< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Weigering Wet WIA-uitekering. Buiten twijfel staat dat de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan appellante uitkering verlangt voortkomt uit een andere oorzaak dan de ziekteoorzaak op grond waarvan zij voorafgaand aan 12 juli 2006 ongeschikt was voor haar arbeid.

Uitspraak



11/1767 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 11 februari 2011, 10/1112 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 2 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2011. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als shopmanager. In juni 2004 heeft zij zich ziek gemeld wegens pijnklachten in de nek, de rechterarm en -schouder, rug en bekken. Bij besluit van 27 november 2006 heeft het Uwv geweigerd een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan appellante toe te kennen, omdat zij na afloop van de - verlengde - wachttijd op 12 juli 2006 voor minder dan 35% arbeidsongeschikt werd beschouwd in de zin van die wet. De door appellante tegen dit besluit aanhangig gemaakte procedures hebben geleid tot de uitspraak van de Raad van 22 juli 2009 (LJN BJ3973), waarbij de weigering in stand is gebleven.

1.2. Namens appellante is in december 2009 aan het Uwv verzocht om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet WIA in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid.

1.3. Bij besluit van 7 april 2010 heeft het Uwv geweigerd een uitkering ingevolge de Wet WIA aan appellante toe te kennen. Aan dit besluit ligt een medische beoordeling ten grondslag, volgens welke er bij appellante geen sprake is van een toename van beperkingen voortvloeiend uit dezelfde ziekteoorzaak. Daarbij is aangegeven dat in 2006 geen beperkingen zijn vastgesteld in verband met een schildklieraandoening.

1.4. Naar aanleiding van het namens appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv een nader onderzoek laten verrichten door een bezwaarverzekeringsarts, die tot de slotsom is gekomen dat, nu ten tijde van de einde wachttijdbeoordeling in juli 2006 geen sprake was van schildklierklachten op grond waarvan beperkingen zijn aangenomen, niet gesproken kan worden van een toename van de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak. Onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 9 juli 2010 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat geen sprake is van een evident nieuwe ziekteoorzaak. Onder deze omstandigheden kan volgens appellante op grond van de vaste rechtspraak van de Raad niet aangenomen worden dat buiten twijfel is dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is in geschil of het Uwv terecht heeft geweigerd een uitkering ingevolge de Wet WIA aan appellante toe te kennen, omdat haar toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit een andere ziekteoorzaak.

4.2. In artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA is - voor zover hier van belang - bepaald dat, voor degene die aan het einde van de in artikel 54 bedoelde wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid, maar geen recht had op toekenning van een WGA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van die wachttijd wel gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid, alsnog recht op die uitkering ontstaat.

4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, zoals bijvoorbeeld neergelegd in zijn uitspraken van 20 april 2004, LJN AP0012 en 28 april 2010, LJN BM2700, brengt uitleg van de in 55, eerste lid, onder b, van de Wet WIA vervatte causaliteitseis mee dat de bewijslast in beginsel rust op degene die het standpunt huldigt dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de eerdere en latere uitval. Het is in dit geval dan ook aan het Uwv om gegevens aan te dragen die buiten twijfel stellen dat er van enig oorzakelijk verband tussen beide arbeidsongeschiktheidsgevallen geen sprake is. Ter beoordeling staat of het bestreden besluit steunt op voldoende (medische) gegevens die het ontbreken van genoemd verband aantonen.

4.4. Aan de gemachtigde van appellante moet worden toegegeven dat de door de rechtbank gemaakte opmerking over de door hem genoemde uitspraak van de rechtbank Alkmaar niet geheel begrijpelijk is. Dit laat echter onverlet dat de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts blijk geven van een voldoende volledig en zorgvuldig onderzoek waarin, anders dan appellante aanvoert, hun conclusies over de causaliteitseis overtuigend zijn gemotiveerd. Daarbij acht de Raad van belang dat gedurende de wachttijd voor appellante beperkingen golden in verband met chronische aspecifieke tendomyogene pijnklachten van het bewegingsapparaat samenhangend met haar overkomen - kleine - ongevallen. Er zijn toen geen beperkingen in verband met schildklierklachten vastgesteld. De schildklierfunctie van appellante was normaal, blijkens een toentertijd verricht onderzoek. Nu appellante geen medische gegevens in het geding heeft gebracht die een ander licht werpen op haar medische situatie ten tijde hier van belang, ziet de Raad geen reden om te twijfelen aan de door deze artsen getrokken conclusies. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat buiten twijfel staat dat de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan appellante uitkering verlangt voortkomt uit een andere oorzaak dan de ziekteoorzaak op grond waarvan zij voorafgaand aan 12 juli 2006 ongeschikt was voor haar arbeid.

4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2012.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) Z. Karekezi.

GdJ


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature