< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Gebruik inzet van IMSI-catcher. De gewraakte inbreuk op de privacy is, als daarvan al kan worden gesproken, zo weinig ingrijpend, dat daarvoor voldoende rechtsgrond is aan te wijzen in artikel 2 van de Politiewet. Het hof is van oordeel dat met betrekking tot de inzet van dit apparaat zich geen vormverzuim heeft voorgedaan. Verdachte wordt veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf.

Uitspraak



Sector strafrecht

Parketnummer: 21-000429-09

Uitspraak d.d.: 24 januari 2012

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 23 januari 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1980],

dan wel geboren te [geboorteplaats] op [1978],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 7 december 2010 en 10 januari 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr M.K.J. Dikkerboom, naar voren is gebracht.

Geldigheid dagvaarding

Ter terechtzitting zijn door de advocaat-generaal stukken overgelegd waaruit blijkt dat de oproeping van verdachte tegen de zitting van 10 januari 2012 op 23 november 2011 is betekend ter griffie van het hof.. Aangezien verdachte geen bekende woon-of verblijfplaats in Nederland heeft is de oproeping uitgereikt aan een griffiemedewerker. Bij de stukken bevindt zich een ID-staat SKDB waarop slechts de alias van verdachte en niet zijn echte naam staat vermeld. Op verzoek van het hof heeft de advocaat-generaal na inhoudelijke behandeling van de zaak schriftelijk bevestigd dat in het VIP-systeem (VerwijzingsIndex Personen) tevens is gezocht op de echte naam van verdachte, [verdachte]. Deze naam kwam echter niet voor als zelfstandig geregistreerde naam. Er zijn met betrekking tot verdachte derhalve geen GBA-gegevens bekend.

Het hof is van oordeel dat gelet op het vorenstaande in combinatie met hetgeen door verbalisanten is vastgelegd op de pagina's 110-113 van het dossier de oproeping van verdachte correct heeft plaatsgevonden.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen omdat het zijn beslissing mede naar aanleiding van het in hoger beroep gevoerde verweer naar eigen inzicht wil inrichten en omdat het tot een andere strafoplegging komt..

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

feit 1 primair:

hij op of omstreeks 07 mei 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer tas(sen) (met daarin onder meer een -grote- hoeveelheid diamanten en/ of andere edelstenen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/ of zijn mededader(s);

feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 07 mei 2008 te Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een -grote- hoeveelheid diamanten en/ of andere edelstenen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die diamanten en/ of andere edelstenen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

feit 2:

hij op of omstreeks 07 mei 2008 te Almere, in elk geval in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (merk CZ, model 765), en/of (bijbehorende) munitie van categorie III voorhanden heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verzoek verdediging

Bij tussenarrest d.d. 21 december 2010 heeft het hof de advocaat-generaal verzocht een aanvullend proces-verbaal te laten opstellen, waaruit blijkt hoe de opsporingsambtenaren bij hun nasporingen naar de vermoedelijke daders van de diefstal zo snel uitkwamen in Almere. Daarbij ging het met name om de vraag hoe de opsporingsambtenaren wisten dat de mobiele telefoon met het telefoonnummer [nummer] (het nummer dat was opgegeven bij de huur van de auto waarin de daders (zouden) zijn ontkomen) zich in Almere bevond.

Door de advocaat-generaal is op 3 januari 2012 een aanvullend proces-verbaal verzonden aan de raadslieden. Het proces-verbaal is gedateerd op 11 mei 2011. Naar aanleiding van dit proces-verbaal heeft de verdediging ter terechtzitting om aanvullend onderzoek verzocht. De advocaat-generaal heeft zich daartegen verzet.

Het verzoek van de verdediging zal worden afgewezen, aangezien de noodzaak tot het verrichten van aanvullend onderzoek niet is gebleken. Van belang is allereerst dat uit genoemd aanvullend proces-verbaal blijkt dat op het betreffende telefoonnummer [nummer] op 7 mei 2008, kort nadat dat nummer bij de verhuurder van de vermoedelijke vluchtauto was achterhaald, een spoedtap werd aangesloten. Vervolgens vond die dag om 17:53 uur telefonisch contact plaats met het getapte nummer. Hierbij werd door die mobiele telefoon de paal/mast aangestraald met het cell-id nummer 16939. Dit cell-id nummer bleek te horen bij de paal/mast, locatie [adres] 198 te Almere. Dat bracht Almere als mogelijke of zelfs waarschijnlijke plaats waar dat toestel zich zou bevinden binnen beeld. Daarbij merkt het hof op dat achteraf bezien het bij tussenarrest gelaste aanvullend proces-verbaal gelet op de in het dossier reeds aanwezige stukken niet noodzakelijk was geweest.

Overweging met betrekking de rechtmatigheid van het bewijs

Bij de opsporing van de diefstal waarom het in deze zaak gaat is een zogeheten IMSI-catcher ingezet. Een IMSI-catcher is een apparaat dat zich kan voordoen als een gsm-basisstation zonder dat het onderdeel uitmaakt van een openbaar gsm-netwerk. Door opsporingsinstanties kunnen IMSI-catchers worden ingezet voor onder meer het achterhalen van het IMSI-nummer en/of het IMEI-nummer van een gsm-telefoon met simkaart en voor het afbakenen van het geografische gebied waarbinnen een gsm-telefoon zich bevindt (locatiebepaling).

Aan de orde is de vraag of de inzet van de IMSI-catcher rechtmatig heeft plaatsgevonden, en of die inzet een vormverzuim oplevert dat naar het stelsel van artikel 359a Sv aanleiding moet geven tot een strafprocesrechtelijke sanctie.

Het hof heeft ter beantwoording van deze rechtsvraag te onderzoeken, of voor de inzet van dit opsporingsmiddel een specifiek geformuleerde wettelijke grondslag vereist is, zoals de regeling in artikel 126g leden 1 en 3 Sv inzake stelselmatige observatie en aanwending van een technisch hulpmiddel daarbij, de bepaling die naar het oordeel van de rechtbank toepassing zou kunnen vinden bij de inzet van een IMSI-catcher.

Het hof verenigt zich niet met de opvatting van de rechtbank inzake de te stellen eisen voor de hier gebezigde opsporingsmethode. In artikel 126g Sv geeft de wetgever een regeling voor de stelselmatige observatie, een opsporingsmiddel dat zeer diep kan ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer. De wetgever achtte het blijkens de MvT bij de Wet BOB (Kamerstukken II 1996/97 25 403 nr. 3) niet nodig voor de niet-stelselmatige vormen van observatie een wettelijke inbedding te creëren. In de opvatting van de HR (o.m. NJ 2002, 301, overigens gewezen n.a.v. een casus van vóór de Wet BOB) heeft de rechter bij de beoordeling van de vraag, welke eisen gelden voor een opsporingsmethode, acht te slaan op doel, duur, intensiteit, plaats, en wijze van observatie; daarop wordt in de appelmemorie van de officier van justitie terecht geattendeerd. Daarbij zal de rechter zich er dan rekenschap van moeten geven, dat, indien door de observatie slechts een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt gemaakt, de globale taakomschrijving van artikel 2 Politiewet daarvoor een voldoende grondslag biedt (zie Corstens, Het Nederlandse Strafprocesrecht, 2011, p. 448).

Het hof begrijpt uit het dossier (p. 676), dat in casu de IMSI catcher gedurende nog geen twee uur is ingezet en dat daarbij geen andere waarneming is gedaan dan hetgeen nodig was voor de min of meer nauwkeurige bepaling van de plaats waar (de drager van) de mobiele telefoon waarvan het nummer bekend was zich bevond. Dat duurde maar kort en de intensiteit van die observatie was een geringe. De inzet van de IMSI- catcher als waarvan in deze zaak sprake is geweest kan in redelijkheid het beste worden vergeleken met een niet-stelselmatige (en dan nog zeer kortstondige en niet erg indringende) observatie, vergelijkbaar met de inzet van bijvoorbeeld een warmtebeeldkijker (HR NJ 2009, 225; artikel 2 Politiewet voldoende basis ) in elk geval niet met stelselmatige observatie. De hier gewraakte inbreuk op de privacy is, als daarvan al kan worden gesproken, zo weinig ingrijpend, dat daarvoor voldoende rechtsgrond is aan te wijzen in artikel 2 van de Politiewet. Overigens is de IMSI-catcher door de politie ingezet na daartoe verkregen toestemming van de officier van justitie (p. 676). Er heeft zich naar het oordeel van het hof met betrekking tot de inzet van dit apparaat geen vormverzuim voorgedaan. Bovendien geldt dat een dergelijke inbreuk, voor zover al in strijd met artikel 8 EVRM , niet of in elk geval niet zonder meer strijd oplevert met de eisen die artikel 6 EVRM stelt aan een fair proces.

Verder moet worden opgemerkt dat, als er al sprake zou zijn geweest van een inbreuk op de privacy, die inbreuk alleen de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker van dat mobiele telefoontoestel ([verdachte 3]) geldt. De privacy van zijn medeverdachten is niet in het geding geweest. In de zaak van [verdachte 3] doet zich dus in dit opzicht geen vormverzuim voor en zeker geen ernstig dat zou moeten doorwerken omdat er strijd is of zou zijn met artikel 6 EVRM. In de zaken van zijn medeverdachten speelt dit al helemaal niet.

Het feit dat verdachte en zijn medeverdachten mogelijk in groepsverband zijn opgetreden brengt in het vorenstaande geen verandering.

Tenslotte stelt het hof vast, dat de vastlegging van de inzet van de IMSI- catcher gebrekkig is geweest. De vertraging die daardoor is ontstaan bij de afwikkeling van deze strafzaak (omdat opening van zaken mocht worden verlangd en vervolgens moest worden verkregen door navraag bij verbalisanten) is evenwel niet zodanig geweest, dat verdachte daardoor in zijn verdedigingsmogelijkheden of in enig ander belang is geschaad op een wijze die, in welke sleutel dan ook, behoort te worden gecompenseerd.

Vrijspraak

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot vrijspraak. Ook de verdediging heeft ten aanzien van dit feit vrijspraak bepleit. Voor feit 2 moet inderdaad vrijspraak volgen. De relatie tussen het aangetroffen vuurwapen en verdachte, nodig voor een bewezenverklaring op dit punt komt niet uit de verf. Evenmin is verdachte op een zodanig directe manier (als dader of mededader) in verbinding te brengen met de diefstal van de diamanten dat feit 1 primair bewezen kan worden. Daarvan volgt eveneens vrijspraak.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Feiten

Op 7 mei 2008 zit aangever [benadeelde] (hierna: [benadeelde]), na een bezoek aan juwelier [naam] op de [adres] te Utrecht, te lunchen op het terras van restaurant [naam restaurant] aan de [adres] te Utrecht. [benadeelde] is diamantair en hij heeft op dat moment een collectie diamanten en edelstenen in een bruin lederen aktetas bij zich. De inkoopwaarde van deze collectie is getaxeerd op

€ 1.506.243,00 exclusief btw. Op een gegeven moment wordt hij aangesproken door een vrouw, die hem wijst op een stapeltje biljetten van tien euro dat op de grond ligt. [benadeelde] wordt daardoor afgeleid en vervolgens blijkt zijn aktetas verdwenen te zijn. Op het moment dat [benadeelde] wordt aangesproken door die vrouw, worden ook andere mensen op het terras aangesproken door een Engels sprekende, licht kalende, man met een wit overhemd.

Door twee getuigen is het kenteken genoteerd van de auto waarin de vermoedelijke daders zich van de plaats van de diefstal verwijderden , te weten [kenteken]. Het betreffende kenteken bleek op naam geregistreerd te staan van [naam bedrijf] te 's-Gravenhage. Uit informatie afkomstig van een medewerker van dit bedrijf bleek dat de auto was verhuurd aan een persoon genaamd [alias verdachte 3], die als telefoonnummer [nummer] had opgegeven. Na het aanvragen van een tap en de inzet van een observatieteam werd de vluchtauto op 7 mei 2008 te 18.55 uur aangetroffen op de [adres] ter hoogte van de percelen 114-136 te Almere. Met behulp van de hiervoor besproken IMSI-catcher is vervolgens om 23.40 uur de mobiele telefoon dat het nummer [nummer] voerde gelokaliseerd op het adres [adres] te [woonplaats].

Een medewerker van het observatieteam heeft op 7 mei 2008 omstreeks 23.55 uur waargenomen dat twee mannen en een vrouw uit de woning [adres]4 te Almere kwamen, die samen in de volkswagen met kenteken [kenteken] plaatsnamen en met deze auto wegreden. Bij een tankstation aan de A l bij Muiden zijn deze personen aangehouden. De aangehouden personen waren:

- [verdachte 3], die toen nog de naam [alias verdachte 3] gebruikte;

- [verdachte], die toen nog de naam [alias verdachte ] gebruikte en

- [verdachte 6].

Bij de insluitingsfouillering van [verdachte 6] zijn onder andere 21 biljetten van

€ 10,00 in haar "kontzak" aangetroffen. Bij haar is tevens een rode telefoon van het merk Nokia aangetroffen. In de kofferbak van de grijze Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] werd een bruin lederen aktetas aangetroffen.

In de woning aan de [adres]4 te [woonplaats] zijn aansluitend aangehouden:

- [verdachte 4];

- [verdachte 2], die toen nog de naam [alias verdachte 2] gebruikte en

- [verdachte 5], die toen nog de naam [alias verdachte 5] gebruikte.

Op 8 mei 2008 is de woning aan de [adres]4 te [woonplaats] doorzocht. In de woonkamer van deze woning trof men een zwart handtas aan met daarin onder andere een paspoort van [betrokkene 1] en een visa card ten name van [verdachte 6].

In de slaapkamer aan de achterzijde op de eerste verdieping heeft men een plastic Albert Heijn tas met diamanten en edelstenen gevonden.

Op de zolder heeft men een internationaal rijbewijs en een Mexicaans paspoort ten name van [verdachte 6] aangetroffen.

Rechercheur S.M.C. Ellerman van de technische recherche van de politie Utrecht (hierna Ellerman) heeft op 26 juni 2008 305 gevouwen papieren verpakkingen van de edelstenen, welke waren aangetroffen bij de doorzoeking in de woning [adres]4 te Almere op 8 mei 2008, onderzocht op dactyloscopische sporen. Daarbij zijn op 10 verpakkingen sporen aangetroffen (spoornummers PLO916/08-138827/41/1 tot en met PLO916/08-138827/41/10). Deze dactyloscopische sporen zijn fotografisch veiliggesteld en voor vergelijkend onderzoek overgedragen aan de afdeling dactyloscopie van de politie Utrecht. Bij het openvouwen van de verpakkingen werden overigens nog zeven edelstenen van verschillende grootte aangetroffen.

Door een technisch rechercheur van de politie Utrecht is een dactyloscopisch vergelijkend onderzoek ingesteld met een dactyloscopisch signalement van de zes verdachten en de voormelde tien dactyloscopische sporen die door Ellerman zijn veilig gesteld. Daarbij is de volgende conclusie getrokken.

Op de verpakkingspapieren PLO916/08-138827/41/3 en PLO916/08-138827/41/4 zijn dactyloscopische sporen aangetroffen welke afkomstig zijn van [alias verdachte 5] (lees: [alias verdachte 5]).

Op verpakkingspapier PLO916/08-138827/41/2 is een dactyloscopisch spoor aangetroffen afkomstig van [alias verdachte ] (lees: [verdachte]).

Op verpakkingspapier PLO916/08-138827/41/8 is een dactyloscopisch spoor aangetroffen afkomstig van [alias verdachte 2] (lees: [verdachte 2]).

Op verpakkingspapier PLO916/08-138827/41/7 is een dactyloscopisch spoor aangetroffen afkomstig van [verdachte 4].

Ten aanzien van het bewijs

Het hof stelt, op basis van de aangifte van [benadeelde], vast dat er op 7 mei 2008 te Utrecht een aan hem toebehorende tas met daarin ondermeer een grote hoeveelheid diamanten en andere edelstenen is gestolen.

Op de [adres] te Utrecht wordt gebruik gemaakt van cameratoezicht. De beelden van de diverse camera's in de periode van 7 mei 2008 vanaf ongeveer 12.22 uur tot 13.36 uur zijn door verbalisanten bekeken en zij hebben hun bevindingen vastgelegd in een proces-verbaal. Blijkens dit proces-verbaal is op die camerabeelden, die gemaakt zijn op en in de omgeving van de plaats waar de diefstal heeft plaatsgevonden, is te zien dat 2 mannen (aangeduid als man 1 en man 2) en 3 vrouwen (aangeduid als vrouw 1, vrouw 2 en vrouw 3), zich ophouden in de omgeving van juwelier [naam] aan de [adres], wanneer [benadeelde] daar op bezoek is. Op het moment dat zichtbaar is dat [benadeelde], die kennelijk de juwelierszaak verlaat, over de [adres] loopt in de richting van de [adres], is op de camerabeelden te zien dat deze vijf personen, afzonderlijk van elkaar, ook die richting op lopen. Het terras van restaurant [naam restaurant] is slechts gedeeltelijk op de camerabeelden te zien. Als man 1 wegrent met de tas is te zien dat vrouw 1, 2 en 3 en man 2 direct achter hem aanlopen en dat zij gezamenlijk vertrekken in de door man 1 bestuurde auto. Te zien is dat man 1 voor vertrek nog iets in de kofferbak stopt, naar het hof aanneemt is dit de weggenomen tas. Getuigen hebben het kenteken van deze auto genoteerd.(Daarbij gaat het om het eerder genoemde kenteken [kenteken].)

Uit de wijze waarop deze vijf personen zich ophouden in de buurt van [benadeelde] en de manier waarop zij reageren kort voor en kort na de diefstal, leidt het hof af dat deze personen er gezamenlijk op uit waren om de tas met diamanten weg te nemen. De conclusie is gewettigd dat sprake was van een doelbewuste samenwerking tussen deze personen gericht op de diefstal. Daarbij komt betekenis toe aan het feit dat deze personen ook korte tijd later, toen het tot hun arrestatie kwam (in Almere), met het aantreffen van de gestolen edelstenen of in elk geval de woning waarin die edelstenen werden aangetroffen in verband konden worden gebracht.

Het afleggen tevoren en het in de gaten houden van de situatie alsook de wijze waarop [benadeelde] (en het overige publiek) werd afgeleid rekent het hof tot de essentie van de opzet van de diefstal. De rol van de verschillende verdachten gaat voor ieder van hen verder dan medeplichtigheid en ziet het hof als essentieel voor het slagen van die diefstal zoals die kennelijk was bedacht en is uitgevoerd.

[verdachte 3] heeft bij de politie verklaard dat hij een auto had gehuurd bij [naam bedrijf] en dat hij op 7 mei 2008 met een vriendin naar een plaats is gereden. Deze plaats kan Utrecht zijn geweest. Voorts heeft hij bekend dat hij daar toen bij een restaurant een oude koffer/tas op terras heeft weggenomen en dat hij weer in de auto is weggereden waarbij hij de weggenomen tas in de kofferbak heeft gedaan. Hij is vervolgens met zijn vriendin naar een woning van haar vrienden gereden. Hij heeft daar de tas mee naar binnen genomen en in de woning opengemaakt. Hij heeft enveloppen met stenen uit deze tas gehaald. Deze enveloppen zaten in een soort doosje/hoesje. [verdachte 3] heeft tenslotte nog verklaard dat hij het nummer van zijn mobiele telefoon heeft achtergelaten bij de verhuurmaatschappij waar hij de auto had gehuurd.

Via het kenteken van de vluchtauto en dit door [verdachte 3] aan de verhuurmaatschappij opgegeven mobiele telefoonnummer, is de politie uiteindelijk uitgekomen bij een woning aan de [adres]4 te [woonplaats].

Bij de doorzoeking van deze woning op 8 mei 2008 kort voor 2.00 uur, zijn in een plastic Albert Heijn tas diverse verpakkingen met diamanten aangetroffen. [benadeelde] heeft deze stenen en ook andere goederen die in de tas zaten herkend als de goederen die in de tas zaten die op 7 mei 2008 is weggenomen.

[verdachte 3] is in de door hem gehuurde auto aangehouden, nadat het observatieteam had gezien dat hij op 7 mei 2008, kort voor middennacht, uit de woning aan de [adres] was gekomen.

Het hof is van oordeel dat de door de politie bij de beschrijving van de camerabeelden als man 1 aangeduide persoon [verdachte 3] is geweest.

[verdachte 4] heeft naar aanleiding van het bekijken van een van de camerabeelden verklaard dat zij zichzelf herkent als de vrouw met het grijze pakje. Blijkens het in het proces-verbaal van de beschrijving van de camerabeelden opgenomen signalement is dit de persoon die bij de beschrijving van de camerabeelden wordt aangeduid als vrouw 2.

Daar komt nog bij dat zij is aangehouden in de woning aan de [adres] waar ook de gestolen diamanten zijn aangetroffen. Voor het hof staat derhalve vast dat de door de politie bij de beschrijving van de camerabeelden als vrouw 2 aangeduide persoon [verdachte 4] is.

[verdachte 3] heeft verklaard dat hij in de woning een soort hoesjes waarin enveloppen met stenen zaten uit de door hem weggenomen tas heeft gehaald. Uit de manier waarop de gestolen diamanten in de woning aan de [adres] zijn aangetroffen en de hiervoor weergegeven verklaring van [benadeelde] over zijn bevindingen ten aanzien van de partijbriefjes, waarin de diamanten zaten, alsmede de kopieën van deze partijbriefjes, leidt het hof het volgende af.

De diamanten zijn in de woning uit de partijbriefjes gehaald, ze zijn gewogen en beoordeeld en op de partijbriefjes is in de Spaanse taal informatie bijgeschreven over gewicht, kleur en/of soort van de desbetreffende partij stenen. Ook is de informatie van de partijbriefjes op een soort inventarislijst bijgehouden. Bij de doorzoeking is immers een soort inventarislijst aangetroffen waarop [benadeelde] getallen en termen heeft herkend die zijn overgenomen van de partijbriefjes. Vervolgens zijn de stenen telkens per partij weer in dezelfde partijbriefjes gevouwen als waarin zij oorspronkelijk zaten.

[benadeelde] heeft drie verschillende handschriften herkend op de partijbriefjes. Ook moeten volgens [benadeelde] de daders met de hiervoor beschreven werkzaamheden enige uren bezig zijn geweest en moet je, om dat goed te kunnen doen, bedreven hierin zijn. Het is zeer aannemelijk dat meerdere personen aan de beschreven werkzaamheden hebben meegedaan en dat die werkzaamheden gedurende het vrij korte tijdsverloop tussen de diefstal en het tijdstip van aantreffen van de diamanten hebben plaats gevonden. Het hof stelt vast dat [verdachte], [verdachte 3], [verdachte 6], [verdachte], [verdachte 2] en [verdachte 4] de avond van 7 mei 2008 in de woning aan de [adres]4, zijnde de woning waar de gestolen diamanten zijn aangetroffen, aanwezig zijn geweest.

[verdachte], [verdachte 2] en [verdachte 4] zijn op 8 mei 2008 tegen 2 uur 's nachts aangehouden in deze woning. Ieder van hen heeft verklaard de avond van 7 mei 2008 ook in deze woning aanwezig te zijn geweest.

Ook [verdachte 3] en [verdachte 6] hebben verklaard de avond van 7 mei 2008 in die woning te zijn geweest.

[verdachte] heeft bij de politie en ook ter terechtzitting in eerste aanleg ontkend die avond in de woning te zijn geweest. Het hof acht deze ontkenning echter kennelijk leugenachtig omdat deze in strijd is met de waarneming van het observatieteam dat hij kort voor zijn aanhouding uit de woning aan de [adres]4 was gekomen. Het hof gaat er daarom op basis van deze waarneming vanuit dat [verdachte] die avond ook in de woning aan de [adres] aanwezig is geweest.

Verdachte heeft steeds ontkend iets met de gestolen diamanten te maken te hebben gehad.

Het hof stelt vast dat verdachte niet lijkt op een van de personen die blijkens de meergenoemde camerabeelden rechtstreeks hebben deelgenomen aan de diefstal van de tas met diamanten. De vraag is of er desondanks voldoende bewijs voorhanden is om de aan verdachte ten laste gelegde diefstal in vereniging bewezen te achten. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat dit bewijs er onvoldoende (en dus niet) is. De verdachte zal derhalve vrijgesproken worden van het onder 1 primair tenlastegelegde.

Vervolgens zal beoordeeld moeten worden of de betrokkenheid van verdachte dusdanig is geweest dat de subsidiair aan verdachte ten laste gelegde heling bewezen kan worden geacht.

Zoals hiervoor is overwogen gaat het hof er vanuit dat verdachte de avond van 7 mei 2008 aanwezig is geweest in de woning aan de [adres] te Almere, waar de gestolen diamanten zijn gevonden.

Daarnaast is er een vingerspoor van verdachte aangetroffen op een van de partijbriefjes waarin een partij van de gestolen diamanten was herverpakt. Bovendien is DNA aangetroffen op het uiteinde van een stuk tape waarmee een tas/zak, waarin een deel van de diamanten was verpakt, omwikkeld was. Het NFI heeft vastgesteld dat dit DNA overeenkomt met het DNA van verdachte.

Zoals hiervoor eveneens is overwogen zijn door in de woning aanwezige personen handelingen verricht die betrekking hadden op het herverpakken van de diamanten. Nu verdachtes vingerafdruk alsmede een DNA spoor dat correspondeert met verdachtes DNA is aangetroffen op het materiaal waarin de diamanten waren verpakt, komt het hof tot de conclusie dat verdachte aan deze werkzaamheden moet hebben deelgenomen.

Daarmee staat voor het hof vast dat hij op 7 mei 2008 in Almere gestolen diamanten voorhanden heeft gehad. Verdachte moet ook hebben geweten dat het om gestolen diamanten ging. Gesteld noch gebleken is immers dat verdachte of één van de andere aanwezigen in een positie verkeerde dat hij legaal over een dergelijke grote partij edelstenen met aanzienlijke waarde kon beschikken. De door de raadsvrouw gesuggereerde alternatieven voor het aantreffen van de genoemde sporen zijn, nu deze niet feitelijk zijn onderbouwd en verdachte hierover ook niet heeft verklaard, niet meer dan suggesties, zodat het hof hieraan voorbij gaat.

Dit alles leidt het hof tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 07 mei 2008 te Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een -grote- hoeveelheid diamanten en/of andere edelstenen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van die diamanten en/of andere edelstenen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan opzetheling van een grote hoeveelheid diamanten en andere edelstenen. Deze partij vertegenwoordigt een zeer aanzienlijke waarde. De inkoopwaarde van deze collectie diamanten en edelstenen is immers getaxeerd op € 1.506.243,00 exclusief btw. Verdachte heeft zich kennelijk enkel laten leiden door zijn eigen financieel gewin.

Het hof gaat ervan uit dat de diefstal van de edelstenen is gepleegd door een professioneel georganiseerde en internationaal opererende groep. Hoewel niet bewezen is dat verdachte de diefstal heeft medegepleegd, acht het hof het voldoende aannemelijk dat verdachte dan toch minst genomen in een nauwe samenwerking met die groep, daar (in Almere) en toen (juist kort nadat die diefstal was gepleegd) en gelet op de vingerafdruk, bemoeienis heeft gehad met die stenen.

Het hof is van oordeel dat voor bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit een gevangenisstraf van 30 maanden, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd, passend zou zijn. Aangezien het hof verdachte vrijspreekt voor het onder 1 primair tenlastegelegde feit komt het hof tot een wat lagere gevangenisstraf. Het hof acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van hierna te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 38.950,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 400,00. Anders dan de advocaat-generaal ter terechtzitting heeft gesteld, heeft de benadeelde partij zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek om aanvullend onderzoek.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] terzake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 400,00 (vierhonderd euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van EUR 400,00 (vierhonderd euro) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr Y.A.J.M. van Kuijck, voorzitter,

mr B.P.J.A.M. van der Pol en mr J.M.J. Denie, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr A.B. de Wit, griffier,

en op 24 januari 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature