< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Weigering WAZ-uitkering: minder dan 25% arbeidsongeschikt. Het Uwv diende te beoordelen of appellante op grond van de bepalingen van de AAW zoals deze luidden op 1 mei 1997, als arbeidsongeschikt is te beschouwen. Nu het om materieel nagenoeg gelijkluidende bepalingen gaat, leest de Raad het bestreden besluit als weigering een uitkering met toepassing van de bepalingen van de AAW toe te kennen. Eerst in hoger beroep afdoende motivering gegeven voor de geschiktheid van de geduide functies.

Uitspraak



10/6509 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 oktober 2010, 09/778 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 10 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.E. Nijk, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2012. Namens appellante is verschenen mr. Nijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Op 12 juli 2004 heeft appellante het Uwv verzocht haar een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen wegens bestaande arbeidsongeschiktheid als gevolg van lichamelijke en psychische klachten. Bij besluit van 18 juli 2006, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 3 november 2006, heeft het Uwv geweigerd aan appellante per 30 juni 2003 een WAZ-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt is. De rechtbank heeft bij uitspraak van 31 augustus 2007 het besluit van 3 november 2006 vernietigd wegens een onjuiste vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Ter uitvoering van de door de rechtbank gegeven opdracht heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 23 januari 2008 geweigerd aan appellante per 1 mei 1997 en per 30 juli 2003 (lees: 30 juni 2003) een WAZ-uitkering toe te kennen, omdat zij op beide data minder dan 25% arbeidsongeschikt is. De rechtbank heeft bij uitspraak van 20 augustus 2008 het besluit van 23 januari 2008 vernietigd voorzover het de datum 1 mei 1997 betreft, omdat het Uwv onvoldoende heeft onderzocht of appellante ook per 1 mei 1997 fysieke beperkingen had. Met betrekking tot de datum 30 juni 2003 heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit van 23 januari 2008 onderschreven. Tegen de uitspraak van 20 augustus 2008 is geen hoger beroep ingesteld.

1.2. Na dossierstudie heeft de bezwaarverzekeringsarts nader gemotiveerd waarom er bij appellante geen sprake is van fysieke beperkingen op 1 mei 1997. Het Uwv heeft vervolgens bij beslissing op bezwaar van 9 april 2009 (bestreden besluit) wederom geweigerd aan appellante een WAZ-uitkering per 1 mei 1997 en per 30 juni 2003 toe te kennen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, voor zover het de weigering betreft om appellante per 1 mei 1997 een WAZ-uitkering toe te kennen en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat, gelet op het in beroep door de bezwaarverzekeringsarts verrichte onderzoek, het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit zijn in stand gelaten, omdat er geen argumenten zijn om af te wijken van het medisch oordeel van de bezwaarverzekeringsarts, inhoudende dat bij appellante per 1 mei 1997 geen sprake is van fysieke beperkingen.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar aanspraak op een uitkering beoordeeld had moeten worden aan de hand van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Verder heeft appellante aangevoerd dat haar fysieke (en psychische) belastbaarheid per 1 mei 1997 is overschat. Voorts kan het bestreden besluit volgens appellante, gezien het door het Uwv in hoger beroep verrichte arbeidskundig onderzoek, niet worden gehandhaafd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Het geschilpunt betreft, gelet op de hiervoor in 1.1 vermelde uitspraak van de rechtbank van 20 augustus 2008 en gelet op het verhandelde ter zitting, uitsluitend de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 1 mei 1997 terecht op minder dan 25% heeft vastgesteld. Daarbij gaat het met name om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit in rechte stand kan houden, en in het bijzonder of de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv kan worden gevolgd in zijn standpunt dat op de datum in geding, te weten 1 mei 1997, geen sprake is van fysieke beperkingen bij appellante.

4.2. Naar vaste jurisprudentie van de Raad dienen aanspraken van de verzekerde in beginsel te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop de aanspraak betrekking heeft. In het onderhavige geval betekent dit dat het Uwv diende te beoordelen of appellante op grond van de bepalingen van de AAW zoals deze luidden op 1 mei 1997, als arbeidsongeschikt is te beschouwen. Nu het om materieel nagenoeg gelijkluidende bepalingen gaat, leest de Raad het bestreden besluit als weigering een uitkering met toepassing van de bepalingen van de AAW toe te kennen.

4.3. De Raad kan zich ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. De in beroep en hoger beroep namens appellante overgelegde stukken bevatten naar het oordeel van de Raad geen objectieve medische gegevens die de stelling van appellante ondersteunen dat zij op de datum in geding, naast psychische, ook fysieke beperkingen had. De informatie van radioloog G.J. Waldman van 19 oktober 2010 heeft geen betrekking op de datum in geding en kan reeds hierom geen betekenis hebben voor dit geding. Aan het medisch rapport van verzekeringsarts W.M. van der Boog van 16 december 2011 kent de Raad niet die betekenis toe die appellante daaraan toegekend wil zien. Het rapport, dat op basis van dossierstudie is opgesteld, bevat geen concrete aanwijzingen voor het bestaan van fysieke beperkingen op de datum in geding. Van der Boog geeft weliswaar aan medisch inhoudelijk geloof te hebben in het standpunt van appellante, maar wegens de angst en weerzin van appellante om te graven in haar verleden acht hij het vinden van relevante medische feiten moeilijk, zij het niet onmogelijk. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld - onder meer in zijn uitspraak van 3 juni 2008, LJN BD4453 - moet de omstandigheid dat door tijdsverloop de medische situatie niet meer verantwoord is vast te stellen voor risico blijven van degene die (alsnog) een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering indient.

4.4. Uitgaande van de juistheid van de door de artsen van het Uwv vastgestelde beperkingen is de Raad van oordeel dat de (resterende) aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. De onderbouwing hiervoor vindt de Raad echter eerst terug in het in hoger beroep ingebrachte rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 17 februari 2011, waarin de geschiktheid van de (resterende) functies nader is toegelicht. De Raad komt om deze reden tot het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt een deugdelijke motivering ontbeert. De Raad zal hieraan geen gevolgen verbinden voor de aangevallen uitspraak, omdat daarin het bestreden besluit reeds is vernietigd, zij het op een andere grond.

4.5. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet.

5. In hetgeen is overwogen in 4.4 ziet de Raad aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 357,- aan kosten van het in hoger beroep ingebrachte rapport van Van der Boog, in totaal € 1.231,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.231,-, te betalen door het Uwv aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 111,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H. Bolt en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2012.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) H.L. Schoor.

JL


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature