< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Schuldwitwassen. De rechtbank stelt vast dat de TU Delft is opgelicht op de wijze zoals in de tenlastelegging is omschreven. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat het opzet van verdachte was gericht op oplichting. De door verdachte verrichte handelingen zijn naar hun aard zeker gericht op enig vermogensdelict, maar zij zijn onvoldoende specifiek gericht op het plegen van oplichting. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een aanzienlijk geldbedrag en een auto. Dit heeft hij gedaan door een veelheid van handelingen te verrichten, zoals het oprichten van een bedrijf, het openen van een bankrekening, het beschikbaar stellen van deze rekeningen en het contant opnemen en overmaken van geldbedragen. Forse overschrijding van de redelijke termijn. Taakstraf (werkstraf0 voor de tijd van 150 uur en een geldboete van € 3.006,-.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/755031-08

Datum uitspraak: 7 februari 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 24 januari 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.M. Egberts en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. S.L. Sarin, advocaat te Haarlem, en door verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 januari 2007 tot en met 29 maart 2007 te Delft en/of Rijnsburg en/of [woonplaats], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer ander(e) perso(o)n(en), althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, ((een) medewerker(s) van) de Technische Universiteit Delft (telkens) (op valse gronden) heeft bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedrag(en), te weten:

-(ongeveer) EUR 41.679,12 en/of

-(ongeveer) EUR 91.267,41 en/of

-(ongeveer) EUR 15.871,03

althans in totaal een geldbedrag van (ongeveer) EUR 148.817,56 in elk geval (telkens) van enig geldbedrag en/of goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen en aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid drie, althans één of meer (valse) factu(u)r(en) (op naam en/of afkomstig van [verdachte]) verzonden aan en/of aangeboden aan en/of ingeboekt en/of verwerkt, althans ter betaling aangeboden, bij de Technische Universiteit Delft, waarbij door hem, verdachte en/of zijn mededader(s)

-op die factu(u)r(en) (telkens) onjuiste gegevens werden ingevuld en/of opgegeven, te weten(fictieve) werkzaamheden en/of diensten (onder meer verantwoording 2e halfjaar project exergetische systeembenadering en/of verhuiskosten en/of nieuwe aansluiting en/of nieuwe router en/of maandelijkse kosten januari en/of leegruimen 11 ruimtes achter koffiecorners), althans werkzaamheden en/of diensten die niet door [verdachte] zijn verricht en/of

-die factu(u)r(en) heeft/ hebben voorzien van een valse handtekening en/of paraaf, gelijkend op de handtekening en/of paraaf van (een) bevoegd(e) perso(o)n(en) van de TU Delft),

waardoor ((een) medewerker(s) van) Technische Universiteit Delft (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);

art 326 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte] en/of één of meer andere perso(o)n(en), op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 januari 2007 tot en met 29 maart 2007 te Delft en/of Rijnsburg en/of [woonplaats], althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door één of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, ((een) medewerker(s) van) de Technische Universiteit Delft heeft bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedrag(en), te weten

-(ongeveer) EUR 41.679,12 en/of

-(ongeveer) EUR 91.267,41 en/of

-(ongeveer) EUR 15.871,03

althans in totaal een geldbedrag van (ongeveer) EUR 148.817,56 in elk geval (telkens) van enig geldbedrag en/of goed, hebbende die ander(en) met vorenschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- drie, althans één of meer (valse) factu(u)r(en) (op naam en/of afkomstig van [verdachte]) verzonden aan en/of aangeboden aan en/of ingeboekt en/of verwerkt, althans ter betaling aangeboden, bij de Technische Universiteit Delft, waardoor ((een) medewerker(s) van) de Technische Universiteit Delft werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte, tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 09 januari 2007 t/m 29 maart 2007 te [woonplaats] en/of Rijnsburg en/of Leiden en/of Den Haag, althans in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door een eenmanszaak genaamd [eenmanszaak] in te (doen) schrijven bij de Kamer van Koophandel en/of bij de ABN AMRO een bankrekening (met nummer [nummer]) ten behoeve van die eenmanszaak te openen en/of de gegevens van die bankrekening en/of toegang tot die bankrekening te verschaffen aan [medeverdachte] en/of één of meer ander(en), althans zijn mededader(s);

art 326 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 08 maart 2007 tot en met 26 april 2007 te [woonplaats] en/of Kerkdriel en/of Oss, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer ander(e) (rechts)perso(o)n(en), althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) ter hoogte van totaal (ongeveer) EUR 148.817,56 althans een (grote) hoeveelheid geld en/of een auto (merk Mercedes-Benz met kenteken [kenteken]), (telkens) heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat/ die geldbedrag(en) en/of dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

3. Ontvankelijkheid openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn fors is overschreden. Zij overweegt echter dat dit niet kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie (vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358). De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en acht het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

4. Bewijsoverwegingen

4.1 Inleiding

Op 5 april 2007 is er bij de politie Haaglanden aangifte gedaan namens de Technische Universiteit Delft (hierna: de TU Delft) ter zake van valsheid in geschrift en oplichting. Volgens de aangifte isr, naar aanleiding van drie valselijk opgemaakte facturen, een bedrag van in totaal € 148.817,56 overgemaakt naar het bankrekeningnummer van [eenmanszaak], het bedrijf van verdachte.

4.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde feit en dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair heeft de officier van justitie verwezen naar twee recente uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage (parketnummers 09/755107-10 en 09/755108-10) inzake het onderzoek Rimini. Hij heeft, met verwijzing naar HR 13 november 2001, NJ 2002, 245, HR 13 maart 2007, LJN AZ3324, HR 4 maart 2008, LJN BC0780 en HR 12 februari 2005, LJN AS1786, zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank 's-Gravenhage in voormelde uitspraken een te streng criterium voor de voor medeplichtigheid benodigde opzet als uitgangspunt heeft genomen. Voor de bewezenverklaring van opzettelijke medeplichtigheid aan een misdrijf is onder meer vereist dat bewezen wordt dat verdachtes opzet al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op dat misdrijf. Dat opzet hoeft echter niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het misdrijf wordt begaan. Verdachte heeft, door op verzoek van anderen een bedrijf op te zetten, een bijbehorende bankrekening te openen, diverse grote bedragen op te nemen, af te geven en over te maken naar een Chinese bankrekening en bij dit alles geen vragen te stellen, zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid bij oplichting van de TU Delft.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie erop gewezen dat verdachte geld en een auto, afkomstig uit enig misdrijf, voorhanden heeft gehad. Dit had verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden. De officier van justitie heeft daarbij gewezen op de omstandigheden, zoals genoemd bij het onder 1 subsidiair ten laste gelegde. De officier van justitie merkt daarbij op dat het eerste bedrag van € 91.267,41 op 8 maart 2007 door de TU Delft op de rekening van zijn bedrijf is gestort en reeds op 9 maart 2007 (onder meer door verdachte) een geldleningovereenkomst is opgesteld. Voorts heeft verdachte op 14 maart 2007 het geld van deze lening overgemaakt, terwijl op 15 maart 2007 dat bedrag in contanten wordt teruggegeven. Ook heeft verdachte toen van dat op de bankrekening van [eenmanszaak] gestorte geld een tweedehands Mercedes gekocht. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze handelingen slechts met één reden zijn uitgevoerd, namelijk het witwassen van geld. Verdachte had redelijkerwijs kunnen vermoeden dat het niet goed zat. Verdachte heeft, door onder deze omstandigheden geen vragen te stellen, zich schuldig gemaakt aan schuldwitwassen.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven zich ten aanzien van feit 1 primair aangesloten bij de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair heeft de raadsman betoogd dat het handelen van verdachte niet kan worden gekwalificeerd als medeplichtigheid bij oplichting. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte weliswaar naïef heeft gehandeld, maar dat daardoor nog geen sprake is van een strafbare dader. De raadsman heeft erop gewezen dat verdachte is benaderd door [X], die hij al 30 jaar kende en vertrouwde. [X] heeft verdachte voorgehouden dat het door verdachte op te zetten bedrijf personeel zou gaan uitlenen. Onder deze omstandigheden had verdachte niet kunnen vermoeden dat zijn bedrijf zou worden gebruikt om de TU Delft op te lichten. Verdachte dient derhalve van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat aan verdachte is verteld dat zijn bedrijf personeel aan de TU Delft zou gaan uitlenen, terwijl verdachte vervolgens op de bankafschriften heeft gezien dat er geld was gestort door de TU Delft. Zodoende mocht verdachte ervan uitgaan dat de gestorte geldbedragen verband hielden met geleverde diensten. Verdachte dient derhalve van het onder 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

4.4 De beoordeling van de tenlastelegging1

Aangifte

In de periode van januari tot en met maart 2007 heeft de TU Delft naar aanleiding van drie facturen een bedrag van in totaal € 148.817, 56 aan het bedrijf [eenmanszaak] overgemaakt. De facturen bleken betrekking te hebben op niet verrichte werkzaamheden en waren derhalve vals.2

Verklaring van verdachte

Verdachte, wonende te [woonplaats], heeft verklaard dat hij in januari 2007 is benaderd door [X] met de vraag of hij geld wilde verdienen. Hij moest een bedrijf starten en verder niets doen. Daar zou hij € 500,- per week voor ontvangen. Verdachte heeft zich op dat moment niet afgevraagd waarom het bedrijf op zijn naam moest komen te staan. Hij heeft vervolgens de eenmanszaak [eenmanszaak] opgezet, zich als directeur bij de Kamer van Koophandel ingeschreven en een bankrekening voor dit bedrijf geopend. Voorts heeft hij een aantal keer geld bij de bank opgehaald, waarna hij dit geld aan [Y], die samen met [X] het bedrijf zou runnen, heeft afgedragen.3 Bij elkaar is dat ongeveer 9 a 10 keer gebeurd.4 De bankpas en pincode van de bankrekening heeft hij ook aan [Y] afgegeven.5 Voorts heeft verdachte verklaard dat hij op 13 maart 2007 werd gebeld door [X] met het verhaal dat er geld naar een andere rekening van [Y] moest worden overgemaakt via de bankrekening van [Z]. Verdachte is vervolgens met [Z] naar Kerkdriel gereden en is samen met hem naar de bank in Oss gegaan. Daar heeft hij twee maal een geldbedrag overgemaakt. Daarnaast heeft hij op verzoek van [Y] een geldbedrag naar een persoon in Hong Kong overgemaakt.6

Verdachte heeft ook verklaard dat hij op de bankafschriften heeft gezien dat het geld afkomstig was van de TU Delft.7 Tot slot heeft verdachte verklaard dat hij een Mercedes heeft gekregen, nadat hij geld van het bedrijf naar [Z] had overgemaakt.8

Verklaring [Z]

[Z] heeft verklaard dat hij in februari 2007 aan verdachte is voorgesteld. Er is gesproken over een lening van € 60.000,- die verdachte aan [Z] zou verstrekken. Voorts zou verdachte de Mercedes van [Z] overnemen voor een bedrag van € 15.000,-. Vervolgens is [Z] samen met verdachte naar de bank gegaan en is er een bedrag van € 60.000,- overgemaakt, te weten € 15.000,- voor overname van de auto en € 45.000,- voor de lening. Verdachte zou de volgende dag de resterende € 15.000,- van de lening overmaken. Omdat dit niet gebeurde, heeft [Z] op 14 maart 2007 € 45.000,- in contanten aan verdachte teruggegeven. Verdachte heeft getekend voor teruggave van het geld en is vervolgens met het geld en de Mercedes van [Z] weggegaan.9

Documenten

Uit een tot het dossier behorende leenovereenkomst blijkt dat er een geldlening van € 60.000,- is aangegaan tussen [eenmanszaak] en [Z].10 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn handschrift op de overeenkomst staat.11

Uit een tot het dossier behorende kwitantie blijkt dat verdachte op 14 maart 2007 een bedrag van € 45.000,- van [Z] heeft ontvangen.12 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het lijkt alsof zijn handtekening onder de kwitantie staat.13

Oordeel van de rechtbank

Gelijk het standpunt van de officier van justitie en de verdediging, zal de rechtbank verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde feit vrijspreken, nu daarvoor geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig is.

Voor wat betreft de onder 1 subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid bij oplichting overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de TU Delft is opgelicht op de wijze zoals in de tenlastelegging is omschreven. Ook de handelingen die door verdachte zijn verricht, te weten het oprichten van het bedrijf [eenmanszaak], het openen van een bankrekening op naam van dit bedrijf en het beschikbaar stellen van deze bankrekening aan derden,hebben bij die oplichting een rol gespeeld.

De rechtbank overweegt dat verdachte wist, of in ieder geval had moeten weten, dat hij betrokken was bij illegale praktijken en dat hij door de ten laste gelegde handelingen uit te voeren opzet heeft gehad om behulpzaam te zijn bij het plegen van een strafbaar feit.

De rechtbank kan echter niet vaststellen dat het opzet van verdachte was gericht op oplichting. De door verdachte verrichte handelingen zijn naar hun aard zeker gericht op enig vermogensdelict, maar zij zijn onvoldoende specifiek gericht op het plegen van oplichting. Heel wel denkbaar is dat verdachte ook bij de door hem verrichte handelingen die de oplichting mede mogelijk hebben gemaakt uitsluitend het oog heeft gehad op het witwassen van crimineel geld van een onbekende herkomst. Tussen het plegen van een vermogensdelict en het specifieke delict oplichting bestaat niet een dusdanig verband dat op grond daarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat het opzet van verdachte (mede) gericht was op het gronddelict oplichting, ook niet in voorwaardelijke zin.

Derhalve zal verdachte eveneens worden vrijgesproken van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van de bovenstaande, in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een groot geldbedrag en een auto heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij had moeten vermoeden dat dit geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig was en wist dat de auto met dit geld was gefinancierd. Dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld van een misdrijf afkomstig was, leidt de rechtbank onder meer af uit zijn verklaring dat hij op verschillende momenten werd gevraagd om, gekleed in pak, met de bankpas van het door hem opgerichte bedrijf geld op te nemen en af te geven aan meegekomen derden of over te maken naar andere bankrekeningen, waaronder een bankrekening in China. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij voor die verrichte diensten een maandelijkse vergoeding zou krijgen. Door dergelijke handelingen te verrichten, zonder op enig moment vragen te stellen over het hoe en waarom,had verdachte naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs moeten vermoeden dat er sprake was van geldbedragen die rechtstreeks en een auto die middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

4.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

op tijdstippen in de periode van 8 maart 2007 tot en met 26 april 2007 te [woonplaats] en/of Kerkdriel en/of Oss voorwerpen, te weten een geldbedrag ter hoogte van totaal EUR 148.817,56 en een auto (merk Mercedes-Benz met kenteken [kenteken]), heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

5. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

6. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7. De strafoplegging

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf wordt opgelegd van 240 uur, subsidiair 120 dagen. Hij heeft hierbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een geldboete van € 3.006,- (zijnde de waarde van de witgewassen auto) zal worden opgelegd.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt over de op te leggen straf ingenomen.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een aanzienlijk geldbedrag en een auto. Dit heeft hij gedaan door een veelheid van handelingen te verrichten, zoals het oprichten van een bedrijf, het openen van een bankrekening, het beschikbaar stellen van deze rekeningen en het contant opnemen en overmaken van geldbedragen.

De rechtbank rekent het verdachte in het bijzonder aan dat hij enkel oog heeft gehad voor zijn eigen geldelijk gewin. Witwassen betreft een ernstig strafbaar feit waar zowel de benadeelde als de gehele maatschappij veel overlast van ondervindt. De rechtbank rekent het verdachte in het bijzonder aan dat hij zich verregaand naïef heeft opgesteld en totaal geen vragen heeft gesteld bij de vreemde gang van zaken.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 20 december 2011 is verdachte in het verleden eerder veroordeeld voor strafbare feiten.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport d.d. 4 februari 2011, betreffende verdachte. Volgens dit rapport is geen sprake van een delictpatroon. Er zijn aanwijzingen voor financiële problemen. Verdachte krijgt een WAO uitkering, waarvan zijn hele gezin leeft. Vanwege de schulden als gevolg van onderhavig delict kan het gezin moeilijk rondkomen. Het lijkt erop dat verdachte sterk beïnvloedbaar is geweest en dat hij impulsief heeft gehandeld. Het recidiverisico wordt geschat als laag. Indien verdachte schuldig wordt bevonden, wordt geadviseerd een werkstraf op te leggen.

De rechtbank zal bij bepaling van de straffen rekening houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur passend en geboden is. Daarnaast zal de rechtbank een geldboete gelijk aan de opbrengst van de verkoop van de witgewassen auto opleggen, nu het uitdrukkelijk niet de bedoeling is dat verdachte op enige wijze profiteert van het door hem gepleegde delict.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op artikelen 9, 22 c, 22d, 23, 24, 24c en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

SCHULDWITWASSEN;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de tijd van 150 (honderdvijftig) uur;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 75 (vijfenzeventig) dagen;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag.

veroordeelt verdachte voorts tot:

een geldboete van € 3.006,- (drieduizendzes euro);

bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen door hechtenis voor de tijd van 40 (veertig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. J.J. Peters, voorzitter,

H.J.M. Smid-Verhage en S.M. Krans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Dongen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer PL1509/2008/562, van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen.

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 45 (zaaksdossier ZD-01)

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 47 en 48 (zaaksdossier ZD-01)

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 51 (zaaksdossier ZD-01)

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 79 (zaaksdossier ZD-01)

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 51 (zaaksdossier ZD-01)

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 52 (zaaksdossier ZD-01)

8 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 24 januari 2012

9 Proces-verbaal van verhoor van [Z], p. 479 en 480 (ambtshandelingendossier)

10 Geschrift D92, p. 924 (documentendossier)

11 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 24 januari 2012

12 Geschrift D93, p. 925 (documentendossier)

13 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 januari 2012


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature