Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Herziening IOAZ-uitkering. Terugvordering. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen het herzieningsbesluit, zodat het in rechte onaantastbaar is geworden. Daarmee staat vast dat over de hiervoor genoemde periode tot een te hoog bedrag aan uitkering aan appellant is verleend, zodat is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het rechtzekerheidsbeginsel slaagt niet. Geen sprake van een dringende reden.

Uitspraak



09/6284 IOAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2009, 09/2578 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Aalsmeer-Uithoorn (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 24 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.P. Wytzes, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2011. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door C.H.L. Bakker, werkzaam bij het Samenwerkingsverband Aalsmeer-Uithoorn.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is met ingang van 1 maart 2007 een uitkering ingevolge Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) toegekend. De uitkering werd vastgesteld op de bruto grondslag voor gehuwden.

De echtgenote van appellant ontvangt een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.2. Bij besluit van 4 september 2008 heeft het dagelijks bestuur de uitkering van appellant herzien over de periode van 1 maart 2007 tot en met 30 juni 2008 op de grond dat ten onrechte de WAO-uitkering van de echtgenote van appellant niet bruto, maar netto op de IOAZ-uitkering van appellant is gekort, waardoor appellant te veel uitkering heeft ontvangen. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 5 december 2008 heeft het dagelijks bestuur de kosten van de teveel betaalde IOAZ-uitkering van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 3.515,56 bruto.

1.4. Bij besluit van 28 april 2009 heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 december 2008 ongegrond verklaard. Het dagelijks bestuur heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat met het herzieningsbesluit van 4 september 2008 is komen vast te staan dat er teveel uitkering is verstrekt aan appellant, zodat het bevoegd was tot terugvordering over te gaan. Van dringende redenen is het dagelijks bestuur niet gebleken en evenmin van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 28 april 2009 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant heeft betoogd dat het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidbeginsel is geschonden. Dit kan ook de terugvordering betreffen. Appellant heeft altijd opgave gedaan van de WAO-uitkering van zijn echtgenote. Het is een fout van de gemeente. Er is ook sprake van dringende redenen. Dit is een feitelijke aangelegenheid, die door appellant met financiële overzichten is onderbouwd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 17, derde lid, aanhef en onder a (tekst tot 1 januari 2010), van de IOAZ herziet het college de uitkering of trekt het deze in, indien de betrokkene de in de wet neergelegde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Op grond van artikel 17, derde lid, aanhef en onder b (tekst tot 10 januari 2010), van de IOAZ herziet het college de uitkering of trekt het deze in, indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. In artikel 25, eerste lid (tekst tot 1 januari 2010), van de IOAZ is bepaald dat de uitkering, die als gevolg van een besluit als bedoeld in de artikelen 17, derde of vierde lid, of 20 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, van de betrokkene wordt teruggevorderd. In het vierde lid van dat artikel is bepaald dat het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.2. In dit geval heeft het dagelijks bestuur de uitkering over de periode van 1 maart 2007 tot en met 30 juni 2008 herzien bij het besluit van 4 september 2008. Tegen dat besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt, zodat het in rechte onaantastbaar is geworden. Daarmee staat vast dat over de hiervoor genoemde periode tot een te hoog bedrag aan uitkering aan appellant is verleend, zodat is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 25, eerste lid (tekst tot 1 januari 2010), van de IOAZ . Volgens vaste rechtspraak van de Raad is er in gevallen als deze bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het terugvorderingsbesluit geen ruimte voor toetsing van het herzieningsbesluit.

4.3. Het betoog van appellant dat de terugvordering in strijd is met het vertrouwensbeginsel en het rechtzekerheidsbeginsel ziet eraan voorbij dat de van toepassing zijnde bepaling uit de IOAZ het dagelijks bestuur de verplichting oplegt om tot terugvordering te besluiten, tenzij zich dringende redenen voordoen.

4.4. Het door appellant gedane beroep op dringende redenen kan evenmin slagen. Dringende redenen kunnen naar vaste rechtspraak van de Raad slechts gelegen zijn in de onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. In hetgeen appellant heeft aangevoerd zijn zodanige consequenties niet gelegen. Afgezien daarvan merkt de Raad op dat de overgelegde overzichten van appellant niet zien op de periode die hier in geding is.

4.5. Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2012.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J. de Jong.

IJ


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature