< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

1. Hof veroordeelt asbestsaneringsbedrijf voor valsheid in geschrift en overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer tot een geldboete van EUR 13.500,00 en een voorwaardelijke stillegging van de onderneming voor de duur van 6 maanden.

2. Art. 4.48a, 4.54 Arbeidsomstandighedenbesluit. Ademhalingsbescherming en “terugschalen”.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



Sector strafrecht

Parketnummer : 20-003102-09

Uitspraak : 24 januari 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 september 2009 in de strafzaak met parketnummer

01-997001-08 tegen de verdachte:

gedagvaard als:

[bedrijf 1],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats], [adres],

thans genaamd:

[bedrijf 2],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats], [adres],

waarbij verdachte ter zake van:

- “opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer , begaan door een rechtspersoon ”

- “overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 1.10, tweede lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer , begaan door een rechtspersoon ”

- “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon”

- “opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1, derde lid, van de Wet milieubeheer , meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon ”

werd veroordeeld tot een geldboete van EUR 30.000,00 en gehele stillegging van de onderneming voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

A.1.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat het hoger beroep niet is gericht tegen de vrijspraak van het onder 3. ten laste gelegde ten aanzien van het valselijk opmaken van een melding aan de Arbeidsinspectie betreffende een asbestsloop te Heusden door daarin 6 juni 2008 als aanvangsdatum op te geven.

A.1.2

Artikel 407, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering houdt het volgende in:

“Zijn echter in eersten aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechtbank onderworpen, dan kan het hooger beroep tot het vonnis voor zoover dit eene of meer der gevoegde zaken betreft, worden beperkt.”

Op grond van deze bepaling kan de verdachte het hoger beroep beperken tot het vonnis voor zover dit één of meer cumulatief ten laste gelegde en derhalve gevoegde strafbare feiten betreft.

A.1.3

Naar het oordeel van het hof zijn het opgeven van 6 juni 2008 als aanvangsdatum en het vermelden dat de sloop naar aanleiding van een calamiteit moest worden uitgevoerd twee wijzen waarop één geschrift, te weten de melding aan de Arbeidsinspectie, valselijk zou zijn opgemaakt. Aldus is te dien aanzien naar het oordeel van het hof geen sprake van impliciet cumulatief ten laste gelegde feiten en derhalve geen sprake van gevoegde strafbare feiten.

Derhalve kan naar het oordeel van het hof het hoger beroep niet op een wijze worden beperkt als door de verdediging bepleit.

A.2

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk niet te zijn gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 3. ten laste gelegde ten aanzien van:

- het formulier logboek betreffende een asbestsloop te Bergschenhoek (zaak WM.07.BE)

- de melding aan de Arbeidsinspectie betreffende een asbestsloop te Luijksgestel

(zaak WM.22.LU)

- het werkplan betreffende een asbestsloop te Deurne (zaak WM.23.DE)

- de melding aan de Arbeidsinspectie betreffende een asbestsloop te Breda

(zaak SR.03.BR).

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal vernietigen en opnieuw rechtdoende – de verdachte voor de onder 1. primair, 2., 3.en 4. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot:

- een geldboete ter hoogte van EUR 30.000,00;

- stillegging van de onderneming voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Geldigheid van de dagvaarding

B.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat de inleidende dagvaarding nietig behoort te worden verklaard ten aanzien van het onder

1. subsidiair ten laste gelegde wat betreft de zinsnede “ten aanzien van die verandering(en) in werking heeft gehad”, omdat de tenlastelegging in zoverre innerlijk tegenstrijdig is. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

- verdachte moet worden vrijgesproken van de zinsneden “heeft veranderd” en “de werking daarvan heeft veranderd”;

- als tenlastelegging dan overblijft – kort weergegeven – dat verdachte een inrichting voor het (bedrijfsmatig) houden van (pels)dieren ten aanzien van de opslag van bouw- en sloopafval, klinkers en/of bouwmaterialen en/of de aanwezigheid van een kantoor, kantine, toiletten en/of douchegelegenheid, ten aanzien van die verandering(en) in werking heeft gehad;

- de feitelijk omschreven gedragingen niet terug kunnen slaan op het omschreven inrichtingsbegrip.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.2

Het hof is gebonden aan de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. Op grond daarvan gaat de beslissing over de geldigheid van de dagvaarding vooraf die over de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Het hof dient derhalve bij de beslissing over de geldigheid van de dagvaarding uit te gaan van de integrale tenlastelegging, zoals deze luidt na wijziging ervan ter terechtzitting in hoger beroep.

B.3

Het hof is ten aanzien van het onder 1. subsidiair ten laste gelegde niet van innerlijke tegenstrijdigheid gebleken. Naar het oordeel van het hof voldoet de tenlastelegging ten aanzien van het onder 1. subsidiair ten laste gelegde ook aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

C.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat de inleidende dagvaarding nietig behoort te worden verklaard ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde wat betreft het “terugschalen”, omdat de tenlastelegging in zoverre innerlijk tegenstrijdig is. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat niet zonder meer gezegd kan worden dat door het uitvoeren van werkzaamheden die zijn ingedeeld in risicoklasse 3 onder waarborgen van risicoklasse 2 nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan althans kunnen ontstaan, terwijl deze feitelijke nuancering van het gevaar in de huidige formulering van de tenlastelegging niet wordt onderkend.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

C.2

Het hof is ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde niet van innerlijke tegenstrijdigheid gebleken. Naar het oordeel van het hof voldoet de tenlastelegging ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde ook aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep en voor zover thans nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

1. primair

zij in of omstreeks het jaar 2008, in elk geval op of omstreeks 21 oktober 2008 te Hapert, gemeente Bladel, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning een in of op perceel [perceel] gelegen inrichting voor het (bedrijfsmatig) opslaan van bouw- en sloopafval, klinkers en/of bouwmaterialen, zijnde een inrichting genoemd in categorie 11 en/of 28 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende

Bijlage I, en tevens behorende tot een bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer aangewezen categorie van inrichtingen waarvoor de verboden van artikel 8.1, eerste lid van de Wet milieubeheer golden, heeft opgericht en /of in werking heeft gehad;

subsidiair

zij op of omstreeks 21 oktober 2008 te Hapert, gemeente Bladel, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel [perceel] gelegen inrichting voor het (bedrijfsmatig) houden van (pels)dieren, zijnde een inrichting genoemd in

categorie 8 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I en tevens behorende tot een bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer aangewezen categorie van inrichtingen waarvoor de verboden van artikel 8.1, eerste lid van de Wet milieubeheer golden, ten aanzien van de opslag van bouw- en sloopafval, klinkers en/of bouwmaterialen en/of de aanwezigheid van een kantoor, kantine, toiletten en/ of douchegelegenheid, heeft veranderd of de werking daarvan heeft veranderd en/of ten aanzien van die verandering(en) in werking heeft gehad;

2.

zij als degene die een inrichting, als bedoeld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, gelegen aan de [adres] te Lage Mierde, in de gemeente Reusel - De Mierden, in of omstreeks de periode van 19 februari 2008 tot en met

21 oktober 2008 heeft veranderd en/of de werking van die inrichting heeft veranderd, ten aanzien van de opslag van bouw- en sloopafval en/of van asbest en/of asbesthoudende materialen, die verandering niet tenminste 4 weken voor die verandering, immers nog niet op 21 oktober 2008 had gemeld aan Burgemeester en Wethouders van die gemeente;

3.

zij in of omstreeks de periode van 8 oktober 2007 tot en met 12 augustus 2008 in de gemeente Bladel, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, opzettelijk

- een melding aan de Arbeidsinspectie betreffende een asbestsloop te Heusden, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende zij, verdachte, op of omstreeks 6 juni 2008 daar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid 6 juni 2008 als aanvangsdatum opgegeven en/of vermeld dat de sloop naar aanleiding van een calamiteit moest worden uitgevoerd (zaak WM.12.HE) en/of

- een formulier logboek van 30 juni 2008, betreffende een asbestsloop in Gilze-Rijen zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende zij, verdachte, in Gilze Rijen opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen geregistreerd dan in werkelijkheid waren gewerkt (zaak WM.13.GI) en/of

- een werkplan betreffende een asbestsloop te Eersel, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende zij, verdachte, op of omstreeks 21 juni 2008 te Eersel en/of Hapert opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid de namen van de daar aanwezige Poolse arbeiders niet vermeld (zaak WM.24.EE) en/of

- een formulier logboek van 8 juli 2008 betreffende een asbestsloop te Oosterhout, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende zij, verdachte, op of omstreeks 8 juli 2008 te Oosterhout en/of Hapert opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen geregistreerd dan daadwerkelijk waren gewerkt (zaak WM.31.OO) en/of

- een formulier logboek van 28 mei 2008 betreffende een asbestsloop te Bavel, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende zij, verdachte, op of omstreeks 28 mei 2008 te Bavel en/of Hapert opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen geregistreerd dan daadwerkelijk waren gewerkt (zaak SR.02.BA) en/of

- twee, althans een, formulier(en) logboek van 26 en/of 27 juni 2008 betreffende een asbestsloop te Eersel, zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, althans heeft vervalst hebbende zij, verdachte, op of omstreeks 26 en/of 27 juni 2008 te Eersel en/of Hapert opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen geregistreerd dan daadwerkelijk waren gewerkt (zaak SR.04.EE)

met het oogmerk om voormelde formulier(en) logboek, melding(en) en/of werkplan(nen) als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken;

4.

zij in of omstreeks de periode van 31 mei 2008 tot en met 18 juni 2008 in de gemeente(n) Amersfoort en/of Tilburg, meermalen, althans eenmaal, al dan niet opzettelijk, bedrijfsmatig, althans in een omvang en/of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht, bestaande uit het

- in of omstreeks de periode van 1 tot en met 9 juni 2008 in de gemeente Amersfoort verrichten van sloopwerkzaamheden ingedeeld in risicoklasse 3 onder waarborgen voor risicoklasse 2 en/of het uitsluizen van ongereinigd, althans onvoldoende gereinigd, en mogelijk met asbest besmet materiaal (zaak WM.14.AM) en/of

- op of omstreeks 31 mei 2008 in de gemeente Tilburg verrichten van sloopwerkzaamheden ingedeeld in risicoklasse 3 onder waarborgen van risicoklasse 2 en/of het uitsluizen van ongereinigd, althans onvoldoende gereinigd, mogelijk met asbest besmet materiaal (zaak WM.27.TI) en/of

- op of omstreeks 18 juni 2008 in de gemeente Tilburg verrichten van sloopwerkzaamheden ingedeeld in risicoklasse 2 onder waarborgen van risicoklasse 1 (zaak SR.05.TI)

terwijl daardoor (telkens), naar zij wist, althans redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden, althans konden ontstaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

D.1 Ten aanzien van het onder 1. primair ten laste gelegde

D.1.1

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het onder 1. primair ten laste gelegde feit, te weten – zakelijk weergegeven – het opzettelijk zonder daartoe verleende vergunning oprichten van een inrichting voor het (bedrijfsmatig) opslaan van bouw- en sloopafval, klinkers en/of bouwmaterialen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

D.1.2

Op grond van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer , zoals dat luidde ten tijde van het ten laste gelegde, wordt onder een inrichting verstaan: “elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht”.

Het hof merkt daarbij op dat eenmalige activiteiten die in een relatief kort tijdsbestek kunnen worden afgerond niet kunnen gelden als bedrijfsmatig ondernomen bedrijvigheid die pleegt te worden verricht. Ook het enkel laten liggen van op of in de bodem gebrachte afvalstoffen levert niet een zodanige bedrijvigheid op.

D.1.3

Uit het voorhanden bewijs kan slechts blijken dat op een enkele dag, te weten op 21 oktober 2008 bouw- en sloopafval, klinkers en bouwmaterialen lagen opgeslagen op het onderhavige perceel. Naar het oordeel van het hof schiet het voorhanden bewijs dan ook tekort om te kunnen vaststellen dat deze opslag van bouw- en sloopafval, klinkers en bouwmaterialen een bedrijvigheid was die pleegde te worden verricht en aldus dat sprake was van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer .

D.1.4

Gelet op het vorenoverwogene is er geen bewijs voorhanden dat verdachte een inrichting heeft opgericht dan wel in werking heeft gehad.

Bijgevolg zal de verdachte worden vrijgesproken van het onder 1. primair ten laste gelegde.

D.2 Ten aanzien van het onder 1. subsidiair ten laste gelegde

D.2.1

Op grond van artikel 1.1, vierde lid, Wet milieubeheer moeten als één inrichting worden beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Het hof ziet zich aldus gesteld voor de vraag of sprake is van technische, organisatorische en/of functionele bindingen tussen – kort gezegd – enerzijds de opslag van bouw- en sloopafval, klinkers en bouwmaterialen en het kantoor, de kantine, de toiletten en de douchegelegenheid en anderzijds de nertsenhouderij.

D.2.2

Naar het oordeel van het hof was er geen sprake van een organisatorische binding, aangezien uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat de reële zeggenschap over alle activiteiten die werden verricht bij dezelfde persoon of personen berustte. Immers, de reële zeggenschap over de bedrijfsvoering van de nertsenhouderij berustte bij [betrokkene 1], terwijl uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat de reële zeggenschap over de opslag van bouw- en sloopafval, klinkers en bouwmaterialen bij medeverdachte [medeverdachte 2] berustte en dat de reële zeggenschap over het kantoor, de kantine, de toiletten en de douchegelegenheid berustte bij verdachte.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is evenmin aannemelijk geworden dat sprake was van technische binding tussen de opslag van bouw- en sloopafval, klinkers en bouwmaterialen, het kantoor, de kantine, de toiletten en de douchegelegenheid en de nertsenhouderij, aangezien het voorhanden bewijs tekort schiet om te kunnen vaststellen dat sprake was van gemeenschappelijk gebruik van voorzieningen.

Ten slotte is niet aannemelijk geworden dat sprake was van functionele binding, in aanmerking genomen dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet van feiten en omstandigheden is gebleken op grond waarvan kan worden aangenomen dat sprake was van uitwisseling van goederen, diensten, personeel of bedrijfsmiddelen tussen de nertsenhouderij en de opslag van bouw- en sloopafval, klinkers en bouwmaterialen, het kantoor, de kantine, de toiletten en de douchegelegenheid.

D.2.3

Gelet op het vorenstaande vormden de opslag van bouw- en sloopafval, klinkers en bouwmaterialen en de aanwezigheid van het kantoor, de kantine, de toiletten en de douchegelegenheid enerzijds en de nertsenhouderij anderzijds niet één inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, Wet milieubeheer . Bijgevolg is de inrichting voor het (bedrijfsmatig) houden van (pels)dieren veranderd noch de werking ervan veranderd.

D.2.4

Gelet op het vorenoverwogene is er geen bewijs voorhanden dat verdachte de inrichting heeft veranderd, de werking van de inrichting heeft veranderd of de inrichting ten aanzien van een verandering in werking heeft gehad.

Bijgevolg zal de verdachte worden vrijgesproken van het onder 1. subsidiair ten laste gelegde.

D.3 Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde

D.3.1

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het onder 2. ten laste gelegde feit, te weten – zakelijk weergegeven – het opzettelijk veranderen van een inrichting, terwijl die verandering niet ten minste 4 weken voor die verandering is gemeld aan Burgemeester en Wethouders van de gemeente Reusel – De Mierden.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

D.3.2

Op grond van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer , zoals dat luidde ten tijde van het ten laste gelegde, wordt onder een inrichting verstaan: “elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht”.

D.3.3

Naar het oordeel van het hof schiet het voorhanden bewijs tekort om te kunnen vaststellen dat op het perceel aan de [adres] te Lage Mierde voorafgaand of ten tijde van de opslag van bouw- en sloopafval en asbesthoudende materialen enige bedrijvigheid pleegde te worden verricht en aldus dat sprake was van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer .

Bij dat oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat uit het dossier naar voren komt dat de activiteiten van de voormalige huurder van het bedrijfspand waren beëindigd, terwijl uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat deze bedrijfsactiviteiten door verdachte waren overgenomen. Voorts is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken dat andere activiteiten werden verricht door verdachte naast de opslag van bouw- en sloopafval en asbesthoudende materialen.

D.3.4

Gelet op het vorenoverwogene is er geen bewijs voorhanden om te kunnen concluderen dat verdachte een inrichting heeft veranderd. Bijgevolg zal de verdachte worden vrijgesproken van het onder 2. ten laste gelegde.

Het bewijs

[…]

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

E.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

F.

Namens verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat zij moet worden vrijgesproken van het haar onder 3. ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

1. de melding aan de Arbeidsinspectie niet valselijk is opgemaakt, aangezien sprake was van een calamiteit;

2. het logboekformulier betreffende een asbestsloop in Gilze-Rijen niet valselijk is opgemaakt, aangezien na de vrijgave om 09.30 uur alleen niet-asbesthoudende golfplaten zijn verwijderd, zodat er niet met asbest is gewerkt en er geen verplichting was om de uren te registreren;

3. niet bewezen kan worden dat verdachte de logboekformulieren betreffende asbestslopen te Oosterhout, Bavel en Eersel valselijk heeft opgemaakt;

4. niet bewezen kan worden dat verdachte het werkplan betreffende een asbestsloop in Eersel valselijk heeft opgemaakt.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

G.

Met betrekking tot het hiervoor onder F. 1. gestelde:

Het hof leidt uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] af dat het gebouw gelegen op het adres [adres] te Heusden volledig intact was. Bezien in samenhang met het telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van 4 juni 2009 en het telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] en [getuige 2] van 4 juni 2008 trekt het hof hieruit het gevolg dat verdachte opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid in de melding heeft vermeld dat de sloop moest worden uitgevoerd naar aanleiding van een calamiteit.

H.

Met betrekking tot het hiervoor onder F. 2. gestelde:

H.1

Uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] leidt het hof af dat door (medewerkers van) verdachte enkel asbesthoudende golfplaten zijn verwijderd. Het logboek van 30 juni 2008 houdt in dat tussen 8.00 en 9.00 uur asbesturen zijn gemaakt. Gelet op de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en het telefoongesprek tussen

[medeverdachte 1] en [getuige 2] zijn evenwel ook na 9.00 uur nog asbestwerkzaamheden verricht, zodat door [getuige 2] opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen zijn geregistreerd dan in werkelijkheid waren gemaakt.

H.2

Het invullen van het logboek vond plaats door iemand die werkzaam was ten behoeve van verdachte. Bovendien maakte het invullen van het logboek deel uit van de normale bedrijfsvoering van verdachte. Gelet op de verklaringen van [getuige 4] en

[getuige 5] is het hof voorts van oordeel dat het registreren van minder asbesturen dan in werkelijkheid waren gewerkt door verdachte werd aanvaard, terwijl zij erover vermocht te beschikken of deze gedraging al dan niet zou plaatsvinden. Aldus heeft het valselijk opmaken van het logboek plaatsgevonden in de sfeer van verdachte, zodat het hof dit toerekent aan verdachte.

I.

Met betrekking tot het hiervoor onder F. 3. gestelde:

I.1

Aan het verweer is ten grondslag gelegd dat:

- de bij de politie door [getuige 5] afgelegde verklaringen onbetrouwbaar zijn, zodat zij niet tot het bewijs gebezigd kunnen worden;

- er geen steunbewijs is voor de verklaringen van [getuige 5];

- het onjuist invullen van de logboeken niet in de sfeer van verdachte is verricht, zodat het niet aan verdachte kan worden toegerekend.

I.2

Het hof volgt de verdediging niet in haar standpunt met betrekking tot de bij de politie afgelegde verklaringen van [getuige 5]. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan aan de betrouwbaarheid van die verklaringen, voor zover gebezigd tot het bewijs, zou moeten worden getwijfeld. Voorts kan worden opgemerkt dat [getuige 5] in deze verklaringen tevens zichzelf belast en dat deze verklaringen in voldoende mate steun vinden in de overige bewijsmiddelen.

Het hof houdt [getuige 5] aan de door hem tijdens het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen, voor zover gebezigd tot het bewijs, nu bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geen feiten of omstandigheden zijn gesteld dan wel (overigens) aannemelijk geworden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat daaraan minder geloof zou moeten worden gehecht dan aan de door hem bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde andersluidende verklaringen. Het hof bezigt voormelde verklaringen dan ook tot het bewijs.

I.3

Volgens artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige.

Deze bepaling verbiedt daarom de rechter tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Daarin is in deze zaak evenwel geen sprake, nu de verklaringen van [getuige 5] niet op zichzelf staan en voldoende steun vinden in de overige bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en in onderling tijdsverband bezien.

I.4

Het invullen van de logboeken vond plaats door [getuige 5] terwijl hij werkzaam was ten behoeve van verdachte. Bovendien maakte het invullen van het logboek deel uit van de normale bedrijfsvoering van verdachte. Gelet op de verklaringen van

[getuige 4] en [getuige 5] is het hof voorts van oordeel dat het registreren van minder asbesturen dan in werkelijkheid waren gewerkt door verdachte werd aanvaard, terwijl zij erover vermocht te beschikken of deze gedraging al dan niet zou plaatsvinden. Aldus heeft het valselijk opmaken van het logboeken plaatsgevonden in de sfeer van verdachte, zodat het hof dit toerekent aan verdachte.

J.

Met betrekking tot het hiervoor onder F. 4. gestelde:

J.1

Aan het verweer is ten grondslag gelegd dat:

- getwijfeld kan worden aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 3], zodat deze verklaring niet tot het bewijs kan worden gebezigd;

- de Polen geen asbestwerkzaamheden hebben verricht, zodat zij niet in het werkplan en het logboek vermeld hoefden te worden.

J.2

Het hof volgt de verdediging niet in haar standpunt met betrekking tot de verklaring van [getuige 3]. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan aan de betrouwbaarheid van die verklaring, voor zover gebezigd tot het bewijs, zou moeten worden getwijfeld. Voorts vindt deze verklaring in voldoende mate steun in de overige bewijsmiddelen. Het hof bezigt de verklaring dan ook tot het bewijs.

J.3

Uit de opgenomen telefoongesprekken en de verklaring van [getuige 3], bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen, leidt het hof af dat drie Polen genaamd [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] op 18 juni 2008 asbestwerkzaamheden hebben verricht.

Op grond van het werkplan vindt de registratie van de werknemers die het asbest slopen en aan asbest bloot staan plaats in het logboek. Gelet op bijlage G bij het certificatieschema voor het SCA Procescertificaat Asbestverwijdering, het model werkplan, maakt het logboek deel uit van het werkplan.

Gelet op het vorenstaande zijn de drie Polen opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid niet opgenomen in het logboek en aldus opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid niet vermeld in het werkplan.

K.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

L.1

Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat verdachte van het haar onder 3. ten laste gelegde moet worden vrijgesproken omdat er geen opzet was op het valselijk opmaken met het oogmerk om het als echt te gebruiken, overweegt het hof als volgt.

L.2

Het hof acht bewezen dat verdachte opzettelijk de melding valselijk heeft opgemaakt. In aanmerking genomen dat de melding namens verdachte is verstuurd aan onder meer de Arbeidsinspectie Roermond, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de melding valselijk is opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

L.3

Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen zijn het werkplan en de logboeken valselijk en in strijd met de waarheid opgemaakt doordat daarin werd verhuld dat Poolse arbeiders aanwezig waren en asbestwerkzaamheden hebben uitgevoerd respectievelijk dat meer asbesturen waren gewerkt. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, maakt het logboek deel uit van het werkplan. Op grond van artikel 4.50, zesde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit is het werkplan of een afschrift daarvan op de arbeidsplaats aanwezig en wordt het desgevraagd getoond aan de toezichthouder. Onder die omstandigheden kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de logboeken en het werkplan door verdachte valselijk zijn opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

L.4

Het hof verwerpt het verweer.

M.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat zij moet worden vrijgesproken van het haar onder 4. ten laste gelegde ten aanzien van het uitsluizen in Amersfoort. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

- geen sprake is geweest van een zodanige wijze van uitsluizen dat er gevaar voor het milieu ontstond of kon ontstaan;

- indien niet op een geheel correcte manier zou zijn uitgesluisd het bewijs tekort schiet om te kunnen vaststellen dat daardoor gevaar voor het milieu ontstond of kon ontstaan;

- het onjuist uitsluizen een incidentele gedraging van haar medewerkers is die niet in de sfeer van verdachte is verricht, zodat zij niet aan verdachte kan worden toegerekend.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

M.2

Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat voor het uitsluizen van asbesthoudend materiaal geen sluis was gemaakt, dat de pakketten niet door een douche zijn gegaan en eerst buiten nat zijn gemaakt.

Het hof is van oordeel dat als gevolg van deze handelwijze onvoldoende gereinigd, mogelijk met asbest besmet materiaal is uitgesluisd. Immers, doordat eerst buiten de pakketten nat gereinigd zijn, is het mogelijk dat zich op de pakketten asbestvezels bevonden die buiten (in de lucht) vrij konden komen. Wanneer de pakketten binnen een sluis nat gereinigd waren, was dat niet het geval geweest.

M.3

In artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer is bepaald dat onder “gevolgen voor het milieu” in ieder geval worden verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit onder meer het belang van de bescherming van de mensen.

Asbestvezels kunnen met name door inhalatie in het lichaam doordringen. Geringe blootstelling aan asbestvezels kan reeds leiden tot asbestlongkanker of mesothelioom.

Het in de lucht terechtkomen van asbestvezels brengt derhalve gezondheidsrisico’s met zich.

Het hof is dan ook van oordeel dat door het uitsluizen van onvoldoende gereinigd, mogelijk met asbest besmet materiaal nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan.

M.4

Het uitsluizen vond plaats door personen werkzaam ten behoeve van verdachte. Voorts maakte het uitsluizen deel uit van de normale bedrijfsvoering van verdachte. Tevens is het hof van oordeel dat blijkens de gebezigde bewijsmiddelen het uitsluizen van onvoldoende gereinigd, mogelijk met asbest besmet materiaal door verdachte minstgenomen werd aanvaard, terwijl zij erover mocht beschikken of deze gedraging al dan niet zou plaatsvinden. Immers, een van de twee bestuurders van verdachte was zelfs aanwezig en betrokken bij het uitsluizen. Aldus heeft het uitsluizen plaatsgevonden in de sfeer van verdachte, zodat het hof dit ook toerekent aan verdachte.

In aanmerking genomen dat [medeverdachte 1] houder was van het certificaat deskundig toezichthouder asbestverwijdering en verdachte houder was van het Procescertificaat

SC-530 Asbestverwijdering, is het hof van oordeel dat verdachte minstgenomen redelijkerwijs had kunnen weten dat door de wijze van uitsluizen nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan.

M.5

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (als hierboven genoemd), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan verdachte onder 3. en 4. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

3.

zij in de periode van 28 mei 2008 tot en met 12 augustus 2008 in Nederland, opzettelijk

- een melding aan de Arbeidsinspectie betreffende een asbestsloop te Heusden, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende zij, verdachte, op 6 juni 2008 daar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid vermeld dat de sloop naar aanleiding van een calamiteit moest worden uitgevoerd en

- een formulier logboek van 30 juni 2008, betreffende een asbestsloop in Gilze-Rijen zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende zij, verdachte, opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen geregistreerd dan in werkelijkheid waren gewerkt en

- een werkplan betreffende een asbestsloop te Eersel, zijnde een geschrift om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende zij, verdachte, opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid de namen van de daar aanwezige Poolse arbeiders niet vermeld en

- een formulier logboek van 8 juli 2008 betreffende een asbestsloop te Oosterhout, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende zij, verdachte, opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen geregistreerd dan daadwerkelijk waren gewerkt en

- een formulier logboek van 28 mei 2008 betreffende een asbestsloop te Bavel, zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende zij, verdachte opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen geregistreerd dan daadwerkelijk waren gewerkt en

- twee formulieren logboek van 26 en 27 juni 2008 betreffende een asbestsloop te Eersel, zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hebbende zij, verdachte, op 27 juni 2008 opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid minder asbesturen geregistreerd dan daadwerkelijk waren gewerkt,

met het oogmerk om voormelde formulieren logboek, melding en werkplan als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken;

4.

zij in de periode van 31 mei 2008 tot en met 18 juni 2008 in de gemeente Amersfoort opzettelijk bedrijfsmatig handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht, bestaande uit het

in de periode van 1 tot en met 9 juni 2008 in de gemeente Amersfoort uitsluizen van ongereinigd, althans onvoldoende gereinigd, en mogelijk met asbest besmet materiaal

terwijl daardoor, naar zij redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan.

Partiële vrijspraak

N.1

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof als volgt.

N.2 Het verrichten van sloopwerkzaamheden ingedeeld in risicoklasse 3 onder waarborgen voor risicoklasse 2

N.2.1

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het onder 4. ten laste gelegde, ook ten aanzien van het onder het eerste en tweede gedachtestreepje ten laste gelegde verrichten van sloopwerkzaamheden ingedeeld in risicoklasse 3 onder waarborgen voor risicoklasse 2.

N.2.2.1

In geval van risicoklasse 2 is de concentratie van asbeststof in de lucht waaraan werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld hoger dan de grenswaarde van 0,01 vezel per kubieke centimeter, maar lager dan of gelijk aan 1 vezel per kubieke centimeter.

Op grond van artikel 4.48 van het Arbeidsomstandighedenbesluit is alsdan in aanvulling op paragraaf 3 van afdeling 5 van hoofdstuk 4 van dit besluit tevens paragraaf 4 van toepassing. Deze paragraaf bevat naast artikel 4.48 de artikelen 4.48 a tot en met 4.53.

N.2.2.2

Artikel 4.48a van het Arbeidsomstandighedenbesluit luidt als volgt:

“1. Indien, gelet op de aard van de werkzaamheden, overschrijding van de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, kan worden verwacht ondanks preventieve technische maatregelen ter beperking van de asbestconcentratie in de lucht, neemt de werkgever doeltreffende maatregelen ter bescherming van de betrokken werknemers.

2. Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval:

a. het ter beschikking stellen en het verplichten te dragen van passende ademhalingsapparatuur en andere persoonlijke beschermingsmiddelen;

b. het aanbrengen van waarschuwingsborden die voldoen aan het bij of krachtens afdeling 2 van hoofdstuk 8 bepaalde, ter aanduiding dat een overschrijding van de in artikel 4.46 genoemde grenswaarde kan worden verwacht;

c. het voorkomen van de verspreiding van stof afkomstig van asbest of asbesthoudende materialen buiten de ruimten waar de werkzaamheden plaatsvinden.

3. De ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers wordt de gelegenheid gegeven een oordeel kenbaar te maken over de maatregelen, bedoeld in het eerste lid.

4. Voordat wordt aangevangen met andere werkzaamheden, wordt respectievelijk worden het aanwezige asbest dan wel de aanwezige asbesthoudende producten verwijderd, behalve wanneer dit voor de werknemers een groter gevaar voor de veiligheid en gezondheid zou inhouden.”

N.2.2.3

Beleidsregel 4.18-3 van de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving luidde ten tijde van het ten laste gelegde als volgt:

“1. Onder persoonlijke beschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 4.18, derde lid en artikel 4.48a, tweede lid, onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit , die de betrokken werknemers doeltreffend beschermen tegen blootstelling aan asbeststof als bedoeld in artikel 4.47a, derde lid, en artikel 4.48a, eerste lid en tweede lid onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit , wordt verstaan een volgelaatsmasker of overdrukpak met externe luchttoevoer via een compressor met luchtzuiveringsunit, welke voldoen aan de normen:

a. Ontwerp norm NEN-EN 137:2002 ‘Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Onafhankelijk ademluchttoestel met een volgelaatmasker. Eisen, beproeving, merken’,

b. NEN-EN 14593-1: 2005 ‘Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Slangentoestel voorzien van een ademhalingsautomaat — Deel 1: Toestel met een volgelaatmasker — Eisen, beproeving en merken..

2. Indien op basis van de resultaten van de risico-inventarisatie en -evaluatie het om veiligheidsredenen niet mogelijk is om de in het eerste lid genoemde typen ademhalingsbeschermingsmiddelen te gebruiken, kan in dergelijke situaties een volgelaatmasker met aanblaasunit en P3SL-filter en voorfilter worden toegepast, welke voldoen aan de normen:

a. NEN-EN 136:1998 ‘Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Volgelaatmaskers. Eisen, beproevingsmethoden, merken, met correctieblad van 01 - 2000’,

b. NEN-EN 143:2000 ‘Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Deeltjesfilters. Eisen, beproeving, merking’,

c. NEN-EN 12942:1998/A1 2003 ‘Ademhalingsbeschermingsmiddelen. Aangedreven filters gecombineerd met volgelaatmaskers, halfgelaatmaskers of kwartgelaatmaskers — Eisen, beproeving, merken’.”

N.2.2.4

In geval van risicoklasse 3 is de concentratie van asbeststof in de lucht waaraan werknemers in verband met de arbeid worden blootgesteld hoger dan 1 vezel per kubieke centimeter. Op grond van artikel 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit is alsdan in aanvulling op de paragrafen 3 en 4 van afdeling 5 van hoofdstuk 4 van dit besluit tevens paragraaf 5 van toepassing. Deze paragraaf bevat naast artikel 4.53 a nog één artikel, te weten artikel 4.5 4.

N.2.2.5

Artikel 4.54 van het Arbeidsomstandighedenbesluit luidt als volgt:

“In aanvulling op artikel 4.51a, eerste en tweede lid, wordt er tevens een eindbeoordeling uitgevoerd in de naast de arbeidsplaats gelegen ruimten. Artikel 4.51a, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. ”

N.2.3

Paragraaf 4, inclusief artikel 4.48a, van afdeling 5 van hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit is gelet op het vorenstaande van toepassing bij zowel risicoklasse 2 als risicoklasse 3. Dat brengt met zich dat beleidsregel 4.18-3 van de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving zowel bij risicoklasse 2 als bij risicoklasse 3 van toepassing is.

Het hof trekt daaruit de gevolgtrekking dat zowel bij werkzaamheden in risicoklasse 2 als bij werkzaamheden in risicoklasse 3 de werkgever in beginsel een volgelaatsmasker of overdrukpak met externe luchttoevoer via een compressor met luchtzuiveringsunit ter beschikking dient te stellen en dient te verplichten te dragen. Slechts wanneer het om veiligheidsredenen niet mogelijk is om dergelijke ademhalingsbeschermingsmiddelen te gebruiken, kan een volgelaatmasker met aanblaasunit en P3SL-filter en voorfilter worden toegepast.

Aldus kan niet gesteld worden dat door het gebruik van afhankelijke ademhalingsbescherming in plaats van onafhankelijke ademhalingsbescherming sloopwerkzaamheden ingedeeld in risicoklasse 3 onder waarborgen voor risicoklasse 2 zijn verricht.

N.2.4

Blijkens het vorenstaande brengt de omstandigheid dat sprake is van risicoklasse 3 ten opzichte van risicoklasse 2 enkel de verplichting tot een extra eindbeoordeling in de naast de arbeidsplaats gelegen ruimten met zich.

N.2.4.1

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat bij het project in Amersfoort een eindbeoordeling in de naast de arbeidsplaats gelegen ruimten is uitgevoerd.

Het voorhanden bewijs schiet dan ook te kort om vast te kunnen stellen dat in Amersfoort sloopwerkzaamheden ingedeeld in risicoklasse 3 onder waarborgen voor risicoklasse 2 zijn verricht.

N.2.4.2

Voorts heeft het hof in het dossier ten aanzien van het project in Tilburg geen eindbeoordeling aangetroffen, zodat het niet kan vaststellen of er in de naast de arbeidsplaats gelegen ruimten een eindbeoordeling is uitgevoerd.

Het voorhanden bewijs schiet dan ook te kort om te kunnen vaststellen dat in Tilburg sloopwerkzaamheden ingedeeld in risicoklasse 3 onder waarborgen voor risicoklasse 2 zijn verricht.

N.3 Het verrichten van sloopwerkzaamheden ingedeeld in risicoklasse 2 onder waarborgen voor risicoklasse 1

N.3.1

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het onder 4. ten laste gelegde, ook ten aanzien van het onder het derde gedachtestreepje ten laste gelegde verrichten van sloopwerkzaamheden ingedeeld in risicoklasse 2 onder waarborgen voor risicoklasse 1.

N.3.2

Uit het onderzoek ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat op 18 juni 2008 in Tilburg in een loods op het adres [adres] deuren uit een stal zijn verwijderd. In het dossier bevindt zich een asbestinventarisatierapport van 18 april 2006 met rapportnummer [nummer]. Dat rapport houdt evenwel geen indeling in risicoklassen in. Voorts bevindt zich in het dossier een brief d.d. 18 juni 2008 van [bedrijf 3], opgemaakt door [betrokkene 5], inhoudende een overzicht van de verschillende asbesthoudende materialen met bijbehorende verwijderingsmethoden en risicoklassen aangetroffen op de locatie [adres] te Tilburg. Dit overzicht houdt onder meer in:

Type materiaal Toepassing materiaal Verwijderingsmethode Risicoklassen SZW

Asbestcement plaat gespijkerd op deuren ACVL-S3 1

Gelet op het vorenstaande schiet naar het oordeel van het hof het voorhanden bewijs dan ook te kort om te kunnen vaststellen dat die op 18 juni 2008 verrichte sloopwerkzaamheden waren ingedeeld in risicoklasse 2.

N.4 Het uitsluizen in Tilburg

N.4.1

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het onder 4. ten laste gelegde, ook ten aanzien van het onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde uitsluizen van ongereinigd of onvoldoende gereinigd, mogelijk met asbest besmet materiaal.

N.4.2

Blijkens de verklaring die [getuige 5] bij de politie heeft afgelegd op 30 oktober 2008 moest er een wand komen aan de achterzijde van het pand aan de [adres] te Tilburg voorafgaand aan de asbestsanering, aangezien de slopers de achtergevel al gesloopt hadden. [getuige 6] heeft ter terechtzitting in hoger beroep als getuige een verklaring afgelegd dat deze buitenwand uit een plaat bestond, dat de zuivere ruimte ook dicht gezet wordt zodat het één wand is en dat wanneer je één plaat weghaalde je al bij de zuivere ruimte kwam. Uit de van het werkplan deel uitmakende situatieschets leidt het hof voorts af dat de schone ruimte tegen de buitenwand gebouwd zou worden.

N.4.3

Gelet op het vorenoverwogene kan naar het oordeel van het hof niet worden uitgesloten dat de buitenwand enkel ter hoogte van de zuivere ruimte geopend was en aldus dat het uitsluizen van het asbesthoudend materiaal op een juiste wijze heeft plaatsgevonden. Het hof heeft dan ook uit het voorhanden bewijs niet de overtuiging bekomen dat ongereinigd of onvoldoende gereinigd, mogelijk met asbest besmet materiaal is uitgesluisd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

O.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij ten aanzien van het onder 4. bewezen verklaarde moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het verweer berust op – zakelijk weergegeven – de stelling dat artikel 32, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet zich tot artikel 10.1, eerste lid, van de

Wet milieubeheer verhoudt als een bijzondere tot een algemene strafbepaling, in de zin van artikel 55, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

O.2

De stelling van de verdediging kan niet worden aanvaard, reeds omdat het door artikel 32, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet voorziene misdrijf niet alle bestanddelen van artikel 10.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer bevat en overigens onvoldoende grond bestaat om te kunnen aannemen dat de wetgever desondanks een verhouding als vorenbedoeld heeft gewild.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

P.

Het onder 3. bewezen verklaarde levert op:

Het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Het onder 4. bewezen verklaarde levert op:

Het door een rechtspersoon opzettelijk begaan van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer .

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof aan verdachte voor de onder 1. primair, 2., 3.en 4. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van EUR 30.000,00 en stillegging van de onderneming voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 1. primair en subsidiair en 2. ten laste gelegde en van onderdelen van het onder 4. ten laste gelegde, en komt aldus tot een bewezenverklaring van minder feiten dan waarvan de advocaat-generaal bij het bepalen van zijn vordering is uitgegaan.

De verdediging heeft op gronden als in de pleitnota verwoord strafverlaging bepleit.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat door het bewezen verklaarde onder 3. het vertrouwen dat door de toezichthouder en overigens in het maatschappelijk verkeer mag worden gesteld in de echtheid van geschriften als de onderhavige is verstoord;

- de omstandigheid dat door het onder 4. bewezen verklaarde artikel 10.1 van de

Wet milieubeheer is overtreden, welke bepaling tot doel heeft nadelige gevolgen voor het milieu van handelingen met betrekking tot afvalstoffen te voorkomen;

- de omstandigheid dat asbest een stof is die schadelijk kan zijn voor de volksgezondheid; regels die erop gericht zijn blootstelling aan asbest te voorkomen en regels met betrekking tot de registratie van mogelijke blootstelling aan asbest, moeten derhalve strikt worden nageleefd.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie

d.d. 9 december 2011, waaruit blijkt dat zij niet eerder door de strafrechter is veroordeeld;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Aan de hand daarvan acht het hof een geldboete ter hoogte van EUR 15.000,00 alsmede een voorwaardelijke stillegging van de onderneming voor de duur van 6 maanden een passende reactie.

De inhoud van het procesdossier geeft het hof evenwel aanleiding te onderzoeken of in de onderhavige zaak het recht van verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

De verdachte heeft op 10 september 2009 hoger beroep ingesteld. Het hof doet uitspraak meer dan 28 maanden na de datum waarop hoger beroep is ingesteld, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die een zo langdurig tijdsverloop rechtvaardigen.

Een en ander brengt met zich mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, hetgeen in casu moet leiden tot strafvermindering.

Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

Het hof ziet in de hiervoor geconstateerde schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn aanleiding een geldboete ter hoogte van EUR 13.500,00 op te leggen.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Met oplegging voorts van een voorwaardelijke stillegging van de onderneming wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht , de artikelen 1a, 2, 6 en 7 van de Wet op de economische delicten en artikel 10.1 van de Wet milieubeheer , zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1. primair en subsidiair en 2. ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3. en 4. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 3. en 4. meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 13.500,00 (dertienduizend vijfhonderd euro).

Beveelt de stillegging van de onderneming van de verdachte waarin het economisch delict is gepleegd voor de duur van 6 maanden (zes) maanden.

Bepaalt dat deze bijkomende straf van stillegging van de onderneming van de verdachte niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. T.A. de Roos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 24 januari 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature