd.

De rechtbank stelt vast dat [verbalisant3] op 5 februari 2008 heeft gemuteerd dat ze onder meer 38 tabletten Mitsubishi en 95 tabletten Butterfly in ontvangst heeft genomen van collega [verbalisant4]. In deze mutatie verzoekt zij om deze inbeslaggenomen goederen bij het facilitair bedrijf af te geven, zodat deze op 7 februari 2008 door het facilitair bedrijf zouden kunnen worden meegenomen naar de verbrandingsoven in Nijmegen. Verder heeft [verbalisant3] aangegeven dat collega [verbalisant 5] de goederen op 6 februari 2008 in de namiddag zal afgeven bij het facilitair bedrijf van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost. [verbalisant5] voornoemd heeft op 26 januari 2011 tegenover de rijksrecherche verklaard niet meer te weten hoe destijds de aanbieding van de in het onderzoek [naam] inbeslaggenomen verdovende middelen aan het facilitair bedrijf is verlopen.

Door de rijksrecherche is in de administratie van de politie verder gezocht naar andere documenten die betrekking hebben op onderwerpen als [naam], 748 XTC-pillen/tabletten en/of 100 XTC-pillen/tabletten in combinatie met Mitsubishi- en/of Butterfly-logo, en/of [verbalisant3] of [verbalisant 5]. In voornoemde administratie werden geen documenten aangetroffen met daarin verwijzingen naar deze genoemde onderwerpen. Ook werd de administratie met betrekking tot de daadwerkelijke vernietiging van de verdovende middelen niet aangetroffen.

De rechtbank overweegt dat, ondanks het ontbreken van een uitputtende administratie met betrekking tot de daadwerkelijke vernietiging van de in het onderzoek [naam] inbeslaggenomen verdovende middelen, het dossier wel stukken bevat waaruit kan worden afgeleid dat de betreffende verdovende middelen in februari 2008 kunnen zijn vernietigd. De rechtbank baseert haar oordeel met name op genoemde mutatie van opsporingsambtenaar [verbalisant3] van 2 april 2009. Reeds gelet hierop is aldus niet genoegzaam komen vast te staan dat de pillen die door verdachte door het toilet zijn gespoeld dezelfde pillen betroffen als de in het onderzoek [naam] inbeslaggenomen XTC-pillen.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of op grond van de overige bewijsmiddelen buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte XTC-pillen aanwezig heeft gehad. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (o.a. LJN: AZ8803), waarnaar de officier van justitie in zijn schriftelijke requisitoir heeft verwezen, behoeft het bewijs dat iemand verdovende middelen aanwezig heeft gehad niet in alle gevallen gebaseerd te worden op een positieve (laboratorium)test daaromtrent. Ook op basis van andere bewijsmiddelen, zoals bijvoorbeeld verklaringen van getuigen of verdachten, of de overige feiten en omstandigheden, kan de rechter zulks aannemen.

De rechtbank stelt in de onderhavige zaak echter vast dat slechts uit de verklaring van [mededader] kan worden afgeleid dat verdachte XTC-pillen aanwezig heeft gehad. Zij heeft in dat kader onder meer verklaard dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat elk gripzakje in de kartonnen doos in zijn werkkoffer ongeveer 95 XTC-pillen bevatte. Verdachte bestrijdt evenwel dat hij tegen [mededader] heeft gezegd dat de kartonnen doos in de koffer XTC-pillen bevatten; verdachte heeft verklaard de samenstelling van de pillen in zijn koffer niet te kennen en ook niet te weten hoe deze pillen in zijn koffer terecht zijn gekomen. Getuige [getuige], politieambtenaar, heeft verklaard dat zij in de kartonnen doos weliswaar een gripzakje met pillen heeft aangetroffen, maar dat zij niet met zekerheid kon zeggen dat het XTC-pillen waren, omdat ze deze pillen niet aan een test had onderworpen en voorts omdat ze niet had gezien of er tekens of logo’s op die pillen gedrukt stonden, hetgeen een sterke aanwijzing had kunnen opleveren dat het om XTC-pillen gaat.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op grond van de genoemde bewijsmiddelen niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat verdachte XTC-pillen aanwezig heeft gehad. De door de officier van justitie in dat kader nog aangehaalde overige bewijsmiddelen, waaronder de correspondentie tussen [mededader] en [getuige] over XTC-pillen, alsook de tussen hen gevoerde sms’jes daaromtrent, maken dat oordeel niet anders.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 is ten laste gelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2.

Zoals overwogen heeft het Bureau Interne Onderzoeken ([verbalisant 1]) ten aanzien van verdachte een disciplinair onderzoek ingesteld. In het kader van dat disciplinair onderzoek is het [verbalisant 1] op 12 februari 2010 gestart met het loggen van de inkomende- en uitgaande e-mail via het dienstaccount Outlook van verdachte.

Operationeel leidinggevende bij de Divisie Recherche, inspecteur [verbalisant6], heeft verdachte op 25 februari 2010 verzocht om zijn spullen, zowel privé als inbeslaggenomen goederen, op te ruimen in de kelder van het politiebureau aan de Mathildelaan in Eindhoven. Van genoemde e-mail kreeg verbalisant [verbalisant 1] op 26 februari 2010 kennis. [verbalisant 1] voornoemd heeft vervolgens een onderzoek ingesteld in de ruimte bestemd voor opslag van inbeslaggenomen goederen (IBN-ruimte) van de Divisie Recherche in de kelder van het regiobureau in Eindhoven. Aldaar trof zij onder meer aan een doos met opschrift ‘Autobar/.200 bekers’ waarop de naam ‘[verdachte]’ geschreven was. In deze doos trof zij onder meer aan gripzakjes met in totaal 113 pillen en stukjes pillen, een plastic buisje met een rode dop en twee cd-rom’s met respectievelijk het opschrift ‘KTZ 28C314 sessie 172 29-1-2004’ en ‘2596 KTZ28C314 25-2-2004’. Uit onderzoek is gebleken dat 112 pillen van de 113 aangetroffen pillen MDMA bevatten (één pil betrof een viagrapil).

Uit onderzoek van het [verbalisant 1] is gebleken – en dit werd door verdachte ter terechtzitting van 3 februari 2012 met zoveel woorden ook erkend – dat de aangetroffen pillen en het buisje met een rode dop afkomstig waren uit het politieonderzoek van het Kernteam Zuid/USD, met de codenaam [naam]. In dat politieonderzoek zijn in 2003 door genoemd Kernteam 137 XTC-tabletten, 5 halve XTC-tabletten en een buisje met een rode dop met daarin 0,5 milliliter GHB aangetroffen en in beslag genomen, welke goederen – zo blijkt uit het onderzoek door de Rijksrecherche – niet ter vernietiging zijn afgevoerd.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard geen wetenschap te hebben over de wijze waarop voornoemde XTC-pillen en het buisje bevattende GHB in een verhuisdoos met zijn persoonlijke spullen terecht zijn komen. De aangetroffen cd-rom’s waren bij verdachte niet bekend. Verdachte is in 2004 van het politiebureau in Helmond verhuisd naar het politiebureau in Eindhoven. Volgens verdachte is het mogelijk dat genoemde goederen al in de verhuisdoos lagen op het moment dat hij zijn persoonlijke spullen daarin deed. Het is volgens verdachte evenwel ook mogelijk dat hijzelf deze goederen samen met zijn persoonlijke spullen in de doos heeft gestopt en deze doos vervolgens van het politiebureau in Helmond naar de IBN-ruimte van het politiebureau in Eindhoven heeft gebracht. Verdachte heeft ontkend deze goederen opzettelijk zich wederrechtelijk toegeëigend te hebben of weggenomen te hebben.

De rechtbank overweegt het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de inhoud van het dossier niet worden vastgesteld wanneer en op welke wijze de gripzakjes met XTC-pillen, het plastic buisje bevattende GHB en de twee cd-rom’s in de betreffende verhuisdoos van verdachte terecht zijn gekomen en door wiens toedoen dat is gebeurd. De rechtbank is met verdachte van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat genoemde goederen zich al in de verhuisdoos bevonden toen verdachte, alsdan kennelijk onoplettend, zijn persoonlijke spullen daarin deed. De verklaring van verdachte dat hij het wellicht toch zelf heeft gedaan, maakt dat oordeel niet anders, nu zulks geenszins met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld. Voorts overweegt de rechtbank dat de betreffende verhuisdoos van verdachte – onafgesloten – van oktober 2004 tot februari 2010 in de IBN-ruimte van het politiebureau aan de Mathildelaan in Eindhoven heeft gelegen en dat deze ruimte in ieder geval tot november 2009 voor meerdere politiemedewerkers middels een toegangssleutel op eenvoudige wijze toegankelijk was. Om die reden valt evenmin uit te sluiten, zoals verdachte ter terechtzitting terecht heeft betoogd, dat genoemde goederen in de verhuisdoos terecht zijn gekomen nadat verdachte deze in de IBN-ruimte had geplaatst. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt dan ook het bewijs dat verdachte zich deze goederen opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend of met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan ten aanzien van feit 3.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

De officier van justitie heeft op gronden in zijn schriftelijke requisitoir verwoord geconcludeerd dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan kort gezegd het beïnvloeden van een getuige, terwijl verdachte wist dat die getuige een verklaring ten overstaan van politieambtenaren zou gaan afleggen.

De verdediging heeft op gronden in haar schriftelijke pleitnota verwoord, vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht voor haar oordeel de navolgende feiten en omstandigheden van belang.

Op 28 januari 2010 vond een gesprek plaats tussen [mededader] en medewerkers van de Afdeling Interne Onderzoeken van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost. In dat gesprek heeft [mededader] verteld dat verdachte – toen werkzaam als politieambtenaar – een koffer in haar woning aan de [adres] te [woonplaats] had gezet met daarin een kartonnen doos met 12 à 15 gripzakjes met pillen en een flesje met daarop een sticker met de letters ‘GHB’. Verdachte zou tegen [mededader] gezegd hebben dat de pillen XTC-pillen zouden zijn en dat GHB een grondstof voor de productie van XTC was. De spullen in de koffer zouden van het werk van verdachte afkomstig zijn. In het gesprek heeft [mededader] voorts verteld dat zij en verdachte genoemde pillen en GHB door het toilet hebben gespoeld en de kartonnen doos in de buitenopenhaard hebben verbrand.

Naar aanleiding van de door [mededader] op 28 januari 2010 afgelegde verklaring met betrekking tot het doorspoelen van XTC-pillen en GHB door haar en verdachte in haar woning, werd door de vervangend korpschef op 3 februari 2010 opdracht gegeven tot het instellen van een nader verkennend onderzoek tegen verdachte. Dit onderzoek is verricht door het Bureau Interne Onderzoeken van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost ([verbalisant 1]).

Op 12 februari 2010 is het [verbalisant 1] in het kader van genoemd disciplinair onderzoek gestart met het loggen van de inkomende en uitgaande e-mail via het dienstaccount Outlook van verdachte.

Op 15 maart 2010 heeft [mededader] telefonisch contact opgenomen met de Afdeling Interne Onderzoeken. Zij gaf in dat gesprek aan iets te willen bespreken, maar durfde niet naar het politiebureau te komen. Naar aanleiding van dit telefoongesprek vond op 17 maart 2010 in de woning van [mededader] een gesprek plaats tussen haar en medewerkers van het [verbalisant 1]. In dat gesprek heeft [mededader] onder meer verklaard dat ze tegen verdachte had verteld, dat ze een gesprek had gehad met interne zaken en dat zij daarin had verteld dat ze samen, verdachte en [mededader], pillen door het toilet had gespoeld en dat zij later een doos met asresten voor onderzoek aan de interne onderzoekers had afgedragen. Verdachte vroeg daarop aan [mededader] of ze bij interne onderzoeken niet kon gaan vertellen dat ze de zaak verzonnen had of dat ze doorgedraaid was dan wel hem een loer had willen draaien. [mededader] heeft toen, op aandrang van verdachte en in zijn bijzijn, met de luidspreker van haar mobiele telefoon op luid, de interne onderzoekers opgebeld en aan hen gevraagd hoe ver het stond met het onderzoek naar de asresten.

Op 14 juni 2010 is [mededader] door de rijksrecherche uitgenodigd voor een verhoor op 15 juni 2010 in verband met een onderzoek naar het mogelijk plegen van strafbare feiten door verdachte. Op 15 juni 2010 nam [mededader] telefonisch contact op met verbalisant [verbalisant 2] van de rijksrecherche in welk gesprek zij aangaf op korte termijn geen tijd te hebben voor het verhoor in verband met een sollicitatieprocedure en andere privékwesties. Er is vervolgens een afspraak gemaakt voor een verhoor op 21 juni 2010.

Uit onderzoek van het dienstaccount Outlook van verdachte is gebleken dat hij in de periode van 15 tot en met 17 juni 2010 veelvuldig via e-mailcontact heeft gehad met [mededader].

Uit dit onderzoek is het volgende gebleken.

Op 15 juni 2010 te 12.41 uur heeft [mededader] een e-mail gestuurd naar [logbestand], zijnde het logbestand van de mailbox van verdachte, met als onderwerp ‘een begin van mijn verhaal’ en als bijlage ‘mijn verhaal mbt [verdachte].doc’ en de tekst “Dit heb ik alvast opgeschreven”.

Op 15 juni 2010 te 13.41 uur stuurt verdachte aan [mededader] een e-mail die een reactie is op de e-mail van 12.41 uur en schrijft daarin onder meer “Okay, mega ziet er goed uit maar kom er nog wel verder op terug (…)”.

Op 15 juni 2010 te 13.44 uur stuurt [mededader] een e-mail naar verdachte, met als bijlage ‘mijn verhaal mbt [verdachte].doc’ en de tekst “Kut wat een gestress. Ik heb het verhaal nog wat aangepast dus hierbij. xxxx”.

De rechtbank stelt vast dat de tekst van de bijlage zoals deze om 13.44 uur is ge-e-maild door [mededader] volledig overeenkomt met de tekst van de bijlage die door haar om 12.41 uur is ge-e-maild, behoudens twee toevoegingen. De eerste toevoeging betreft de vierde regel luidend: “Beiden hebben ook dingen gedaan naar mij toe die niet door de beugel konden, al met al, het was toen 1 grote puinhoop”. De tweede toevoeging betreft de laatste achtste regels tekst, luidend: “Ik wil verder absoluut niet meer op details ingaan daar ik gewoonweg een aantal zaken niet meer terug kan en wil halen en ik dit ook niet meer van belang vind. Het is puur een verhaal tussen [verdachte] en mij, een privéverhaal wat uitgemond is in een heel vervelende situatie die ik snel wil vergeten. We hebben beiden schuld aan deze soap dus een wijzende vinger is niet relevant. Ieder huisje heeft zijn kruisje en ook in relaties worden fouten gemaakt zoals in de relatie tussen [verdachte] en mij. Ik zal dan ook op geen enkel privédetail ingaan want privé is privé en daar wil ik het ook bij houden”.

Op 17 juni 2010 te 08.59 uur heeft verdachte aan [mededader] een e-mail gestuurd met onder meer de tekst “Ga zo wat sleutelen aan jouw verhaal”.

Op 17 juni 2010 te 09.29 uur heeft verdachte aan [mededader] een e-mail gestuurd waarin hij schrijft: “Ja dan heb je in ieder geval een idee hoe men te werk gaat al is het natuurlijk wel zo dat er bij jou wat andere vragen om de hoek komen kijken. Ik bedoel dat je denk ik dezelfde vragen krijgt zoals drugsgebruik, drankgebruik, agressie, fysieke toestanden, verhouding met de kinderen, schulden, en noem maar op. Maar ook zullen ze vragen waarom je het e.e.a. hebt verteld en dan kom je dus uit bij ons relatieverhaal (hoe spijtig dat ook was). Op basis daarvan moet het verhaal verder onderuit.”

Op 17 juni 2010 te 09.33 uur heeft [mededader] aan verdachte een e-mail gestuurd waarin zij schrijft “Je moet me straks nog even uitleggen “ons relatieverhaal (hoe spijtig dat ook was)” Snap ik niet helemaal hoe ik dat moet verwoorden”.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 3 februari 2012 niet betwist dat genoemde e-mails door hem zijn ontvangen dan wel verstuurd op of vanaf zijn werkplek in het politiebureau in Eindhoven.

Op 21 juni 2010 is [mededader] door ambtenaren van de rijksrecherche als getuige gehoord. In dit verhoor heeft [mededader] verklaard dat ze haar verklaring, zoals zij dat op 28 januari 2010 bij medewerkers van het [verbalisant 1] heeft afgelegd, uit rancune had verteld. [mededader] heeft voorts voorafgaand aan haar verhoor aan de verbalisanten een door haar op schrift gestelde verklaring overhandigd. In deze verklaring heeft [mededader] onder meer geschreven dat zij een moeilijke tijd achter de rug heeft gehad die haar op sommige momenten tot wanhoop, paniek en een volkomen doordraaiverhaal heeft gedreven. Ook heeft zij in deze brief geschreven dat verdachte geen drugs in zijn koffer zou hebben gehad.

De rechtbank stelt vast, gelijk de officier van justitie, dat de tekst van de door [mededader] op 21 juni 2010 aan de verbalisanten van de rijksrecherche overhandigde verklaring volledig overeenkomt met de tekst die als bijlage is gevoegd bij de reeds genoemde e-mail van 15 juni 2010 te 13.44 uur, behoudens drie toevoegingen en twee aangebrachte taalkundige wijzigingen.

De eerste toevoeging betreft de eerste tien regels van het geschrift, luidend: “Omdat ik bang ben dat ik meteen heel erg geëmotioneerd raak, heb ik de afgelopen dagen geprobeerd om het e.e.a op papier te zetten omtrent deze hele vervelende situatie. Ik heb uiteraard met mijn oudste dochter gesproken, [dochter] helaas alleen per mail en ik vind het verschrikkelijk dat zij

hier in betrokken zijn geraakt. Het ging eigenlijk net allemaal weer, met hen, de goede kant op, na een hele moeilijke periode en ik ben echt bang dat ik [dochter] nu helemaal kwijt ben. Ik weet mezelf momenteel ook geen raad met alles en daarom vraag ik u of u dit eerst wilt lezen voordat u mij vragen gaat stellen. Overigens is het wel zo dat ik indertijd tegen de mensen van IZ heb gezegd dat ik absoluut niet wilde dat mijn kinderen hierin betrokken zouden raken omdat zij er part noch deel aan hebben, het was iets tussen [verdachte] en mij. Als ik dan opeens hoor dat ze allebei wel verhoord gaan worden dan word ik daar heel erg verdrietig van en eigenlijk ook gewoon heel boos.”

De tweede toevoeging betreft de zin, vanaf de 22e regel van boven gerekend, luidende: “Ik bedoel daarmee dat hij me zo heeft gekwetst en bedrogen dat ik vond dat hij dit eigenlijk gewoon verdiende.”

De derde toevoeging betreft zes regels, vanaf de 26e regel van boven gerekend, luidend: “Er zijn hier simpelweg nooit verdovende middelen in huis geweest in wat voor doosje dan ook. Ik was zo vreselijk boos op hem voor al hetgeen hij mij heeft aangedaan de afgelopen tijd. Ik voelde me gigantisch door hem bedrogen en besodemieterd. Ook mijn beide kinderen waar hij in het begin heel goed contact mee had heeft hij bedrogen en besodemieterd. Ik snap niet hoe hij het dat ooit heeft kunnen doen. We hadden het zo goed samen en dat hadden we nog kunnen hebben.”

Voorts zijn er nog twee taalkundige wijzingen aangebracht. In de 31e regel zijn de woorden “een ieder” opgenomen, welke woorden in de eerdere versies van het geschrift aan elkaar waren geschreven als “eenieder”. In de 32e en 33e regel is ten aanzien van de tekst “(…) die eindelijk hun leventje weer op de rit hadden en nu weer geconfronteerd werden met mijn verhaal” na de woorden ‘nu’ en ‘weer’ het woord ‘ook’ toegevoegd.

Op 31 augustus 2010 is [mededader] op haar eigen initiatief voor een tweede keer gehoord door de rijksrecherche. Zij heeft toen verklaard dat zij voorafgaand aan haar verhoor door de rijksrecherche van 21 juni 2010 een verklaring op papier had gezet en deze verklaring naar het werk-e-mailadres van verdachte had ge-e-maild. Verdachte heeft toen naar die verklaring gekeken en enkele aanpassingen gemaakt. Verdachte en [mededader] hebben vervolgens voorafgaand aan het verhoor van [mededader] de door verdachte aangepaste verklaring samen doorgenomen. De inhoud van deze schriftelijke verklaring is onjuist. [mededader] heeft verder verklaard dat ze door verdachte is voorgelogen en dat ze zich door hem gemanipuleerd voelde.

Verdachte heeft op 14 januari 2011 bij de rijksrecherche verklaard dat hij niet uitsluit dat hij de door [mededader] aan hem ge-e-mailde verklaring heeft gelezen en dat hij enkele wijzingen heeft aangebracht. Hij heeft verder verklaard dat hij evenmin uitsluit dat deze aanpassingen door hem in het bijzijn van [mededader] zijn aangebracht. Voorts heeft verdachte verklaard dat het best kan zijn dat zijn e-mail van 17 juni 2010 te 08.59 uur waarin hij heeft geschreven “Ga zo wat sleutelen aan jouw verhaal” betrekking heeft gehad op de door [mededader] op 15 juni 2010 naar hem verstuurde schriftelijke verklaring.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 3 februari 2012 een hiervan deels afwijkende verklaring afgelegd. Hij heeft onder meer het volgende verklaard. Verdachte wist dat [mededader] door de rijksrecherche was uitgenodigd om als getuige een verklaring af te leggen over vermoedelijk door hem gepleegde strafbare feiten. Volgens verdachte was [mededader] hiervan overstuur. Om die reden heeft verdachte haar toen geadviseerd om haar verhaal op te schrijven. Verdachte heeft namelijk in zijn functie als politieambtenaar in het verleden wel vaker een dergelijk advies gegeven. Verdachte heeft met klem ontkend de schriftelijke verklaring van [mededader] inhoudelijk te hebben aangepast en gewijzigd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op grond van de hiervoor aangehaalde verklaringen en e-mailberichten genoegzaam kan worden bewezen dat verdachte zich opzettelijk jegens [mededader] heeft geuit met het kennelijke doel om haar vrijheid naar waarheid ten overstaan van ambtenaren van de rijksrecherche een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij wist dat [mededader] door de rijksrecherche was uitgenodigd om als getuige een verklaring af te komen leggen. Voldoende is komen vast te staan dat verdachte een door [mededader] opgestelde schriftelijke verklaring inhoudelijk heeft aangepast en gewijzigd en voorafgaand aan haar verhoor bij de rijksrecherche met haar heeft besproken. De stelling van de verdediging dat er in de onderhavige zaak geen sprake is geweest van beïnvloeding, nu het [mededader] vrij stond om de verklaring mee te nemen naar haar verhoor of zelf nog te wijzigen, kan niet slagen. Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (LJN: BC7910) is immers voor een bewezenverklaring van een op artikel 285a van het Wetboek van Strafrecht gestoelde tenlastelegging voldoende dat komt vast te staan dat de uiting kennelijk bedoeld was om de vrijheid van de in die bepaling bedoelde persoon te beïnvloeden om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen. Voor een bewezenverklaring is niet nodig dat de uitingen waarvan verdachte zich heeft bediend ook tot een daadwerkelijke beïnvloeding van de vrijheid om te verklaren hebben geleid.

De verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft gegeven voor de inhoud van de door hem aan [mededader] gestuurde e-mails, waarbij de rechtbank met name doelt op de e-mail van verdachte van 17 juni 2010 te 08.59 uur waarin verdachte heeft geschreven “Ga zo wat sleutelen aan jouw verhaal” en ten aanzien waarvan verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij met ‘verhaal’ heeft bedoeld het verhaal dat [mededader] aan haar kinderen wilde gaan vertellen met betrekking tot hun – in de woorden van verdachte – knipperbolrelatie, acht de rechtbank – met name gelet op de context van dit bericht en de overige in deze periode verzonden berichten – volstrekt onaannemelijk en vindt ook geen steun in de overige bewijsmiddelen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

(3.)

in de periode van 28 januari 2010 tot en met 21 juni 2010, te Waalre en Eindhoven, opzettelijk bij geschrift zich jegens [mededader] heeft geuit, kennelijk om haar vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij wist dat die verklaring zou worden afgelegd, immers heeft hij (kort samengevat en zakelijk weergegeven) het navolgende gedaan:

verdachte heeft

-nadat door [mededader] voornoemd bij de regiopolitie Brabant Zuid Oost (Afdeling Interne Onderzoeken) melding was gemaakt van en een of meer gesprekken waren gevoerd over een of meer door hem, verdachte, vermoedelijk gepleegde strafba(a)r(e) feit(en) betrekking hebbende op overtreding van de Opiumwet, en toen voormelde [mededader] naar aanleiding van het daarop volgend ingestelde onderzoek door respectievelijk de regiopolitie Brabant Zuid Oost (Afdeling Interne Onderzoeken) en de rijksrecherche was uitgenodigd om daarover en in dat verband ten overstaan van een of meer ambtena(a)r(en) van de rijksrecherche als getuige een verklaring af te leggen - een op voorhand opgestelde verklaring, welke verklaring die [mededader] - op schrift en als zijnde haar verklaring - kort voor of bij haar verhoor als getuige aan die ambtena(a)r(en) van de rijksrecherche heeft overhandigd, opgesteld en gewijzigd en laten wijzigen en aangepast en laten aanpassen in dier voege dat uit de inhoud van dat opgestelde en aangepaste en gewijzigde geschrift naar voren kwam dat hij, verdachte, het/de hiervoor bedoelde strafba(a)r(e) feit(en) niet, althans niet op de wijze zoals in de hiervoor bedoelde melding bij en in het daarop volgende gesprek met de regiopolitie Brabant Zuid Oost (Afdeling Interne Onderzoeken) door die [mededader] was omschreven en was aangegeven, zou hebben gepleegd en dat derhalve het door die [mededader] aanvankelijk naar voren gebrachte verhaal niet, althans niet in zijn geheel, op waarheid berustte.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1, feit 2 primair en feit 3 gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis met aftrek ingevolge artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft geen schriftelijke vordering aan de rechtbank overgelegd, maar heeft voornoemde strafeis in zijn schriftelijke requisitoir opgenomen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring en een strafoplegging mocht komen heeft de verdediging subsidiair matiging van de door de officier van justitie gevorderde straf bepleit. Met een beroep op de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft zij verder nog aangevoerd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft, terwijl hij wist dat zijn toenmalige vriendin [mededader] in zijn strafzaak als getuige door de rijksrecherche zou worden gehoord, een door haar ten behoeve van dat verhoor tevoren opgestelde verklaring aangepast en gewijzigd. De rechtbank rekent verdachte zeer zwaar aan dat hij als politieambtenaar dergelijk strafbaar gedrag heeft vertoond. Verdachte heeft in ernstige mate verzuimd zich als politieambtenaar professioneel en integer op te stellen, hetgeen van hem verwacht had mogen worden. De persoonlijke verhouding tussen verdachte en [mededader] levert in dit verband geen verzachtende omstandigheid op. Van verdachte als professional dient zondermeer te kunnen worden verwacht dat hij zich onthoudt van gedragingen die de verklaringsvrijheid zouden kunnen beïnvloeden, te meer nu het een hem persoonlijk betreffend onderzoek betrof. Dat [mededader] en verdachte een relatie onderhielden maakt dit niet anders. Verdachte heeft door zo te handelen bevorderd dat [mededader] een – mogelijk – meinedige verklaring zou afleggen en aldus getracht om het strafproces in zijn strafzaak ten gunste van zichzelf te beïnvloeden. Dit acht de rechtbank zeer kwalijk, te meer nu in beginsel moet kunnen worden uitgegaan van de juistheid van de door getuigen in een strafproces afgelegde verklaring.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden. De rechtbank zoekt bij de bepaling van de duur van deze straf aansluiting bij de straffen die doorgaans bij soortgelijke delicten, waarbij de rechtsgang opzettelijk wordt gefrustreerd, worden opgelegd. De rechtbank denkt hierbij met name aan het delict meineed, een strafbaar feit waarvoor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden als uitgangspunt wordt genomen.

De rechtbank zal aldus een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank, ondanks het feit dat de rechtbank verdachte van hetgeen aan hem onder feit 1 en feit 2 is ten laste gelegd zal vrijspreken, een voorwaardelijke gevangenisstraf niet passend.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het voordeel van verdachte betrekken dat de onderhavige strafzaak grote financiële en rechtspositionele gevolgen voor hem heeft gehad, nu hij als politieambtenaar strafontslag heeft gekregen en mede als gevolg daarvan geen recht op een uitkering heeft.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden.

Motivering met betrekking tot de inbeslaggenomen goederen.

De officier van justitie heeft onttrekking aan het verkeer gevorderd van de hierna in het dictum onder de letter a. nader te noemen goederen. Met betrekking tot de goederen genoemd onder de letters b. tot en met e. heeft de officier van justitie bewaring daarvan gevorderd ten behoeve van de rechthebbende(n) en met betrekking tot de goederen genoemd onder de letters f. tot en met n. teruggave daarvan aan verdachte.

De verdediging heeft teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan verdachte bepleit met uitzondering van de inbeslaggenomen verdovende middelen. Deze kunnen worden onttrokken aan het verkeer.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum onder de letter a. nader te noemen goederen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat – zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken – dit goederen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Ten aanzien van de het dictum onder de letters b. tot en met e. nader te noemen inbeslaggenomen goederen zal de rechtbank de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) gelasten.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum onder de letters f. tot en met n. nader te noemen inbeslaggenomen goederen aan verdachte, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave daarvan.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 63 en 285a van het Wetboek van Strafrecht .

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 en feit 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het onder feit 3 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde onder feit 3 oplevert:

opzettelijk bij geschrift zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet dat die verklaring zal worden afgelegd;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel:

gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het

Wetboek van Strafrecht;

gelast de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

a. een enveloppe met als inhoud ongeveer 100 XTC-pillen en een buisje (ibn-code 1);

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

b. een cd-rom kopie [naam TGO] (nummer B.03.01.001.006);

c. een videoband 08-11-[woonplaats] Maas/DR6023 (nummer B.03.01.001.017);

d. een kunststof bak(je) met als inhoud: een rugzak en bescheiden met betrekking tot zaak [naam zaak] (nummer A.01.01.001);

e. twee compactdiscs, met opschrift KTZ 28C314 + data 29-01-'04 en 25-02-'04, DSRT/KLPD (nummer A.01.03.001);

gelast de teruggave van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

f. een mobiele telefoon, Image (nummer C.01.01.001);

g. een agenda van 2010, merk Brepols, leder hoes, kleur zwart (nummer

B.01.01.003);

h. een document beginnende met "Omdat ik bang ben dat ik" (nummer B.02.02.001);

i. een agenda van 2009, kleur blauw (nummer B02.02.003);

j. een document (schuldbekentenis [verdachte] d.d. 17-12-10 [mededader]) (nummer

B.02.02.006);

k. een koffer met cijferslot, kleur zwart (nummer B.03.01.001);

l. een brief van [mededader] aan [voornaam] TNT-stempel d.d. 25-07 (nummer B.03.02.001);

m. een kartonnen doos, merk Versfelt, met opschrift '[verdachte]' met als

inhoud diverse bescheiden (nummer A.01.02.001);

n. een kartonnen doos, merk Autobar, met opschrift [naam verdachte]: inhoud diverse

bescheiden (nummer A.01.02.002).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W. Schoorlemmer, voorzitter,

mr. M.Th. van Vliet en mr. W. Overbosch, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 17 februari 2012.

Mr. W. Overbosch is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature