Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

In geschil is of het door de Inspecteur vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning ten bedrage van € 32.621 te hoog is. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

Uitspraak



GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector belastingrecht

nummer 11/00130

uitspraakdatum: 24 januari 2012

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 24 februari 2011, nummer AWB 10/1362, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.621 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 166. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 409.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6 Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 6 december 2011 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, en B. Meeuwsen namens de Inspecteur.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.8 Op 8 december 2011 is een brief van belanghebbende bij het Hof ingekomen. De inhoud van die brief geeft het Hof geen aanleiding het onderzoek op de voet van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht te heropenen.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar (2007) een WW-uitkering genoten. Hij heeft in 2007 eerder door hem genoten WW-uitkeringen moeten terugbetalen aan het UWV.

2.2 Belanghebbende heeft in 2007 werkzaamheden verricht voor de vennootschap A B.V. (hierna: A) te L. De werkzaamheden van belanghebbende voor A bestonden uit het zich beschikbaar stellen voor het ondergaan van medische proeven. Volgens een jaaropgave van A is aan belanghebbende voor die werkzaamheden in 2007 een bedrag van € 3.972 als ‘studievergoeding’ uitbetaald alsmede een bedrag van € 383,04 aan reiskostenvergoeding.

2.3 Belanghebbende heeft in 2007 voorts werkzaamheden verricht voor B B.V. M. Voor die werkzaamheden (bezorgen van bladen) heeft hij in 2007 € 340 genoten.

2.4 In het onderhavige jaar heeft belanghebbende als vrijwilliger werkzaamheden verricht voor Staatsbosbeheer.

2.5 In de weken 27 tot en met 39 van 2007 heeft belanghebbende werkzaamheden in dienstbetrekking verricht voor uitzendbureau C B.V. (hierna: C). De werkzaamheden zijn door belanghebbende verricht op Schiphol. Belanghebbende heeft een NS jaarkaart aangeschaft voor de periode 18 juli 2007 tot en met 17 juli 2008.

2.6 In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/premie VV) 2007 heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op aftrek van € 3.335 aan buitengewone uitgaven en € 1.889 aan aftrekbare giften. Bij het vaststellen van de onderhavige aanslag heeft de Inspecteur die aanspraken niet gehonoreerd. Het belastbare inkomen uit werk en woning is door de Inspecteur vastgesteld op € 32.621. Daarbij is rekening gehouden met een bedrag van € 1.488 aan negatief loon wegens het terugbetalen door belanghebbende van WW-uitkeringen aan het UWV.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of het door de Inspecteur vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning ten bedrage van € 32.621 te hoog is. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

3.2 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, en tot vermindering van de aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.622 en – kennelijk – een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van

€ 166.

3.4 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Het Hof acht, gelet op de onder 2.2 genoemde jaaropgave van A, aannemelijk dat belanghebbende het bedrag ter zake van de reiskostenvergoeding van (afgerond) € 383 in 2007 van A heeft ontvangen. Dit bedrag behoort tot het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). Belanghebbende heeft dit bedrag ten onrechte niet in zijn aangifte IB/premie VV 2007 verantwoord. Mede hierdoor is dit bedrag in het onderhavige jaar ten onrechte niet in de heffing betrokken door de Inspecteur.

4.2 Belanghebbende maakt aanspraak op aftrek van € 250 aan kosten in verband met zijn werkzaamheden voor A (strippenkaarten en fietsstalling) en € 340 aan kosten in verband met zijn werkzaamheden voor B. Tegenover de betwisting door de Inspecteur maakt belanghebbende – op wie te dezen de bewijslast rust – echter niet aannemelijk dat hij de door hem gestelde kosten heeft gemaakt. Hij heeft daartoe geen enkel deugdelijk bewijs bijgebracht.

4.3 De vraag of door belanghebbende een bedrag van € 126 aan – belaste - inkomsten is genoten ter zake van zijn werkzaamheden voor Staatsbosbeheer, behoeft in dit geding geen beantwoording. Het bedrag van € 126 is immers bij het vaststellen van de onderhavige aanslag niet in de heffing betrokken door de Inspecteur.

4.4 Belanghebbende heeft in 2007 bedragen aan het UWV moeten terugbetalen, omdat hij - vanwege zijn neveninkomsten – een te hoge WW-uitkering heeft genoten. In verband hiermee heeft belanghebbende in zijn aangifte een bedrag van € 1.488 als negatief loon in aanmerking genomen. Bij het vaststellen van de onderhavige aanslag heeft de Inspecteur dit bedrag in ‘aftrek’ aanvaard. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat hij in 2007 ongeveer € 100 euro per maand heeft moeten terugbetalen aan het UWV. Deze verklaring strookt in zoverre met de door belanghebbende overgelegde bankafschriften dat uit die bankafschriften niet blijkt dat belanghebbende in 2007 meer dan € 1.488 aan het UWV heeft terugbetaald. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende in 2007 meer aan het UWV heeft terugbetaald dan het – reeds in aanmerking genomen – bedrag van € 1.488. De aanspraak van belanghebbende op een extra ‘aftrek’ als negatief loon in 2007 van (€ 3.424 -/- € 1.488 =) € 1.936 kan mitsdien niet worden gehonoreerd.

4.5 Indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat belanghebbende met betrekking tot zijn werkzaamheden voor C voldoet aan de voorwaarden van de in artikel 3.87 van de Wet vervatte reisaftrek, kan hij maximaal een bedrag van € 1.889 als reisaftrek in aanmerking nemen. Anders dan waarvan belanghebbende uitgaat, biedt de Wet niet de mogelijkheid tot aftrek van de aanschafkosten van de NS jaarkaart. Het genoemde bedrag van € 1.889 betreft evenwel een bedrag op jaarbasis. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof desgevraagd bevestigd dat hij in 2007 gedurende 13 weken op Schiphol heeft gewerkt. Dit betekent dat belanghebbende maximaal ¼ van € 1.889 is € 472 in aanmerking zou kunnen nemen als reisaftrek. Daarop dient echter de door belanghebbende van C ontvangen reiskostenvergoedingen van – naar blijkt uit de door de Inspecteur overgelegde loonspecificaties van C - in totaal € 408 in mindering te worden gebracht. Alsdan resteert een bedrag van € 64 dat als reisaftrek in aanmerking zou kunnen worden genomen. De Inspecteur heeft zich in dit verband echter beroepen op zogenoemde interne compensatie. Nu, aldus de Inspecteur, het bedrag van € 383 (de onder 4.1 genoemde reiskostenvergoeding van A) ten onrechte niet in de heffing is betrokken, dient het bedrag van de reisaftrek van € 64 hiermee te worden gecompenseerd. Door belanghebbende zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die aan toepassing van interne compensatie in het onderhavige geval in de weg staan. Daarom honoreert het Hof het beroep van de Inspecteur op interne compensatie, hetgeen betekent dat belanghebbende geen bedrag aan reisaftrek in aanmerking kan nemen.

4.6 De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van de door hem geclaimde buitengewone uitgaven en giften. In zijn hogerberoepschrift heeft belanghebbende zich weliswaar gekeerd tegen deze oordelen van de Rechtbank, maar hij heeft daartegen geen klachten aangevoerd. Het is het Hof niet gebleken dat de beslissingen van de Rechtbank met betrekking tot deze punten rechtens onjuist zijn. Daarom verenigt het Hof zich met de beslissingen van de Rechtbank op deze punten.

4.7 Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen klachten aangevoerd tegen de in rekening gebrachte heffingsrente. Nu de aanslag niet wordt verminderd, is er ook geen aanleiding voor een vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente.

slotsom

Het gelijk is aan de Inspecteur. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 24 januari 2012 in het openbaar uitgesproken.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Daarom is de uitspraak ondertekend door mr. E. Polak.

(K. de Jong-Braaksma) (E. Polak)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 31 januari 2012

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature