< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluiten van 10 september 2008 en 22 oktober 2008 heeft de raad twee verzoeken van [appellant] om vergoeding van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [cliënt] afgewezen. Bij besluit van 22 juni 2010 heeft de raad opnieuw beslist op het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, de besluiten van 10 september 2008 en 22 oktober 2008 herroepen en toestemming verleend voor 24 extra uren rechtsbijstand.

Uitspraak



201105966/1/A2.

Datum uitspraak: 8 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], kantoorhoudend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2011 in zaak nr. 10/3359 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluiten van 10 september 2008 en 22 oktober 2008 heeft de raad twee verzoeken van [appellant] om vergoeding van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [cliënt] afgewezen. Bij besluit van 22 juni 2010 heeft de raad opnieuw beslist op het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, de besluiten van 10 september 2008 en 22 oktober 2008 herroepen en toestemming verleend voor 24 extra uren rechtsbijstand.

Bij uitspraak van 28 april 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2011, hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2012, waar [appellant], in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, werkzaam bij de raad, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Bvr 2000), zoals dat luidde ten tijde van belang, wordt, indien in een procedure de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan drie maal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak of op grond van artikel 6 is bepaald, voor elk uur waarin boven die grens rechtsbijstand wordt verleend, één punt toegekend, mits het bureau de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, voor zover thans van belang, dient de rechtsbijstandverlener bij het bereiken van de in de artikel 13 bedoelde tijdgrens een aanvraag in bij het bureau tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden. Tegelijkertijd legt hij een begroting over met betrekking tot de tijdsbesteding van de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden.

Ingevolge het tweede lid stemt het bureau geheel of gedeeltelijk in met de begroting, bedoeld in het eerste lid, indien het van oordeel is dat de rechtsbijstand doelmatig wordt verleend.

2.1.1. Bij de toepassing van artikel 31, tweede lid, van het Bvr 2000 hanteert de raad het Handboek Vergoedingen 2000 (tweede druk, januari 2006; hierna: het Handboek). Volgens het Handboek wordt de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31 van het Bvr 2000, goedgekeurd, wanneer de zaak in vergelijking met andere soortgelijke zaken zodanig feitelijk en/of juridisch gecompliceerd is, dat de behandeling daarvan in redelijkheid niet binnen de tijdsgrens heeft kunnen plaatsvinden en alsnog de door de rechtsbijstandverlener begrootte tijd vergt. Een zaak is feitelijk gecompliceerd, indien zich een veelheid van juridisch relevante feiten voordoet binnen het bereik van de toevoeging. Een zaak is juridisch gecompliceerd, indien binnen het bereik van de toevoeging rechtsvragen beantwoord moeten worden die uitzonderlijk van aard zijn en zich zelden voordoen.

2.1.2. Met de Leidraad extra-urenzaken, die de raden voor rechtsbijstand hebben vastgesteld en in december 2008 bekend hebben gemaakt, is beoogd de toepassing van het volgens het Handboek gevoerde beleid landelijk te uniformeren. Volgens de versie van december 2008, de Leidraad bewerkelijke zaken (hierna: de Leidraad 2008), pagina's 5 en 6, kan bewerkelijkheid van een zaak worden aangenomen, indien er een omvangrijk juridisch relevant feitencomplex is, waardoor niet verwacht kan worden dat alle rechtsbijstand binnen de forfaitaire grens verleend kan worden. Feitelijke complexiteit zal slechts worden aangenomen aan de hand van objectieve factoren. Derhalve zullen factoren die herleidbaar zijn tot de persoon(lijkheid) van de rechtzoekende of de wederpartij geen reden zijn om feitelijke complexiteit, en dus de bewerkelijkheid van de zaak, aan te nemen. Bewerkelijkheid kan ook worden aangenomen, indien sprake is van juridische complexiteit. Daarbij gaat het om bijzondere rechtsvragen, die zich in het soort zaak in kwestie zelden voordoen en met de behartiging waarvan veel meer tijd dan gemiddeld is gemoeid. Als zich in een zaak geen feitelijke en/of juridische complexiteit voordoet, zal een aanvraag om toekenning van extra uren worden afgewezen, ook al is in de desbetreffende zaak gemiddeld meer tijd besteed dan in een gelijksoortige zaak.

2.2. [appellant] is onder nummer […] toegevoegd aan [cliënt] voor het verlenen van rechtsbijstand in een asielprocedure. [appellant] heeft op 13 juni 2008 en 16 september 2008 bij de raad twee aanvragen ingediend om respectievelijk 45 en 36 extra uren te mogen besteden in deze zaak. De raad heeft bij besluit van 4 maart 2009 de afwijzingen van deze aanvragen herroepen en alsnog toestemming verleend voor de besteding van 24 extra uren. Bij eerdere uitspraak van 27 april 2010 in zaak nr. 09/1117 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 maart 2009 vernietigd en de raad opgedragen binnen zes weken na de dag van verzending van die uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 22 juni 2010 heeft de raad, ter uitvoering van die uitspraak van de rechtbank, opnieuw op de bezwaren beslist, de afwijzingen van de aanvragen herroepen en toestemming verleend voor de besteding van 24 extra uren aan de zaak. De raad heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat [appellant] in bezwaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de noodzakelijke rechtsbijstand niet verleend kan worden binnen het forfaitaire tijdsbestek. Volgens de raad is objectief bezien een aantal van 24 extra uren in redelijkheid voldoende om de zaak te behandelen. De rechtbank heeft dit oordeel in stand gelaten.

2.3. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderzocht of de raad bevoegd is beleidsregels vast te stellen, leidt niet tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. De rechtbank was niet gehouden om in de aangevallen uitspraak expliciet hierop in te gaan, aangezien dat punt in beroep niet is aangevoerd en de rechtbank geen aanleiding had hoeven zien voor het oordeel dat het beleid onbevoegd is vastgesteld. Artikel 31, tweede lid, van het Bvr 2000 geeft de raad beoordelingsruimte en daarmee de bevoegdheid beleid vast te stellen ten aanzien van de afhandeling en beoordeling van bewerkelijke zaken en het op grond daarvan toekennen van extra uren rechtsbijstand boven de forfaitaire urengrens.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 22 juni 2010 onzorgvuldig is voorbereid, nu de raad het door [appellant] aangeboden gehele dossier niet heeft willen inzien. Volgens [appellant] heeft ook de rechtbank ten onrechte geen gebruik gemaakt van dit aanbod. Hij wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2010 in zaak nr. &lt;a target="_blank" href="http://rvs2012.internetcomposer.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?verdict_id=eWK58v9gs9w%3D"&gt;200905093/1/H2&lt;/a&gt;.

2.4.1. Dit betoog faalt. In het kader van de beoordeling van de aanvragen om extra uren is de raad niet gehouden het volledige onderliggende dossier te bestuderen. Van belang is dat de raad over de belangrijkste stukken beschikte om dat oordeel te kunnen vormen. [appellant] heeft in de aanvragen, in zijn brief van 29 juli 2008 en in bezwaar toegelicht waarom de extra uren rechtsbijstand in de asielprocedure nodig zijn. Voorts heeft [appellant] stukken van die procedure overgelegd, zoals het uitgebreide beroepschrift, dat tevens een analyse van de zaak is. De raad heeft zich aan de hand hiervan een oordeel kunnen vormen over de bewerkelijkheid van de zaak en was niet gehouden in te gaan op het aanbod van [appellant] om het volledige dossier over te leggen. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het besluit van 22 juni 2010 in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand is gekomen. Er is om dezelfde reden geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank gehouden was om van het volledige dossier van de asielprocedure kennis te nemen.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ook in de omstandigheid dat de van samenstelling gewijzigde bezwarencommissie hem na vernietiging van het eerste besluit op bezwaar niet opnieuw heeft gehoord, ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat het besluit van 22 juni 2010 onzorgvuldig is voorbereid.

2.5.1. Dit betoog faalt eveneens. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 15 mei 1997 in zaak nr. H01.96.0228, AB 1997/263) valt uit artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet een algemene verplichting af te leiden tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank waarbij het eerdere besluit op bezwaar is vernietigd. Dit neemt niet weg dat het onder omstandigheden uit oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk kan zijn om belanghebbenden bij het nemen van een nieuwe beslissing op het bezwaar te horen. Deze situatie doet zich in dit geval echter niet voor. Dat het dossier waarover de commissie beschikte volgens [appellant] niet een volledig beeld geeft van de ingewikkeldheid van de zaak, leidt, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.4.1 is overwogen, niet tot een ander oordeel.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het beleid van de raad onredelijk is, in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en tot willekeur leidt omdat het geen criteria bevat voor het maken van onderscheid tussen bewerkelijke en niet bewerkelijke zaken.

2.6.1. De raad heeft zijn besluitvorming gebaseerd op de Leidraad 2008. Dit beleid houdt in dat bij elk verzoek om vergoeding van extra uren aan de hand van de omstandigheden van het geval wordt beoordeeld of sprake is van feitelijke en/of juridische complexiteit op grond waarvan een zaak bewerkelijk is en een vergoeding voor extra uren rechtsbijstand moet worden toegekend. De Afdeling heeft eerder overwogen (uitspraak van 29 juli 2009 in zaak nr. &lt;a target="_blank" href="http://rvs2012.internetcomposer.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?verdict_id=ondRkZOcVV8%3D"&gt;200901320/1/H2&lt;/a&gt;) dat er geen grond is voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het voeren van het beleid neergelegd in de Leidraad 2007. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 april 2011 in zaak nr. &lt;a target="_blank" href="http://rvs2012.internetcomposer.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?verdict_id=V%2Bt9jaSgQ7g%3D"&gt;201005350/1/H2&lt;/a&gt;), is het thans gevoerde beleid, neergelegd in de Leidraad 2008, niet gewijzigd ten opzichte van dat, neergelegd in de Leidraad 2007. Dat dit beleid geen criteria bevat voor het maken van onderscheid tussen bewerkelijke en niet bewerkelijke zaken is voor de rechtbank terecht geen aanleiding geweest om tot een ander oordeel te komen. Er is evenmin aanleiding voor het oordeel dat het beleid in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel of leidt tot willekeur.

Het betoog faalt.

2.7. [appellant] betoogt evenzeer tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de bezwarencommissie geen dubbele proportionaliteitstoets heeft toegepast. In het advies van de commissie van 22 juni 2010 is uitgegaan van de beoordeling van de zaak als bewerkelijk en is vervolgens onderzocht of het aantal extra toegekende uren in objectieve zin voldoende is. Gelet op de conclusie in het advies van de bezwarencommissie, dat objectief bezien een aantal van 24 extra uren in redelijkheid voldoende is om de zaak te behandelen, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de commissie wel degelijk een dubbele proportionaliteitstoets heeft toegepast.

2.8. Het betoog van [appellant], dat de rechtbank het besluit van de raad van 22 juni 2010 ten onrechte terughoudend heeft getoetst en dat die toetsing leidt tot schending van de in de artikelen 6 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) neergelegde rechten op een eerlijk proces en op een daadwerkelijk rechtsmiddel, faalt. In artikel 31, tweede lid, van het Bvr 2000 is de raad met betrekking tot de doelmatigheid van de gevraagde extra uren rechtsbijstand een zekere beoordelingsruimte gegeven, die is uitgewerkt in het Handboek en Leidraad 2008. Deze aan de raad toekomende beoordelingsruimte brengt met zich dat de rechter de gebruikmaking daarvan door de raad terughoudend moet toetsen. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de aldus door de rechter te verrichten toetsing van beslissingen op aanvragen om extra uren rechtsbijstand in het algemeen niet voldoet aan de eisen van de artikelen 6 en 13 van het EVRM . Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de rechtbank in dit geval het besluit van 22 juni 2010 te terughoudend heeft getoetst.

2.9. [appellant] wordt evenmin gevolgd in zijn betoog, dat de rechtbank heeft miskend dat de raad niet heeft voldaan aan de motiveringsopdracht in de eerdere uitspraak van de rechtbank van 27 april 2010. In het advies van de bezwarencommissie, dat de raad heeft overgenomen in het besluit van 22 juni 2010, is per categorie van handelingen bepaald hoeveel extra uren redelijk is met inachtneming van wat daarvoor krachtens de ervaring van de raad als gebruikelijk kan worden geacht. Deze motivering is summier, maar voldoet, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, aan de eisen die daaraan op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de Awb worden gesteld.

2.10. Anders dan [appellant] betoogt, was de rechtbank niet gehouden een analyse te maken van wat binnen de beroepsgroep van advocaten als gebruikelijk mag worden beschouwd. Aan de rechtbank lag ter beoordeling voor of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat 24 extra uren voldoende is voor de behandeling van de zaak, waarbij de objectivering van de te besteden tijd door de raad terughoudend dient te worden getoetst. Dat er diversiteit is in de werkwijze van advocaten, zoals [appellant] stelt, betekent niet dat geen sprake is van een in het algemeen gebruikelijke benadering van zaken door advocaten.

2.11. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld of de gevolgen van het besluit van 22 juni 2010 voor de kwaliteit van de rechtshulp evenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doel, leidt niet tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. De rechtbank is weliswaar niet expliciet ingegaan op de door [appellant] genoemde gevolgen van dat besluit voor de kwaliteit van de rechtshulp, maar heeft met haar oordeel dat de raad in redelijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen ook een oordeel gegeven over de evenredigheid van dat besluit.

2.12. [appellant] betoogt voorts dat de aangevallen uitspraak in strijd is met het in artikel 4 van het EVRM opgenomen verbod van dwangarbeid en met het in artikel 1, eerste lid, van het Eerste Protocol bij het EVRM opgenomen recht op bescherming van eigendom. Hij stelt dat hij gehouden werd rechtsbijstand te verlenen aan zijn cliënt, ongeacht de hoeveelheid tijd die dat met zich bracht wegens de complexiteit, maar niet is betaald voor zijn werkzaamheden. Hij wijst erop dat hij heeft gewerkt overeenkomstig de in de Leidraad voor de asieladvocaat "Bij de hand in asielzaken" gestelde minimumnormen aan de rechtsbijstandsverlening.

2.12.1. Voor zover het niet volledig toekennen van de gevraagde extra uren rechtsbijstand een inbreuk vormt op het in artikel 1, eerste lid, van het Eerste Protocol bij het EVRM opgenomen recht tot bescherming van eigendom, is deze inbreuk naar het oordeel van de Afdeling gerechtvaardigd. Deze steunt op tevoren kenbaar gemaakte schriftelijke regels, neergelegd in het Bvr 2000, het Handboek en de Leidraad 2008, welke regels voorts een legitiem doel dienen, te weten het behoud van een redelijk overzicht op de besteding van publieke middelen. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan geoordeeld moet worden dat [appellant] door het niet volledig toekennen van de gevraagde extra uren op basis van deze regels op een zodanig onevenredige wijze is getroffen dat geen sprake zou zijn van een "fair balance" tussen zijn belang en de belangen gediend met het in deze regels opgenomen forfaitaire stelsel van vergoedingen. Van schending van artikel 1 van het Eerste Protocol is daarom geen sprake. Dat [appellant] niet het aantal extra uren is toegekend dat hij heeft gevraagd, betekent niet dat sprake is van dwangarbeid als bedoeld in artikel 4 van het EVRM , zodat deze verdragsbepaling evenmin is geschonden.

Het betoog faalt.

2.13. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat de raad het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Hij noemt een aantal zaken waarin de raad extra uren heeft toegekend.

2.13.1. Evenals in deze zaak zijn in de door hem genoemde [zeven] zaken extra uren toegekend, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel in dit opzicht niet is geschonden. Voor zover [appellant] beoogt te betogen dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat in die gevallen meer extra uren zijn toegekend dan in deze zaak, wordt overwogen dat niet is gebleken dat die zaken vergelijkbaar zijn met deze zaak nu zij betrekking hebben op andere feitencomplexen en rechtsvragen dan in deze zaak aan de orde zijn. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat een hogere toekenning van extra uren in die andere zaken tot een hogere toekenning van extra uren in deze zaak had moeten leiden.

Het betoog faalt.

2.14. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Roelfsema

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2012

58-609.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature