< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Verlenging van de tbs met dwangverpleging met één jaar. Definitieve beslissing omtrent de voortzetting van de dwangverpleging aangehouden voor een periode van maximaal 3 maanden.

Uitspraak



RECHTBANK UTRECHT

Parketnummer: 16/600537-09

Beslissing verlenging terbeschikkingstelling d.d. 23 januari 2012

In de zaak van de officier van justitie onder het hierboven genoemde parketnummer tegen

[terbeschikkinggestelde],

geboren op [1957] te [geboorteplaats],

verblijvende in FPC 2landen te Utrecht,

heeft de officier van justitie de verlenging van de terbeschikkingstelling gevorderd. Op deze vordering heeft de rechtbank de volgende beslissing gegeven.

1 De stukken

De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken waaronder:

• de vordering van de officier van justitie d.d. 15 december 2011, die strekt tot verlenging van de terbeschikkingstelling van [terbeschikkinggestelde] met twee jaren;

• het vonnis van deze rechtbank d.d. 8 september 2009, waarbij [terbeschikkinggestelde] is veroordeeld voor oplichting en vernieling en waarbij hij onder andere ter beschikking is gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege, van welke terbeschikkingstelling de termijn is gaan lopen op 7 februari 2010;

• het rapport van FPC 2landen, d.d. 7 december 2011, opgemaakt door dr. J. Lucieer, psychiater en directeur behandeling, drs. A.G.S. de Ranitz, psychiater en drs. L. Schaap, hoofd behandeling en klinisch psycholoog, strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaren;

• de wettelijke aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van [terbeschikkinggestelde], over 2010 tot en met het 3e kwartaal van 2011.

2 Het onderzoek ter zitting

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting d.d. 9 januari 2012 is de officier van justitie gehoord. Tevens is de terbeschikkinggestelde gehoord, bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.J. Koningsveld. Voorts is de deskundige de heer J. Lucieer, werkzaam bij FPC 2landen, gehoord.

3 De standpunten van de deskundigen

3.1 Het standpunt van de inrichting

Het standpunt van de inrichting blijkt uit het onder 1 genoemde rapport. De deskundige Lucieer heeft het rapport en het advies van de inrichting toegelicht. In voormeld rapport en door de deskundige ter zitting is omtrent de terbeschikkinggestelde het navolgende gesteld.

Kernproblematiek:

Bij betrokkene is er sprake van een drang tot oplichten met een obsessief karakter. Een belangrijke rol in het ontstaan en onderhouden van het oplichten speelt de persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en theatrale trekken.

Kenmerkend voor de gestelde persoonlijkheidsstoornis is dat er sprake is van psychopathie.

Dit betekent dat hij egoïstisch en zonder wroeging gebruik kan maken van anderen, hij in staat is tot pathologisch liegen en manipulerend gedrag, list en bedrog laat zien en hij geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen gedrag. Betrokkene heeft een groots verlangen naar aandacht en hij gaat tot het uiterste om deze te krijgen. Hij is bekend met het op zelfdramatiserende, theatrale en overdreven wijze presenteren van psychische en somatische klachten.

Narcisme komt bij betrokkene naar voren in een overdreven gevoel van belangrijkheid, het overdrijven van eigen prestaties en talenten, de verwachting als superieur te worden erkend, fantaseren over maatschappelijk succes, het idee bijzondere rechten te hebben en anderen gebruiken of misbruiken om persoonlijke doelen te bereiken. Tevens is er sprake van een gebrek aan empathie.

Naast de persoonlijkheidsstoornis is de diagnose bipolaire stoornis bij betrokkene eerder gesteld wegens een voorgeschiedenis waarin er sprake zou zijn geweest van afwisselende hypomane en depressieve episodes. Betrokkene is bekend met regressief gedrag, suïcidepogingen, automutilatie en sombere depressieve periodes van enkele weken. De drukke/maniforme episodes duren vaak enkele maanden. In een depressieve periode is er soms sprake van gewichtsverlies en eetlustvermindering.

Ten tijde van de behandeling in FPC 2landen is de bipolaire symptomatologie onvoldoende zichtbaar en eenduidig, hetgeen vragen opgeroepen heeft of de diagnose nog houdbaar is.

De wisselende stemmingen zijn in het gedrag van betrokkene nog steeds waarneembaar.

Deze lijken echter eerder voort te vloeien uit de persoonlijkheidsstoornis van betrokkene wegens de reactieve en ook instrumentele aard van de stemmingswisselingen en de wijze waarop hij deze inzet om verantwoordelijkheden te ontlopen.

Een complicerende factor in de diagnostiek van betrokkene is dat er zowel op het vlak van de somatische als van de psychische gezondheid sprake is van symptomen van simulatie. Tevens is er sprake van een gebrek aan medewerking in het opvolgen van de behandelvoorschriften.

Behandelverloop:

Betrokkene is op 1 maart 2010 opgenomen in FPC 2landen. Hij heeft moeite met het vinden van zijn draai en vindt dat hij niet in een TBS-kliniek thuis hoort. Bij het begin van opname uit de heer [terbeschikkinggestelde] zijn ongenoegens over beleidszaken in de kliniek en vooral over zaken betreffende de Medische Dienst.

In gesprekken met de groepsleiding is betrokkene meestal correct in het contact. Hij gebruikt graag moeilijke woorden en lijkt nieuwe medewerkers te testen op hun kennis. Betrokkene laat vanaf opname, met name in de periodes waarin hij zich beter voelt, in de kliniek delictgedrag zien. Zo heeft hij zich als advocaat voorgedaan via een contactadvertentie, sluit hij abonnementen af (waarvan hij de rekening naar de kliniek laat sturen) en bestelt hij allerlei goederen, terwijl hij hier geen geld voor heeft en hij zich hier ook bewust van is.

Betrokkene is in mei 2011 intern overgeplaatst naar de pre-resocialisatieafdeling. Dit heeft op de eerste plaats ten doel om in kaart te brengen waar de knelpunten in zorg komen te liggen wanneer hij in een meer genormaliseerd milieu verblijft met minder spanning en agressie en er minder groepsbegeleiding op de afdeling aanwezig is. Anderzijds is het doel betrokkene te motiveren om meer zelfstandigheid en autonomie te krijgen, zodat terugkeer in de maatschappij wordt vergemakkelijkt.

In de loop van de tijd op deze afdeling is duidelijk geworden dat verbetering van de mate van zelfstandigheid en autonomie in het dagelijkse functioneren zeer beperkt haalbaar is.

Betrokkene heeft een duidelijke structuur nodig van stafleden. Structuur houdt voor betrokkene in dat hij duidelijke grenzen nodig heeft over wat toelaatbaar gedrag is en wat niet. Opvallend in de afgelopen periode is dat betrokkene onvoldoende openheid van zaken geeft over wat er in hem omgaat en waar hij mee bezig is.

In de eerste verpleeg- en behandelplanbespreking van betrokkene in 2010 is onder meer besloten dat hij deel zal gaan nemen aan het Zorgprogramma Verslaving aangezien zijn onbedwingbare behoefte tot oplichten uitgelegd kan worden als afhankelijkheid. Dit zorgprogramma bestaat uit het analyseren van verslavingsgedrag en is gericht op een effectievere coping. Aan hem is uitgelegd dat iemand afhankelijk kan zijn van middelen of van gedrag, bijvoorbeeld in zijn geval van oplichten. Betrokkene erkent dat hij het oplichten niet kan laten en daardoor financieel, relationeel en juridisch in de problemen gekomen is. Maar hij weigert deelname aan het zorgprogramma, zijn kritiek is dat hij geen verslaafde is en niet thuishoort in die groep.

Recidivegevaar:

Bij de inschatting van de kans op recidive in oplichting (indexdelict) zijn de psychiatrische problematiek, het gebrekkige probleeminzicht, de impulsiviteit en vijandigheid en gebrekkige empathische vermogens zwaarwegende factoren, evenals de hoge mate van gebrekkige affectieve en interpersoonlijke aspecten van de psychopathie. Ook het feit dat betrokkene binnen de kliniek leugens en bedrog (delictgedrag) heeft getoond en buiten de kliniek voorwaarden heeft geschonden door onder andere de indexdelicten te plegen zijn belangrijk voor deze inschatting. Binnen de kliniek wordt de kans op recidive in oplichting op korte termijn als matig ingeschat en op lange termijn als matig.

Behoudens medicatie heeft betrokkene zijn behandelaanbod vrijwel geheel afgewezen.

Het strenge externe toezicht vanuit de behandelstaf maakt dat de kans op recidive minder hoog is. Echter, tijdens opname in de kliniek is gebleken dat betrokkene ook, ondanks het toezicht, gerecidiveerd heeft. Buiten de kliniek wordt de kans op recidive in oplichting op korte termijn als hoog en op lange termijn als hoog ingeschat bij onvoldoende extern toezicht. Toegang tot internet verhoogt de kans op oplichting bij betrokkene.

Concluderend kan gesteld worden dat de kans op oplichting permanent aanwezig en hoog

is.

Het risico op het plegen van een indexdelict neemt toe bij de volgende factoren: wegvallen van externe structuur/toezicht, een opbouw van spanningen waardoor impulsiviteit en vijandigheid toenemen, omslag van depressieve toestand naar hypomane toestand, slecht ingesteld zijn op medicatie en gebeurtenissen die zijn lage zelfwaardering triggeren.

Advies:

Hoewel het risico op nieuwe indexdelicten permanent aanwezig zal blijven, beschermt de gemaximeerde duur van de opname in een sterk beveiligde setting de samenleving niet

tegen de schade die betrokkene hiermee kan aanrichten (zie verloop opname). Opname

in een minder beveiligde setting met voldoende verzorging, begeleiding, toezicht controle

op de financiën en de zelfzorg en medicatietrouw, zou in beginsel kunnen volstaan (maar is

gelet op de leeftijd van betrokkene moeilijk te vinden). Gezien het bovenstaande

adviseren we om de tbs-maatregel te verlengen met 2 jaar met als doel een passende

vervolgvoorziening te zoeken en de onder curatelestelling opnieuw te starten. Indien betrokkene geplaatst kan worden in een passende vervolgvoorziening, zullen wij

transmuraal verlof aanvragen voor de resterende duur van de maatregel. Zodra de

maatregel wordt beëindigd zal bekeken moeten worden of een maatregel van RM in het

kader van de Wet Bopz aangewezen is.

Ter terechtzitting heeft de deskundige nog aangegeven dat de kans op het opnieuw plegen van oplichting groot wordt geacht. De kans op het plegen van een agressiedelict wordt door de deskundige niet groot geacht.

4 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting verzocht de vordering strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaren af te wijzen. Zij stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken van enig gevaar voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen.

5 Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

De terbeschikkinggestelde heeft ter terechtzitting aangegeven dat de maatregel van terbeschikkingstelling nimmer voor hem gewerkt heeft, maar dat hij wel enkele dingen heeft geleerd, zoals het functioneren binnen een groep. De terbeschikkinggestelde heeft aangegeven een voorkeur te hebben voor beëindiging van de maatregel van terbeschikkingstelling en overgeplaatst te willen worden naar bijvoorbeeld de dubbeldiagnosekliniek te Den Dolder met een rechterlijke machtiging.

Namens de terbeschikkinggestelde is ter terechtzitting door de raadsman aangegeven dat er niet meer voldaan wordt aan de wettelijke vereisten voor verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling, nu niet is gebleken van enig gevaar voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, zodat de vordering tot verlenging dient te worden afgewezen. Er dient te worden gekeken naar alternatieven, zoals een civielrechtelijke plaatsing of een rechterlijke machtiging.

6 De beoordeling

Gelet op de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel, in tegenstelling tot de officier van justitie en de raadsman, dat de algemene veiligheid van goederen eist dat de terbeschikkingstelling van [terbeschikkinggestelde] wordt verlengd voor de duur van één jaar.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De memorie van toelichting, Kamerstukken II 1992/93, 22 909, nr. 3, inzake de wijziging van een aantal bepalingen inzake de terbeschikkingstelling, waaronder artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht is nader ingegaan op de uitleg van het begrip “geweldsmisdrijf” dat destijds opgenomen was in artikel 38e, aangezien dit begrip nergens nader was omschreven. In deze memorie is aangegeven dat onder de misdrijven waarvoor de maximumduur van de terbeschikkingstelling geldt eveneens vallen de eenvoudige en gekwalificeerde diefstallen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat onder gevaar voor de algemene veiligheid van goederen niet alleen valt de beschadiging van goederen, zoals de officier van justitie van mening is, maar eveneens het wegnemen van goederen en dus het aantasten van het eigendomsrecht en de financiële benadeling van personen.

Uit het rapport blijkt dat de gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens die destijds tot het delict (oplichting) hebben geleid nog aanwezig zijn.

Nu voorts blijkt dat er gevaar voor recidive aanwezig is en dat dit gevaar zich zelfs binnen de kliniek realiseert doordat de terbeschikkinggestelde zich nog immer schuldig maakt aan oplichting, is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de wettelijke vereisten voor de verlenging van de terbeschikkingstelling.

De rechtbank is echter wel voornemens de terbeschikkingstelling voorwaardelijk te beëindigen nu er feitelijk geen behandeling plaatsvindt van de terbeschikkinggestelde, een dergelijke behandeling naar alle waarschijnlijkheid niet zal gaan plaatsvinden en de terbeschikkingstelling in dat opzicht geen toegevoegde waarde heeft voor wat betreft het verminderen van het recidivegevaar. Nu sprake is van een gemaximeerde terbeschikkingstelling, dient de komende tijd in de visie van de rechtbank te worden benut om toe te werken naar een voor betrokkene meer structureel beschikbare plaats. Dit dient een plaats te zijn in een setting waar sprake is van de structuur en verzorging die betrokkene nodig heeft en waar bij voorkeur ook sprake is van enige mate van beslotenheid c.q. beveiliging zodat de maatschappij, zo goed als mogelijk is, beschermd wordt tegen het recidivegevaar.

De rechtbank acht het om die reden noodzakelijk om de definitieve beslissing omtrent de voortzetting van de dwangverpleging thans aan te houden teneinde de reclassering in de gelegenheid te stellen om de mogelijkheden te onderzoeken van een voorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingstelling en zo mogelijk een maatregelenrapport op te stellen.

De rechtbank wenst zich graag voorgelicht te zien omtrent de mogelijkheden van plaatsing van de terbeschikkinggestelde in een GGZ-instelling middels een rechterlijke machtiging, omtrent het verplicht meewerken aan het tot stand komen van een rechterlijke machtiging door de terbeschikkinggestelde en zo nodig omtrent andere mogelijkheden van huisvesting c.q. behandeling.

Hiertoe zal de rechtbank de stukken in handen stellen van de officier van justitie.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38d, 38e en 38g van het Wetboek van Strafrecht en artikel 509t van het Wetboek van Strafvordering.

8 De beslissing

De rechtbank verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling van [terbeschikkinggestelde] met één jaar en verlengt tevens de verpleging van overheidswege.

De rechtbank houdt de definitieve beslissing met betrekking tot de voortzetting van de verpleging van overheidswege aan voor onbepaalde tijd, doch ten hoogste voor een termijn van drie maanden.

De rechtbank stelt de stukken in handen van de officier van justitie teneinde de reclassering een rapport te laten opmaken, vóór het tijdstip van de zitting waarop het onderzoek zal worden hervat, over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de terugkeer van de ter beschikking gestelde in de maatschappij zou kunnen geschieden.

De rechtbank beveelt de oproeping van de terbeschikkinggestelde, de raadsman, alsmede de deskundige en de reclassering tegen het tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat.

Deze beslissing is gegeven door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, mrs. M.J. Veldhuijzen en P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.C.J. van der Heijden en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 januari 2012.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature